Zoek op de website

19. Liberalen en socialisten 1848-1903

Oldambtster boerderij "Moria-heerd" gebouwd ca. 1744. [818-10349] Oldambtster boerderij "Moria-heerd" gebouwd ca. 1744. [818-10349]

Terwijl de welvarende middenklasse en de ontwikkelde en meest goed-gesitueerde boeren voor hun politieke rechten streden, groeiden overal de tegenstellingen tussen hen en de eenvoudige arbeiders.

De teruglopende conjunctuur droeg daar ook aan bij. In de stad voelden middenstanders en gezeten burgers zich hoog verheven boven de dagloners en op het platteland trad verwijdering op tussen de boeren en de landarbeiders. In de Veenkoloniën veranderde de structuur van de samenleving in korte tijd ingrijpend.

Schippers uit deze streek bevoeren met veel succes de Noord- en Oostzee en het kwam tot een kortstondige bloei van de zeevaart en de bijbehorende ambachten en industrieën. Later verrezen hier ook bedrijven die landbouwproducten verwerkten, zoals aardappelmeel- en strokartonfabrieken.

Mislukte oogsten veroorzaakten in 1847 bittere ellende onder de armsten en er stierven mensen van honger en gebrek. In de stad braken rellen uit die met geweld werden onderdrukt. Dit zogenaamde ‘broodoproer’ was de eerste duidelijke voorbode van de sociale problematiek die vele decennia lang de politieke agenda zou beheersen.

Maar het proletariaat was nog lang niet aan de beurt: in 1848 moest eerst de middenklasse nog haar plaats in de zon verwerven.
De stad Groningen lag nog altijd ingesnoerd binnen haar vestingwerken. De allerarmsten woonden in krotten bij de stadswallen en hun levensomstandigheden waren erbarmelijk.

Ook op het platteland groeide het armoedeprobleem. Toen de graanprijzen in de jaren zeventig gingen zakken waren de ‘champagnejaren’ (1850-1880) van de Groninger landbouw voorbij. De kleine boeren konden het hoofd nauwelijks boven water houden en de landarbeiders waren het kind van de rekening.

Mannen als Derk Mansholt en Joan Nieuwenhuis hielden de Groninger arbeiders voor dat hun situatie alleen kon verbeteren wanneer de politieke structuur veranderde.
Het ging niet in de eerste plaats om meer loon, maar om invloed op het overheidsbeleid.

In de jaren negentig gingen, vooral in het oosten van de provincie, werkloze en stakende arbeiders herhaaldelijk de straat op om uiting te geven aan hun woede en wanhoop.
Er deden zich meermalen ongeregeldheden voor waarop de overheid reageerde met het inzetten van marechaussees en huzaren. Deze confrontaties wakkerden de verbittering alleen maar aan.

Toch bleek de hoofdstroming onder de Groninger socialisten uiteindelijk niet revolutionair maar parlementair gezind. In Oost-Groningen bleef het revolutionaire element nog het langst bestaan, totdat er aan het einde van de twintigste eeuw niet meer van over was dan een stukje folklore.

Lees verder...