Zoek op de website

3. De koning en de bisschop

Akte van schenking van bezittingen en rechten in Groningen door Hendrik III aan de kerk van Utrecht, 1040 Akte van schenking van bezittingen en rechten in Groningen door Hendrik III aan de kerk van Utrecht, 1040

Groningerland hoorde 1000 jaar geleden tot het Duitse rijk.
Aan het hoofd daarvan stond een koning of keizer.

Die laatste titel kreeg hij pas wanneer hij door de paus was gekroond. De koning had in de Friese kustgebieden en ook in Drenthe verschillende landerijen en hofsteden liggen. Namens hem zorgden ambtenaren voor het beheer ervan.

Bijzonderheden zijn hierover niet bekend. We weten alleen dat 's konings greep op Groningerland erg zwak is geweest. In Drenthe heeft hij geprobeerd zijn zeggenschap te versterken door het bestuur over dat gebied op te dragen aan de bisschop van Utrecht (1024).

Hoewel Groningen bij Drenthe hoorde schonk de koning in het jaar 1040 nog eens uitdrukkelijk ook zijn landgoed in de villa Cruoninga aan de bisschop, met inbegrip van het bestuur over het noordelijkste puntje van Drenthe, het Gorecht.

De villa Cruoninga was toen al belangrijk omdat er er een markt was.
Het was vooral haar bijzondere ligging die deze nederzetting tot een voor de hand liggende handelsplaats maakte.

Hoezeer de zandgronden van Drenthe en het noordelijke kustgebied ook van elkaar geïsoleerd waren, bij het noordelijkste puntje van de Hondsrug was over het water wel degelijk verkeer mogelijk. Vooral de Drentse A die ter hoogte van Groningen vlak langs de hoge gronden stroomde bood mogelijkheden voor goederentransport.

Zo werd Groningen de plaats waar de producten van de zandgronden (hout, rogge) en het kustgebied (boter, huiden, vis) tegen elkaar konden worden geruild of verkocht.
Een goed en veilig functioneren van de Groninger markt was in het belang van iedereen: voor de Friezen aan de kust en voor de Saksische bevolking van Drenthe.

Lees verder...