Zoek op de website

Casus Pekela

De geboorte van een dorp

Het grondgebied van de huidige gemeente Pekela bestond tot eind zestiende eeuw voornamelijk uit vrijwel onherbergzame veengrond.

Hier en daar woonden kleine boeren die moedig stand hielden tussen het oprukkende veen.

Weinig anderen wilden zich toen in dit gebied vestigen.

Toch kochten vier mannen in 1598 de veengronden aan weerszijden van de rivier de Pekel Aa en ontstond op die plek een bescheiden kolonie van veenarbeiders, zonder enige voorzieningen. Pas na het midden van de zeventiende eeuw kwam er een lokale middenstand en een bestuur. Van hieruit ontwikkelde de nederzetting Pekela zich verder tot dorp.

In de achttiende eeuw kwam er een scheiding tussen Boven en Beneden Pekela.
De vier mannen die rond 1600 veengrond bij de Pekel Aa hadden gekocht, waren geïnteresseerd in de af te graven bovenlaag (turf) die in deze periode werd gebruikt als brandstof. Door de intensieve houtkap was er nauwelijks meer brandhout.

De opkomende industrie, bestaande uit ondermeer steenbakkers, pannenbakkers en kalkbranders, had veel behoefte aan brandstof. Het opkopen en exploiteren van veengebieden was daarom een goede investering.

Mathias Tijabbens, Here Wijtzes, Johan Simens en zijn vrouw Haduwe Jans, en Johan Govertz en zijn vrouw Jantijn waren de eerste vennoten van de in 1598 opgerichte Friese Compagnie (zo genoemd omdat de meeste van deze vennoten uit Friesland afkomstig waren).1 De eerste ladingen turf werden via de Pekel Aa, de Westerwoldse Aa en de Dollard afgevoerd naar Noord-Duitse steden.

Turf graven

Het graafseizoen begon eind april en liep tot begin juli. Turf graven was zwaar lichamelijk werk. In de zeventiende eeuw werd gewerkt in ploegen van zeven mannen. Het werk werd gedaan in vijf stappen, die steeds werden herhaald. Tijdens de eerste stap haalde de ‘bunder’ de bovenlaag van het veen. Daarna sneed de ‘sticker’ de vorm van de turf. Vervolgens groef de ‘graver’ de turfblokken los.

De ‘kaer-setter’ laadde de turf op de kruiwagen en als vijfde stap bracht de ‘kruyder’ de turf naar de droogplaats. Daarna begon het werk opnieuw. Vrouwen en kinderen zorgden er ondertussen voor dat de turf goed droogde. De productiecijfers werden bijgehouden in zogenoemde ‘turfboekjes’.

Van veenkolonie, via nederzetting, tot dorp

In de zeventiende eeuw kochten steeds meer vennoten aandelen in de Pekelder Compagnie, zoals de Friese Compagnie toen werd genoemd. Pieter Clock en Eess Cornelis kochten begin zeventiende eeuw veenakkers bij de Pekel Aa. Hun kleinzoon, Feicke Alles Clock, erfde een deel van deze gronden en kocht zelf nieuwe bij. Rond 1640 werd Feicke op deze manier grootgrondbezitter in het gebied en verhuurde hij grond aan anderen (pachters of meiers).

Samen met zijn vrouw, Tieets Boelesdochter, vestigde hij zich in het gebied. Verder woonden hier toen alleen turfgravers, waarvan een groot deel afkomstig was uit de Duitse gebieden.2 Na het afgraven van de venen werd de grond tot akkers of weilanden gemaakt, zoals afgesproken door de Pekelder Compagnie. Het was klaarblijkelijk de bedoeling dat er een nederzetting zou ontstaan.

In 1637 vroeg Feicke om een eigen predikant voor het gebied, waarna de ontwikkeling van een nederzetting langzaam werkelijkheid werd. Feicke overleed in 1653, Tieets tien jaar later. De nederzetting had inmiddels vaste vorm gekregen.

Voor een nederzetting was een middenstand nodig en een eigen bestuur. Behalve een predikant kwam er een molenaar (in ca. 1637 liet het lokale bestuur een molen bouwen), een schoolmeester, een smid, een aannemer, een bierbrouwer, een schoenmaker, een landmeter, een herberg, een chirurgijn en een wijnhandelaar. Omdat het gebied niet beschikte over jonkers of eigenerfde boeren, die meestal de dienst uit maakten in dorpen, waren schippers en veengrondbezitters vertegenwoordigd in het lokale bestuur.

Begin achttiende eeuw kwam de veenkolonie Pekela grotendeels in handen van de stad Groningen. In 1702 bezat de stad 79 procent van de grond. Hierdoor kon het Groningse stadsbestuur veel algemene bepalingen opstellen voor onder meer de waterstaat, de infrastructuur, beroepsuitoefening en arbeidsverhoudingen.

Scheepvaart en stoomtram

De in Pekela afgegraven turf werd over water afgevoerd naar Duitse steden en later ook naar de stad Groningen. Tot 1727 waren er geen grote directe vaarverbindingen met Pekela. Alleen schuiten (niet schepen) konden er komen. Omdat er op de veenkoloniale water nauwelijks gezeild kon worden, moesten de schuiten door scheepsjagers worden voortgetrokken. Mensen en paarden deden dit werk vanaf jaagpaden langs het water.

Turfschippers waren verenigd in gilden en speelden een vooraanstaande rol in het lokale bestuur. Rond 1700 werden de eerste scheepswerven aangelegd in Pekela. In het laatste kwart van de achttiende eeuw waren er ongeveer tien scheepswerven in Oude Pekela.

Eind negentiende eeuw ging de industrie grondstoffen, halffabrikaten en producten per tram vervoeren. In 1884 werd de eerste Stoomtramwegmaatschappij Oldambt-Pekela opgericht. Een jaar later werd de tramlijn Winschoten-Stadskanaal geopend. De tram was een veel snellere vorm van vervoer dan de trekschuit.

  1. Persoonsnamen werden in deze tijd niet eenduidig gespeld. Het gaat hier om de volgende personen met de volgende mogelijke schrijfwijzen van namen: Mathias Johan(n) Tijabbens/Thiabbens, Here Wijtzes of Heere Witses, Johan Simens/Simonsz en Haduwe/Haddu Jans, Johan/Jan Govertz/Goverts en Jantijn.
  2. De Duitse veenarbeiders waren tijdelijke krachten. De vaste veenarbeiders kwamen waarschijnlijk uit de streek. Zijn woonden op de plek van de huidige Hendrik Westerstraat.

Archiefstukken RHC Groninger Archieven

  • Stichtingsakte van de Friese Compagnie. De compagnie werd opgericht door de vier vennoten die als eerste veengrond kochten aan weerszijden van de Pekel A(a)) 19 januari 1598. Vennoten: Mathias Johan(n) Tyabbens (Thiabbens), He(e)re Witsen (Wijtzes), Johan Simens (Simonsz) en Haduwe (Haddu) Jans, Johan Govertz (Jan Goverts) en Jantijn (achternaam niet bekend) (GrA, toegangnr. 2041, Register Feith, inv. nr. 1534)
  • Aankoop van ¼ van de veengebieden van de Friese Compagnie door P(i)eter Jansen Clock en Eess Cornelis 1608 (afschrift). (GrA, toegangnr. 2041, Register Feith, inv.nr. 1535)
  • Turfboekjes: in de boekjes werd bijgehouden hoeveelheden verricht werk per arbeider, gemeten in tonnen, en ‘dagwerk’ 1810-1869 (GrA, toegangnr. 1468, Archief Veenkantoor, inv.nr. 269)
  • Instructie rentmeester: beschrijving van de taken van de rentmeester van de venen, 1848 (GrA, toegangnr. 1468, Archief Veenkantoor, inv.nr. 516)