Uw zoekacties: Blader door de toegangen Blader door de toegangen Structuurcommissie midden- en kleinbedrijf Noorden des Lands... Stichting Noordelijke Economisch-Technologische Organisatie,...
691 Stichting Noordelijke Economisch-Technologische Organisatie, 1934 - 1990
Uitleg bij archieftoegang

Een archieftoegang geeft uitgebreide informatie over een bepaald archief.

Een archieftoegang bestaat over het algemeen uit de navolgende onderdelen:

• Kenmerken van het archief
• Inleiding op het archief
• Inventaris of plaatsingslijst
• Eventueel bijlagen

De kenmerken van het archief zijn o.m. de omvang, vindplaats, beschikbaarheid, openbaarheid en andere.

De inleiding op het archief bevat interessante informatie over de geschiedenis van het archief, achtergronden van de archiefvormer en kan ook aanwijzingen voor het gebruik bevatten.

De inventaris of plaatsingslijst is een hiërarchisch opgebouwd overzicht van beschreven archiefstukken. De beschrijvingen zijn formeel en globaal. Het lezen en begrijpen van een inventaris behoeft enige oefening en ervaring.

Bij het zoeken in de inventaris wordt de hiërarchie gevolgd. De rubrieken in de inventaris maken deel uit van de beschrijving op een lager niveau. Komt de zoekterm in een hoger niveau voor, dan voldoen onderliggende niveaus ook aan de zoekvraag.

beacon
 
 
Inleiding
Geschiedenis van het archiefvormend orgaan
De voorbereiding
De taakuitvoering
691 Stichting Noordelijke Economisch-Technologische Organisatie, 1934 - 1990
Inleiding
Geschiedenis van het archiefvormend orgaan
De taakuitvoering
Zo ontstond in 1937 de Noordelijke Economisch-Technologische Organisatie, de NETO.
Op 1 augustus 1937 maakte de NETO een begin met haar werkzaamheden, op 1 januari 1938 trad zij in volle werking. Tot directeur werd benoemd ir. L.H. de Langen, die op 1 januari 1938 zijn funktie aanvaardde.
Eenvoudig gesteld kreeg de NETO tot doel, de welvaart in de provincies Drenthe en Groningen te bevorderen. In artikel 2 van de statuten staan de voornaamste doelstellingen van de NETO omschreven:
"het doen van onderzoekingen naar de mogelijkheid van bevordering der welvaart in de provincies Groningen en Drenthe, in het bijzonder door maatregelen op het gebied van landbouw en industrie. Zij geeft desgevraagd of uit eigen beweging voorlichting op dit gebied en kan bij de voorbereiding of uitvoering van daartoe wenselijk geoordeelde maatregelen haar medewerking en tussenkomst verlenen. Zij laat zich niet in met het geven van kredieten aan of het deelnemen in industriële ondernemingen".
De werkzaamheden van de NETO vielen uiteen in twee delen namelijk in werkzaamheden, welke zij deed op verzoek van anderen en werkzaamheden, welke zij uit eigen beweging aanvatte.
Weliswaar was de industrie in Groningen in de jaren dertig niet onbelangrijk, maar voor een aanzienlijk deel ging het hier in feite om ambachtelijke bedrijven, met enkel een verzorgende functie voor de eigen regio. Omdat de eigen provincie te weinig werk bood, vertrokken voortdurend veel Groningers naar andere delen van het land of het buitenland.
Om deze problemen te kunnen bestrijden moest er een doelgerichte economische politiek gevoerd worden. Tegen de achtergrond van deze situatie was de oprichting van de NETO in 1937 niet meer dan logisch.
Aanvankelijk lag in de werkzaamheden van de NETO de nadruk in sterke mate op de directe bevordering van de welvaart. Dit betekende onder meer, dat de NETO zich richtte op de concrete realisatie van (industriële) projekten.
In de praktijk betekende dit, dat de NETO dikwijls betrokken was bij de ontwikkeling en beoordeling van nieuwe vindingen en adviseerde over bijvoorbeeld de verbetering van produktieprocédés. Als voorbeeld kan genoemd worden een procédé om eiwitten te winnen uit het vruchtwater van aardappelen. Een ander voorbeeld is de mogelijkheid voor wagenmakers in Groningen en Drenthe tuinmeubelen te maken. Deze wagenmakers waren in moeilijkheden gekomen, doordat er geen houten boerenwagens meer werden gebouwd. De meubelen werden door de NETO zelf gekeurd en vervolgens via een verkooporganisatie afgezet.
Er werd ook aandacht gegeven aan sociaal-economisch onderzoek. Dr. E.W. Hofstee verrichtte belangrijke onderzoekingen op dit terrein.
Al in 1948 begon de NETO met systematische pogingen, om bedrijven uit andere delen van Nederland aan te trekken voor vestiging in de provincie Groningen.
In de loop van de jaren vijftig vestigden zich mede door bemiddeling van de NETO diverse belangrijke industrieën in Groningen bijvoorbeeld een sodafabriek in Delfzijl (nu Akzo), terwijl in Stadskanaal een eerste Philips-fabriek werd gevestigd.
Drenthe scheidde zich na een vijfjarige samenwerking, in 1942 af en richtte enkele jaren na de tweede wereldoorlog een eigen provinciaal instituut op, het Drents Economisch-Technologisch Instituut (DETI). Het werkterrein van de NETO beperkte zich nu tot de provincie Groningen.
Met name vanaf het midden van de jaren zestig deed zich een verschuiving voor in de aktiviteiten van de NETO
Dit was onder meer een gevolg van het feit, dat door de overheid geconstateerd werd dat het industrialisatiebeleid weliswaar redelijk succesvol was, maar dat toch nog lang niet alle problemen waren opgelost. Immers de economische groei was niet gelijkmatig over het land gespreid. De economische activiteiten zouden meer gelijkmatig over het land gespreid moeten worden. Voor Groningen betekende de spreidingsgedachte, dat een veel sterkere groei van de werkgelegenheid zou moeten plaatsvinden dan tot nu toe gebruikelijk was.
Door een sterk toenemende werkgelegenheid in Groningen, zou immers de migratie van Groningen naar West-Nederland afgeremd kunnen worden. Daarnaast deed zich in Nederland en Groningen een toename voor in de aandacht voor het welzijn van de bevolking nu een zekere mate van welstand was bereikt.
Dit leidde ertoe, dat in de werkzaamheden van de NETO een groeiende aandacht kwam voor welzijnsaspecten en de mogelijkheden om een meer gelijkmatige economische ontwikkeling te bevorderen. De NETO kreeg ook meer onderzoeksopdrachten op deze terreinen.
Deze verschuiving in werkzaamheden betekende echter niet, dat de aandacht voor landbouw, industrie en bedrijfsleven verdween.
Het NETO had een algemeen en een dagelijks bestuur. Algemeen en dagelijks bestuur vormden tezamen het bestuur. Het algemeen bestuur bestond uit ten hoogste elf leden.
De leden van het algemeen bestuur werden benoemd en ontslagen door de colleges van Gedeputeerde Staten van Drenthe en Groningen.
Het dagelijks bestuur bestond uit de voorzitter van het algemeen bestuur en twee andere leden, door het algemeen bestuur uit zijn midden gekozen en hield toezicht op het beleid van de directeur.
Het bestuur werd bijgestaan door adviescolleges te weten de Provinciale Commissies voor Drenthe en Groningen en de Raad van Bijstand.
Elk der provinciale commissies bestond uit ten hoogste vijftien leden.
In de loop van haar bestaan heeft de NETO talloze onderzoeken verricht die in onderzoeksrapporten zijn vastgelegd.
De NETO ontving haar inkomsten uit enerzijds subsidie van de overheid, namelijk het rijk, de provincie en de gemeenten en het bedrijfsleven, anderzijds uit in opdracht uitgevoerde onderzoeken.
De organisatie werd gehuisvest in het gebouw van het Hygiënisch Laboratorium van de Rijksuniversiteit te Groningen, waar ze de beschikking kreeg over enige lokalen.
Deze lokalen boden echter te weinig ruimte en in de loop van 1939 vond de verhuizing plaats naar een ruim pand aan de Vismarkt 15a.
In mei 1958 vond opnieuw een verhuizing plaats, ditmaal naar Vismarkt 39a.
De laatste verhuizing vond plaats in 1967. Door medewerking van het gemeentebestuur van Groningen werd kantoorruimte verkregen aan de Turfsingel 65, waar de NETO vanaf 1 april 1967 was gehuisvest.
In de loop van de tijd groeide het aantal werknemers sterk.
Naast het vaste personeel waren ook verschillende personen voor bepaalde onderzoeken kortere of langere tijd in dienst.
In 1972 werd de naam NETO officieel gewijzigd in Economisch-Technologisch Instituut Groningen (ETIG).
Deze organisatie is per 1 januari 1989 opgeheven.
Bij de liquidatie ervan is gekozen voor de lijn van incorporatie van taken en daaraan gekoppelde medewerkers, die ook voor langere termijn voor de provincie van belang zijn. Totaal zijn op deze taken 5 voormalige ETIG-medewerkers geplaatst. De overige medewerkers zijn herplaatst op vacatures binnen het provinciale apparaat.
Geschiedenis van het archief
Verwerving
Selectie
Verantwoording van de inventarisatie
Openbaarheid
Bijlagen
Literatuur
Lijst van directeuren vanaf 1937

Kenmerken

Beschrijving:
Inventaris van het archief van de Stichting Noordelijke Economisch-Technologische Organisatie, in 1971 voortgezet als Stichting Economisch Technologisch Instituut Groningen
Bewerker:
R. Jonker en S. Koorn
Behoort tot collectie:
Provincie Groningen
Laatste Publicatie:
1997
Omvang:
7,25 m standaardarchiefberging