Zoek op de website

10.3 	Oost-Vredewoldertocht

Een waterscheiding bij Den Horn Een waterscheiding bij Den Horn

Als gevolg van de opslibbing in de Woldgeul ontstond ten zuidwesten van Den Horn een waterscheiding. Ten noorden ervan stroomde het water noordwaarts, ten zuiden en westen ervan liep het naar het westen. Dat laatste was overigens pas mogelijk, nadat er vanaf Enumatil een nieuwe uitgang naar zee was gegraven: de Oost-Vredewoldertocht.

Op de uitsnede (rechts) is de bedoelde waterscheiding duidelijker te zien. Het pijltje wijst naar de plaats waar de oude Woldstroom spoorloos is verdwenen. Links van deze waterscheiding stroomde het water naar het westen, door de watergangen van het Sloterzijlvest (later Nijesloterzijlvest) naar de Oude Riet, rechts (ten noorden) ervan liep het noordwaarts, stroomde tussen Noordhorn en Den Ham door en kwam dan ook in de Oude Riet uit.

Zoals gezegd weten we niet wanneer de afleiding bij Enumatil tot stand is gekomen en wanneer de hier getoonde situatie is ontstaan.

De waterscheiding bij Den Horn met de oude kadasterkaart De waterscheiding bij Den Horn met de oude kadasterkaart

Vergelijking tussen de verschillende kaartbeelden maakt duidelijk dat hier van alles is veranderd. Maar ook op de negentiende-eeuwse kadasterkaart is de oude bedding van de Woldstroom op één plek helemaal verdwenen en blijken andere watergangen de afvoerfunctie te hebben overgenomen.

Volgens de waterstaatskaart van Geertsema werd het water aan de noordkant van het plaatje via de Hoogemeedster Waterleiding afgevoerd. Het liep oostwaarts en kwam bij de Vossentil in de Lindt uit. Dit systeem hoorde dus bij het Aduarderzijlvest. De watergang aan de westkant – de oude bedding van de Woldstroom – kwam via een duiker in het Hoendiep uit. Rechtsonder komt een watergang uit Lagemeeden: de Dijkstreekstertocht. Ten noorden van de Westerdijk loopt een sloot in dezelfde richting noordwaarts. In een vroegere periode zal hier een watergang zijn geweest die in open verbinding stond met de Woldstroom en water noordwaarts afvoerde. Tegenwoordig loopt het water door deze sloot in tegenovergestelde richting om via een gemaal in het Hoendiep uit de komen.

Wat we op het kaartje zien zijn constructies die tot stand zijn gekomen in een veel latere periode dan die waarop onze focus nu ligt.

Dijkstreekstertocht vanaf de Westerdijk Dijkstreekstertocht vanaf de Westerdijk

Afleiding van het water ten zuiden van de ‘Hornsterslachte’ Afleiding van het water ten zuiden van de ‘Hornsterslachte’

Nadat vanaf Boerakker het Wolddiep naar het noorden was gegraven, voerde de Woldstroom beneden Boerakker niet langer water af dat afkomstig was uit de omgeving van Marum en Lucaswolde. Als gevolg van de voortschrijdende opslibbing voerde waarschijnlijk ook de bedding ten oosten van Boerakker al geen water meer.

Zolang de oude bedding van de Woldgeul ten oosten van Enumatil nog enigszins functioneerde zal – we zagen dat al – het water uit de streek ten zuiden van Enumatil via een zijltje ten westen van het huidige dorp Enumatil in die bedding zijn uitgekomen. Het gaat hier om het gebied dat later bekend zou staan onder de naam Sloterzijlvest en nog later als Nijesloterzijlvest. Daartoe behoorden de Oost-Vredewolder dorpen Oostwold, Lettelbert, Midwolde en Tolbert, en ook delen van Noord-Drenthe: Roderwolde, Leutingewolde en landerijen onder Foxwolde, Nietap, het westen van Roden, de Sulte en Steenbergen.

Door de opslibbing in de Woldgeul was het nodig om voor het zuidelijke water een nieuwe afvoer te maken: de Oost-Vredewoldertocht of ‘proto-Hoendiep’. Wanneer en hoe dit precies is gebeurd weten we niet.

Kloppenburg is van mening dat het water even ten westen van Enumatil naar het noorden werd geleid."19" In zijn voetspoor meent Ligterink te weten dat de Oost-Vredewolders bij Enumatil een sloot groeven dwars door de kleirug en die doortrokken naar Oxwerd. ‘Oorspronkelijk was dit zijldiep de zigzag-lopende sloot op de grens van de gemeenten Zuidhorn en Oldekerk.’ De tegenwoordige Katerhals zou een overblijfsel zijn van deze watergang."20"

Noch de kadastrale, noch de hoogtekaart bevatten aanwijzingen voor de juistheid van de veronderstellingen van Kloppenburg en Ligterink.

De ontginning ten noorden van Midwolde en Lettelbert kan zijn uitgegaan van de zandrug waarop deze dorpen liggen, maar ook het omgekeerde is denkbaar: dat de ontginning vanuit de beddingen van de Woldstroom en de Gave is begonnen.

Zoals eerder opgemerkt valt niet uit te sluiten dat er een tijd is geweest waarin de Gave water uit dit gebied oostwaarts heeft afgevoerd. Maar het feit dat noch Midwolde, noch Lettelbert of Oostwold omstreeks 1300 betrokken waren bij de aanleg van een nieuwe zijltocht in de Kliefslootgeul, wijst erop dat ze toen niet bij Aduard afwaterden. De enige uitweg kan dus noordwaarts, via de Oost-Vredewoldertocht zijn geweest. Dit doet vermoeden dat deze tocht reeds in de dertiende eeuw bestond.

ANWB-informatiebord in Enumatil ANWB-informatiebord in Enumatil

Dat is heel wat anders dan wat het ANWB-bord in Enumatil meldt. Wie de moeite neemt om de verweerde en vrijwel onleesbaar geworden tekst te ontcijferen verneemt dat het Lettelberterdiep gegraven is op bevel van de Spaanse kolonel Caspar de Robles die in 1582 bij Enumatil een schans liet aanleggen, waar tijdens de Tachtigjarige Oorlog hevig gevochten is.

Het is fijn dat de ANWB ons op de hoogte wil stellen van de historische achtergrond van Enumatil, maar het was nog mooier geweest wanneer men wat zorgvuldiger te werk was gegaan.

Want Caspar de Robles is zeker niet degene geweest die opdracht heeft gegeven tot het graven van het Lettelberterdiep – deze watergang is vermoedelijk al in de dertiende eeuw gegraven – en ook heeft hij niets te maken gehad met de schans bij Enumatil. In de nasleep van de Pacificatie van Gent (herfst 1576) werd hij gearresteerd en was zijn rol in het Noorden uitgespeeld. En o ja, hij was ook geen Spanjaard, maar een Portugees.

De Oost-Vredewoldertocht of ‘oer-Hoendiep’ De Oost-Vredewoldertocht of ‘oer-Hoendiep’

Op dit kaartje zijn de kerspelen in het gebied met verschillende kleuren aangegeven. Zo is goed te zien dat de Hornsterslachte de kerspelgrens vormt tussen Zuidhorn (rood) en Hooge- en Lagemeeden (blauw). Het kerspel Zuidhorn vertoont aan de westzijde een rafelige rand. Dat zijn de zigzagsloten van Ligterink. Tegelijkertijd vertoont de verkaveling van het lage land van Zuidhorn en Faan een duidelijke samenhang.

Ten noorden van Briltil vormt het Hoendiep over 825 meter de kerspelgrens tussen Noordhorn (geel) en Zuidhorn. De verkaveling is hier uitgesproken rommelig, maar zeker ouder dan het diep, dat op een aantal punten kennelijk oudere kavelgrenzen en (kleine) watergangen doorsnijdt. Het is op zijn minst duidelijk dat de Oost-Vredewoldertocht secundair is ten opzichte van de verkaveling.

Het ‘oer-Hoendiep’ en de verkaveling bij Zuidhorn Het ‘oer-Hoendiep’ en de verkaveling bij Zuidhorn

Die verkaveling lijkt te zijn afgeleid van een lijn die getrokken kan worden tussen de kerken van Zuidhorn en Niekerk. Waarschijnlijk heeft de oriëntatielijn Niekerk-Zuidhorn alleen in indirecte zin de constructie van de Oost-Vredewoldertocht bepaald. Bij het graven van dat kanaal heeft men eenvoudig gebruik gemaakt van de verkaveling die er al was en die was afgeleid van de tussen beide kerken getrokken lijn. Zoals het plaatje laat zien staat de Oost-Vredewoldertocht – Ligterink noemt deze watergang de ‘Emetilstertocht’ – haaks op de kavelsloten die vanaf de hoogte van Zuidhorn naar beneden lopen.

 De twaalfde-eeuwse kerk van Niekerk De twaalfde-eeuwse kerk van Niekerk

Kerk en toren staan op een cirkelvormig kerkhof. Tijdens de restauratie zijn rondboogvensters aangetroffen in het tufstenen muurwerk. Daaruit valt af te leiden dat het schip van de kerk uit de twaalfde eeuw dateert. De halfronde koorsluiting is in de zeventiende eeuw vervangen door de tegenwoordige. De bakstenen aanbouw aan de zuidzijde dateert uit de dertiende eeuw, in welke periode tevens de toren zal zijn ontstaan.

De twaalfde-eeuwse kerk van Zuidhorn De twaalfde-eeuwse kerk van Zuidhorn

In Zuidhorn staan kerk en toren op een omheind kerkhof. De kerk is een eenbeukig gebouw met driezijdige koorsluiting. Het muurwerk is deels van turfsteen; ook de toren dateert gedeeltelijk nog uit de dertiende eeuw. Hij is later verhoogd en van een naaldspits voorzien. Aan noord- en zuidzijde van de kerk bevinden zich lagere uitbouwen.

De ‘Oost-Vredewoldertocht’ – het latere Hoendiep –en de laagten ten noorden en zuiden van Faan. 1.  Oxwerd  2.  De Bril De ‘Oost-Vredewoldertocht’ – het latere Hoendiep –en de laagten ten noorden en zuiden van Faan. 1. Oxwerd 2. De Bril

Zoals gezegd meende Ligterink dat het water uit de omgeving van het ten zuiden van Enumatil gelegen Lettelbert aanvankelijk via de zigzag lopende kerspelgrens tussen Faan en Zuidhorn noordwaarts heeft gelopen. Zelfs als dat juist zou zijn – hetgeen erg onwaarschijnlijk is – heeft dat zeker niet lang geduurd. Als gevolg van de daling van de klei-op-veenbodem zullen de streken ten noorden en zuiden van Faan weldra last hebben gekregen van het ‘bovenwater’. Om te voorkomen dat dit over de lage landerijen zou uitstromen moest men het ‘vreemde’ water tussen kaden opsluiten, terwijl voor de lozing van het eigen water een andere oplossing moest worden gevonden.

Het is uitgesloten dat men Ligterinks zig-zag lopende grenssloten tussen Faan en Zuidhorn heeft bekaad; dat zou wel erg inefficiënt zijn geweest. Ik vermoed dat weldra na het in exploitatie nemen van de venen ten zuiden van Enumatil (c. 1200?), een rechte tochtsloot is gegraven tussen Enumatil en Oxwerd en dat men deze ‘Oost-Vredewoldertocht’, die netjes in de bestaande verkaveling is ingepast, van kaden heeft voorzien. Door een zo hoog mogelijk tracé te kiezen hoefde men slechts op enkele plaatsen hogere kaden op te werpen.

Op de hoogtekaart zien we het Hoendiep zich inderdaad aftekenen als een rechte lijn die een relatief hoge strook doorsnijdt. Op slechts twee plaatsen (meteen ten noorden van Enumatil en bij de Bril) moesten kaden worden gelegd om het aanliggende lage land tegen overstroming te beschermen.

De ronde ‘putjes’ op het kaartje zijn zogenaamde ‘pingoruïnes’: ronde kraters die zijn ontstaan door het wegsmelten van ondergrondse lensvormige ijsmassa’s.

Bij Enumatil Bij Enumatil

Op Google Earth kunnen we goed zien dat het huidige Hoendiep vanaf de noordelijke dijk langs de Woldgeul (Zuiderweg) over een afstand van ruim 700 meter schuin door de bestaande verkaveling loopt. Dat toont aan dat de aansluiting tussen het proto-Hoendiep (Oost-Vredewoldertocht) en het Lettelberterdiep jonger is dan de verkaveling van dit gebied ter weerszijden van de Woldgeul.

Het schuine tracé was nodig om het reeds bestaande Lettelberterdiep – dat had, toen de Woldgeul nog niet was dichtgeslibd, het water uit de zuidelijke polders op de Woldgeul geloosd – netjes te laten aansluiten op de Oost-Vredewoldertocht die dwars op de vanaf Zuidhorn opstrekkende kavels is gegraven.

Hoendiep ten noorden van Enumatil Hoendiep ten noorden van Enumatil

Het tussen Enumatil en Briltil gelegen stuk van het Hoendiep vertoont ter hoogte van de noordelijke dijk van de Woldgeul (de Zuiderweg) een lichte knik. Vanaf dat punt loopt het kanaal een beetje scheef door de oude, bij de Woldstroom passende, verkaveling. Verder naar het noorden ligt het Hoendiep haaks op de kavelsloten die vanaf Zuidhorn zijn gegraven.

Hoendiep/Lettelberterdiep ten zuiden van Enumatil Hoendiep/Lettelberterdiep ten zuiden van Enumatil

Het Lettelberterdiep past in de verkavelingsstructuur van dit ontginningsgebied. De vraag is nu of dit kanaal van meet af aan een structurerend element in deze ontginning is geweest of dat het gewoon een van de vele parallelle kavelsloten was die op een gegeven moment een belangrijke afwateringsfunctie heeft gekregen.

Als men de lijn waarop het kanaalvak tussen Enumatil en Lettelbert ligt naar beide kanten doortrekt blijkt deze lijn door de kerken van Noordhorn en Roden te gaan. Zou dit toeval zijn?

 Lettelberterdiep Lettelberterdiep

Overigens ziet het Lettelberterdiep er nu heel wat forser uit dan het vroeger was. Op de kadasterkaart van c. 1830 is het nagenoeg verdwenen en op de Bonnebladen van begin twintigste eeuw zien we in plaats van een strak en breed kanaal een sloot die op verschillende plaatsen een beetje verspringt.

Moeten we waarde hechten aan het feit dat het Lettelberterdiep op een lijn ligt die door de kerken van Roden en Noordhorn gaat?

De afstand tussen Enumatil en Noordhorn bedraagt slechts 5 km. Het spreekt voor zich dat de hoogte van Noordhorn vanuit Enumatil goed te zien moet zijn geweest. Maar de afstand tot Roden is veel groter: 9 km. Dat betekent dat alleen een hoog object in die plaats (de kerk? een bomengroep?) zichtbaar kan zijn geweest. Toch lijkt oriëntatie op Roden niet helemaal onmogelijk, zeker wanneer we bedenken dat een dergelijke oriëntatie ook een rol gespeeld kan hebben bij het graven van de Zuidwending en misschien zelfs bij de afleiding van de Hunsinge naar de Kliefslootgeul.

Maar wat te denken van Noordhorn? Waarom zou men die plaats in het oog genomen hebben bij het bepalen van de plaats waar men vanuit de bedding van de Woldstroom een lijn op Roden heeft gezet? Het ligt immers veel meer voor de hand om het dichterbij gelegen Zuidhorn als oriëntatiepunt te nemen.

Oriëntatie Zuidhorn-Roden?  1.  Enumatil 2.  Lettelbert 3.  Oostwold 4.  Zuidwending. Ook de oostgrens van de ontginning Lagemeeden – de Zuidwending – lijkt op Roden te zijn geraaid. Oriëntatie Zuidhorn-Roden? 1. Enumatil 2. Lettelbert 3. Oostwold 4. Zuidwending. Ook de oostgrens van de ontginning Lagemeeden – de Zuidwending – lijkt op Roden te zijn geraaid.

Het plaatje laat zien dat de verkaveling van het gebied tussen Enumatil en Oostwold net zo goed kan zijn bepaald door de lijn Zuidhorn-Roden. Als dat inderdaad het geval is, heeft men eenvoudig een van de ten westen van de hoofdstructuurlijn gelegen kavelsloten gebruikt om het water van de ontginning en de Gave naar het noorden af te leiden en is het gewoon toeval dat deze watergang op de lijn Noordhorn-Roden ligt.

Uit Lieuwerderwolde en Vredewold kwamen in de volle middeleeuwen opbrengsten ten voordele van het klooster Werden aan de Roer. Uit bodemvondsten blijkt dat ook het gebied bij de Poffert reeds in de vroege middeleeuwen werd gebruikt. Waarschijnlijk is aan deze vroege bewoning een eind gekomen door de overstromingen die in de elfde en twaalfde eeuw plaatsvonden. Deze deponeerden een nieuwe kleilaag in het gebied, dat daarna opnieuw in cultuur werd gebracht.

Sint Catharinakerk te Roden Sint Catharinakerk te Roden

De kerk van Roden wordt in 1139 voor het eerst in een oorkonde genoemd, een halve eeuw vóór het stichtingsjaar van het klooster Aduard. De huidige gothische kerk is in de dertiende eeuw gebouwd.

De kerk van Zuidhorn De kerk van Zuidhorn

Bij de bespreking van de oriëntatielijn Niekerk-Zuidhorn zagen we al dat ook de huidige kerk van Zuidhorn oud is. Het huidige gebouw is de opvolger van een tufstenen zaalkerk uit de twaalfde eeuw.

Overigens moeten we Noordhorn als mogelijk oriëntatiepunt niet al te snel afschrijven. Het lijkt erop dat de westelijke grens van de Lettelbertermolenpolder in elk geval wél op Noordhorn is geraaid. Misschien is dat gebeurd vanaf de knik Noorderweg/Pasop. De hoogte is daar 1,3 m. De afstand naar Noordhorn (kerk) bedraagt 7,7 km. In elk geval is vanaf die plek de hoogte van Noordhorn, en zeker de kerk, goed zichtbaar geweest.

Orientatielijnen op Noordhorn en Roden (?) 1.  De ‘Pasop’ geheten weg is de westgrens van de Lettelbertermolenpolder 2.  Lettelberterdiep 3.  Aduarderdiep en Zuidwending Orientatielijnen op Noordhorn en Roden (?) 1. De ‘Pasop’ geheten weg is de westgrens van de Lettelbertermolenpolder 2. Lettelberterdiep 3. Aduarderdiep en Zuidwending

Kerk van Noordhorn.  De zaalkerk van Noordhorn is vrij jong. Ze is omstreeks 1280 gebouwd. De toren dateert uit 1765. Kerk van Noordhorn. De zaalkerk van Noordhorn is vrij jong. Ze is omstreeks 1280 gebouwd. De toren dateert uit 1765.

Al eerder stelden we de vraag naar de ouderdom van de Oost-Vredewoldertocht die tussen Enumatil en de Oude Riet is gegraven. Daarbij heb ik gewezen op het feit dat in het begin van de veertiende eeuw noch Midwolde, noch Lettelbert of Oostwold genoemd worden als participanten bij de werkzaamheden aan de Kliefslootgeul bij Arbere. Dat wil zeggen dat deze gebieden niet via de benedenloop van het Peizerdiep (de Hunsinge) en Aduard afwaterden. De enige uitweg kan dan noordwaarts hebben gelopen, via het tracé van het huidige Hoendiep. Zou een datering c. 1250 een beetje in de richting komen?

De ‘Oost-Vredewoldertocht’ (Hoendiep) vanaf de Fanerbrug De ‘Oost-Vredewoldertocht’ (Hoendiep) vanaf de Fanerbrug

De watergang is beslist niet eerst in 1561 gegraven, zoals Kloppenburg meent,"21" laat staan dat we Wikipedia moeten geloven, waar we lezen dat het Hoendiep tussen Briltil en Noordhornertolhek – een stuk van de Oost-Vredewoldertocht dus – in de jaren 1654-1657 is gegraven. Dit laatste is een versimpelde en onjuiste weergave van wat Kooper in zijn Waterstaatsverleden schreef."22"

Deze misverstanden maken het zinvol om hier even een zijpad in te slaan en enige aandacht te schenken aan de historie van de ‘vaarweg naar Friesland’.

Kolonelsdiep.  Op het kaartje zijn ook de A7 en het Van Starkenborghkanaal aangegeven. Kolonelsdiep. Op het kaartje zijn ook de A7 en het Van Starkenborghkanaal aangegeven.

Kooper vertelt – in navolging van Geertsema – dat stadhouder Caspar de Robles omstreeks 1575 een vaarweg naar Friesland inrichtte en daarvoor gebruik maakte van (vanaf de stad Groningen gerekend) het Hoendiep, de Gave, het Lettelberterdiep en het noordelijke verlengde daarvan tot de Bril. Vanaf de Bril liep de route in westelijke richting verder naar de Oude Gaarkeuken (c. 750 meter ten noorden van de Provincialeweg te Sebaldeburen).

Niekerkerdiep bij Briltil;  op de voorgrond het Hoendiep. Niekerkerdiep bij Briltil; op de voorgrond het Hoendiep.

De naam Briltil betekent: ‘brug bij de Bril’. Het woord ‘bril’ zagen we eerder in de toponiem Bruilwering. In Nederland kennen we Den Briel en de Breul bij Zeist. Bruil (Duits Brühl), brol, brul of bril betekent: vochtig, met houtgewas begroeid land.

Tussen Niekerk en de gast (zandrug) van Oosterzand-Westerzand ligt een laagte. De vaarweg naar Friesland (het Kolonelsdiep) volgde daar een oude afwateringssloot, waardoor het water uit de laagte tussen Vredewold en Langewold in noordoostelijke richting naar de Oxwerderzijl werd gevoerd. Mogelijk heeft deze watergang in een verder verleden ook het water van zuidwestelijke deel van Vredewold afgevoerd. We zullen daarop in het laatste deel nog terugkomen.

Kolonelsdiep bij Kroonsfeld Kolonelsdiep bij Kroonsfeld

De foto is genomen vanaf de Zandumerweg bij Kroonsfeld, ten noordwesten van Niekerk. We kijken in zuidwestelijke richting. Dit stukje van de Zandumerweg bestond nog niet ten tijde van het maken van de negentiende-eeuwse kadasterkaart en ontbreekt ook nog op de chromo-topografische kaart.

Het Kolonelsdiep bij de Oude Gaarkeuken Het Kolonelsdiep bij de Oude Gaarkeuken

Een overblijfsel van het Kolonelsdiep is nog te zien ten noorden van Sebaldeburen, bij de Oude Gaarkeuken aan de westzijde van de Woldweg. Hier kruiste het Kolonelsdiep het Wolddiep. Tegenwoordig is er een gemaaltje.

 Een nieuwe vaarweg naar Friesland (1654-1657) Een nieuwe vaarweg naar Friesland (1654-1657)

In de zeventiende eeuw – aldus Kooper – verbeterde de provincie Stad Groningen en Ommelanden deze route door de omweg over Oostwold af te snijden (waarover straks meer) en vanaf de Bril gebruik te maken van het afwateringskanaal van het Nijesloterzijlvest. Dat liep in de zeventiende eeuw vanaf Noordhornertolhek niet meer zoals vroeger noordwaarts door naar Ypegat en de Oude Riet, maar boog linksaf en voerde het water van het Nijesloterzijlvest in noordwestelijke richting af naar Niezijl (Niezijlsterdiep).

Bij het verbeteren van de vaarroute naar Friesland volgde men in de zeventiende eeuw dit Niezijlsterdiep tot aan de Scheeftil. Vanaf dit punt groef men in 1655 een nieuw kanaalvak dat via Gaarkeuken naar Stroobos leidde. Vanaf het Noordhornertolhek maakt deze vaarweg nu deel uit van het Van Starkenborghkanaal.

Scheeftil ten westen van Noordhornerga Scheeftil ten westen van Noordhornerga

Ongeveer 1300 meter ten westen van de plaats waar tegenwoordig het Hoendiep in het Van Starkenborghkanaal uitmondt, bevindt zich sinds halverwege de zeventiende eeuw de Scheeftil. Hij overbrugt het Niezijlsterdiep waarlangs het Oost-Vredewolder water sinds 1563 naar Niezijl stroomde.

Het Van Starkenborghkanaal – op de voorgrond – volgt hier het tracé van de in de jaren 1654-1657 gegraven vaarweg naar Friesland.

Varianten voor de vaarweg tussen Groningen, Dokkum en Leeuwarden, getekend door Occo Janssen Bockebloet (1646)  (GrA T817-1057) Varianten voor de vaarweg tussen Groningen, Dokkum en Leeuwarden, getekend door Occo Janssen Bockebloet (1646) (GrA T817-1057)

In de eerste helft van de zeventiende eeuw zijn verschillende plannen gemaakt voor de verbetering van de vaarweg tussen Groningen en Leeuwarden. Enkele varianten vinden we terug op een perkamenten kaart, die in 1646 is getekend door Occo Janssen Bockebloet. Uiteindelijk zou de keuze vallen op de route via de stad Dokkum. De onderstaande uitsnede laat zien dat ook verschillende mogelijkheden werden overwogen om de route te bekorten.

Met stippellijntjes zijn enkele haakse bochten afgesneden. Van de hier voorgestelde varianten is er maar één gerealiseerd: in 1654-1655 is tussen de Poffert en Enumatil de omweg over Oostwold (via de Gave en het Lettelberterdiep) afgesneden. Zoals we zagen heeft men vanaf de Bril ervoor gekozen het tracé van de Oost-Vredewolder waterlossing te gebruiken tot even ten westen van Noordhornerga en dan een rechte lijn naar Gerkesklooster te volgen. Zo ontstond de vaarweg die op het kaartje op bladzijde 57 onderaan is ingetekend.

Het in Wikipedia abusievelijk aangehaalde citaat uit Koopers Waterstaatsverleden maakt deel uit van een beschrijving van de scheepvaartkanalen in de provincie. Het ging Kooper dus om de vaarweg tussen Groningen en Friesland die in de zeventiende eeuw werd verbeterd. Zoals hij zelf ook aangeeft, benutte men daarvoor zoveel mogelijk bestaande watergangen, die oorspronkelijk voor een ander doel (de afwatering) waren gegraven en meestal veel ouder waren.

Maar het blijft onzeker wanneer het afwateringskanaal van Enumatil naar de Oude Riet (de Oost-Vredewoldertocht of proto-Hoendiep) is gegraven. Ook Kooper komt niet verder dan dat deze watergang ‘nog vóór de tijd der oorkonden’ moet zijn gegraven. Terloops tekent hij daarbij aan dat dit kanaaltje misschien de sloot is waaraan het zijlvest dat hierlangs afwaterde zijn naam ontleende: Sloterzijlvest. Deze suggestie lijkt me heel plausibel. Het zijlvest is genoemd naar de Sloterzijl, de zijl waarheen een nieuw gegraven sloot leidde. Nadat de monding van de Oost-Vredewoldertocht halverwege de zestiende eeuw naar Niezijl was verplaatst en Nijesloterzijl was gaan heten, noemde het zijlvest zich Nijesloterzijlvest. Het voorvoegsel ‘Nije-’ slaat dan op de zijl, niet op de sloot. Anders gezegd: het Nijesloterzijlvest ontleent zijn naam niet aan een nieuwe sloot, maar aan de nieuwe Sloterzijl.

Met het noemen van de Sloterzijl zijn we aangekomen bij het vierde en laatste hoofdstuk van dit deel, waarin we de afwatering van Oost-Vredewold nader zullen bestuderen.

19.

D. Kloppenburg, ‘De waterstaatkundige ontwikkeling van het Westerkwartier’, in: Tijdschrift van het Koninklijk Nederlandsch Aardrijkskundig Genootschap dl. 61 (1944) 329-356, 429-455, aldaar 431-432.

20.

G.H. Ligterink, Tussen Hunze en Lauwers. Kultuur-historische schetsen uit het Groninger Westerkwartier (Groningen 1968) 62.

21.

Kloppenburg, ‘Waterstaatkundige ontwikkeling Westerkwartier’, 432.

22.

Kooper, Waterstaatsverleden, 106. Het artikel dat Jan Meijering onder de titel ‘Van Caspar de Roblesdiep tot Van Starkenborghkanaal’ in het Historisch Jaarboek Groningen 2012 (24-43) publiceerde, laat de oude geschiedenis van het Hoendiep buiten beschouwing.