Zoek op de website

Houtzaagmolen De Haan aan het Hoornsediep

Windhoutzaagmolen De Haan, circa 1900. Prentbriefkaart (1986-3172) Windhoutzaagmolen De Haan, circa 1900. Prentbriefkaart (1986-3172)

Een fraaie prentbriefkaart van windhoutzaagmolen De Haan aan het Hoornsediep, gezien naar het zuiden, omstreeks 1900. Aan de molenwieken en het scheepszeil is te zien dat er een zuidwestenwind staat. Op de dijk links lopen enkele mannen. Daarachter kan je nog net een glimp ontwaren van het bruggetje over het Helperdiepje, destijds nog de zuidgrens van de gemeente Groningen.  De molen stond schuin tegenover de plaats waar dit diepje uitmondde in het Hoornsediep, en daarmee nog net binnen de gemeente Groningen. Omdat het kanaal hier verlegd en verbreed is, valt de standplaats van de molen tegenwoordig niet meer te zien. Die ligt nu in het Noord-Willemskanaal, ten zuiden van de Julianabrug, bij het botenhuis van de studentenroeivereniging Gyas.

De molen van het plaatje, een forse ‘achtkante bovenkruier met zwichtstelling’ en aan weerszijden een schuur, werd volgens zijn beschrijvers gebouwd in 1858.[1] Het was niet de eerste houtzaagmolen op deze locatie. Voordien stond er ook al eentje: een ‘paltrok’, eveneens De Haan geheten. Deze was in mei 1806 voor 4000 gulden door Harm Kamerlingh in Zaandam gekocht en vervolgens als bouwpakket naar Groningen vervoerd, om hier weer te worden opgebouwd.[2]

Paltrok, voor en achterzijde. Tekeningen ontleend aan F. Stokhuyzen, "Molens" (Bussum, 1961) 54-55. Paltrok, voor en achterzijde. Tekeningen ontleend aan F. Stokhuyzen, "Molens" (Bussum, 1961) 54-55.

Een paltrok

Een paltrok was vrijwel altijd een zaagmolen. Het molentype werd rond 1600 ontwikkeld in de Zaanstreek, nadat iemand had uitgevonden hoe je met een krukas de draaiende beweging van molenwieken, tandraderen en koningsspil om kon zetten in de op en neergaande beweging van zaagramen. In de molen werden boomstammen en balken horizontaal en in lengterichting op sleden langs die zaagramen gevoerd en zo gezaagd. Omdat de stammen en balken anders buiten de molen zouden steken, kwamen er aan beide kanten van de molenromp afdakjes, die net als de werkruimte in de molen aan de voorkant dicht en aan de achterkant open waren. De dichte voorkant stond altijd naar de wind gekeerd, zodoende werden de werklui beschermd tegen weer en wind.  Dankzij deze zijvleugels kreeg de paltrok ook zijn karakteristieke uiterlijk. De gehele molen bestond uit hout en draaide met vleugels en al op een zwaar in de bodem gefundeerde, gemetselde ring. In tegenstelling tot zijn opvolger was de eerste houtzaagmolen De Haan dus een ‘onderkruier’.[3]

Opbouw van de molen

De molendatabase van verdwenen molens neemt aan dat Harm Kamerlingh zijn paltrok in hetzelfde jaar weer opbouwde, dat hij hem kocht, maar dat kan niet kloppen. Het bouwpakket moet hier zeker anderhalf jaar in de opslag hebben gelegen, zo blijkt uit de koopakte van de grond waarop hij kwam te staan. Deze akte dateert van 15 maart 1808.[4] Die dag betaalden Harm Kamerlingh en vrouw 2200 gulden aan de wed. Menders-Cloosterhuis voor de ongeveer 2 gras (bijna 1 ha) vrij en eigen land aan het Hoornsediep, met een vrije in- en uitrit voor paard en wagen naar de Hoornseweg (nu de Paterswoldseweg) waarvan de weduwe Menders zelf ook gebruik mocht blijven maken. Kopers moesten zorgen voor een nieuwe dijk en sloot, die hun terrein afscheidden van haar resterende land. Tussen mei 1808 ­en juni 1810 financierden Kamerlingh en vrouw de opbouw van hun zaagmolen door de verkoop van twee woninkjes aan de Turfsingel en een drekvoerwerk, wat al met al 1300 gulden opbracht, naast een lening van de koopman Teunis J. Hulshoff à 6000 gulden. Onderpand voor die lening was de houtzaagmolen aan het Hoornsediep met het bijbehorende land. De molen, die uiterlijk juni 1810 dus voltooid was, bleek voor 8000 gulden tegen brand verzekerd. Als geldschieter kreeg Hulshoff de polis in handen.[5]

Harm Kamerlingh

Harm Kamerlingh, de stichter van de houtzaagmolen, was in 1764 te Groningen geboren als zoon van Albertus Kamerlingh (oorspronkelijk afkomstig uit Pekela) en Meiske Wilms (oorspronkelijk uit Nieuwolda). In 1788 trouwde Harm in de Groninger Martinikerk met de iets oudere Frouke Fokkes uit Nieuwolda. Het paar kreeg 7 kinderen, waarvan de oudste en de twee jongste jong stierven. Alleen Albertus (1790), Fokko (1791), Meisina (1794) en Maria of Martha (1796) overleefden. Behalve de oudste werden alle kinderen geboren aan de Munnekeholm oostzijde, waar de Kamerlinghs tegenover het Aduardergasthuis een “herenbehuizing” met een houtstek bezaten. Via dochter Meisina werd Harm Kamerlingh de overgrootvader van Heike Kamerlingh Onnes, de latere Nobelprijswinnaar, die mogelijk ook nog wel eens op het terrein van houtzaagmolen De Haan zal hebben rondgelopen.[6] De molen bleef er lang genoeg voor in de familie.

De houthandel in het begin van de 19e eeuw

Getuige statistische opgaven uit de jaren 1809-1820 was het niet bepaald een gunstige tijd om een windhoutzaagmolen te beginnen.[7] In totaal stonden er destijds zes van die molens in de gemeente Groningen. Tot 1807 bevond hun branche zich in een florissante staat, maar van 1808 tot 1817 heet hun toestand “kwijnend” of zelfs “allerakeligst”, vooral omdat er door de Napoleontische oorlogen en de daarmee gepaard gaande stremming van de zeevaart geen hout meer uit Noorwegen en de Oostzeehavens kwam.  Ook stilstand van de scheepsbouw ­– een belangrijke afnemer van het gezaagde hout – en import van kant en klaar gezaagd hout werkten mee aan de malaise. Overigens verbeterde het economische perspectief vanaf 1817.

Wenden we de blik af van de conjunctuur, om te kijken naar de structuur van het bedrijf, dan is een opmerking uit 1809 veelzeggend:

“Deze fabrieken zijn tot meerder gerief der houtkoopers als wel voor den molenaar, om reden deze fabrieken door haar zaagloon volstrekt geen bestaan kunnen opleveren, niet meerder jaarlijks kunnen verdienen als het werkloon der knegten en zelfs onderhoud.”

Met andere woorden: houthandelaren verdienden meer aan het hout dan de zaagmolenaars. Als een zaagmulder niet tevens houthandelaar was, verdiende hij louter het zaagloon, wat niet meer was dan de door hem betaalde lonen en onderhoudskosten. Gewoonlijk echter, werkte de eigenaar van de houtzaagmolen zelf niet mee in de molen – hij was dus eerder ondernemer dan ambachtsman. Bij de gemiddelde  Groninger houtzaagmolen waren er drie volwassen werklieden in dienst. Deze verdienden hooguit een gulden per dag. Bij 300 werkbare dagen was de loonsom voor rekening van de ondernemer dus maximaal 900 gulden per jaar. Daar kwam dan nog eens het molenonderhoud als kostenpost bij, terwijl de gemiddelde Groninger zaagmolen zo’n 1200 gulden per jaar opbracht. Van die omzet bleef dan inderdaad niet veel over. De statistische opgaven melden ook nog dat de Groninger zaagmolens alleen voor gebruik in de provincie produceerden.

Harm Kamerlingh staat te boek als houtkoper bij het huwelijk van zijn zoon Willem, een aannemer, in 1821. Harm had er dus sowieso een houthandel bij. Even later werd Harm zelf in het eerste kadaster ook aannemer genoemd. Hij hoefde dus niet louter van zijn zaagmolen en de houthandel te leven en was, net als de andere eigenaren van houtzaagmolens in Groningen, in de eerste plaats ondernemer.

De Haan op de kaart

De oudste kaart waarop de houtzaagmolen De Haan voorkomt, stamt intussen uit 1818:

Het Hoornsediep met de beide oevers in 1818, opgemeten en getekend door W. van Rees. Uitsnede (817-3530). Het Hoornsediep met de beide oevers in 1818, opgemeten en getekend door W. van Rees. Uitsnede (817-3530).

Het noorden is links en het zuiden rechts. Midden door het beeld stroomt het Hoornsediep van de stadsgrens bij de Nieuwe Werken of Helperlinie (rechtsboven, nog met papiermolen) naar de  stad Groningen (linksboven). Parallel aan de onder- of westkant loopt de Hoornsche Dijk (nu Paterswoldseweg) met hier en daar een boerderij. Tegenover de Nieuwe Werken, vlakbij de grote bocht in  het Hoornsediep en enkele kalkovens, zie je de houtzaagmolen van Harm Kamerlingh staan.

Deze kaart van 1818, hoe charmant ook, geeft de situatie slechts globaal weer. Veel preciezer is de kadasterkaart van een jaar of twaalf later, die er in de digitale bewerking van HisGis zo uitziet:

Kadastrale kaart Hoornsche dijk, 1832 (www.hisgis.nl) Kadastrale kaart Hoornsche dijk, 1832 (www.hisgis.nl)

Noord is nu boven en zuid onder. Door het midden van het beeld stroomt het Hoornsediep. Links daarvan ziet men de  Hoornsche Dijk met de Hoornseweg (nu Paterswoldseweg) en rechts de Nieuwe Werken (of Helperlinie). Centraal in beeld, voorbij de bocht in het Hoornsediep en min of meer tegenover de Nieuwe Werken, ligt een L-vormige waterplas. Dit is het vrij ruime balkgat van Kamerlinghs houtzaagmolen. De houtzaagmolen zelf is het langgerekte gebouw (rood) in de ruimte tussen het balkgat en het Hoornsediep. Ten noorden daarvan bevindt zich een vierkant kluster van vier knechtenwoningen (twee maal twee, rug aan rug). Vanaf daar loopt er een laan naar de Hoornsche Dijk.

Nieuwe eigenaren

Begin 1843 overleed Harm Kamerlingh, die op dat moment al bijna tien jaar weduwnaar was.[8] Anderhalve maand later lieten zijn kinderen in Huize de Beurs zijn vastgoed veilen, in de eerste plaats

“Een windhoutzaagmolen de Haan genoemd,  met de daarbij behoorende vier knechten woningen onder één dak (…), lanen, houtkolken en gronden,  benevens de bij de molen behoorende losse goederen en gereedschappen, volgens inventaris alles staande en gelegen aan het Horensche diep buiten de Apoort  onder Groningen”.[9]

De losse goederen en gereedschappen die de koper verplicht moest overnemen, waren tezamen getaxeerd op ƒ 846,25.  Het betrof onder meer 5 (molen)zeilen, 3 rolbanken, 4 schaafbanken, 7 dommekrachten, 2 baststekers, 1 spijkertrekker, 2 trekzagen, 4 schaafdragers, 125 (oude) zagen met staarten, 23 nieuwe zagen, 10 nieuwe en 21 oude vijlen. Tevens moesten de kopers tot 1 mei 1844 in hun dienst overnemen de meesterknecht Hendrik Mulder en diens zoon, wier gezamenlijke weekloon 10 gulden bedroeg. Maar de molen werd niet verkocht, omdat de erven Kamerlingh het hoogste bod van 10.888 gulden onvoldoende vonden. Wel ging het andere vastgoed over in andere handen, zo kocht de weduwe van ds. Hendrik de Cock het huis aan de Munnekeholm.

Uit de veilingakte valt op te maken dat de oudste zoon Albertus Kamerlingh Hzn. de bedrijfsopvolger was. De akte noemt hem, als enige van de zoons, immers houtkoper. Wel zal de winst verdeeld zijn over de erven. Toen Albertus in 1845 “op het onverwachtst” overleed, werd zijn weduwe Trijntje Bronneger de eerst verantwoordelijke voor de zaak, waarbij ze als “houtkoperse ”de hulp van haar enige, nu negentienjarige zoon Albertus natuurlijk goed kon gebruiken.[10] Op aandringen van andere erven Kamerlingh kwam de molen eind januari 1847 echter opnieuw onder de hamer:[11]

Advertentie in de Groninger Courant van 19 januari 1847. Advertentie in de Groninger Courant van 19 januari 1847.

Dit keer was het hoogste bod 6966 gulden, dus ruim 3900 gulden minder dan vier jaar eerder. Desondanks accepteerden de erven Kamerlingh het nu wel.  De molen werd gekocht door een consortium dat bestond uit Trijntje Bronneger, de weduwe Albertus Kamerlingh (mede als voogdes over haar zoon Albertus) plus Johan Heinrich Muller, een “negotiant” uit Groningen, die ieder voor de helft de koopsom betaalden. Opmerkelijk is nog dat deze kopers het losse goed en gereedschap niet overnamen, omdat ze het ongeschikt vonden. Dit bleef op de veiling onverkocht.[12]

De wed. Albertus Kamerlingh kocht de andere erven Harm Kamerlingh dus uit met behulp van een geldschieter. Hoewel de houtzaagmolen anno 1852, getuige advertenties voor groenland in de buurt, nog bekend stond als als zijnde van de wed. A. Kamerlingh, kocht zij het bedrijf waarschijnlijk voor haar zoon Albertus jr., die haar aandeel ook werkelijk overnam bij een boedelscheiding in 1856.[13] Bij die gelegenheid werd, net als bij zijn huwelijk een jaar eerder, steenfabrikant genoemd, terwijl hij bij de geboorte van zijn kinderen in 1856, 1858 en 1860 respectievelijk koopman, fabrikant/koopman en houthandelaar heet. Intussen nam hij per 1 mei 1858 het andere halve aandeel over van compagnon Muller en werd zodoende in zijn eentje eigenaar van windhoutzaagmolen De Haan met de knechtenwoningen, het water en de grond. Voor dat aandeel betaalde hij 5000 gulden.[14] De hele molen was zo bezien 10.000 gulden waard, bijna evenveel als het hoogste bod in 1843.

Een bovenkruier

Overigens had Albertus Kamerlingh jr. dit bezit al voor 1 mei 1858 aanvaard. Volgens de database van verdwenen molens bouwde hij omstreeks 1858 samen met compagnon Muller de forse achtkante bovenkruier die op bovenstaande ansichtkaart te zien is, maar dat lijkt vatbaar voor twijfel.[15] Want in dat geval moet Muller acoord gegaan zijn met nieuwbouw in plaats van de oude paltrok, terwijl hij al van plan was zijn aandeel te verkopen.

Hoe dan ook, getuige de ontwikkeling in de kadasternummers verrees de nieuwe bovenkruier naast de oude paltrok, die Kamerlingh meteen liet afbreken toen de nieuwe molen opgeleverd was. In het algemeen hadden bovenkruiers (waarvan alleen het bovenste gedeelte met de wieken in de wind werd gezet) een grotere capaciteit dan paltrokken – ze waren in staat zwaarder hout te verzagen of meer zaagramen aan te drijven. Dat kwam door hun grotere ‘vlucht’, de grotere spanwijdte van hun molenroeden. Naar later blijkt werd de vlucht van De Haan zo’n 72 voet (ruim 21 meter). De romp van het achtkant was (aanvankelijk) bedekt met spaan, terwijl de kap, het tussen- en het onderstuk net als de lage schuren terzijde ernaast met overnaadse horizontale planken afgedekt werden. Die schuren waren ook breder dan de luifels of afdakjes van de vroegere paltrok. In elk geval de schuur aan de zuidkant liep over in een sleephelling, waarlangs het ruwe hout tot in de schuur opgetakeld kon worden.[16]

Zaagmolen De Haan omstreeks 1900 gezien naar het noorden, waar de wind blijkbaar ook vandaan kwam (1785-19074). Zaagmolen De Haan omstreeks 1900 gezien naar het noorden, waar de wind blijkbaar ook vandaan kwam (1785-19074).

Eind 1870 besloot Albertus Kamerlingh op te houden met het houtbedrijf en bood hij zijn zaagmolen De Haan en zijn twee houtstekken tussen de Brugstraat en de Schuitenmakersstraat onderhands te koop aan in de krant.[17] Omdat dit kennelijk geen serieuze gegadigden opleverde, volgde begin 1871 een veiling, opnieuw in Huize de Beurs:

Advertentie in de  Provinciale Groninger Courant van 3 januari 1871. Advertentie in de Provinciale Groninger Courant van 3 januari 1871.

Molen te koop

Inmiddels was het Hoornschediep gepromoveerd tot Noord-Willemskanaal, terwijl een heuse straatweg naar Eelde de plaats innam van de Hoornseweg, die nog een karrespoor was. Kopers van het molencomplex werden de gebroeders Hindrik en Hindrik Teije Timmer voor een bedrag van 7000 gulden, 3000 minder dan het in 1858 nog waard was geweest. Daarentegen bleven de beide houtstekken onverkocht, de Timmers werden dus niet in alles de opvolgers van Albertus Kamerlingh.[18]

Met deze aankoop was iets vreemds aan de hand. Hindrik Timmer, geboren in 1835 te Groningen, stond te boek als  houtzaagmolenaarsknecht te Obergum en zijn broer Hindrik Teije Timmer, geboren in 1847 eveneens te Groningen, werkte als ijzersmidsknecht in Fraamklap onder Middelstum. Ze kunnen onmogelijk het aankoopbedrag zelf  achter de hand gehad hebben, en achter de schermen moet er dus een geldschieter geweest zijn. Wie dat was, valt alleen met tijdrovend onderzoek in notariële archieven te achterhalen, maar mogelijk wordt die vraag ook beantwoord bij de volgende overdracht. De oudste broer overleed namelijk in januari 1876 reeds als houtzaagmolenaar te Groningen, waarna diens weduwe (later hertrouwend met een arbeider) en jongste broer de molen opnieuw laten veilen:

Advertentie in de Provinciale Groninger Courant van 25 februari 1876. Advertentie in de Provinciale Groninger Courant van 25 februari 1876.

Aan deze advertentie laat zich aflezen dat de gebr. Timmer een houthandel bij de molen hadden gevestigd, terwijl de Kamerlinghs die handel nog op houtstekken bij hun woningen in de stad dreven. Ook blijken de vier knechtenwoninkjes bij De Haan nu samengevoegd tot één enkel woonhuis met vier vertrekken. Waarschijnlijk woonden de Timmers, of een van beide broers, hier zelf. Bovendien was er tussen 1871 en 1876 een nieuwe grote houtschuur bij de molen gekomen. Dat er onder de Timmers het nodige aan hadden gedaan, kan je ook merken aan de opbrengst van het hele complex, want die bedroeg maar liefst 14025 gulden, een verdubbeling ten opzichte van 1871 en dat in slechts vijf jaar tijd![19]

Hindrik Teije Timmer bleef op de molen, want hij was koper samen met Idzard Jacob Tinga, een houtkoper uit Zuidbroek. Zal dit de commanditaire vennoot geweest zijn, namens Hindrik Teije werd op de veiling geboden door P.H. Dopheide, een aannemer van publieke werken te Groningen. Mogelijk was of Tinga of Dopheide dan de eerdere geldschieter van de Timmers.

De eerste advertentie van H.T. Timmer. Nieuwsblad van het Noorden 19 februari 1893. De eerste advertentie van H.T. Timmer. Nieuwsblad van het Noorden 19 februari 1893.

In 1892 kocht Hindrik Teije Timmer de vennoot uit, en kreeg het zodoende helemaal alleen voor het zeggen op De Haan.[20] Opmerkelijk is, dat hij dan incidenteel voor zijn houthandel gaat adverteren. De Kamerlinghs deden dat nooit en hij en zijn broer ook niet. Hij blijkt dan eerst te beschikken over ruime voorraden droog eiken-, iepen-, essen-, linden- en notenhout, en heeft daarnaast vuren en grenen planken en  ribhout (dunne balkjes) in de aanbieding. Later adverteerde hij ook voor grote eiken balken – waaronder een die geschikt was als molenas – “kromstukken” (voor scheepsbouwers) en beslagen palen (voor boeren).[21]

In diezelfde jaren verloor hij zijn eerste vrouw, “mij nalatende acht kinderen” en zijn oudste zoon. De familieberichten in de krant ondertekende hij met zijn beroep als “houthandelaar, Hoornschedijk”. Blijkbaar woonden hij en zijn gezin nog steeds bij De Haan.[22] In 1897 zou hij op zijn vijftigste hertrouwen met een iets oudere vrouw.

Op 3 april 1900 verkocht Hindrik Teije Timmer De Haan en bijkomende vastgoed en gereedschappenvoor 16000 gulden aan de 23-jarige houthandelaar Otto van Diepen. Bij de molen zaten inmiddels twee grote houten schuren in plaats van eentje. Ook stond er een extra huis op de grond. Van Diepen, een lid van de bekende scheepsbouwersfamilie, woonde op dat moment nog in de Ommelanderwijk bij Veendam, maar had de zaagmolen aan het Noord-Willemskanaal al maanden eerder aanvaard, want op 4 januari van dat jaar zocht hij er via het Nieuwsblad een “bekwame zager” voor. Bij de geboorte van hun tweeling, in januari 1901, woonden hij en zijn vrouw echter aan de Hoornsedijk, waar ze intussen derhalve naar toe waren verhuisd. Ook vroegen ze hier later dat jaar een dienstmeisje.[23]

Ook Van Diepen adverteerde enkele malen met zijn houtnegotie in de krant. In 1902 had hij ongeveer vijf scheepsladingen eiken balken, klossen, rechtstukken, kromhout en paalhout aangevoerd uit Munsterland, spul dat volgens de herhaaldelijk geplaatste advertentie vooral interessant was voor scheepsbouwers en wagenmakers. Een veiling hield hij in 1904 ook van iepen, beuken, essen en eiken die uit een Gelders bos kwamen. Twee maanden later kwamen bij De Haan nog eens ongeveer 150 “zeer lange zware eikenboschboomen” onder de hamer, die Van Diepen niet alleen geschikt achtte voor de hierboven al genoemde houtverwerkers, maar ook voor wringmakers, dat wil zeggen timmerlui die zich toelegden op het seriematig in elkaar zetten van boerenhekken.[24]

Maar Van Diepen zou niet lang eigenaar blijven van de houtzaagmolen aan het Hoornsediep. Eind 1905 verkocht hij De Haan alweer, voor een som van 22000 gulden aan een vennootschap, bestaande uit Johannes Stoit, houthandelaar te Leens en Jacob de Vries, vlashandelaar te Warffum. Bij de koopsom inbegrepen zaten ook het nieuwe huis, twee ijzeren boten, een paard, een wagen, een kar en het losse gereedschap. Bijzonder was dat de kopers in de koopakte verkoper Van Diepen een soort van anti-concurrentiebeding oplegden. Daarbij verplichtte Van Diepen zich om de eerste vijf jaar in de provincie Groningen “geen houtzaak, noch houtzagerij op te richten, noch als compagnon in dergelijke zaken deel te nemen”.[25]

Ook Stoit & De Vries hadden op het moment van de officiële overdracht al maanden de beschikking over door hen gekochte vastgoed:

Advertentie in de Leeuwarder Courant van 15 mei 1905. Advertentie in de Leeuwarder Courant van 15 mei 1905.

Aan hun houthandel hielden ze niet genoeg over, vandaar dat ze zich in het Nieuwsblad meermalen beleefd aanbevalen “voor loonzagen”, met andere woorden het zagen van hout in opdracht van derden.[26] Om hun klanten tegemoet te komen, hielden ze aanvankelijk zelfs dinsdags van elf tot een uur een spreekuur in café Veening aan de Grote Markt.[27]

Van windkracht naar stoomkracht

Advertentie in het Nieuwsblad van het Noorden van 23 april 1908. Advertentie in het Nieuwsblad van het Noorden van 23 april 1908.

Op dat moment was het zagen op windkracht eigenlijk al achterhaald. Veel houtzagerijen waren al overgegaan op stoomkracht, waarbij men niet langer afhankelijk was van de wind, meer continu aan het werk kon blijven en dat ook nog met een grotere capaciteit. Eind augustus 1905 vroegen Stoit & De Vries bij de gemeente Groningen vergunning aan voor het plaatsen van een locomobiel van 25 PK, een stoomketel, en een cirkelzaagbank in een nieuw gebouwtje dat tussen de oude molen en het balkgat in zou moeten komen. De stoommachine moest zowel de nieuwe zaagbank als de drie zaagramen in de oude molen aan gaan drijven. Omdat buren geen bezwaar indienden, volgde op 16 oktober de vergunning. Ook verrees er in 1906 nog een loods, de derde, voor de opslag van hout bij het complex.[28] Een en ander betekende dat de windkracht ook hier definitief passé was. In februari 1906 boden Stoit & de Vries de molenzeilen van 72 voet vlucht via de krant te koop aan, in maart de even lange molenroeden en de molenas, en in juni de afbraak van de bovenbouw, waaronder een lange “spruit”.[29] Alleen de oude molenromp bleef nog opgenomen in de nieuwe stoomhoutzagerij.

De gewijzigde constellatie van De Haan vroeg uiteraard om wat ander personeel dan voorheen. Plaatsten de eigenaren eerder wel eens vacature voor een bekwame (raam)zager in de krant, nu vroegen ze daarnaast om (leerling)stokers en –machinisten, die liefst ook over enige kennis van het smidsvak moesten beschikken. Bij de stoommachine stond namelijk een smidse om (kleine) reparaties aan dit apparaat en de aandrijfmechanica te kunnen verrichten. Een leerling-stoker-machinist verdiende 4 gulden in de week, bijna evenveel als een ervaren werkman honderd jaar eerder.[30]

Stoit & De Vries bleven mikken op scheepsbouwers en wagenmakers, maar in hun latere advertenties richtten ze zich toch ook op op andere   potentiële klanten als meubelmakers, timmerlui, boeren en klompenmakers.[31] Voor de laatsten hadden ze in 1910 een “prachtige partij” populieren op hun werf bij het Hoornsediep liggen. Getuige hun advertenties verbreedden ze niet alleen hun beoogde klandizie, maar ook hun assortiment – althans, in de aankondiging van een veiling in 1908 is er sprake van allerlei kleinere houtformaten:

Het grote nieuwe huis bij De Haan verhuurden ze in 1911 via het woningbureau van La-Gro. Dat geen van beide firmanten hier woonde, blijkt ook uit een advertentie, dat jaar, voor wagenmakershout, afkomstig van een collega uit Steenwijk. Dit lag op de houtstek van Stoit & De Vries aan de Kleine Peperstraat in de stad. In die omgeving zullen ze dan wellicht hebben gewoond en kantoor hebben gehouden.[32]

De laatste eigenaren

Advertentie in het Nieuwsblad van het Noorden van 30 april 1913. Advertentie in het Nieuwsblad van het Noorden van 30 april 1913.

In 1913 boden Stoit & De Vries zowel het huis als de stoomhoutzaagmolen te koop aan, waarbij ze er melding van maakten dat beide objecten in een gemeentelijk plan van uitleg waren opgenomen:[33] Uit de koopakte blijkt dat hun vennootschap inmiddels was ontbonden en dat Jacob de Vries inmiddels als houthandelaar in Kortrijk, België woonde. Hij liet zich daarom vertegenwoordigen door een advocaat.

 

Koper van alle percelen werd de bekende houthandelaar Hemmo Hemmes, die met zijn negotie vooral aan de Oosterhaven zat. Hij betaalde er 20.000 gulden voor.  Bij de houtzaagmolen zaten onder meer een locomobiel van 16 pk, een ijzeren en een houten cirkelzaagbank, een lintzaagbank, 9 cirkelzagen, 4 lintzagen, allerlei smidsgoed, kolenschoppen, vuurpoken en olieklippen, 2 trekzagen, 275 molenzagen, 171 zaaghangers en een houtwagen op brede wielen.[34]

De molen bleef altijd nog De Haan heten. Hemmes knapte hem op, getuige zijn vestigingsadvertentie, die mikte op werk in opdracht:

Advertentie in het Nieuwsblad van het Noorden van 15 oktober 1913. Advertentie in het Nieuwsblad van het Noorden van 15 oktober 1913.

Al in het najaar van 1918 hield Hemmes de zaak voor gezien, waarschijnlijk doordat hij in de Eerste Wereldoorlog grote verliezen leed door het wegvallen van de houtaanvoer over zee. De Haan werd vervolgens met het bijbehorende vast- en los goed voor 68.200 gulden overgenomen door B. Ratgers & Co.,  een vennootschap gevormd door de Groninger houthandelaar Bernardus Ratgers en Roelf Eijes Torringa, burgemeester van Muntendam.[35] Deze vennootschap liep echter twee jaar later al op de klippen, waarna Torringa, mogelijk om zijn goede naam te redden, alle eigendommen en schulden voor zijn eigen rekening overnam.[36] Begin 1922 verkocht hij het vastgoed voor 25000 en de houtvoorraden voor 10000 gulden aan de NV Nationale Bankvereeniging te Utrecht, iets meer dan de helft van de waarde twee jaar eerder. Bij deze gelegenheid kreeg de eigenaar van het al eerder verkochte huis het recht om gebruik te maken van 20 meter kade aan de “haven” of het balkgat, die hij moest afrasteren met een hek. Deze erfdienstbaarheid was gratis, want het onderhoud van het bruggetje over de toegang tot het balkgat bleef voor rekening van de moleneigenaars en dit gold ook voor het onderhoud van de oprijlaan naar de Paterswoldseweg.[37]

Advertentie in het Nieuwsblad van het Noorden van 2 juli 1925. Advertentie in het Nieuwsblad van het Noorden van 2 juli 1925.

Als eigenaren van commercieel vastgoed elkaar in steeds sneller tempo opvolgen, dan is dat vaak een veeg teken. Inderdaad zijn we nu beland bij de allerlaatste eigenaar, de Fa. Schrage & Van der Goot, die houtzaagmolen De Haan en alles wat er nog bijhoorde in augustus 1922 kocht op een veiling. Deze firma had sinds 1912 al een houthandel, stoomhoutzagerij en - schaverij aan het Hoendiep zuidzijde in Groningen, en daar bleef ook duidelijk de hoofdvestiging, getuige advertenties en het Handelsregister.[38] Mogelijk kocht  deze firma houtzaagmolen De Haan om het klantenbestand en/of om van een concurrent af te zijn. In elk geval liet zij de houtzaagmolen aan het Hoornsediep in 1925 afbreken, zodat nu ook het nog resterende achtkant van 1858 verdween. Het nog bruikbare sloophout kwam onder de hamer:

Conclusie

Als we het hebben over houtzaagmolen De Haan, dan hebben we het in feite over drie verschillende molens met een in de tijd oplopende capaciteit: een paltrok (1808-1858) en een bovenkruier (1858-1906) op windkracht en een fabriek op stoomkracht (1906-1925). In de ruime eeuw van zijn bestaan kende deze houtzagerij  maar liefst dertien eigenaars, waarvan het gezicht naar buiten toe werd gevormd door:

1808-1843 Harm Kamerlingh
1843-1847 Albertus Kamerlingh
1847-1858 wed. Albertus Kamerlingh
1858-1871 Albertus Kamerlingh junior
1871-1876 Gebr. Timmer
1876-1900 Hindrik Teije Timmer
1900-1905 Otto van Diepen
1905-1913 Fa. Stoit & De Vries
1913-1918 Hemmo W. Hemmes
1919-1920 B. Ratgers & Co.
1920-1922 Roelf Eijes Torringa
1922-1922 NV Nationale Bankvereeniging
1922-1925 Fa. Schrage & Van der Goot

Daarbij lijkt het erop dat De Haan tot 1900 vooral een familiebedrijf was, terwijl de molen daarna vooral door vennootschappen werd geëxploiteerd. Maar ook de Kamerlinghs en de Timmers hadden al geldschieters en commanditaire vennoten naast en achter zich, dus als er een verschil was, dan kan dat slechts gradueel geweest zijn.

De waarde van het bedrijf in guldens ontwikkelde zich gedurende zijn bestaan als volgt:

Voor 1876 fluctueerde de waarde, en de omzetting van de molen van een paltrok in een bovenkruier (1858) had ogenschijnlijk maar weinig invloed op die waarde. Onder de Timmers steeg die waarde juist wel. De vraag is echter, of dat niet kwam door de gunstige conjunctuur. Opmerkelijk is dat de omzetting van de windmolen in een fabriek  op stoom (1906) zich niet vertaalde in een waardevermeerdering, terwijl daar toch grote investeringen mee gemoeid waren. Wel is er een enorme piek in 1918, waarbij een al te optimistische verwachting die men koesterde van de naoorlogse economie mogelijk een rol heeft  gespeeld. Dat men in die verwachting bedrogen uitkwam, bleek daarna. Als stoomhoutzaagmolen op stoom bestond De Haan nog geen twintig jaar.

De Haan is nooit een pure loonzagerij geweest, het bedrijf was altijd gekoppeld aan een houthandel, waarmee op zich veel meer te verdienen viel. De eigenaars zijn dan ook doorgaans meer te beschouwen als ondernemers, dan als ambachtelijke houtzaagmolenaars. Het werk in de molen lieten zij door personeel doen. 

Bij de molen werd allerlei hout verkocht, dat in de molen op maat kon worden gezaagd. Daarbij leek er in het stoomtijdperk sprake van kleinere maten naast de grote, die voordien bij uitstek in zwang waren. De beoogde afnemers  voor dat hout woonden bijna uitsluitend in de provincie Groningen. Scheepsbouwers en wagenmakers worden het vaakst genoemd, maar verder ging het om aannemers, timmerlui, wringmakers, boeren, meubelmakers en klompenmakers. Vooral bij houtveilingen op het terrein van De Haan moet de houtbranche in haar volle breedte aanwezig zijn geweest.

1.

B. van der Veen Czn., ‘De windmolens in de gemeente Groningen’, Groningsche Volksalmanak 1931, 136-178, in het bijzonder 162. Molendatabase verdwenen molens op internet nr. 1120: www.molendatabase.org.

2.

Vgl. Van der Veen Czn. GVA 1931, 162 met Molendatabase :nr. 569 en nr. 3996 (De Walrot).

3.

Felix Eijgenraam, ‘Een Juffertje met een krukas’, NRC Handelsblad 16 december 1993, wetenschapsbijlage; F. Stokhuyzen, Molens (Bussum z.j. [1961]) 53-58.

4.

Rechterlijke archieven (RA) III x deel 222, fol. 92 v., koopbrief d.d. 15 maart 1808 (op microfiche). Deze akte werd gevonden dankzij een terugverwijzing in toegang 1869 Notarissen te Groningen (standplaats 20), 1811 - 1935, inv.nr. 221: akten notaris Johan  Wichers Quintus, nr. 101 van 23 februari 1843. In dat proces-verbaal van veiling wordt gezegd dat Harm Kamerlingh en vrouw de ondergrond van de molen etc. verkregen bij genoemde akte van 1808.

5.

RA III x deel 223 fol. 23 (koopbrief twee kamers aan de Turfmarkt, 28 mei 1808); RA III x deel 226 fol. 78 (koopbrief drekvoerwerk 17 slachtmaand 1809); RA III x deel 228 fol. 58 (schuldbrief van 15 hooimaand 1810).

6.

Alle genealogische gegevens voor dit verhaal komen van www.allegroningers.nl. Zie ook: https://nl.wikipedia.org/wiki/Onnes_(geslacht). De locatie van de herenbehuizing, het jaar van aankoop en de kadastrale ligging daarvan komen uit de in noot 4 genoemde akte van 1843.

7.

Toegang 1605: Stadssecretarie Groningen 1594-1816, inv.nr. 1261: statistische tabellen, de delen I (nr. 2, staat fabrieken van 16 januari 1809) en II (nr. 57 van 14 september 1813); Toegang 1399 Gemeentebestuur van Groningen (1), 1816 - 1916, inv.nr. 8585 en 8588: stukken betreffende het opmaken van de Staat van Fabrieken, resp. uit 1816 en 1820.

8.

Familiebericht Groninger Courant (GrC) 10 januari 1843.

9.

Toegang 1869, inv.nr. 221: akten, het proces-verbaal van veiling door notaris Johan Wichers Quintus, akte nr. 101 d.d. 23 februari 1843. Zie ook advertenties GrC 17 januari en 21 februari 1843.

10.

Familiebericht GrC 4 februari 1845.

11.

GrC 6 november en 29 december 1846, 12 en 19 januari 1847.

12.

Toegang 2207: Kadasterbewaarders, Dienst van het kadaster, 1817 - 1980, inv.nr. 4665 = deel 68 en daaruit het nummer 60, veilingakte d.d. 27 januari 1847 verleden voor notaris Johan Wichers Quintus.

13.

Kadaster - scheiding 1856,  art. 6279 (met dank aan Peter Riem, ook voor de volgende kadastermeldingen).

14.

Kadaster - scheiding 1858, art. 6721> 6278, scheidingsakte familie Muller voor notaris Johan Wichers Quintus d.d. 21 april 1858; kadaster 1858 verkoop art. 7303. Toegang 2207 inv.nr 4784 (deel 157 nr. 51) met verwijzing naar akte verleden voor Johannes Wichers Quintus, notaris te Groningen d.d. 1 mei 1858.

15.

Molendatabase nr. 1120.

16.

F. Stokhuyzen, Molens (Bussum 1961) 58-61; Molendatabase nr. 1120; en advertentie in het Nieuwsblad van het Noorden (NvhN) van 29 maart 1906 (72 voet vlucht).

17.

Leeuwarder Courant 22 november 1870.

18.

Toegang 2207, inv.nr. 4925 (= deel 328 nr. 90): koopakte d.d. 6 januari 1871 verleden voor notaris R.IJ. Muller te Groningen.

19.

Toegang 2207, inv.nr. 4989 (= deel 392 nr. 53), veilingakte d.d. 10 maart 1876 verleden voor notaris A.W.C. Tjarda van Starkenborg.

20.

Molendatabase nr. 1120. Kadaster - scheiding 1892 art. 11100 en art. 14892.

21.

NvhN 19 februari 1893, 24 en 31 december 1893, 16 februari en 1 maart 1896.

22.

NvhN 4 juni 1893, 15 en 22 september 1896.

23.

Toegang 2207, inv.nr. 5254 (deel 657 nr. 1), akte d.d. 3 april 1900 verleden voor notaris Wouterus Bommel van Vloten. NvhN 4 januari 1900, 26 februari 1901 en 27 september 1901.

24.

Onder andere NvhN 3 april 1902, 4 juni en 18 augustus 1904, steeds met enkele herplaatsingen in latere nummers.

25.

Toegang 2207, inv.nr. 5304 (deel 707 copie akte nr. 46) akte d.d. 13 december 1904 verleden voor notaris Wouterus van Bommel van Vloten te Groningen.

26.

NvhN 20 januari 1906. Latere advertenties voor loonzagen: NvhN 14 november 1908, en nog enige malen in 1909 en 1911.

27.

Leeuwarder Courant 3 juli 1905.

28.

Toegang 1830: Hinderwetvergunningen gemeente Groningen (1), (1871) 1875 - 1965, inv.nr. 1158: hinderwetvergunning Stoit & de Vries, houtzagerij, 1905. Idem Toegang 2129: Bouwvergunningen gemeente Groningen (1), (1856) 1863 - 1916 (1918), inv.nr. 14441.

29.

NvhN 2 en 3 februari, 29 maart en 25 juli 1906.

30.

Zie voor de personeelsadvertenties van Stoit & De Vries het NvhN van 26 april 1906, 9 januari en 31 oktober 1908, 19 januari 1911, 13 mei 1912 en 17 april 1913.

31.

NvhN 14 maart 1908 (meermalen herhaald), 23 april 1908,  21 november 1908 (vele keren herhaald, ook in 1909), 24 april 1909, 12 maart 1910 (enige malen herhaald), 22 maart 1910 (diverse malen herhaald).

32.

NvhN 28 maart, 8 mei en 3 juli 1911.

33.

NvhN 30 april, 8 en 10 mei 1913.

34.

Toegang 2207, inv.nr. 5408 (deel 811, nr. akte 147), akte d.d. 16 juni 1913 verleden voor notaris Wouterus van Bommel van Vloten.

35.

Toegang 104: Notarissen te Haren (standplaats 30), 1874 - 1935, inv.nr, 71, aktenr. 1 d.d. 4 januari 1919 verleden voor jhr. mr. Julius Burmannia van Andringa de Kempenaer te Haren

36.

Toegang 2207, inv.nr. 5544 (= deel 947 akte nr. 45), akte d.d. 1 november 1921 verleden voor jhr. mr. Julius Burmannia Andringa de Kempenaer te Haren.

37.

Toegang 2207, inv.nr. 5549 (deel 952 aktenr. 58), akte d.d. 26 januari 1922 verleden voor jhr. mr. Julius Burmannia van Andringa de Kempenaer te Haren.

38.

NvhN 25 juli en 5 augustus 1922. Kadaster - verkoop 1922 art. 21147/18. Toegang 1972: Handelsregister Kamer van Koophandel Groningen, 1922 - 2000, inv.nr. 2000029.