Zoek op de website

11.1	‘Belangrijk, maar duister’

Dijken en waterlopen bij Oxwerd Dijken en waterlopen bij Oxwerd

Het vorige hoofdstuk eindigde met de raadselachtige situatie bij Oxwerd. Hier nog eens een reconstructie van de in mijn ogen meest waarschijnlijke situatie. Links zien we de afwatering van Langewold (de Katerhals) – we zullen aanstonds zien dat die ook diende voor de afwatering van West-Vredewold! – en rechts (het opvallend rechte kanaal) de Oost-Vredewoldertocht.

Ik denk dus dat beide waterlopen ten zuiden van de middeleeuwse Langewolderzeedijk (de Roder) bij elkaar kwamen en dat het daardoor aangevoerde water door één zijl, de Oxwerderzijl, op de zeearm van de Oude Riet werd gebracht.

Alvorens we gaan bekijken hoe de zaken zich hier verder ontwikkelden, zullen we nu de situatie in West-Langewold onder de loep nemen.

Afleiding van de Woldstroom Afleiding van de Woldstroom

We laten Oxwerd voor wat het is en kijken nu naar de afwatering van Langewold en die van het westelijke deel van Vredewold. Anders dan het geval was met betrekking tot de situatie tussen Enumatil en Noordhorn, beschikken we voor dit thema wel over een schriftelijke bron. Die is echter zo lastig te interpreteren, dat ze vele vragen oproept.

Zoveel is wel duidelijk, dat de bedoelde tekst betrekking heeft op de afleiding van het water van West-Vredewold noordwaarts dwars door Langewold heen. Daarmee moet het Wolddiep zijn bedoeld dat, zoals we in het vorige hoofdstuk al zagen, het water van de ‘Woldstroom’ (de bovenloop van de Oude Riet) afvoerde nadat het opslibbingsproces in de Woldgeul beneden Boerakker een natuurlijke afstroom onmogelijk had gemaakt.

We zagen daar ook al dat de bodemkaart van het Westerkwartier een wat woest beeld vertoont. Ook nu zal ik niet op de bodemkundige details ingaan, maar wijs nog eens op de trechtervormige Woldgeul, die hier is aangegeven met een groene kleur. Die kleur wil zeggen dat de bodem daar uit klei bestaat.

De Woldgeul reikt tot de omgeving van Boerakker. Tot aan Bakkerom en de brug in de Hoge Tilweg is klei afgezet. Dat wil zeggen dat zich hier het verste punt bevindt waar de afgezette klei de afvoer van het water van de Woldstroom en het zuidwestelijke deel van Vredewold belemmerde en waar de bewoners dus een alternatieve route voor het water moesten maken.

Matsloot en omgeving op de AHN-hoogtekaart. 1.  Matsloot 2.  Wolddiep 3.  Oost-Vredewoldertocht 4.  Polder ‘de Dijken’ 5.  Tolberter Petten Matsloot en omgeving op de AHN-hoogtekaart. 1. Matsloot 2. Wolddiep 3. Oost-Vredewoldertocht 4. Polder ‘de Dijken’ 5. Tolberter Petten

De opslibbing in de Woldstroom vertoont zich als een langgerekte hoge rug tussen Bakkerom in het westen en Enumatil en voorbij die plaats in het oosten: het is een zogenaamde inversierug. Volgens de tekstborden van Staatsbosbeheer heeft men de afwateringsproblematiek eerst willen verhelpen door ten zuiden van de dichtgeslibde Woldstroom een kanaal te graven: de Matsloot. Eerst later zou men het water van het zuid-westelijke deel van Vredewold door middel van het Wolddiep noordwaarts hebben geleid.

Waarop deze chronologie is gebaseerd is mij niet duidelijk. Schriftelijke bronnen zijn er niet. Het is niet onmogelijk dat men aanvankelijk geprobeerd heeft het Vredewolder water via een nieuw gegraven kanaal (de Matsloot) oostwaarts te leiden. Maar waar bleef het dan? Liep het via de Woldgeul noordwaarts en dan via de Oude Riet naar zee? Of veronderstelt men dat de Oost-Vredewoldertocht toen al bestond en dat het West-Vredewolder water, samen met dat van Oost-Vredewold ten westen van Zuidhorn en Noordhorn via de Oxwerderzijl op de Oude Riet werd geloosd? Het is onduidelijk.

In elk geval moeten we rekening houden met de mogelijkheid dat de Matsloot wel eens ’n stuk jonger zou kunnen zijn dan het Wolddiep en dat men met het graven ervan de lage landen ten zuiden van de dichtgeslibde Woldstroom tussen Bakkerom en Enumatil van overtollig water heeft willen ontdoen.

De opvallend lage plekken op de hoogtekaart zijn de polder De Dijken en de Tolberter Petten.

Het reliëf van Langewold. 1.  De Jouwer 2.  Zandemertil 3.  Oxwerderzijl De rode cirkel markeert de plaats van de Oude Gaarkeuken Het reliëf van Langewold. 1. De Jouwer 2. Zandemertil 3. Oxwerderzijl De rode cirkel markeert de plaats van de Oude Gaarkeuken

De hoogtekaart van Langewold maakt met zijn laagten en pleistocene hoogten een spectaculaire indruk en doet vermoeden dat het graven van een kanaal dwars door dit gebied geen sinecure is geweest. Al moeten we er natuurlijk wel bij bedenken dat de hoogteverschillen ten tijde van het graven van het Wolddiep veel geringer zullen zijn geweest dat dit plaatje laat zien.

Op het kaartje zien we behalve natuurlijke hoogten en laagten ook een aantal opvallende bulten van jongere datum: grondbergingen langs het Van Starkenborghkanaal (de vier pijltjes bovenaan) en de milieustraat aan de Tweemat ten zuiden van Grootegast (het onderste pijltje).

Het water dat vanuit West-Vredewold vanaf Boerakker door het Wolddiep (op het kaartje zichtbaar als een groene lijn) noordwaarts loopt, moet twee pleistocene ruggen kruisen: ten zuiden van Sebaldeburen (de Jouwer) en ten noorden van diezelfde plaats, ter hoogte van Westerzand en Oosterzand (bij de huidige Zandemertil).

Volgens Siemens liep het West-Vredewolder water aanvankelijk slechts tot aan de Oude Gaarkeuken (de kleine rode cirkel) noordwaarts."1" Vanaf dat punt stroomde het in oostelijke richting door de laagten ten noorden van Oldekerk, Niekerk en Faan en dan noordoostwaarts door de Katerhals naar de Oxwerderzijl. Als we op de hoogtekaart afgaan, lijkt het er meer op dat het ‘oer-Wolddiep’ al even ten zuiden van de Oude Gaarkeuken ophield en dat het Vredewolder water dus al even eerder deze ‘afslag’ nam. Duidelijk is in elk geval dat het door de laagte tussen Oosterzand en Oldekerk-Niekerk naar Oxwerderzijl moet hebben gelopen.

Op bevel van kolonel Caspar de Robles zou diezelfde laagte in de jaren 70 van de zestiende eeuw benut worden om er de vaarweg Groningen-Leeuwarden door te leggen, uiteraard via bestaande watergangen (het Kolonelsdiep). We hebben daar in het vorige hoofdstuk al bij stilgestaan.

Laagland ten noorden van Oldekerk Laagland ten noorden van Oldekerk

Doordat een laagje sneeuw aan de noordzijde van oneffenheden is blijven liggen, tekent een kronkelende watergang  ten oosten van het Wolddiep zich duidelijk af. De sloot komt op een kleine 250 meter ten zuiden van de Oude Gaarkeuken bij het Wolddiep uit. De bomen aan de horizon staan op de zandrug Sebaldeburen-Oldekerk.

In eerste instantie zal het via het Wolddiep afgeleide water van West-Vredewold door de laagte ten noorden van de zandrug Sebaldeburen-Oldekerk naar de Katerhals en zo verder naar Oxwerd zijn gevoerd.

Kolonelsdiep bij Oldekerk Kolonelsdiep bij Oldekerk

We staan hier op de Zandumerweg bij Kroonsfeld (tussen Niekerk en Oosterzand) en kijken naar het zuidwesten.
Op deze plek bevindt zich een natuurlijke laagte tussen de gast van Oosterzand en die van Oldekerk-Niekerk. Op de eerste chromo-topografische kaart (de ‘Bonnebladen’) ontbreekt dit stuk van de Zandumerweg nog.

Toen het water uit het zuidwestelijke deel van Vredewold niet langer via de Woldstroom kon worden afgevoerd, stroomde het via de sloot op de bovenstaande foto vanuit de richting Sebaldeburen door de laagte tussen Oldekerk en Oosterzand naar het noordoosten (naar de kijker toe) en verder naar Oxwerd. Dat heeft dan tot 1385 geduurd, toen het Vredewolder water in deze omgeving zoveel overlast aanrichtte, dat men op zoek moest naar een andere oplossing. 

Zoals gezegd is deze watergang in de zestiende eeuw gebruikt als onderdeel van de vaarweg Leeuwarden-Groningen.

 (GrA T1007-2; RF 1385.1) (GrA T1007-2; RF 1385.1)

 ‘Een slordig afschrift’ "2"

De oudste schriftelijke bron die ons iets vertelt over de waterhuishouding en de landschapsgeschiedenis van het gebied ten westen van Noordhorn-Zuidhorn, dateert van 8 juni 1385. Het betreft een overeenkomst die gearrangeerd is door de proosten van Hummerke en Cusemer, drie pastoors uit Langewold en vijf pastoors uit Vredewold. Doel van deze overeenkomst was het beëindigen van een conflict tussen vijf dorpen van Vredewold en vier dorpen van Langewold. De onmin was ontstaan doordat het Vredewolder water door Langewold noordwaarts liep en daar voor overlast zorgde.

De originele akte uit 1385 is niet bewaard gebleven. We kennen de tekst ervan alleen door een in 1741 gemaakt afschrift van een in 1679 vervaardigde authentieke kopie."3" De uitgevers van het Oorkondenboek kwalificeren het afschrift als slordig en wijzen erop dat het vol staat met ‘woorden van dien tijd’ – ze bedoelen de tijd van de makers van het afschrift – ‘en met soms verhaspelde namen’.

Terecht noemde de geleerde dominee Nicolaas Westendorp van Sebaldeburen het stuk ‘belangrijk, maar duister’."4" Al lezende krijgt men de indruk dat er bij het overschrijven van het origineel van alles mis is gegaan. Er zijn niet alleen losse woorden en namen verhaspeld, er lijken zelfs hele regels te zijn overgeslagen.

De bij de overeenkomst van 1385 betrokken gebieden: rood gearceerd: vier kerspelen van Langewold, geel gearceerd: vijf kerspelen van Vredewold De bij de overeenkomst van 1385 betrokken gebieden: rood gearceerd: vier kerspelen van Langewold, geel gearceerd: vijf kerspelen van Vredewold

De regeling van 1385 betreft

I.     Lucaswolde, Noordwijk, Marum, Nuis en Niebert enerzijds (West-Vredewold)
II.   Sebaldeburen, Oldekerk, Niekerk en Faan (Langewold).

De arbiters bepaalden dat

  • zowel partij I als de twee eerstgenoemde kerspelen van partij II in twee opeenvolgende jaren elk een waterloop zouden maken, welke watergangen een gezamenlijke bedding moesten hebben buiten de dijk, die gewoonlijk ‘de Roder’ wordt genoemd; de mogelijkheid werd voorzien, dat men ook binnendijks een gemeenschappelijke watergang zou willen maken;
  • partij I haar watertocht bij ‘Zudgalgha’ of ‘Ruddendijk’ zodanig zou stoppen, dat de breedte niet meer dan 8 holtvoeten zou bedragen;
  • vernauwingen werden aangebracht in de weg die ‘Marrabalcka’ heet en in de nieuwe Monnikenweg bij Trimunt.

De tekst van 1385 is weliswaar lang, maar toch de moeite waard om in zijn geheel gelezen te worden. Alvorens dat te doen kijken we nog even naar de bodemkaart.

Nog eens de bodem van Langewold Nog eens de bodem van Langewold

De hoogten die we op de hoogtekaart zagen zijn de zandruggen van Sebaldeburen-Oldekerk en die van Westerzand-Oosterzand-Niekerk. Daartussen bevinden zich gebieden waarin de bodem bestaat uit veen, klei-op-veen of zand-op-veen.

Aanvankelijk zal de afleiding van het West-Vredewolder water geen problemen hebben opgeleverd voor de aangelegen landerijen. Maar geleidelijk daalde de bodem in de klei-op-veen streken ten noorden van Niekerk en Faan als gevolg van het inklinken van de ondergrondse veenlaag. Hierdoor werd het Vredewolder water een bedreiging voor de Langewolders.

De Vredewolders moesten – en wilden misschien ook wel – voorkomen dat hun water overlast veroorzaakte, maar ondervonden daarbij hinder van het vele water dat in Langewold bij elkaar kwam en ook van de moerige aard van de bodem in die streek. Zo staat het expliciet in de akte van 1385. Er was geen klei of zand voorhanden om het Vredewolder water in soliede kaden op te sluiten.

Hier volgt de tekst – een ‘hertaling’ – met enig commentaar.

OGD II 746 (8 juni 1385)"5"

 

De proosten van Hummerke en Kuzemer en een aantal pastoors in Langewold en Vredewold brengen een overeenkomst tot stand over de waterlossing van Vredewold en Langewold.

 

Uit het vervolg van het verhaal zal blijken dat de uitgevers van het Oorkondenboek zich hebben vergist in de formulering van de kopnoot. Daar staat: ´De proosten van Hummerke en Kusemer en een aantal pastoors in Langewold en Vredewold maken een overeenkomst over de waterlossing der vijf kerspelen van Langewold tussen Langewold en Vredewold.´ De vijf kerspelen waarvan de waterlossing in het geding is, behoren echter niet bij Langewold, maar bij Vredewold. Bij de regeling van de waterlossing van West-Vredewold wordt echter wel de afwatering van Langewold mede betrokken.

[1]

In de naam van God amen.

[2]

Wij, Tydericus, proost in Humsterland, Alard, proost in Kuzemer, Helmarus, Reynerus en Allardus, pastoors te Sebaldeburen, Oldekerk en Niekerk in Langewold, Luppold, Bernard, Menold, Johannes en Ludolfus, pastoors te Lucaswolde, Noordwijk, Marum, Nuis en Niebert in Vredewold, groeten alle christengelovigen samen en ieder afzonderlijk apart in de Heer.

[3]

Opdat men ware kennis kan hebben van hetgeen is gebeurd en opdat datgene wat in het verleden nuttig en voordelig is geweest in de toekomst niet lastig en schadelijk worde gevonden en omdat maatregelen die in het verleden als nuttig zijn beoordeeld, door verandering van omstandigheden in de tijd en onder druk der omstandigheden vervangen moeten worden door  betere;(1)

  1. De zin loopt niet, wellicht als gevolg van een gebrekkige transcriptie van het origineel.

[4]

De situatie is dat er vele ernstige twisten en ruzies zijn geweest tussen de kerspellieden van de parochies Sebaldeburen, Oldekerk, Niekerk en Faan enerzijds, en de kerspellieden van de parochies Lucaswolde, Noordwijk, Marum, Nuis en Niebert anderzijds, over het herstel en het onderhoud van de kaden van de waterloop van de vijf Vredewolder parochies. Wij weten dat die ruzies zijn ontstaan en zijn bang dat er in de toekomst nog meer zullen komen tenzij er men snel een middel toepast om dat te voorkomen.

[5]

Algemeen bekend is dat de vijf parochies in Vredewold door de overvloed van water dat overal in Langewold samenkomt,(1) en vanwege de natte gronden aldaar, de oevers van hun door Langewold lopende watergangen niet in stand kunnen houden.(2)
Om die reden is het nodig deze noodtoestand met goede maatregelen te bestrijden, want in geschreven teksten kan men tegen nieuwe ziekten gemakkelijk een nieuw medicijn vinden.(3)

  1. Zowel het water van Oost- als dat van West-Vredewold stroomt door Langewold af.
  2. Deze formulering doet vermoeden dat de Vredewolder watergang op Langewolder grondgebied    was afgescheiden (‘afgepend’) van de waterhuishouding ter plaatse.
  3. De betekenis en vertaling zijn onzeker, waarschijnlijk ook weer als gevolg van fouten in de tekst. De gedachte van ‘nieuwe medicijnen voor nieuwe ziekten’ zagen we overigens ook in de akte waarbij Middelbert en Engelbert in het Scharmerzijlvest werden ingelaten (1370). Maar waarom zou hier sprake zijn van een nieuwe krankheid? Veroorzaakte het water van Vredewold vroeger geen problemen in Langewold? Zou de wateroverlast (ten dele) het gevolg zijn van bodemdaling waarvan men pas sinds kort de desastreuze effecten ondervond?

[6]

Om die reden, en met instemming en advies der landschappen en parochianen van genoemde parochies aan weerszijden, hebben we enkele nieuwe artikelen opgesteld die de parochianen aan beide zijden voor eeuwig moeten onderhouden, welke wij hierna omschrijven:

[7]

  • In de eerste plaats hebben we bepaald dat de vijf parochies van Vredewold dit    jaar hun watergang bij die van Ewertmannen en Heddemannenhuise(1) of daar in de buurt op de meest geschikte plaats door verstandige gekozen zullen worden of geven.(2) En bij deze watertocht of -loop zullen het jaar daarna de twee kerspels Sebaldeburen en Oldekerk een andere watergang maken, met dien verstande dat de twee waterlopen een gemeenschappelijke bedding zullen hebben buiten de dijk, die gemeenlijk de Roder wordt genoemd.(3)  En de gemeenschappelijke bedding moeten de zeven kerspels(4) op gezamenlijke kosten en met gemeenschappelijk arbeid graven.
  1. Volgens Formsma wijzen deze namen erop dat de watertocht van de West-Vredewolders bij Niezijl moet zijn gesitueerd. Ten westen van Niezijl ligt de Hiddemaheerd, die wellicht vroeger Heddemaheerd heette. De vorige keer zagen we dat de boerderij ten westen van de middeleeuwse Oxwerderzijl de naam Ooster-Heddemaheerd draagt. Ten westen van die boerderij ligt de Wester-Heddemaheerd.
  2. De tekst deugt niet. Het lijkt erop dat de kopiïst een hele regel heeft overgeslagen. Helaas ontbreekt door deze vergissing nu juist het belangrijkste deel van de tekst, want hier moet staan wat de vijf Vredewolder kerken in 1385 moesten doen. Uit het vervolg kan men opmaken dat ze op een nader aan te wijzen plaats een nieuwe watergang moesten graven.
  3. Door de twee waterstromen buitendijks door één bedding te laten lopen hoopte men dichtslibben te voorkomen.
  4. De vijf Vredewolder kerspelen en de twee Langewolder kerspelen Sebaldeburen en Oldekerk.

[8]

En zoveel hulp als de twee kerspels van Langewold(1) dit jaar hebben geboden aan de vijf kerspelen van Vredewold bij het graven van hun binnendijkse waterloop, zoveel hulp zullen de vijf kerspelen van Vredewold de andere twee kerspelen van Langewold(2) het jaar daarna geven bij het graven van hún binnendijkse waterloop, tenzij dat men liever een gemeenschappelijke binnendijkse tocht wil aanleggen.(3)

  1. Sebaldeburen en Oldekerk?
  2. Welke twee kerspelen zijn hier bedoeld? Als Sebaldeburen en Oldekerk in 1385 de Vredewolders helpen, ligt het voor de hand dat het deze kerspelen zijn die in het jaar daarop door de Vredewolders worden geholpen. Maar dan is het woord ‘andere’ in deze passage overbodig. Zouden dan, tegen de verwachting in, Niekerk en Faan zijn bedoeld? Over een verbetering van hun afwatering horen we verder niets.
  3. Op dit punt kom ik in het vervolg terug.

[9]

  • Wanneer er twist ontstaat vanwege het geld dat benodigd is voor de aankoop van het land waardoor men de waterloop zal graven, zullen de punten waarover verschil van mening rijst door proost Tydericus met twee daartoe gekozen priesters beslecht worden.

[10]

De vijf kerspelen in Vredewold zullen hun waterloop graven op een plaats die Yka flank(1) heet of het nieuwe kanaal tussen de dijk die Nordyke(2) genoemd wordt en de plaats die Oppa sonder(3) heet en in het kerspel ...kerk(4) ligt, tenzij met algemene instemming en advies van beide partijen een beter en doelmatiger tracé wordt gekozen.(5)

  1. Locatie onbekend.
  2. Is dit een andere dijk dan de Roder?
  3. Het Zand ten noorden van Sebaldeburen-Oldekerk?
  4. Waarschijnlijk Oldekerk.
  5. Ook de tekst van deze passage is bedorven.

[11]

  • De vijf kerspelen van Vredewold moeten over de nieuwe waterlopen die ze zullen maken een brug onderhouden waarover men met een wagen kan rijden; en die van Langewold – degenen die het aangaat – moeten ook een dergelijke brug over de waterloop maken en onderhouden, tenzij de partijen met elkaar overeenkomen dat ze een gemeenschappelijke brug zullen onderhouden.(1)
  1. Waar moesten deze bruggen komen? Eén ervan, die van de Vredewolders, misschien in Westerzand-Oosterzand (de Zandemertil). De andere mogelijk bij de Bomsterzijl (Niezijl).

[12]

  • We bepalen en bevelen dat de vijf kerspelen van Vredewold, die belang hebben bij de gezamenlijke watertocht, hun waterloop op de plaats die Zudgalgha of Ruddendijck(1) heet, zo tegenhouden, dat de breedte ervan niet meer dan acht holtvoeten(2) zal zijn, omdat ze – zoals eerder vermeld – hun kaden niet kunnen onderhouden.
  1. De Redendijk bij Bakkerom.
  2. Een holtvoet is 29,25 cm. Het gaat dus om een ‘knijpe’ of vernauwing tot een breedte van 2,34 meter.

[13]

  • Wanneer de watertocht(1) van de vijf kerspelen verloren gaat of verstopt raakt, moet de acht voeten brede loop helemaal ophouden en mag niet gebruikt worden totdat de watertocht hersteld is.(2) Op deze manier zullen de vijf kerspelen vanaf de vernauwing van hun watertocht(3) geheel en al vrijgesteld zijn van het onderhoud van de kaden van hun watergang,(4) zodat ze in het vervolg niet meer verplicht zijn daarover te waken of daaraan onderhoud te plegen.
  1. Het woord ‘watertocht’ (‘watertucht’ in het origineel) lijkt het equivalent van wat in Latijnse teksten een aqueductus (‘zijl’ of ‘zijltocht’) wordt genoemd. Dit vermoeden wordt bevestigd door de formulering van een overeenkomstig artikel in het Zijlrecht van West-Vredewold uit 1425."6" Daar wordt het afsluiten van een watergang gelast zo vaak als de zijl niet functioneert (‘alsoe vake als de zijll niet loepachtig en is’).
  2. Wanneer de nieuwe zijltocht-met-zijl om de een of andere reden niet werkt, moet de toestroom van Vredewolder water bij de Redendijk worden gestopt. Het mag pas weer stromen wanneer de nieuwe watergang is verbeterd. De vraag is natuurlijk wel waar het Vredewolder water in zo’n geval moest blijven...
  3. ‘Beneden’ de knijpe bij de Redendijk.
  4. In Langewold.

[14]

  • De waterloop in de weg die Marrabalcka heet moet zo vernauwd worden, dat deze niet meer dan vier voeten breed is.
  • De waterloop in de nieuwe Monnikenweg in Trimunt zal maximaal drie holtvoeten breed zijn.

[15]

Zonder arglist en met uitsluiting van bedrog.

[16]

Tot getuigenis hiervan dessen hebben wij, proost Tidericus, het zegel van onze proosdij, en wij, Allardus, proost in Kuzemer, het zegel van de kellenaar, dat van  het hele convent en dat van onszelf, en wij, pastoors, voor zover wij een eigen zegel gebruiken, onze zegels aan dit stuk doen hangen, terwijl degenen die zelf geen zegel gebruiken deze keer tevreden zijn met de zegels der anderen en die der gemeente of landen Langewold en Vredewold.

[17]

Gedaan en gegeven op het kerkhof te Oldekerk in het jaar duizend driehonderd vijfentachtig op het octaaf van Sacramentsdag.(1)

  1. Sacramentsdag viel in 1385 op 1 juni. De achtste dag"7" is dan 8 juni 1385.

Wanneer we de onbegrijpelijke details in deze tekst buiten beschouwing laten, blijft er een kleine, maar wel heldere kern over. De geestelijken die de onmin tussen de Langewolder en Vredewolder kerspelen tot een einde wilden brengen, bepaalden dat er twee met elkaar samenhangende maatregelen moesten worden getroffen.

  1. Voor de afstroom van het Vredewolder water door Langewold moesten één of twee nieuwe watergangen worden gegraven en deze zouden door Vredewolders en Langewolders samen moeten worden aangelegd.
  2. De Vredewolders moesten de toestroom van hun water naar Langewold beperken.

Ondanks de onduidelijkheden van de tekst denk ik dat we in de interpretatie nog wel een paar stappen verder kunnen gaan. Aan de hand van een aantal kaartjes zal ik daartoe een poging doen.

Tussen Langewold en Humsterland.  De plaats waar de oudste Langewolderzeedijk heeft gelegen tekent zich af als de grens tussen hogere en lagere bodems.  Het pijltje wijst naar de plek waar een lozingspunt lijkt te zijn geweest. Tussen Langewold en Humsterland. De plaats waar de oudste Langewolderzeedijk heeft gelegen tekent zich af als de grens tussen hogere en lagere bodems. Het pijltje wijst naar de plek waar een lozingspunt lijkt te zijn geweest.

In passage 7 is sprake van een ‘dijk, die gemeenlijk geheten word [sic] den Roder’ en in 10 lezen we over een ‘Nordyke’. De Roder kwamen we in het vorige hoofdstuk al tegen als de eerste Langewolder zeewering. De akte van 1385 is de enige oude bron waarin deze dijk wordt genoemd. Aangenomen wordt dat de Roder de destijds functionerende zeedijk is. Op grond van zijn locatie zou je deze dijk ´Noorddijk´ kunnen noemen. Maar het zou wel heel vreemd zijn wanneer één en hetzelfde object in een tekst met twee verschillende namen wordt aangeduid. Het is dus niet duidelijk waar de Noorddijk kan hebben gelegen.

De hoogtekaart laat zien waar de oudste Langewolder zeewering heeft gelegen. Het land ten noorden daarvan is zichtbaar hoger dan dat aan de zuidzijde. Ten noorden van de Roder heeft opslibbing plaatsgevonden, ten zuiden ervan niet. Het hoogteverschil is nog groter geworden doordat de bodem ten zuiden van de Roder meer aan daling onderhevig was (en is) als gevolg van de inklinking van het veen onder de kleilaag die aan de oppervlakte ligt.

De hoogtekaart laat ook zien dat er verschillende laagten zijn waarlangs ooit het water vanuit het zuiden noordwaarts kan hebben gelopen. Ik vestig in het bijzonder de aandacht op de laagte bij het rode pijltje. De laagte ‘stulpt’ uit voorbij de Roder: dit wijst erop dat hier een uitwatering door de eerste Langewolderzeedijk heeft gelegen. Er is geen tekst waaraan deze monding met zekerheid kan worden gerelateerd, maar we kunnen bij de interpretatie van de tekst van 1385 niet om dit feit heen. Ik kom op dit punt aan het einde van dit hoofdstuk.

We zagen in G&DW 10 al dat de Roder nog steeds bestaat: nu als straat in Grijpskerk.

Het Wolddiep – eerste fase.  Het pijltje wijst naar de plaats waar de grenssloot tussen Sebaldeburen en Oldekerk de rug van Westerzand en Oosterzand kruist. Het Wolddiep – eerste fase. Het pijltje wijst naar de plaats waar de grenssloot tussen Sebaldeburen en Oldekerk de rug van Westerzand en Oosterzand kruist.

Alvorens een poging tot nadere interpretatie van de tekst van 1385 te doen, kijken we nog even naar de situatie zoals zij vóór 1385 kan zijn geweest.

Op dit kaartje zijn met verschillende kleuren de vier Langewolder kerspelen aangegeven die in de akte van 1385 worden genoemd: Sebaldeburen, Oldekerk, Niekerk en Faan. Ten oosten van Faan liggen nog de kerspelen Noordhorn en Zuidhorn. Deze zijn hier niet met een kleurtje gemerkt. De Oost-Vredewoldertocht (het Lettelberterdiep en ‘oer-Hoendiep’) zijn weggelaten om de zaak overzichtelijk te houden.

Nadat de bedding van de oude Woldstroom verstopt was geraakt, werd het West-Vredewolder water bij Boerakker noordwaarts geleid. In de laagte ten noorden van de pleistocene rug van Sebaldeburen – bij de latere Oude Gaarkeuken – liep het oostwaarts, gebruik makend van de watergangen van de Oost-Langewolder kerspelen. Het kwam uit in de Katerhals en mondde vervolgens via de Oxwerderzijl in de Oude Riet uit. Dat is de alleszins plausibele visie van Siemens.

Op het kaartje is bij het pijltje ook – een beetje vaag – een watergang aangegeven die grotendeels samenvalt met de grens tussen de kerspelen Sebaldeburen en Oldekerk. Het huidige Poeldiep is daarvan het noordelijke uiteinde. Deze watergang past in de percelering van de genoemde kerspelen. Het pijltje wijst naar de zandrug die een natuurlijke waterscheiding zal zijn geweest: ter hoogte van de huidige Zandemertil. Ten noorden ervan stroomde het water noordwaarts, ten zuiden zuidwaarts naar de plek waar – bij de latere Oude Gaarkeuken – ook het Vredewolder water, de laagte volgend, naar het oosten liep.

Het van het hoger gelegen Vredewold afkomstige water zorgde voor overlast in de lage landen van Niekerk en Faan; de bodemgesteldheid was er van dien aard dat er ook geen goede kaden te maken waren.

Om die reden kozen de arbiters in 1385 voor een andere oplossing van het probleem: het verhogen van de afvoercapaciteit door het graven van één of twee extra-watergangen en het beperken van de toestroom van Vredewolder water.

De arbiters bepaalden dat de West-Vredewolder kerspelen in 1385 met hulp van de Langewolders een nieuwe watergang moesten maken en dat Sebaldeburen en Oldekerk in 1386, geholpen door de Vredewolders, ook een nieuwe afwatering moesten graven. De manier waarop dit moest gebeuren is niet precies beschreven. De arbiters stellen wel een tracé voor maar, zo laten ze weten, als deskundigen betere alternatieven hebben waarmee iedereen instemt, kan het ook anders (passages 7 en 10). De scheidrechters laten zelfs de mogelijkheid open dat door de Vredewolders en Langewolders niet twee, maar één gemeenschappelijke nieuwe watergang wordt gegraven, waarvan we mogen aannemen dat die dan wel een ‘dubbele capaciteit’ moest hebben. Wanneer gekozen werd voor twee waterlopen, moesten deze zo dicht bij elkaar worden gegraven, dat het uitstromende water via één gemeenschappelijke buitendijkse bedding zeewaarts zou worden geleid.

 Buitendijkse bedding bij Noordpolderzijl Buitendijkse bedding bij Noordpolderzijl

Tegenwoordig heeft vooral de scheepvaart last van het dichtslibben van buitendijkse beddingen. In de tijd vóór de inzet van gemalen werd ook de uitwatering erdoor gehinderd.
Door watergangen met elkaar te combineren vergrootte men de hoeveelheid uitstromend water (het ‘debiet’) in de hoop op die manier het dichtslibben van de buitendijkse bedding te voorkomen.

Overigens is het opmerkelijk dat in de akte van 1385 met geen woord wordt gerept over bestaande of nog te leggen zijlen. Zelfs als in art. 13 met het woord watertucht een ‘zijltocht-met-zijl’ is bedoeld, zegt deze vermelding zo weinig dat er niets concreets aan ontleend kan worden.

‘De watergangen van 1385’.  1.  Wolddiep 2.  Hoerediep 3.  Lutje- of Kleinediep ‘De watergangen van 1385’. 1. Wolddiep 2. Hoerediep 3. Lutje- of Kleinediep

Ik zie geen kans om op basis van de gammele tekst van 1385 verder te komen dan een schets van een mogelijk scenario.

Op het bovenstaande kaartje zijn de waterlopen aangegeven die in de akte van 1385 kunnen zijn bedoeld: het noordelijke deel van het Wolddiep, het Hoerediep en het Lutje- of Kleinediep. Mogelijk hebben de arbiters zich voorgesteld dat de Vredewolders in 1385 met hulp van de Langewolders vanuit de laagte tussen Oosterzand en Niekerk de zwetsloot tussen Oldekerk en Niekerk zouden verbreden tot een tochtsloot die in een rechte lijn naar de Roder ten zuiden van het latere Niezijl zou lopen (het Kleine- of Lutjediep) en daar via een nieuwe zijl in zee zou kunnen uitmonden. Het jaar daarop, in 1386 dus, zouden Sebaldeburen en Oldekerk dan met hulp van de Vredewolders de zwetsloot tussen hun beider kerspelen ten noorden van de Oude Gaarkeuken (in de rode cirkel) aansluiten op het al bestaande zuidelijke deel van het Wolddiep en tot een echte tochtsloot-annex-boezem verbreden. Omdat de beide delen niet precies in elkaars verlengde lagen moest een klein schuin door de percelering lopend ‘verloopstukje’ worden gegraven.

Om deze tochtsloot overeenkomstig het in art. 7 bepaalde bij ‘de watergang van 1385’ te kunnen laten uitmonden, werd vanuit het Wolddiep, vanaf een plek even ten noorden van het huidige Van Starkenborghkanaal, gebruik makend van een bestaande watergang, een tocht in oostelijke richting gegraven (het Hoerediep) die 1750 meter verderop naar het noordoosten knikt. Op deze manier zouden beide watergangen weliswaar ieder een eigen zijl, maar ook een gemeenschappelijke buitendijkse bedding kunnen hebben.

Over Niekerk en Faan meldt de akte niets. Dat kan komen doordat deze dorpen alleen de rol van lijdend voorwerp hebben gespeeld. Zij hadden last van het Vredewolder water, maar zouden daarvan worden bevrijd wanneer het plan werd uitgevoerd. In dat geval zouden zij

de Katerhals en de Oxwerderzijl, waarlangs vóór 1385 ook het West-Vredewolder water werd geloosd, voortaan voor zichzelf hebben.

Tot zover een mogelijke interpretatie van het plan. Of het ook echt zo gerealiseerd is weten we niet. Het lijkt erop dat het doortrekken van het Wolddiep en de aanleg van het Hoerediep (de nummers 1 en 2 op het kaartje) het gevolg zijn van de uitspraak van 1385, maar of de Vredewolders ook werkelijk de afwatering via het Lutjediep (3) tot stand hebben gebracht betwijfel ik. Deze watergang vertoont bij de Matsloot een verspringing die moeilijk te rijmen is met een ruime watertocht die tegelijk ook boezemwater moest zijn."8" Op de kadasterkaart onderscheidt het Lutjediep zich door zijn grotere breedte weliswaar enigszins van de gewone sloten, maar toch lijkt de maat van deze waterloop wel erg bescheiden voor een afwateringskanaal. Die grotere breedte kan alles te maken hebben met de omstandigheid dat deze watergang eeuwenlang een belangrijke tochtsloot is geweest zonder dat hij bij een uitwateringssluis eindigde. Met de nodige voorzichtigheid zou ik daarom willen suggereren dat de partijen na de uitspraak van 8 juni 1385 hebben besloten om niet twee aparte, maar één enkele gezamenlijke waterlossing van voldoende breedte te maken, waarbij ze gekozen hebben voor het tracé Wolddiep-Hoerediep.

Voor de goede orde zij hier vermeld dat het Hoerediep volgens Kloppenburg niet bij het latere Niezijl uitmondde, maar zo’n 700 meter verder naar het oosten door de Roder ging. Inderdaad bevindt zich daar, tussen de boerderijen Rijksstraatweg 42 en 46, een laagte en het lijdt ook geen twijfel dat zich hier ooit een uitwatering heeft bevonden. Maar noch de percelering, noch de hoogtekaart laat sporen zien die verband suggereren tussen het Hoerediep en deze oude monding."9" Op dit probleem kom ik terug aan het einde van dit hoofdstuk.

 

Met het plaatje op de volgende bladzijde zoomen we nog even in op de situatie bij de Oude Gaarkeuken (in de rode cirkel) en kan ik een deel van de gang van zaken nog eens samenvatten.

Boven zien we het oostelijke deel van de ‘gast’ waarop Lutjegast en Westerzand (niet op het plaatje) en ook Oosterzand liggen, onder de zandrug van Grootegast (niet op het kaartje), Oldekerk en Niekerk. Mijn vermoeden is dat het Vredewolder water na het verstopt raken van de Woldstroom bij Boerakker in eerste instantie alleen tot in de laagte bij nummer 2 is geleid. Daartoe is het zuidelijke deel van het Wolddiep (1) gegraven, waarbij gebruik werd gemaakt van de bestaande en in de percelering passende zwetsloot tussen Sebaldeburen (west) en Oldekerk (oost).

Mogelijk is er alleen in de zomermaanden een herkenbare waterloop geweest die het water door de laagte oostwaarts afvoerde. Via het ‘dal’ tussen de gasten liep het in noordoostelijke richting verder naar de Katerhals en de Oxwerderzijl.

Bij de Oude Gaarkeuken. 1.  Wolddiep zuid 2.  ‘Laagte tussen de gasten’ 3.  Wolddiep noord 4.  Kolonelsdiep 5.  Lutje- of Kleinediep Bij de Oude Gaarkeuken. 1. Wolddiep zuid 2. ‘Laagte tussen de gasten’ 3. Wolddiep noord 4. Kolonelsdiep 5. Lutje- of Kleinediep

De arbiters bepaalden dat

a     in de zomer van 1385 vanaf de doorgang tussen Oosterzand en de rug van Niekerk de bestaande grenssloot tussen Oldekerk en Niekerk tot tochtsloot moest worden gepromoveerd: het Lutje- of Kleinediep (5); door het graven hiervan zouden Niekerk en Faan voortaan gevrijwaard worden van het Vredewolder water;

b     het Wolddiep in de zomer van 1386 in noordelijke richting moest worden doorgetrokken waarbij gebruik zou worden gemaakt van de bestaande grenssloot die niet helemaal in het verlengde lag van het zuidelijke deel van het Wolddiep; om die reden moest een klein verloopstukje worden ingepast.

Zoals gezegd denk ik dat variant a niet is gerealiseerd, maar dat alles is gezet op het tot stand brengen van variant b.

Behalve de genoemde watergangen zijn op het bovenstaande kaartje nog twee andere waterlopen ingetekend:

  • tussen de nummers 2 en 4 een aan de hand van stukjes sloot en in elkaars verlengde liggende perceelsscheidingen gereconstrueerde waterlossing, die gediend kan hebben voor de ontwatering van de laagte tussen de gasten (2);
  • ten noorden daarvan het in de zestiende eeuw aangelegde Kolonelsdiep (4) dat bij de Oude Gaarkeuken het Wolddiep kruiste. Het kaartje laat zien dat dit kanaal niet de percelering volgt, maar sommige kavels op een vrij willekeurige manier doorsnijdt. Het is niet uitgesloten dat we hier te maken hebben met een oude kunstmatige waterlossing. Hij zou zelfs goed passen bij de uitspraak van de arbiters van 1385. Langs dit tracé zouden de Vredewolders hun water door wat hogere grond hebben kunnen leiden naar een plek vanwaar het noordwaarts in de richting van de zee had kunnen stromen (5). Het is echter ook mogelijk dat we hier het in 1575 op last van Caspar de Robles vastgestelde ‘nieuwe’ tracé zien dat geen of weinig rekening hield met de belangen van de ingelanden. We weten dat de aanleg van het Kolonelsdiep op heftige tegenstand stuitte. Het doorgraven van percelen kan daarvan heel goed een van de redenen geweest zijn.
‘Verloopstukje’ in het Wolddiep tussen Sebaldeburen en de Oude Gaarkeuken ‘Verloopstukje’ in het Wolddiep tussen Sebaldeburen en de Oude Gaarkeuken

Zoals gezegd liggen het Wolddiep ten zuiden en ten noorden van de gast van Sebaldeburen-Oldekerk niet precies in elkaars verlengde en was er een ‘verloopstukje’ nodig om het noordelijke stuk op het zuidelijke aan te laten sluiten.

Op de foto zien we het noordelijke deel van het c. 350 meter lange ‘verloopstuk’ met aan het eind ervan de knik ten zuiden van de Oude Gaarkeuken.

We zullen nu de West-Vredewolder waterlossing vanaf het noorden stroomopwaarts nalopen. We beginnen met het Hoerediep bij Niezijl.

Hoerediep bij Niezijl Hoerediep bij Niezijl

De foto is genomen vanaf de N355 bij Niezijl. Dit dorp is ontstaan op de tweede Langewolderzeedijk, die 300 meter ten noorden van de Roder, de eerste Langewolderzeedijk, werd gelegd.

De boom links op de foto, ongeveer 150 meter ten zuiden van het standpunt van de fotograaf, staat bij boerderij Havenstraat 10, die pal ten noorden van de Roder staat. De dwarssloot die als een donkere streep rechts op de foto te zien is, ligt ten zuiden van de Roder. Rechts van de boom moet de oude zijl hebben gelegen.

De naam ‘Hoerediep’ houdt verband met het Oudfriese woord ‘hore’ dat slijk betekent. De naam is dus afgeleid van de slataarde die bij het opschonen van het diep op de oever werd gegooid. Deze verklaring is jammer genoeg aannemelijker dan de legende over het ongeval dat een boer zou zijn overkomen die ‘s winters in gezelschap van twee lichte vrouwen op een slee over dit diep reed, door het ijs zakte en verdronk.

Waar het Hoerediep van het Poeldiep aftakt Waar het Hoerediep van het Poeldiep aftakt

De foto is genomen vanaf de Poelweg, 150 meter ten noorden van het Van Starkenborghkanaal bij (de Nieuwe) Gaarkeuken. We kijken in oostelijke richting.
Waarschijnlijk is het Hoerediep in 1385 door de West-Vredewolders en de ingezetenen van Sebaldeburen en Oldekerk gegraven naar aanleiding van de door arbiters getroffen regeling.

Volgens Formsma is bij het graven van het Hoerediep gebruik gemaakt van een reeds bestaande natuurlijke waterloop. Hij noemt deze waterloop Tarjat, maar maakt niet duidelijk waarop hij zich baseert."10" Aan de westzijde van het Wolddiep en het dorp Grijpskerk loopt een watergang met een vrijwel identieke naam: Tarjak. Bij het perceel Poelweg 10 heeft een watermolen gestaan die het water van de Tarjak uitsloeg op het Poeldiep. Deze plek ligt 375 meter ten noorden van de plaats waar het Hoerediep naar het oosten aftakt. Het is daardoor moeilijk voorstelbaar dat Tarjak en Tarjat een en dezelfde waterloop zijn geweest.

Wolddiep bij Gaarkeuken Wolddiep bij Gaarkeuken

De foto is gemaakt vanaf de brug ten zuiden van het Van Starkenborghkanaal. We kijken in zuidelijke richting. Het Wolddiep maakt hier een bocht, maar liep vroeger rechtdoor langs het tracé van het huidige Poeldiep.

Wolddiep tussen Kuzemerbalk en Sebaldeburen Wolddiep tussen Kuzemerbalk en Sebaldeburen

We bevinden ons hier ten zuiden van de zandrug waarop Grootegast, Sebaldeburen en Oldekerk-Niekerk liggen. We kijken van Kuzemerbalk naar het noorden.
Dit gedeelte van het Wolddiep dateert waarschijnlijk van vér voor 1385.

De aanleg van een of twee nieuwe waterlossingen was maar een deel van de oplossing die door de arbiters van 1385 werd geboden. Even belangrijk als een verbeterde afstroom van het water was het beperken van de toestroom van water afkomstig van hoger gelegen gronden. Zoals in dergelijke gevallen te doen gebruikelijk was, moesten op daarvoor geschikte plaatsen ‘knijpen’ (kunstmatige versmallingen van een watergang) worden gebouwd.

Het Wolddiep tussen Kuzemer en Boerakker  Het Wolddiep tussen Kuzemer en Boerakker

Het kaartje is een combinatie van de oude kadasterkaart en de AHN-hoogtekaart.

De rode lijn is de grens tussen Langewold (noord) en Vredewold (zuid); de cirkel markeert de plaats waar een ‘knijp’ moest worden gelegd.

Wellicht bevond de door de arbiters aangewezen Zudgalgha zich op de plaats waar de West-Vredewoldertocht (Wolddiep) de Ruddendijck of Redendijk kruist. G.H. Ligterink dacht in eerste instantie dat de Zudgalgha een echte galg was waaraan misdadigers werden opgehangen, maar later bedacht hij zich. Het zou een dwarsbalk op twee staanders zijn waarop de maximale breedte van de watergang zichtbaar was gemaakt."11"

De Zudgalgha op een zeventiende-eeuwse kaart  Tussen Sebaldeburen en Oldekerk is een galg getekend (in de cirkel) (GrA T817-1052, uitsnede) De Zudgalgha op een zeventiende-eeuwse kaart Tussen Sebaldeburen en Oldekerk is een galg getekend (in de cirkel) (GrA T817-1052, uitsnede)

Dat laatste lijkt me een nogal gekunstelde verklaring. Toegegeven, de plek klopt niet precies, maar opmerkelijk is wel dat we op een zeventiende-eeuwse kaart"12" ten oosten van het Wolddiep en ten zuidwesten van Oldekerk heel duidelijk een echte galg getekend zien. Zoals bekend stonden galgen meestal langs wegen aan de grenzen van een jurisdictie of rechtsgebied. Ieder die van buiten kwam kon zien dat hij een gebied betrad waar recht en orde desnoods met harde hand werden gehandhaafd.

In het vorige hoofdstuk heb ik gewezen op Nicolaas Westendorp, die verwantschap veronderstelde tussen het Oudfriese woord rode (‘galg’) en de naam van de eerste Langewolder zeedijk, de Roder. Duidelijkheid daarover bestaat niet. De vermelding van een galg bij de plaats waar het Wolddiep de Redendijk of Ruddendijck kruiste doet echter vermoeden dat er samenhang bestaat tussen de naam van de dijk en de rode (‘galg’) ter plaatse.

Het lag voor de hand om juist bij de Zudgalgha een knijpe te bouwen. Hier kwam het West-Vredewolder water Langewold binnen. Tegelijk bevond zich hier het ‘driekerspelenpunt’ waar Sebaldeburen, Oldekerk en Niebert aan elkaar grensden.

Watergangen bij Boerakker Watergangen bij Boerakker

Bij Boerakker begint het oudste gedeelte van het Wolddiep. Het Oude Dwarsdiep en de Matsloot zijn de overblijfsels van de rivier die ik eerder de Woldstroom heb genoemd maar nu als zodanig niet meer bestaat. Ten westen van Boerakker loopt de Hooiweg (Lucaswolde)-Hoge Tilweg (Boerakker).

Het westelijke einde van de kleitong bij Boerakker Het westelijke einde van de kleitong bij Boerakker

Op de bodemkaart tekent de met klei gevulde bedding van de Woldstroom zich af als een groene baan.

Het pijltje geeft de kijkrichting aan van de volgende foto.

Wolddiep en Matsloot vanaf de Hogetil over het Oude Dwarsdiep tussen Boerakker en Lucaswolde Wolddiep en Matsloot vanaf de Hogetil over het Oude Dwarsdiep tussen Boerakker en Lucaswolde

Bij de boom takt de Matsloot in oostelijke richting af.

Ten zuiden van de brug over het Wolddiep komt het water van de Woldstroom (hier Oude Dwarsdiep geheten) vanuit het zuidwesten.

Oude Dwarsdiep vanaf het Wilgepad Oude Dwarsdiep vanaf het Wilgepad
Matsloot bij Boerakker Matsloot bij Boerakker

De Matsloot is een gekanaliseerd gedeelte van de Woldstroom-Oude Riet.

We kijken vanaf de brug in de Hoofdweg te Boerakker in oostelijke richting.

Het Wolddiep vanaf de Hoge Tilweg tot de Kuzemerbalk Het Wolddiep vanaf de Hoge Tilweg tot de Kuzemerbalk

Vanaf zijn zuidelijke startpunt loopt het Wolddiep door een moerige laagte. Om die reden is de watergang bekaad. Een eindje verderop, bij De Jouwer, is dat niet nodig. Daar ligt het land hoger dan het kanaalpeil.

Het beginpunt van het Wolddiep is duidelijk: het is de plek tot waar klei is afgezet. Maar hoe komt het Wolddiep aan zijn oriëntatie?

Voor zover ik zie zijn er geen duidelijke orientatiepunten in het spel geweest. Wel past het tracé netjes in de verkaveling van Sebaldeburen-Oldekerk. Daar zijn de kavelsloten haaks op de zandrug gegraven. Waarschijnlijk is het Wolddiep in oorsprong niets anders dan een van die kavelsloten, en heeft men deze ter afleiding van het Vredewolder water verder naar het zuiden doorgetrokken en verwijd.

Het volgende plaatje, gebaseerd op de kadastrale minuut, maakt dat duidelijk.

Het Wolddiep past in de verkaveling. Overigens is hier – bij het pijltje aan de bovenrand van het kaartje – ook mooi de knik te zien waarmee het zuidelijke en het noordelijke deel van het Wolddiep op elkaar aansluiten. Het Wolddiep past in de verkaveling. Overigens is hier – bij het pijltje aan de bovenrand van het kaartje – ook mooi de knik te zien waarmee het zuidelijke en het noordelijke deel van het Wolddiep op elkaar aansluiten.

Wolddiep en Matsloot bij Bakkerom.  1.  Redendijk 2.  Dijkweg 3.  Wolddiep Wolddiep en Matsloot bij Bakkerom. 1. Redendijk 2. Dijkweg 3. Wolddiep

De twee kleitongen – de beide westelijke uiteinden van de Woldgeul – tekenen zich af, de noordelijke, de Redendijk wat duidelijker dan de zuidelijke (Dijkweg). De Dijkweg tussen de N388 en de Mensumaweg is rechtgetrokken. Vroeger liep de weg over een kronkelende dijk.

Het Wolddiep gaat door een laagte en is tot aan de Jouwer bekaad.

Wolddiep tussen Bakkerom en Boerakker Wolddiep tussen Bakkerom en Boerakker

Het Wolddiep gaat ten noorden van Boerakker – tot aan de Jouwer toe – door laag land en moest daarom worden bekaad.

Bij Bakkerom Bij Bakkerom

Volgens de arbitrale uitspraak van1385 moest een ‘knijp’ worden aangebracht bij de Zudgalgha. Deze galg stond op de grens tussen Langewold en Vredewold bij Bakkerom. Hier kruist het Wolddiep de Redendijk. Deze plek is hier aangegeven met een rode cirkel.

Een kleine 500 meter ten zuiden van deze plek ligt nu een veerpontje, waarmee fietsers en voetgangers het Wolddiep kunnen oversteken.

Pontje over het Wolddiep bij Bakkerom Pontje over het Wolddiep bij Bakkerom

Bij Bakkerom. De bodemkaart maakt de met klei gevulde voormalige beddingen zichtbaar. Bij Bakkerom. De bodemkaart maakt de met klei gevulde voormalige beddingen zichtbaar.

Vooral de meest noordelijke, de Redendijk, vertoont zich op de reliëfkaart als een hoge rug.  1.  Wolddiep 2.  Matsloot Het pijltje wijst in de kijkrichting van de volgende foto. Vooral de meest noordelijke, de Redendijk, vertoont zich op de reliëfkaart als een hoge rug. 1. Wolddiep 2. Matsloot Het pijltje wijst in de kijkrichting van de volgende foto.

Redendijk bij Bakkerom (oost) Redendijk bij Bakkerom (oost)

Redendijk bij Bakkerom (west) Redendijk bij Bakkerom (west)

Verder bovenstrooms waren er nog twee plaatsen waar de Vredewolders ingevolge de uitspraak van 1385 hun stroom in bedwang moesten houden, de Marrabalcka en de Posttil.

De Marrabalcka (‘Marumerbalk’) is de latere Balktil, gelegen op de plaats waar de huidige Noorderweg tussen Marum en Noordwijk (N980, vroeger Balkweg geheten) het Oudediepje/Oude Dwarsdiep kruist.

De nieuwe Monnikenweg te Trimunt is de weg van De Haar naar Trimunt. Lange tijd is dit de enige toegangsweg geweest tot het nonnenklooster dat hier heeft gestaan."13" In 1563 wordt deze weg Postdijk genoemd. De naam van de weg verwijst naar de posten of balken die dienst deden als brug over de waterloop die tegenwoordig ‘Oude Diepje’ heet en in het kloosterarchief van Trimunt voorkomt als Ae of Ee. De brug werd aangeduid als Trimonter PostenMonkeposttille of eenvoudig Posttille.   

Deze twee bepalingen hebben dus betrekking op voorzieningen die bovenstrooms, op Vredewolder bodem, moesten worden aangebracht om de afloop van water naar Langewold te beperken.

Posttil (links) en Balktil (rechts) bij Marum Posttil (links) en Balktil (rechts) bij Marum

Balktil bij Marum Balktil bij Marum

De foto is genomen vanaf de voormalige losplaats. We kijken in westelijke richting.

Dwarsdiep bij de Balktil Dwarsdiep bij de Balktil

Op deze foto is goed de hoge ligging van het land te zien ten opzichte van het waterpeil. Dijken zijn hier niet nodig.

Helemaal correct is dit natuurlijk niet. Door de bemaling kan een dergelijke situatie ook in lage streken worden geschapen en in stand gehouden. Het ontbreken van  kaden geeft echter wel aan dat we hier niet met een zuiver kunstmatige situatie van doen hebben.

De zaak blijft duister

Het beperken van de toestroom van water vanuit Vredewold naar Langewold was een wezenlijk deel van de oplossing van de Langewolder waterproblematiek. Dat blijkt uit art. 13 van de tekst van 1385 (die herhaald wordt in art. 16 van het ‘Zijlrecht van West-Vredewold’ van 1425), waarin het afsluiten van de acht voet brede watergang wordt gelast wanneer de zijltocht-met-zijl van de West-Vredewolders niet functioneert, en waarin wordt bepaald dat de Vredewolders zich niet langer hoeven te bekommeren over het onderhoud van de waterlopen door Langewold wanneer zij hun knijpen goed onderhouden."14"

Helaas is de andere kant van het verhaal, de manier waarop de afstroming van het Vredewolder en Langewolder water werd geregeld, een stuk minder duidelijk, vooral ten gevolge van de gebrekkige overlevering van de akte-tekst.

Het lijkt erop dat de ruzie tussen de vier Langewolder en vijf West-Vredewolder kerspelen geleid heeft tot het tot stand komen van een samenwerkingsverband dat verantwoordelijk was voor twee belangrijke watergangen: één gezamenlijke ten behoeve van West-Vredewold, Sebaldeburen en Oldekerk, en één voor Niekerk en Faan. Merkwaardigerwijs wordt over (het leggen van) een zijl niet gerept, of het moet zijn dat het woord watertucht in art. 13 ‘zijl’ betekent. In dat geval heet het zelfs dat die zijl ‘van de West-Vredewolders’ is. De tekst is echter zo onduidelijk, dat daarover niets met zekerheid kan worden gezegd. Aangenomen mag worden dat de gemeenschappelijke zijl van West-Vredewold, Sebaldeburen en Oldekerk zich ter hoogte van de Roder bij Niezijl heeft bevonden.

Ondanks alle onzekerheden wordt de akte van 1385 gezien als het begin van het Bomsterzijlvest,"15" een organisatie die zijn naam ontleent aan de Bomsterzijl die waarschijnlijk niet in de Roder heeft gelegen – en dus niet bij de regeling van 1385 past – maar hoort bij de Nieuwe Langewolderzeedijk die omstreeks 1425 is aangelegd. Volgens Formsma zou de naam van de zijl zijn afgeleid van een streek die ‘de Bum’ heette en ten westen van Niezijl lag."16"

Het afschrift waarin de tekst van de akte van 8 juni 1385 bewaard is gebleven, bevat nog een tweede tekst, daterend van 13 mei 1435."17" De kerspelen Sebaldeburen, Oldekerk en Niekerk wilden dat de vijf kerspelen van West-Vredewold de oevers der watertucht tot den vijff caspelen vors. gesettet unde behoerende zouden repareren, maar kregen hun zin niet. Burgemeesters, raad en hoofdmannen van Groningen hadden de beslechting van de kwestie op verzoek van de Langewolders opgedragen aan de rechters van de Oost-Vredewoldertocht. Tijdens een bijeenkomst op het kerkhof in Oldekerk kwamen dezen tot de slotsom dat er geen nieuw vonnis nodig was. Volgens hen was de tekst van de akte van 1385 duidelijk genoeg en konden ze volstaan met het bekrachtigen ervan. Uit dit verhaal kunnen we opmaken dat de Langewolders blijkbaar vergeten waren dat de West-Vredewolders alleen hun ‘knijpen’ op orde moesten houden en dat ze zelf moesten zorgen voor de watergangen in hun eigen gebied, ook al liep daar West-Vredewolder water door.

Ligterink heeft zich door de tekst van 1435 laten inspireren tot een fantasie-verhaal over vechtpartijen bij de Redendijk, het verleggen van de West-Vredewolderzijl naar de Bom en het graven van het Hoerediep van het Wolddiep naar de zijl."18" Dit laatste is niet onmogelijk, maar serieuze aanwijzingen die dit idee ondersteunen zijn er niet. Hoe de zaak precies heeft gezeten weten we niet.

Dat geldt ook voor een al eerder gesignaleerde monding die even ten oosten van Niezijl op de hoogtekaart te zien is.

Laagten bij Oxwerd Laagten bij Oxwerd

Op dit hoogtekaartje zien we de streek tussen Niezijl en Ypegat. De eerste Langewolderzeedijk of Roder tekent zich af door het sterke kleurverschil ter weerszijden ervan. Ten zuiden van de dijk is het land groen (laag), ten noorden ervan overheersen de kleuren geel en bruin.

Het pijltje wijst naar de laagte die een voormalig lozingspunt doet vermoeden.

De huidige Rijksstraatweg (N355) ligt op de nieuwe Langewolderzeedijk die omstreeks 1425 c. 400 meter noordelijker is gelegd en die in het volgende hoofdstuk nader besproken zal worden.

Het bovenstaande kaartje vertoont twee opvallende laagten, waarvan er één weinig interessant is, maar de andere des te meer belangstelling wekt. Onder het woord Oxwerd (ten zuiden van boerderij Rijksstraatweg 40) bevindt zich een lage plek. Deze ligt ten zuiden van de Roder en lijkt een overblijfsel van een oude geul die bij het leggen van de oude zeedijk is afgedamd.

Veel opmerkelijker is de laagte bij het rode pijltje. Niet alleen kruist deze c. 75 meter brede lage strook de Roder met een verbreding ten noorden ervan, maar ten zuiden van de dijk lopen ook enkele parallelle sloten die doen vermoeden dat hier ooit een afwateringskanaal heeft gelopen. Sporen die duidelijk maken vanwaar het water kwam dat hier door de Roder is geleid ontbreken. Het geheel overziend krijg ik het idee dat hier – waarschijnlijk op een plaats waar vóór het leggen van de eerste zeedijk een natuurlijke bedding is geweest – een zijltocht de Roder heeft gekruist. Er moet dus een zijl gelegen hebben tussen de boerderijen Rijksstraatweg 42 en 46. De vorm van de laagte maakt duidelijk dat we hier niet met een gewone buitendijkse bedding te maken hebben. Het lijkt er veel meer op dat op deze plek een zijl is ingebroken en dat door deze inbraak een ruime kolk is ontstaan.

Kloppenburg heeft deze merkwaardige plek uiteraard ook gesignaleerd. Hij meent dat hier verschillende mondingen zijn geweest en dat het Hoerediep hierheen is gegraven."19" Ondanks de stelligheid waarmee hij zijn interpretaties presenteert overtuigen ze niet echt, vooral doordat noch de hoogtekaart, noch de oude kadasterkaart sporen vertoont die deze opvatting ondersteunen.

Ik besluit dit hoofdstuk met de conclusie dat ik geen relatie kan ontwaren tussen de in het veld en op kaarten gesignaleerde sporen enerzijds en de oorkondetekst van 1385 anderzijds. Omdat er ook geen andere schriftelijke bronnen zijn die hier licht zouden kunnen brengen blijft de zaak zoals ze van aanvang was: duister.

1.

B.W. Siemens, Dijkrechten en Zijlvesten (Groningen 1974) 30.

2.

Citaat uit de aantekening bij de tekst in het oorkondenboek (OGD II 746).

3.

Het afschrift bevindt zich in de ‘Verzameling Driessen’ (GrA T1007-2: Diverse afschriften betreffende zijl- en dijkrechten, etc.).

4.

Nicolaus Westendorp, Eerste leerrede, gehouden in de nieuwe kerk te Sebaldeburen, benevens eene oudheidkundige verhandeling (Groningen 1809).

5.

Zie voor de originele tekst de bijlage bij dit deel, OGD II 746 en Cartago 

6.

J.N. Nap, ‘Ommelander zijl- en dijkrechten uit de 15e en 16e eeuw’, in: Verslagen en mededelingen (van de) Vereeniging tot uitgave der bronnen van het Oude Vaderlandsche Recht, dl. IV nr. II (1899) 36-78, aldaar 14 onder nr. 16. Deze editie is gebaseerd op GrA T835-13b.

7.

Inclusief begin- en einddag van de achtdaagse periode.

8.

GPS 53.243581, 6.343457.

9.

Kloppenburg, a.w. 339 en 552.

10.

W.J. Formsma, Grijpskerk. De geschiedenis van een Groninger gemeente (Groningen 1986) 5.

11.

G.H. Ligterink, ‘Antikwiteiten uit het Groninger Westerkwartier’ (2), Driemaandelijkse bladen 12 (1960) 28-31, en dezelfde, Tussen Hunze en Lauwers. Kultuur-historische schetsen uit het Groninger Westerkwartier (Groningen 1968) 63.

12.

GrA T817-1052.

13.

J.F.J. van den Broek, ‘Het klooster Trimunt’, in: Groningse volksalmanak (1974/75) 14-38.

14.

Zie de aantekening bij art. 13.

15.

Siemens, Dijkrechten en zijlvesten, 30.

16.

Formsma verwijst hierbij naar de vermelding van ene Sylke in de Bum in een ‘constitutie’ van de Westerwarf. Zie H.O. Feith (ed.), Warfsconstitutien en oordeelen Verhandelingen […] PEIP VII (Groningen 1863) 32, en Formsma, Grijpskerk, 5-6.

17.

GrA T1007-2 (Verzameling van R.K. Driessen).

18.

Ligterink, Tussen Hunze en Lauwers, 63-64.

19.

Kloppenburg, a.w. 339, 552, 555-556.