Zoek op de website

Casus Menterwolde

Armoede en kerkelijke armenzorg


Voorwaarden voor steun

“Wij ondergeschreeven Leeden des kerkenraads van Zuidbroek en Muntendam verklaaren door deezen, dat indien Elzyn Jans, huisvrouw van Jan Derks, binnen agt jaaren, te reekenen van de tijd dat zie in het kerspel Mieden is koomen te woonen, tot armoede mogt koomen te vervallen, wij alsdan dezelve uit onze Diaconie middelen behooren te onderhouden en tot onzen last te neemen.”

Aldus luidt een borgstelling of ‘acte van indemniteit’, die eind 1784 afgegeven is door de diakenen (= armvoogden) van de hervormde gemeente Zuidbroek & Muntendam. Kennelijk verhuisde Elzyn Jans naar Meeden en bestond daar angst dat ze tot armoe zou vervallen.

Alleen als mensen in een dorp geboren waren of er acht jaar woonden en belasting betaalden, kwamen ze er in aanmerking voor steun. Voldeed iemand niet aan die voorwaarden, dan kon de plaatselijke diaconie (het kerkelijk armfonds) zo’n acte van indemniteit van die persoon eisen. En aan dat verlangen van de Meedener diaconie voldeed Elzyn dus.

Dergelijke indemniteitsacten waren in onze provincie gebruikelijk van 1704 tot ongeveer 1850, 1860 toen armenzorg vrijwel uitsluitend een kerkelijke zaak was. Iedere geloofsgemeenschap moest in die tijd zorgen voor haar eigen armen.

In Meeden, Noordbroek en Zuidbroek & Muntendam, waar in 1811 respectievelijk 93, 91 en 85 % van de inwoners hervormd was, hield dat in dat armen voor het overgrote deel aangewezen waren op de hervormde diaconieën. Volgens het diaconiereglement voor de stadsjurisdicties uit 1781 moesten deze armenfondsen zelfs de uitkeringen voor doopsgezinden, katholieken en lutheranen voorschieten, als die ter plaatse geen eigen diaconieën hadden.

Naderhand moesten de kosten dan verhaald worden op de dichtstbijzijnde katholieke, doopsgezinde of lutherse diaconie, iets wat wel eens problemen gaf.

Dankzij een uniek besluitenregister voor armenzaken in Zuidbroek & Muntendam, zijn we voor die kerkgemeente in de periode 1778 tot 1804 bijzonder goed ingelicht over de armenzorg. Weliswaar kon de boekhoudende diaken hier een voorschot op een uitkering geven, maar verder waren hij en zijn twee mede-diakenen vooral uitvoerders, en besliste de hervormde kerkeraad in zijn geheel over de toekenning, de vermindering en de vermeerdering van steun.

Iedere laatste dinsdag van de maand vergaderde de kerkeraad over armenzaken op het koor van de kerk. Daar moest een arme zich melden, als hij een vaste uitkering of iets extra’s wilde. Meestal willigde de kerkeraad zo’n verzoek in. Een afwijzing kwam veel minder vaak voor, een teken dat mensen veelal om gegronde reden, namelijk hoge nood, naar de diaconie stapten.

Als ondersteunde leverde je ook nogal wat in. Zo moest volgens het Oost-Groninger diaconiereglement van 1781 iedere bedeelde, die nog geen zestig jaar oud was, de letter D van diaconie op de linkermouw dragen. Daarmee kon iedereen natuurlijk zien, wie steun ontving, en eventueel vitten op of klikken over verzwegen bijverdiensten, bedelarij of ander wangedrag.

Terwijl in de meeste Oldambster kerspelen, zoals Noordbroek en Meeden, de D alleen op nieuwe bovenkleding van bedeelden kwam, zat die letter in Zuidbroek & Muntendam, waar hij van blauw laken was, vanaf maart 1784 op al hun bovenkleding, dus ook op de oude. Men lette er in deze gemeente ook op dat de armen die D bleven dragen.

Een vrouw die dat in 1786 weigerde, omdat ze zich een “gemerkt schaap” voelde, “en omdat de rijken dat teken hadden uitgedagt om den armen smaadheid aan te doen", verloor wegens haar “onbetaamlijke stoutheid” dan ook haar uitkering, tot ze op een zondag in de kerk haar spijt kwam betuigen, en beloofde “om voortaan de D te dragen en zig jegens de Overheid en den Kerkenraad eerbiedig en ook ootmoedig te gedragen, gelijk het den Armen betaamd”.

Armen moesten elke zondag twee maal naar de kerk, en hun kinderen gingen verplicht naar school en catechisatie. Bleven ze daaruit weg, dan dreigde stopzetting van hun uitkering. Dat merkte in 1786 een man, die niet alleen gewoonlijk de kerk meed, maar zich ook nog eens misdroeg bij de inzegening van zijn huwelijk, “waardoor hij de gansche Gemeente van welker liefdesgaven hij onderhouden wordt, grootlijks had geërgerd”. Vier weken lang kreeg hij geen weekgeld.

Elk voor- en najaar moesten alle vaste bedeelden van Zuidbroek & Muntendam naar een ‘armenmonstering’. Deze vond plaats op het koor van de kerk, of als het daar te koud was, in het rechthuis van Zuidbroek. De kerkeraad bepaalde dan wie wat meer kreeg en wie wat minder. Buurtgenoten konden daarover adviezen geven.

Vooraf gingen de diakenen bij alle armen op huisbezoek. Zo konden ze nauwkeurig onderzoeken hoe het met de behoeften stond. Ook in Meeden waren armenmonsteringen gehouden, getuige een notitie uit 1682 in het ‘Consistoriaelboek’ van die gemeente.

Hoe ver de bemoeienis van de kerkeraad ging, blijkt uit het besluitenregister van Zuidbroek. Armen vroegen daar eerst toestemming, als ze wilden trouwen en samenwonen. Een echtpaar dat gescheiden van tafel leefde, en waarschijnlijk ook van bed, kreeg te horen dat het “één pot, vuur en licht” moest houden, zoniet dan volgde intrekking van de steun.

Zelfs letten de diakenen van Zuidbroek erop, dat de bedeelden niet “de aalmoezen door overvloedig Coffy drinken verteerden”. Notoire koffiedrinkers onder de armen moesten bij de kerkeraad op het matje komen om te worden vermaand.

Soorten en aantallen armen en wat ze kregen

Als je weet welke groepen tegenwoordig gebruik moeten maken van een uitkering, weet je ongeveer ook, wie dat twee eeuwen terug moesten doen. In het algemeen ging het om marginale arbeidskrachten: zieken, gehandicapten, ouden van dagen, weduwen en ongehuwde moeders met hun kinderen, wezen en in de steek gelaten kinderen.

Voor het jaar 1810 is er een overzicht van aantallen armen per dorp. Omdat er een jaar later een volkstelling is, is ook te berekenen welk deel van de bevolking ondersteuning van een diaconie kreeg. Voor Noordbroek bleek dat 4,0 %, voor Zuidbroek & Muntendam 4,6 % en voor Meeden 3,2 %. Het ging dus steeds om een hele kleine minderheid.

Waarschijnlijk speelde hierin mee dat het in deze tijd heel goed ging met de landbouw. Zo konden boeren veel extra werk laten doen. Anderzijds was het ook een bijzonder dure tijd, en konden mensen veel moeilijker rondkomen. Dat hield elkaar zo’n beetje in evenwicht, en waarschijnlijk zijn de cijfers daarom ook wel min of meer maatgevend voor de hele periode van de kerkelijke armenzorg tussen 1700 en 1850.

Aardig is ook, dat voor 1810 te berekenen valt, wat de hervormde diaconieën per bedeelde uitgaven Die van Noordbroek gaf 1512 gulden uit voor 54 bedeelden, wat 28 gulden per persoon maakt. Die van Zuidbroek & Muntendam spendeerde 3000 gulden ten behoeve van 120 armen, oftewel 25 gulden per ‘cliënt’. Maar als arme kon je nog het best in Meeden steun krijgen.

Want voor haar 30 armen gaf de diaconie daar 1400 gulden uit, wat neerkwam op 47 gulden per individu. Uit zulke cijfers blijkt tevens, dat het armenfonds van Zuidbroek qua uitgaven en aantal armen meer dan dubbel zo groot was, als die van Meeden en Noordbroek samen. Waarschijnlijk kwam dat vooral door Muntendam. Op de klei floreerde de economie, terwijl het in de venen juist wat slechter ging in deze tijd.

Uit de bedragen per bedeelde blijkt ook, dat een uitkering iets voor erbij was. Mensen hielden pas hun hand op, als ze zichzelf niet meer konden redden, ook niet met hulp van familie en vrienden. Daarbij maakten de diaconieën onderscheid tussen vaste en tijdelijk bedeelden. De eersten kregen elke week een weekgeld en een hoeveelheid brood, terwijl de laatsten alleen op speciale aanvraag iets ontvingen.

Het Zuidbroekster besluitenregister en de diaconierekeningen van Noordbroek en Meeden maken duidelijk dat de armen maar heel weinig baar geld in handen kregen. Zo bedroegen de weekgelden voor de zeven tot negen vaste bedeelden van Meeden in 1781 gemiddeld slechts 8 à 9 stuivers. Als je nagaat dat het levensonderhoud van een volwassene in deze tijd minstens 50 stuivers per week kostte, dan ging het om een soort van zakgeld.

De meeste steun kregen de armen in natura. Allereerst betrof dat dan achtponds roggebroden. Daarvan reikte de diaconie van Noordbroek er anno 1809 een 14 per week uit. In Zuidbroek & Muntendam liet de diaconie zelf rogge in de molen malen, waarna ze het meel naar een bakker bracht. Men kocht dus geen kant-en-klaar brood, maar betaalde maal- en bakgeld voor de verwerking van de eigen, gekochte of gekregen rogge.

Het bakken rouleerde hier bij de bakkers, in Noordbroek gebeurde dat in 1846 bij aanbesteding aan de bakker die het minst vroeg. De diakenen moesten erop letten dat het armenbrood “goed en wigtig” was. In Zuidbroek werd het gemerkt met ‘ARMEN’, dit om te voorkomen dat het door bedeelden werd verkocht.

Voor mensen die zichzelf niet konden verzorgen, zoals wezen, zieken en hulpbehoevende bejaarden, betaalden de diaconieën kostgelden. Vaak werden zulke mensen bij familie ondergebracht, al is dat geen wet van meden en perzen. Vaak hingen die kostverschaffers ook zelf tegen de armoe aan, en hadden ze te weinig reserves om zomaar een extra mond te voeden, vandaar de steun.

En verder betaalden de diaconieën structureel of incidenteel huisvestingskosten, hele of gedeeltelijke wintervoorraden turf, kleding en schoeisel, verpleging, medische hulp en medicijnen, begrafeniskosten, schoolgelden, en ook wel eens schulden van bedeelden.

Die van Zuidbroek & Muntendam droeg af en toe bovendien bij in de aankoop van een goedkoop paard en een jaaglijn. Zo konden mannen aan het werk als scheepsjager, en hoefden ze geen vaste bedeling.
 

Ontvangsten van de diaconieën

Tegenover het scala aan uitgaven, stond een baaierd aan ontvangsten in de diaconierekeningen. Globaal zijn deze onder te verdelen in ontvangsten uit vastgoed en kapitaal, vrijwillige giften, inkomsten van de armen zelf en gelden waar de diaconieën recht op hadden krachtens besluitvorming van overheid en kerk.

Wat betreft het vastgoed en kapitaal zijn vooral de diaconiehuizen vermeldenswaard. Veelal ging het om losse woningen, die de diaconie gewoon kon verhuren, maar ook tegen een gereduceerd tarief of gratis kon laten bewonen door bedeelden. Verder waren er rijtjes ‘armenkamers’ (eenkamerwoninkjes), zoals omstreeks 1800 in het Pijpkergilde van Noordbroek.

Omdat de diaconie er gewoonlijk “oude en zwakke menschen" liet wonen, "en wel dikwijls uit andere gilden of plaatsen herkomstig”, ontstond er een conflict met de buurt, die vond dat ze te veel bezwaard werd met naberplichten. De Drost van het Wold-Oldambt halveerde vervolgens de dienstverlening, maar ook de beloning die er tegenover stond in de vorm van bier.

Volgens het overzicht van 1810 waren er geen werkhuizen voor behoeftigen in Meeden, Noordbroek, en Zuidbroek & Muntendam. In 1842 verrees er een achter de molen van Meeden. Het was een groot gebouw, met een mannen- en een vrouwenvleugel.

Iets soortgelijks stond later aan het zogenaamde Paleispad in Zuidbroek. Alle opgenomen oudjes moesten er vader en moeder zeggen tegen het hoofd en zijn vrouw, wat niet altijd meeviel. Bij het Zuidbroekster arm- en werkhuis zat een groot stuk land, waarop een paar koeien en varkens werden gehouden. De oudjes bewerkten het land en verzorgden de dieren.

Op de diaconierekeningen vinden we ook de pachten van stukken grond en de renten van de kapitalen, die de armenfondsen hadden belegd. Hierbij was wel degelijk gekeken naar de solvabiliteit van de pachters en leners. De diakenen mochten volgens het diaconiereglement van 1781 ook geen geld beleggen of opnemen, of land verkopen, zonder toestemming van de gehele kerkeraad.

Alledrie de diaconieën bezaten bovendien meerdere arm- of doodlakens. De duurste werden gehuurd door de rijkste ingezetenen, de goedkoopste en meest versleten exemplaren door het gewone volk. Men kon zo’n laken alleen na een begrafenis over het grafhekje draperen, maar het er ook nog een aantal zondagen overheen laten hangen. Die van Noordbroek werden bewaard in een schoolmeestershuis.

Qua vrijwillige giften moeten we allereerst denken aan de collecten met de buil bij de gewone godsdienstoefeningen, en met het bekken bij de doopbedieningen, huwelijksinzegeningen, begrafenissen en avondmaalsvieringen. Volgens Wumkes leverden builcollecten meestal kopergeld op en bekkencollecten zilvergeld. Anno 1780, 1781 kwam er te Noordbroek op zondagochtend meestal een 3 à 4 gulden uit de buil, er duidelijk bovenuit staken de opbrengsten van de ochtenddiensten op Nieuwjaarsdag (ruim 6 gulden) en Biddag (bijna 16 gulden). Zoals Wumkes zei: de Biddagen vormden het hoogtepunt van offervaardigheid.

Naast collecten kreeg een diaconie nog losse giften (of “liefdegaven”) en legaten. In allerlei dorpsherbergen hingen bovendien bussen, waar stamgasten wat kleingeld om deponeerden.

Van een heel andere orde dan deze vrijwillige giften zijn de diaconale ontvangsten van de armen zelf. Enerzijds gaat het om boedels, anderzijds om lonen en handpenningen.

Als iemand voor vast “op de Diakonye genomen” werd, kwam zijn of haar hele hebben en houden toe aan de diaconie. Deze verkocht de spullen meestal na de dood van de bedeelde op een boeldag. Ook de erfenissen voor ondersteunde wezen kwamen aan de diaconie.

Na aftrek van de schulden bleef er meestal niet veel van de boedels en erfenissen over, maar een enkele keer ging het om considerabel bezit, dat ook wel eens voor de diaconie verheimelijkt werd.

Zo verzweeg een bedeelde in Muntendam in 1792 een stuk veenland, wat aan het licht kwam doordat hij de diaconie verzocht om de turf die daar gegraven was, bij hem thuis te komen bezorgen. Dat wilde de diaconie best doen, maar ze legde vervolgens wel beslag op zijn “dalle”.

Ook de lonen van bedeelde kinderen vloeiden gedurende een aantal jaren in de diaconiekas. Deze kinderen werden na hun schooljaren, zo omstreeks hun dertiende levensjaar, ondergebracht bij een baas. Dat kon een boer zijn, maar ook een koop- of ambachtsman. In eerste instantie verdiende zo’n jongste knecht of meid slechts de kost en inwoning.

Hoe ouder, sterker en handiger zo’n bestedeling echter werd, hoe hoger de surplus-lonen. Die waren dus voor de diaconie en zelf kregen de bestedelingen er hooguit wat zakgeld, kleding en schoeisel voor weer. Wel was deze regeling eindig – ze duurde tot het moment dat de bestedeling met een bescheiden uitzet van de diaconie, de zogenaamde uitboedeling, op eigen benen kwam te staan. Hiervoor moest hij of zij de diaconie plechtig bedanken.

In Zuidbroek waren er af en toe problemen met bestedelingen, bijvoorbeeld omdat het werk ze niet lag, of omdat ze zelfs wegliepen bij hun baas. In elk geval hadden bedeelde ouders niets te zeggen over de uitbesteding van hun kroost. Van iemand die zich daartegen verzette, stopte de Zuidbroekster diaconie in 1781 de uitkering, “tot dat hij ootmoediger worde en het character der Diakonen over hem en zijn kinder erkenne”.

Wat betreft de gelden waar de diaconieën recht op hadden krachtens besluitvorming van overheid of kerk, moet men bijvoorbeeld denken aan sommen die mensen betaalden voor een huwelijksinzegening op een werkdag. Van breuken of boetes, zoals die wegens te licht bevonden gewichten, ging vaak een deel naar de armen. En dan waren er de ‘imegelden’, opgebracht door imkers van buiten, die in een kerspel hun bijenkorven bij koolzaad neerzetten. In Noordbroek, waar deze tax een stuiver per korf bedoeg, tonen de opbrengsten aan dat er in de laatste decennia van de achttiende eeuw gemiddeld zo’n 200, 300 vreemde bijenkorven in dit kerspel stonden.

Vanaf 1818 kregen de diaconieën bijna overal flinke subsidies van de Burgerlijke Armbesturen, die na 1850, 1860 het leeuwendeel van de bedeling van de diaconieën zouden gaan overnemen. Een Burgerlijke Armbestuur kwam aan inkomsten door een hoofdelijke omslag in de gemeente. Deze armenbelasting nam vaak de plaats in van de diaconale huis-aan-huis-collectes, waarvan voor 1818 nog veelvuldig sprake is.

Eigenlijk mochten zulke huis-aan-huis-collectes of ‘ommegangen’, waarbij niet alleen geld maar ook wel rogge en turf werd ingezameld, alleen worden gehouden als een diaconie met een flink tekort kampte. Een ommegang vormde een buitengewoon middel, dat louter bedoeld was om aanvullende inkomsten te genereren.

Volgens het Oost-Groninger diaconiereglement van 1781 moest er ook toestemming voor worden gevraagd bij het bevoegd gezag. De diaconie van Noordbroek lijkt zich aan deze opzet te hebben gehouden. In de Noordbroekster diaconierekeningen vinden we slechts bij uitzondering een ommegang vermeld, na een gebleken tekort.

In Meeden echter, was er elk jaar een ommegang voor de armen, ook als er een flink overschot op de diaconierekening stond. In Zuidbroek & Muntendam vond er eveneens jaarlijks een huis-aan-huiscollecte plaats, maar daar kampte de diaconie structureel met tekorten. In 1778 overtrof de tering er zelfs andermaal de nering en men overwoog er toen even, om twee maal per jaar een ommegang langs de huizen te houden.

Archiefstukken RHC Groninger Archieven

Archief Nederlands-Hervormde Gemeente Zuidbroek & Muntendam, toegangnr. 339, bevat onder meer:
- "Protocol van 't verhandelde in de maandelijksche consistorie van Zuidbroek en Muntendam ten behoeve van de Diakonij" (1778-1804)
(Dit is een unieke besluitenregister, met het lokale diaconiereglement uit 1778)
- Register bevattende aantekeningen betreffende de uitbesteding-, overlijden en correspondentie van gealimenteerden, 1799-1855
- Stukken betreffende de bedeling, 1814-1867
- Diaconierekeningen 1822-1841

Archief Nederlands-Hervormde Gemeente Meeden, toegangnr. 260, bevat onder meer:
- “Reglement van de H. Heeren Borgemeesteren ende Raad in Groningen, waarnaar de Kerkenraaden en Diaconien in de beide Oldambten, het Gorecht, Sappemeer cum annexis, en de Heerlykheid Wedde en Westerwoldingeland, zich inkomstig hebben te reguleeren”, Groningen, MDCCLXXXI (Het diaconiereglement van 1781, in duplo)
- Bestek en voorwaarden voor de aanbesteding van de sloop, reparatie en uitbreiding van diaconiegebouwen achter de molen te Meeden, 1841 of 1842
- Diaconierekeningen, 1721 - 1873
- Register van uitgaven, te doen wegens uitbesteding van armlastigen, 1757 - 1844

Archief Nederlands-Hervormde Gemeente Noordbroek, toegangnr. 275, bevat onder meer:
- Diaconierekeningen 1769-1822, 1862-1920

Literatuur

- S.H. Achterop e.a. – Meeden: geschiedenis van een Gronings dorp (Groningen 1969)
(Hieruit met name de pagina’s 318 en 319)
- H. Antonides – Noordbroek en Zuidbroek in vroegere jaren (Noordbroek 1973)
(Hieruit met name de pagina’s 89 (tekort 1812), 116 (conscriptie weesjongens 1811) en
170 (het armhuis aan het Paleispad)
- Geert Last – Een dorp in de Franse tijd (Noordbroek 1964). (Hieruit met name de pagina’s 97 en 173, conscriptie weesjongens)