Zoek op de website

15. Regenten en prinsgezinden 1700-1750

Portret van stadhouder Willem IV (overleden 1751), bij zijn leven vervaardigd. Portret van stadhouder Willem IV (overleden 1751), bij zijn leven vervaardigd.

In de loop van de jaren verwaterde de tegenstelling tussen de stad Groningen en de Ommelanden. Dat kwam onder meer doordat het stedelijke stapelrecht stukje bij beetje werd uitgehold.

Het was in de praktijk niet mogelijk om aan de bepalingen van deze middeleeuwse regeling vast te blijven houden. Een andere factor in de veranderende verhoudingen was het feit dat de machthebbers een gesloten groep gingen vormen.

Al vóór 1594 was het al zo dat leden van de belangrijkste geslachten in Stad en Lande onder elkaar trouwden en dat zij zowel in de Stad als in de Ommelanden hun belangen hadden. Maar wanneer het om eer en belangrijke ambten ging was binnen de elite de onderlinge rivaliteit groot.

Dit leidde tot verbitterde vijandschappen tussen individuele jonkers en ook tussen hele families.

Er ontstonden partijen die geen ander doel hadden dan invloedrijke en lucratieve functies voor hun leden te bemachtigen. Omdat uiteindelijk iedereen daaronder leed werden er steeds vaker afspraken gemaakt tussen de verschillende partijen.

Zo verdeelden de leden van de aanzienlijke geslachten onderling de buit. Daarbij maakte het niet uit of de te benoemen personen wel echt geschikt waren voor hun taak. Wie niet tot deze kliek van regenten behoorde had geen kans ooit aan de bak te komen.

In de loop van de achttiende eeuw groeide de oppositie tegen dit systeem. Het volk dat machteloos moest toezien hoe de hoge heren hun zaakjes bedisselden stelde zijn hoop op de stadhouder. Voor de gewone man was de prins van Oranje de enige die de verstikkende regentenheerschappij zou kunnen doorbreken.

Op zijn minst moest het stadhouderschap erfelijk worden, zodat de prins onafhankelijk zou zijn van de gunst der hoge heren.
In Groningen kwam het tot gewelddadigheden toen het volk vond dat het stadsbestuur wat al te lauw reageerde op de geboorte van een nieuw prinsenkind.

Oproerkraaiers plunderden het huis van burgemeester Geertsema in de Oosterstraat. Ook in Appingedam kwam het tot rellen waarbij zelfs werd geschoten. In 1748 trokken plattelanders, gewapend met stokken en knuppels, via de Ebbingepoort de stad Groningen binnen om de heren op het provinciehuis onder druk te zetten.

Ze eisten dat de prins van Oranje de gelegenheid moest krijgen om aan alle misbruiken een einde te maken.
Het gevolg van dit alles was dat stadhouder Willem IV in 1749 een nieuwe regeling voor het bestuur van het gewest kon laten aannemen.

De stadhouder werd zelf de belangrijkste figuur. Zonder zijn goedkeuring zou niemand meer een belangrijke functie kunnen krijgen. Van groot belang was ook dat er maatregelen werden genomen om de rechtspraak wat minder afhankelijk te maken van de machthebbers.

Lees verder...