Zoek op de website

Casus De Marne

Ulrum en Hendrik de Cock


Ulrum

Het dorp Ulrum ligt op twee wierden. Het groeide in de 19e eeuw door de bloei van de landbouw uit tot een belangrijk dorp en bleef tot 1990 de hoofdplaats van de gemeente Ulrum.1 Dit dorp had echter niet alleen een sterk agrarisch karakter, maar het had in 1840 ook een gevarieerde handeldrijvende en ambachtelijke middenstandstand. Er woonden relatief weinig mensen die hadden gestudeerd volgens de beroepenstatistieken van Ulrum uit dat jaar. 2 Zo waren er onder de totale bevolking van 960 inwoners van het dorp Ulrum: 34 mensen(gezinshoofden) landbouwer(sche), maar liefst 54 werkboden, 16 dienstboden en 64 dagloners(schen). Verder enkele schippers (10), koopmannen en – vrouwen (9), timmerlieden (4), bakkers (5), schoenmakers (6), etc.

De grote boeren op het platteland van de provincie Groningen kregen rond 1800 veel bestuursmacht. Deze macht kregen ze omdat de rol van de adel tijdens de Franse overheersing sterk verzwakt was. Door deze verzwakking van de adel zagen de vooraanstaande boeren kans om land te kopen en om het collatierecht voor zichzelf te verwerven. Met dit collatierecht konden ze de predikant benoemen, zonder lidmaat te zijn van de kerkelijke gemeente.4 De boeren in het kleigebied van de provincie Groningen waren in wezen pachters, die jaarlijks een zeer lage pachtsom verschuldigd waren, de zogenaamde beklemhuur. Deze pachtsom was ooit vastgesteld en werd niet meer verhoogd. Bovendien genoten deze boeren het recht dat de beklemming erfelijk was en van vader op zoon overging. Dit was één van de redenen van hun rijkdom. In de loop van de negentiende eeuw groeide het vermogen en ook de bestuursmacht van deze boeren. Daarnaast wisten deze landbouwers zich ook intellectueel te ontwikkelen. Door deze verandering binnen de boerenstand groeide de afstand tot hun directe medewerkers, de landarbeiders. Maakte het personeel in de achttiende eeuw nog min of meer deel uit van het gezin, in de negentiende eeuw kwam hierin langzamerhand een ingrijpende verandering. Boeren die zich een nieuw voorhuis bouwden, zorgden voor een aparte plek voor hun personeel. Een plek waar verlichting, verwarming en inrichting sterk afstaken bij het comfort van de boerenfamilie. Er waren ook boeren waar de verhouding werkgever- werknemer goed was.5

Een verslechtering in de situatie van de arbeiders vond bovendien plaats in 1820 toen het slecht ging met de landbouw, tengevolge van misoogsten en door de invoer van goedkoop graan uit Rusland. De landarbeiders, de ambachtslieden en de winkeliers in Ulrum leden hier sterk onder.6 Bij werkloosheid was er voor arbeiders niet meer de steun van de boer waarop zij vroeger konden rekenen en sociale wetten ontbraken met alle gevolgen van dien. De arbeiders zwierven op straat of bezochten kroegen en vervielen vaak tot drankmisbruik.7

Er heerste onvrede onder de arbeiders en ook de kerkenraad had kritiek op de boeren. Zij stelden het eerder genoemde collatierecht ter discussie. In 1823 kwam het tot een conflict met veertien boeren die over het collatierecht beschikten. De kerkenraad hekelde het feit dat meerdere boeren geen lidmaten waren van de Nederlands Hervormde Kerk , maar wel over stemmen in het collatierecht beschikten. Deze boeren hadden daarom geen recht om een nieuwe predikant te benoemen, zo stelde de kerkenraad. Ook worden er verlichte predikanten voorgesteld. Het conflict over de benoeming duurde drie jaar en eindigde met de benoeming van Petrus Hofstede de Groot, een benoeming waarmee de kerkenraad kon instemmen.8

1 P. Brood, A.H. Huussen jr. en J. van der Kooi, Nieuwe Groninger Encyclopedie (Groningen 1999) 887.
2 J.S. van Weerden, Spanningen en Konflikten. Verkenningen rondom de Afscheiding van 1834
(Groningen 1967) 330-331.
3 Van Weerden, Spanningen en Konflikten, 330.
4 Jonn van Zuthem, ‘Een nieuwe provincie 1814-1848’ in: M.G.J. Duijvendak, H. Feenstra en
C.G. Santing ed., Geschiedenis van Groningen III (Zwolle 2009) 110 en J.S. van Weerden,
Marne memories 1 en 2 (Leens 200) 73.
5 Weerden, Marne memories, 73 en Weerden, Spanningen en Konflikten, 205.
6 Weerden, Spanningen en Konflikten, 208-209.
7 Weerden, Marne memories, 73.
8 http://www.hetverhaalvangroningen.nl/story/id/119?axelref_page=0, zoals geraadpleegd op 14 oktober 2009.

Het voorgaande vormde de achtergrond voor een belangrijke gebeurtenis in de kerkgeschiedenis, die in Ulrum plaatsvond en waarin Hendrik de Cock de hoofdrol speelde.

Hendrik de Cock

Hendrik de Cock werd op 12 april 1801 geboren te Veendam. Na zijn geboorte verhuisde hij met zijn familie naar Wildervank, waar zijn vader Tjaarda de Cock burgemeester werd in 1811. Tjaarda de Cock was getrouwd met Jantje Hindriks Kappen de Boer en was naast burgemeester ook landbouwer.9

Hendrik de Cock kreeg godsdienstonderwijs van zijn plaatsgenoot Hendrik Nieman en werd
onderwezen in de oude talen door Ds. Johannes Gerdes Oosterbeek, predikant te Veendam.10 In 1818 begon hij in Groningen zijn studie theologie die hij in binnen vier jaar wist af te ronden. Hij trouwde kort daarna in 1824 met Frouwe Venema, een dochter van een welgestelde boer uit Wildervank, met wie hij 7 kinderen kreeg.11

De Cock was predikant in verschillende Groningse dorpen. Zo stond hij in Eppenhuizen en in Noordlaren. Hij werd in 1829 predikant in Ulrum, waar hij zijn studiegenoot Petrus Hofstede de Groot 1802-1886) opvolgde. Hofstede de Groot werd na zijn ambtsperiode in Ulrum benoemd tot hoogleraar theologie aan de universiteit van Groningen.

Onder invloed van een collega verdiepte De Cock zich in de leer van Calvijn. Door deze studie liet hij in zijn preken steeds meer reformatorische opvattingen doorklinken. Opvattingen die niet door iedereen werden gewaardeerd in een tijd waarin het gedachtegoed van de Verlichting sterk de boventoon voerde. Onder invloed van zijn vrouw preekte De Cock eenvoudig om de verkondiging begrijpelijker te maken voor de “onkundige” luisteraar.12 Er kwamen veel mensen naar hem luisteren, soms van heel ver. Er waren er die bijna een halve dag onderweg waren om een kerkdienst van hem bij te wonen. Slechte kleiwegen en het ontbreken van moderne vervoersmiddelen legden deze mensen geen beperkingen op.13 Er was een sterke behoefte aan de uitleg van de ‘oude leer’, een uitleg die Hendrik de Cock wist te geven.

Vooral de ‘eenvoudige’ mensen voelden zich meer thuis bij de preken van Hendrik de Cock dan bij die van Hofstede de Groot. De laatste had verlichte ideeën, zoals de meeste predikanten in die dagen, waarbij de mens en de menselijke mogelijkheden alle aandacht kregen. De eenvoudige mensen en ook anderen uit alle lagen van de bevolking, voelden zich naast hum menselijke mogelijkheden afhankelijk van god. Het Calvinisme met de boodschap van Christus als verlosser van zonde en schuld als het hoogste goed.14 De Cock werd een soort ‘man van het volk’. In tegenstelling tot de collega predikanten keek hij, in de optiek van de dagloners en burgermannen, niet op hen neer.15 De Cock oefende kritiek uit op zijn collega’s en andersom gebeurde dit ook. In mei 1833 werd De Cock geschorst en in 1834 afgezet wegens het verstoren van orde en eendracht binnen de Nederlands Hervormde Kerk.16

De Cock verbrak de banden met de Hervormde Kerk en andere orthodoxe geloofsgroepen in heel Nederland deden hetzelfde. Deze beweging ging de geschiedenis in als ‘de Afscheiding’. De Cock schreef de ‘Acte van Afscheiding of Wederkering’ die op 13 oktober 1834 door leden van de kerkenraad van Ulrum werd getekend. Zo ontstond de eerste afgescheiden gemeente met ongeveer 240 leden.17 Het waren voornamelijk mensen uit de arbeidersstand, een groepje middenstanders en enkele landbouwers die de Acte van Afscheiding ook hadden getekend. We lezen daar de namen van de dagloners Jakob Germens Sikkens, de landbouwers K.W.Tooren en J.K. van Zwol, en de wagenmaker en kuiper H.D. Hulshoff. Onder de afgescheidenen waren ook mensen uit de gegoede stand.

9 http://www.refdag.nl/artikel/1277609/Hendrik+de+Cock+18011842.html,
zoals geraadpleegd op 14 oktober 2009.
10 Jaap van Gelderen, Frouwe Venema, een verstandige vrouw (Kampen 2001) 6.
11 http://www.refdag.nl/artikel/1277609/Hendrik+de+Cock+18011842.html.
12 Van Gelderen, Frouwe Venema, 10, 12.
13 Weerden, Spanningen en Konflikten,17.
14 Jonn van Zuthem, ‘Een nieuwe provincie 1814-1848’, 111-112.
15 Van Weerden, Spanningen en Konflikten, 17.
16 Provinciale synode kerkbestuur, Toegangsnummer 692, Inventarisnummer 571 en Henk Boels en
Albert Buursma, Canon van Groningen. 40 Ijkpunten uit de Groninger geschiedenis (Groningen
2008) 60.
17 Van Weerden, Spanningen en Konflikten, 23.

De Cock organiseerde zijn volgelingen in het Noorden, doopte kinderen van buiten de gemeente en ging voor in bijeenkomsten.18 Voor samenkomsten van een genootschap van meer dan 20 personen “[…] tot behandelen van godsdienstige onderwerpen[…]”19 werd hij gevangen gezet. In het vonnis kunnen we lezen dat De Cock werd veroordeeld tot “[…] gevangenisstraf voor den tijd van drie achtereen volgende maanden […]”.20 Daarnaast kreeg hij “[…] eene geldboete van een honderd en vijftig guldens […]”.21 De Cock zat vast van 28 november 1834 tot en met 26 februari 1835 in de gevangenis in Groningen. Zijn vrouw kreeg in die tijd onderdak in Smilde.22

Na zijn gevangenschap ging De Cock door met zijn werk. Hij stichtte nieuwe gemeenten in binnen- en buitenland en ging wonen in de stad Groningen. Daar verzorgde hij de opleiding van ongeveer 25 predikanten die dominee werden in Nederland, Duitsland, Amerika en Zuid-Afrika.23 Een jaar voor zijn dood kreeg de afgescheiden geloofsgemeenschap de erkenning als een officieel kerkgenootschap. De Cock overleed op 14 november 1842 en werd begraven op de Zuiderbegraafplaats in Groningen.

Uiteindelijk zijn het geen grote aantallen mensen die zich afscheidden, misschien uit angst om als paria te worden behandeld. Het aantal afgescheidenen in de gemeente Ulrum telde in 1849 747, dat was 28,3% van een bevolking van 2640 mensen.24 Later is er een gestadige groei van de gereformeerde gemeenschap geweest in 19e eeuw. Dit valt op te maken uit 10 jarige volkstellingen.

18 Van Gelderen, Frouwe Venema, 21.
19 Vonnis inzake van correctionele politie, Rechtbank van eerste aanleg te Appingedam, no. 1291,
Toegangsnummer 143, Inventarisnummer 44.
20 Ibidem.
21 Ibidem.
22 Van Gelderen, Frouwe Venema, 22-23.
23 Ibidem, 23-27.
24 Van Zuthem, ‘Een nieuwe provincie’, 113-114.

Identificatienummer:
NL-GnGRA_818_20150
Geografische aanduiding:
De Marne, Eenrum
Titel: Eenrum :
luchtfoto dorp
Datum: ca. 1960
Type: foto