Zoek op de website

In hoeverre was de Grunobuurt typisch een buurt voor spoorwegmensen?

De Grunobuurt dankt haar ontstaan aan de woningbouwvereniging Gruno die in 1919 werd opgericht door spoorwegmensen, omdat zij door hun veelvuldige verhuizingen vaak achter het net visten bij het verkrijgen van woonruimte.  De eerste tientallen leden van Gruno waren dan ook uitsluitend spoorwegmensen. Ook kregen de straten in de Grunobuurt na hun aanleg de namen van bekende spoorwegpioniers. Niet voor niets heette de buurt in de oudere jaarverslagen van Gruno de ‘spoorwegbuurt’.  Om al die redenen is ook wel aangenomen dat er heel veel spoorwegmensen in de buurt kwamen wonen en dat zij er getalsmatig nog lang een dominante positie innamen, maar klopt dat beeld wel? Aan de hand van Groninger Adresboeken, uitgekomen in 1926, 1930, 1935, 1940, 1950 en 1961, zochten we voor vier binnenstraten in de oude kern van de Grunobuurt uit, wat hier het aandeel NS-medewerkers  was op het totale aantal hoofdbewoners.

Allereerst de Stephensonstraat, die als eerste gereed was:

In 1926 hadden van de 58 hoofdbewoners hier 37 een functie bij de NS, wat neerkomt op 64% of bijna twee derde. In het begin waren de spoorwegmensen hier dus zeker dominant. In de jaren dertig nam hun aandeel echter af tot één derde, en in 1950 en in 1960 betrof het nog maar een kleine minderheid van 13, respectievelijk 5% van de hoofdbewoners.

In de Grunostraat lijkt zich een soortgelijke ontwikkeling te hebben voorgedaan:

In 1926 waren er echter slechts 6 hoofdbewoners, zodat je de twee derde meerderheid dan zeer moet relativeren. Significanter zijn de percentages vanaf 1930, als de straat zo’n 77 hoofdbewoners telt. Tot en met 1940 schommelen de percentages spoorwegmensen rond de 20%, na de oorlog zet de afname in van 16% in 1950  tot slechts 2% in 1961.

De derde straat waarvoor de ontwikkeling werd onderzocht, is de Westinghousestraat:

In deze wat later gereedgekomen straat vormden de spoorwegmensen van meet af aan een minderheid van iets meer dan een kwart van de hoofdbewoners. In de loop der jaren voltrok zich een geleidelijke afname van het aandeel NS'ers, tot er in 1961 nog maar 8% over was.

 

Tot slot de James Wattstraat:

Ook hier vormden de spoorwegmensen van meet af aan een minderheid, al nam die begin jaren 30 toe van 31% tot 35%. Vanaf 1935 zien we echter ook hier de bekende afkalving van het aandeel spoorwegmensen tot 10% in 1961.

 

Tellen we voor deze vier binnenstraten enerzijds de aantallen hoofdbewoners bij elkaar op, en anderzijds de aantallen spoorwegbeambten, dan ontstaat qua percentages het volgende beeld:

Conclusie

Bij de eerste 64 woningen in deze binnenstraten van de Grunobuurt, in 1926, had twee derde nog een hoofdbewoner die bij de Nederlandse Spoorwegen werkzaam was. In het begin was de Grunobuurt dus ontegenzeggelijk een wijk van spoorwegmensen. Maar andere mensen werden zeker niet van het Gruno-lidmaatschap uitgesloten en na de voltooiing van de andere straten, eind jaren 20, kwamen ook zij aan de beurt. Daardoor zakte het aandeel spoorwegmensen onder de hoofdbewoners rond 1930 al tot minder dan een derde. In de jaren 30 bleef het aandeel NS'ers in de Grunobuurt eerst nog op peil, na 1935 kalfde het echter voortdurend af. Qua bewoners kan je de Grunobuurt dan steeds minder een wijk van spoorwegmensen noemen. Van de vier binnenstraten was met name de Stephensonstraat, die ook als eerste gebouwd werd, een echte spoorwegmensenstaat. Na de oorlog is dat niet langer het geval. Kortom, de Grunobuurt was alleen in het begin typisch een buurt voor spoorwegmensen.

Bronnen

  • Beno Hofman, Rond Peizer- en Paterswoldseweg (Assen 2003).
  • Verhaal op de website van de Grunobuurt over het ontstaan van de buurt.
  • Groninger Adresboeken 1926-1961.
  • Jaarverslagen Woningbouwvereniging Gruno over de jaren 1929-1944. Toegang 1841: Gemeentebestuur van Groningen (3), 1916 - 1965, inv.nrs. 248 en 249.