Zoek op de website

10.2 	Woldgeul

Groningerland na c. 700 na Chr. Groningerland na c. 700 na Chr.

Net als het eerste hoofdstuk beginnen we dit tweede met een kaartje van de loop van de ‘Woldstroom’, nu ingetekend in een kaartje dat een reconstructie geeft van de situatie zoals die in de achtste eeuw na Chr. is geweest.

Men neemt aan dat rond 700 of wat later de Lauwerszee ontstond. Vanaf die tijd drong het zeewater ver het land in. De hier getoonde situatie heeft in het echt niet bestaan. Het plaatje maakt wel duidelijk dat de inbraken die rond of na 700 optraden, de loop van de Woldstroom hebben veranderd.

Ik heb in het vorige hoofdstuk gewezen op de twee grote inbraakgeulen die sinds het ontstaan van de Lauwerszee tot ver in het binnenland doordrongen: de Kliefslootgeul in het oosten en de (veel bredere) Woldgeul in het westen.

De Kliefslootgeul – althans het zuidelijke deel ervan – hebben we bekeken. De noordelijke monding van deze geul, die zich tussen Saaksum en Ezinge bevindt, is volgens Siemens omstreeks 1500 afgesloten.12 Een bron voor deze datering noemt hij niet, maar ik vermoed dat hij zich baseert op een vergissing van Kooper. Deze dacht abusievelijk dat een wat cryptisch stuk uit 1489 over de afsluiting van een ‘Oude Riet’ bij Aduarderzijl betrekking heeft op de afsluitdijk tussen Saaksum en Ezinge.13

De andere geul, die ik eerder Woldgeul heb genoemd, is nauwelijks besproken. We hebben wel gezien dat deze – vanuit zee gezien – ten zuiden van Humsterland naar het oosten liep, dan ten oosten van Noordhorn en Zuidhorn zuidwaarts ging en tenslotte naar het westen boog. Het binnendringende zeewater had daarbij een bestaande bedding gevolgd, waarlangs water vanuit de venen tussen Langewold in het noorden en Vredewold in het zuiden zijn weg naar zee zocht (de ‘Woldstroom’)

De bodemkaart van een deel van het Westerkwartier met de afleidingen van de Woldstroom.  1.  ‘West-Vredewoldertocht’ of Wolddiep 2.  ‘Oost-Vredewoldertocht’ of  Hoendiep De bodemkaart van een deel van het Westerkwartier met de afleidingen van de Woldstroom. 1. ‘West-Vredewoldertocht’ of Wolddiep 2. ‘Oost-Vredewoldertocht’ of Hoendiep

De bodemkaart van het Westerkwartier ziet er nogal woest uit. Ik zal niet op de bodemkundige details ingaan, maar wijs nog eens op de trechtervormige Woldgeul, die hier is aangegeven met een groene kleur. Die kleur duidt aan dat de bodem in de geul uit klei bestaat. Het water dat vanuit zee via de geul het binnenland binnendrong zette kleideeltjes af die op den duur een forse laag werden. Doordat de afgezette klei minder aan inklinking onderhevig was dan de naastgelegen, dikwijls venige gronden, rees de bedding ten opzichte van het omliggende land en moest het water uit het veel hoger gelegen zuidwestelijke deel van Vredewold op andere manieren worden afgevoerd. Er zijn daartoe twee kanalen gegraven. We kennen die nu als het Wolddiep en het Hoendiep. Je zou die watergangen ook ‘West-Vredewoldertocht’ en ‘Oost-Vredewoldertocht’ kunnen noemen.

Het is niet toevallig dat het westelijke afwateringskanaal precies halverwege Lucaswolde en Boerakker van het Oude Dwarsdiep aftakt en vandaar kaarsrecht naar het noorden loopt. De bodemkaart laat zien dat precies tot aan dat punt klei is afgezet in de Woldgeul. Hier raakte de geul dus ook het eerst verstopt.

Het Wolddiep vormt de grens tussen de kerspelen Sebaldeburen en Oldekerk. We zullen dat in het volgende en laatste deel nader bekijken wanneer we een akte uit 1385 bespreken. We weten niet wanneer deze watergang is gegraven en ook niet tot hoever hij noordwaarts liep. Siemens vermoedt dat het niet verder is geweest dan de Oude Gaarkeuken, ongeveer 750 meter ten noorden van Sebaldeburen. Vandaar zou het water oostwaarts zijn geleid.14

Ofschoon het Wolddiep misschien het oudste is, zal ik eerst aandacht besteden aan de ‘Oost-Vredewoldertocht’. Dit is de voorganger van het huidige Hoendiep bewesten Zuidhorn en is oorspronkelijk gegraven om vanaf Enumatil het water noordwaarts af te voeren dat door de opslibbing in de Woldgeul niet langer via die route – om Zuidhorn en Noordhorn heen – kon afstromen. Het gaat daarbij niet alleen om water dat door de nog wel watervoerende delen van de Woldstroom werd aangevoerd, maar ook om dat uit de ontginningsgebieden ten zuiden – en zuidwesten – van Enumatil.

Op de Woldstroom lozende landen.  1.  Fanerpolder 2.  Zuidhorner Zuidpolder 3.  Lettelberter Molenpolder 4.  Lagemeeden Op de Woldstroom lozende landen. 1. Fanerpolder 2. Zuidhorner Zuidpolder 3. Lettelberter Molenpolder 4. Lagemeeden

De verkavelingspatronen in het gebied ten zuiden van Zuidhorn doen vermoeden dat de zuidelijke delen van de Fanerpolder en de Zuidhorner Zuiderpolder (beide ten noorden van de oude Woldstroom) aanvankelijk op de Woldstroom hebben geloosd.

Dat is waarschijnlijk ook het geval geweest met de ten zuiden van de Woldstroom gelegen Lettelberter Molenpolder, het land tussen Enumatil en Oostwold en de Lagemeeden. Hier bevond zich bovendien een oude watergang, de Gave, die het uit dit veengebied afkomstige water wellicht ooit in oostelijke richting heeft afgevoerd, maar door opslibbing ten westen van Hoogkerk verstopt was geraakt.

Bovendien lijkt het erop dat ook water uit de gebieden ten zuiden van de rug Midwolde-Lettelbert-Oostwold via een omweg in de Woldstroom terecht kwam. Ook dat was vermoedelijk ooit – via een tracé dat grotendeels gelijk op liep met de voormalige provinciegrens tussen Drenthe en Groningen – in noordoostelijke richting gestroomd, totdat deze route door opslibbing verstopt raakte. Wellicht moest het toen via Lagemeeden afstromen.

 Smeltwaterdalen ten zuidwesten van Hoogkerk Smeltwaterdalen ten zuidwesten van Hoogkerk

Het kaartje is een enigszins bewerkte versie van een afbeelding uit de scriptie die Jeroen Zomer schreef over de landschapsgeschiedenis van Roderwolde.15
Het door hem onderzochte gebied is rood omkaderd.

Het huidige landschap is geen simpele reflectie van de pleistocene ondergrond. Daarin zien we verschillende smeltwaterdalen. Alleen het dal rechts op het plaatje is nu nog steeds herkenbaar als bedding van een rivier. In dit geval gaat het om het Peizerdiep. Waarschijnlijk hebben ook de andere laagten nog water afgevoerd in de tijd dat zich daar een veendek bevond. Het is dan ook niet uit te sluiten dat de Gave – hier aangegeven met een wat dikkere blauwe lijn – ten tijde van de eerste veenontginningen water in oostelijke richting heeft afgevoerd.

De hoeveelheid water die door dit stelsel van beddingen werd afgevoerd, was waarschijnlijk te gering om te verhinderen dat benedenstrooms opslibbing plaatsvond. Tegenwoordig bevindt zich ten westen van Hoogkerk juist een hogere zone als gevolg van opslibbing bij de Hunsinge. Wellicht is daardoor de afvoer van water uit zuidwestelijke richting onmogelijk geworden en moest het naar het noordwesten worden geleid.

In het vorige hoofdstuk en ook hierboven hebben we gezien dat de Woldgeul zich op bodemkaarten aftekent als een trechtervormige tong. We zagen ook dat het zeewater tot ver in het binnenland is doorgedrongen en dat de geul ten noorden en ten zuiden van Den Ham in verbinding heeft gestaan met de veel smallere Kliefslootgeul.

We zagen zojuist dat klei minder snel inklinkt dan veen en dat daardoor de afwatering via oude beddingen werd bemoeilijkt wanneer daarin klei werd afgezet. Het in de voormalige bedding afgezette materiaal was ook zelf niet in gelijke mate onderhevig aan klink. In het midden van de stroom, waar de stroomsnelheid het hoogst was, zijn de grootste deeltjes afgezet, zodat daar de inklinking het geringst was. Het gevolg is dat oude beddingen zich nu voordoen als kleiruggen in het landschap.

In het voorgaande is de opslibbing in de Woldgeul al even vermeld en ook op enkele plaatjes getoond. Het ging toen om de hoogteverschillen ter weerszijden van de Hogeweg/Spanjaardsdijk en om de afwatering van Lagemeeden.

We zullen het gebied rond de hoogte van Noord- en Zuidhorn nu nader onder de loep nemen. Wanneer we hierbij ook de hoogteverschillen laten zien, wordt het beeld nog sprekender. Dan zien we hoe de voormalige geul zich als een langgerekte, trechtervormige hoogte door het land kromt.

 De afgezette klei vormt een hoge rug De afgezette klei vormt een hoge rug

De veranderingen in het maaiveld-niveau hebben natuurlijk grote invloed gehad op de bruik- en bewoonbaarheid van het land.

Schematische voorstelling van het opslibbingsproces met een ‘inversierug’ als eindresultaat

De plaatjes zijn een bewerking van tekeningen die gemaakt zijn door Ben Westerink.16

  1. Veen op vaste ondergrond
  2. Veenstroompje
  3. Inbraak van zeewater
  4. Afzetting van klei
  5. Voortgaande afzetting van klei en dijkaanleg
  6. Inklinking van het onderliggende veen

Uiteindelijk liggen zelfs de dijken lager dan de voormalige bedding

Inversierug bij ‘Vette Koe’ Inversierug bij ‘Vette Koe’

De foto is genomen vanaf het fietspad bij de rotonde ten oosten van Zuidhorn.

Drie bodemniveau’s aan de Zuiderweg bij Zuidhorn Drie bodemniveau’s aan de Zuiderweg bij Zuidhorn

Links het buitendijkse land in de voormalige Woldgeul, rechts het binnendijkse land van de Zuidhorner Zuiderpolder.

Het niveau van de dijk ligt tussen dat van het binnendijkse en buitendijkse land in!

Inversierug aan de Dijkstreek Inversierug aan de Dijkstreek

We kijken in oostelijke richting. De kerk van Enumatil piept net boven de rug uit.

Inversierug aan de Dijkstreek. De omgekeerde geul is hier zo smal, dat hij op een dijk lijkt. Inversierug aan de Dijkstreek. De omgekeerde geul is hier zo smal, dat hij op een dijk lijkt.

Inversieruggen zoals die aan de Dijkstreek bij Enumatil werden door Kloppenburg ‘natuurdijken’ genoemd. Daarmee sloot hij aan bij het bestaande spraakgebruik dat ook verantwoordelijk is voor de naam ‘Dijkstreek’ voor de buurschap die zich hier heeft gevormd. Maar van een echte dijk is in dit geval geen sprake.

Ook op de kaart van Theodorus Beckeringh heet de Dijkstreek ten westen van Enumatil ‘de oude dijk’

De brug over het Wolddiepje of Matsloot – de huidige Auwemabrug – staat op Beckeringhs kaart aangegeven als ‘Aumatill’.

Op dit plaatje – waarin een satellietfoto en een uitsnede uit de hoogtekaart zijn gecombineerd – zien we ongeveer hetzelfde gebied als op de uitsnede van de kaart van Theodorus Beckeringh uit 1781.

Het pijltje wijst naar de plaats waar in de jaren 30 van de vorige eeuw een houten vloertje is gevonden dat geïnterpreteerd is als de bodem van een sluis.17

Anders dan Kloppenburg – die dacht dat het hier moest gaan om de monding van een watergang waarlangs Hooge- en Lagemeeden hun water loosden – vermoed ik dat we eerder moeten denken aan de ontwatering van het gebied ten zuidwesten van Enumatil en wel in een periode toen de bodem daar nog niet zo was gedaald als nu het geval is en de bedding van de Woldgeul ten oosten van Enumatil nog niet helemaal was dichtgeslibd.

De Woldgeul bedijkt De Woldgeul bedijkt

Het oudste schriftelijke document dat we over de waterstaatkundige toestand in dit deel van het Westerkwartier bezitten – een tekst uit 1385 – heeft betrekking op de problemen die het West-Vredewolder water in Langewold veroorzaakte. Zoals gezegd laat ik die bron nu buiten beschouwing; in het eerste hoofdstuk van deel 11 zullen we er de nodige aandacht aan schenken.

Bij Den Horn werd het aan bodemdaling onderhevige lage land beschermd door dijken die de vloed moesten weren. Door de trechtervorm van de geul kon die hier hoog oplopen. Aan de noordzijde van de Woldgeul zien we de Zuiderweg die Enumatil met Zuidhorn verbindt en aan de zuidzijde de Westerdijk, die tussen Enumatil en Den Horn ligt.

Ten noorden van Den Horn zijn het aan de oostzijde van de Woldgeul de Hogeweg, de Spanjaardsdijk en de Oude Dijk die respectievelijk de Hoogemeeden, Zuiderham ten westen van Aduard en Noorderham (Den Ham) beschermden.

Over de chronologie van de dijkaanleg en het opslibbingsproces weten we niets. De oudste schriftelijke bronnen over de waterstaatkundige ontwikkeling van dit gebied dateren van rond 1450. Daarom moeten we voor de reconstructie van de gebeurtenissen afgaan op grondsoorten, bodemhoogten en kavelpatronen.

Westerdijk tussen Enumatil en Den Horn Westerdijk tussen Enumatil en Den Horn

Zojuist zagen we de Zuiderweg onder Zuidhorn, die aan de noordzijde van de Woldgeul loopt. De bovenstaande foto toont de Westerdijk, die op de zuidelijke oever van de geul ligt en in het verleden een belangrijke rol heeft gespeeld in de landverbinding tussen Groningen en het Westerkwartier en Westerlauwers Friesland. Later – in de zestiende eeuw – vinden we deze route vermeld als Ayngeweg.

Een ‘slachte’ bij Den Horn.  Het pijltje wijst naar de Hornsterheerd. Een ‘slachte’ bij Den Horn. Het pijltje wijst naar de Hornsterheerd.

De opslibbing en gefaseerde bedijking van het buitendijkse gebied hadden vanzelfsprekend gevolgen voor de afwatering. De details van dit proces ontgaan ons.

Het ziet er naar uit dat bij de Hornsterheerd (bij het pijltje) een ‘slachte’ of dwarsdijk in de geul is gelegd en dat men de lopende stroom nauwer heeft ingesloten met nieuwe dijken. Buiten die dijken ging de opslibbing gewoon verder, binnen de nieuwe dijken bleef de toestand zoals hij was vóór de bedijking.

Door de voortgaande opslibbing nam de afvoercapaciteit van de resterende stroom steeds verder af. De landerijen van Lagemeeden ten zuidoosten van Den Horn en het ten westen daarvan gelegen gebied (later Lettelberter Molenpolder en Waterschap Vredewold geheten), waar als gevolg van de ontginning een sterke daling van de bodem was opgetreden, raakten hierdoor hun oude lozingsmogelijkheden kwijt.

Hornsterheerd Hornsterheerd

De boerderij Hornsterheerd (Hogeweg 7, ook Hörnsterheerd genoemd) is een rijksmonument.

Achter de boerderij is de Woldgeul gedeeltelijk afgedamd door het leggen van een dijk die ik gemakshalve de ‘Hornsterslachte’ noem.

Hornsterheerd.  Rechts van de boerderij is de wat hoger gelegen Hogeweg zichtbaar. Hornsterheerd. Rechts van de boerderij is de wat hoger gelegen Hogeweg zichtbaar.

De ‘Hornsterslachte’ lijkt gelegd te zijn om een hoek vruchtbaar buitendijks land in te polderen. De dijk vormde de kerspelgrens tussen Zuidhorn en Hooge- en Lagemeeden. Ook in waterstaatkundige zin was hier later een grens. Het land ten zuiden van de slachte viel onder het Sloterzijlvest (later Nijesloterzijlvest), het land ten noorden onder het Aduarderzijlvest. Ten noorden van deze slachte bezat de abdij van Aduard land, ten zuiden ervan niet. Dit heeft ongetwijfeld te maken met de ontginningsgeschiedenis. Ik vermoed dat de Hornsterslachte al bestond toen in Aduard een klooster werd gesticht en dat hij dus uit de twaalfde eeuw dateert.

Uit een latere bron weten we dat de ‘Langeweersters’ (de kolonisten van Langeweer, anders gezegd: de landgebruikers van Hoogemeeden?) moesten meewerken aan het onderhoud van de ‘Nijeslachte’ bij Balmahuizen, de pomp daarin en het zijldiep daarheen.18 Daarover kom ik later nog te spreken.

Alle buitendijkse landerijen ten noorden van de Hornsterslachte loosden hun eigen water noordwaarts, via de bedding van de voormalige Woldstroom, langs Zuid- en Noordhorn naar de Oude Riet. Ten zuiden en zuidwesten van de Hornsterslachte liep het water westwaarts

naar Enumatil en dan ten westen van Zuid- en Noordhorn via de Oost-Vredewoldertocht eveneens naar de Oude Riet.

Fietspad achter de Hornsterheerd Fietspad achter de Hornsterheerd

Onlangs is het nieuwe fietspad geopend tussen Zuidhorn en Den Horn. Het oostelijke uiteinde bevindt zich bij de ijsbaan in Den Horn, het westelijke komt uit op de Zuiderweg.

We zien links de achterkant van de Hornsterheerd. Het pad maakt een paar haakse bochten.
De bruine streep links achter de boerderij is de ‘Hornsterslachte’.

Fietspad langs de Hornsterslachte Fietspad langs de Hornsterslachte

Het nieuwe fietspad loopt aan de zuidzijde langs de Hornsterslachte. Als mijn veronderstelling klopt, is deze dijk aangelegd om een hoek (‘horn’) van de Woldgeul in te polderen. Ten noorden van de dijk behoorde het land aan het klooster Aduard, het ten zuiden van de dijk gelegen land (rechts op de foto) niet.
De dijk is tevens de kerspelgrens tussen Zuidhorn in het noorden en Hooge- en Lagemeeden in het zuiden.

Op het perceel ter rechterzijde heeft een boerderij gestaan. Bij de aanleg van het fietspad zijn enkele sloten gedempt die getuigden van de situatie zoals die 1000 jaar geleden tot stand is gekomen.

De inversierug doorsneden De inversierug doorsneden

Het plaatje laat de hoge opslibbing zien in het deel van de Woldgeul dat lange tijd buitendijks is gebleven.

De bomen rechtsachter staan langs de Zuiderweg.

12.

B.W. Siemens, Dijkrechten en zijlvesten (Groningen 1974) 34.

13.

Kooper, Waterstaatsverleden, 139, en L.M. Pronk-Wiersema en J.J. Delvigne, Het reilen van de zijl, 45-48, 57-58. Zie voor een bespreking van het kwestieuze document mijn ‘Aduarderdiep en Aduarderzijl(en)’, blz. 11 en volgende

14.

Siemens, a.w. 30.

15.

Jeroen Zomer, Landschapsgeschiedenis van Roderwolde. Een interdisciplinair onderzoek naar de natuurlijke landschapsgenese van een woldgebied in de Kop van Drenthe en de kolonisatie en ontginning in de late Middeleeuwen en de Nieuwe Tijd (Scriptie RuG 2009).

16.

Ben Westerink, ‘Enumatil; het landschap op z’n kop. Oude dijken in Groningen’ (Groeninghen Historisch, april 1993).

17.

D. Kloppenburg, ‘De waterstaatkundige ontwikkeling van het Westerkwartier’, in: Tijdschrift van het Koninklijk Nederlandsch Aardrijkskundig Genootschap dl. 61 (1944) 329-356, 429-455, aldaar 431.

18.

GrA T713-2 fol. 125.