Zoek op de website

11.2	Terug naar Oxwerd

Dijken en waterlopen bij Oxwerd Dijken en waterlopen bij Oxwerd

Deel 10 van ‘Groningen en het Drentse water’ hebben we afgesloten met de raadselachtige situatie bij Oxwerd. Hier nog eens het plaatje van de situatie zoals ze ten tijde van de oudste Langewolderzeedijk kan zijn geweest.

Links de Katerhals waarlangs Langewold afwaterde en waarvan we in het vorige hoofdstuk hebben gezien dat vóór 1385 waarschijnlijk ook West-Vredewold hierlangs zijn water loosde, rechts de opvallend rechte watergang die de benedenloop van de Oost-Vredewoldertocht zou kunnen zijn.

De twee waterlopen kwamen binnendijks bij elkaar en loosden hun water door één gezamenlijke zijl: de Oxwerderzijl. Andreae en Kloppenburg meenden dat er bij Oxwerd niet één, maar twee sluizen hebben gelegen. De onderlinge afstand bedroeg volgens hen ongeveer 15 meter. Kloppenburg meende dat beide sluizen een gemeenschappelijke buitendijkse bedding moeten hebben gehad."20" Door opslibbing raakte – aldus Kloppenburgs verhaal – deze buitendijkse bedding verstopt en dat was de reden waarom de Langewolders en Oost-Vredewolders zich genoodzaakt hebben gezien om hun afwatering naar voren te brengen, naar een plek even ten westen van het Ypegat.

Dit Ypegat was een kolk die – aldus nog altijd Kloppenburg – het gevolg was van het doorbreken van een dijk die de westzijde van de Noordhornerpolder beschermde, maar ook het dichtslibben van de bedding buiten de Oxwerderzijl had veroorzaakt."21"

Het wil mij niet lukken om Kloppenburgs gemeenschappelijke uitmonding van de twee zijlen te zien. Dat geldt ook voor zijn dijk rond de Noordhornerpolder en de dramatische opslibbing in de bedding buiten de Oxwerderzijl die de Lange- en Vredewolders zou hebben genoopt hun uitwatering te verplaatsen.

Anders dan Kloppenburg denk ik dat het in noordelijke richting verplaatsen van de twee zijlen samenhangt met de aanleg van de nieuwe Langewolderzeedijk. Deze dijk wordt door Kloppenburg op rond 1425 gedateerd,"22" maar zijn argumentatie daarvoor kan ik niet volgen. Op basis van de door hem geciteerde bron – een verhaal uit c. 1565"23" – kom ik niet verder dan de globale datering ‘vóór 1470’. De meest precieze datering waartoe ik kan komen is: tussen 1426 en 1470. De terminus post quem (1426) ontleen ik aan een akte uit 1426 waarin de Oxwerderzijl  genoemd wordt"24" en waaruit valt af te leiden dat de Roder toen nog als zeedijk diende, de terminus ante quem (1470) leid ik af uit het genoemde verhaal uit c. 1565 waarin melding wordt gemaakt van het dichtslibben van de zijlen in de nieuwe Langewolderzeedijk, en waarover ik later nog te spreken kom.

Door de aanleg van de nieuwe Langewolderzeedijk – vrijwel identiek met het tracé van de huidige Rijksstraatweg (N355) – werd een c. 400 meter brede strook buitendijks land ingedijkt.

Voor de lozing van het Langewolder en Vredewolder water werden in de nieuwe dijk twee zijlen gelegd, een kleine 140 meter van elkaar. Dat deze keer gekozen werd voor twee afzonderlijke sluizen in plaats van één gemeenschappelijke heeft ongetwijfeld te maken met een dwingende waterstaatkundige noodzaak. Net zoals elders in klei-op-veen gebieden het geval was, werd ook in de streek ten noorden van Niekerk en Faan het veen door het gewicht van de daarop gedeponeerde kleilaag samengeperst, hetgeen een aanzienlijke daling van de bodem tot gevolg moet hebben gehad. Daardoor was het maaiveld hier lager

komen te liggen dan dat in de 4 à 500 meter brede strook tussen de oude en nieuwe Langewolderzeedijk, waarin juist opslibbing had plaatsgevonden. Het hoogteverschil tussen beide gebieden bedraagt tegenwoordig zo’n 1,5 tot 2 meter. De streek tussen Oosterzand, Niekerk en Zuidhorn (de Bril) was hierdoor in waterstaatkundige zin opgesloten geraakt en kon zijn water nog maar moeilijk kwijt.

 Twee nieuwe zijlen in de tweede Langewolderzeedijk bij Ypegat Twee nieuwe zijlen in de tweede Langewolderzeedijk bij Ypegat

Laagland ten westen van Zuidhorn Laagland ten westen van Zuidhorn

Door bodemdaling en opslibbing was het laagland ten westen van Zuidhorn ingesloten geraakt. Het maaiveld was daar zelfs gedaald tot een peil beneden dat van de bodem van de Oost-Vredewoldertocht. Nu er 400 meter ten noorden van de Roder een nieuwe zeedijk werd gelegd, was het eens te meer zaak de beide waterlossingen binnendijks van elkaar gescheiden te houden en ze elk van een eigen zijl te voorzien.

Graafwerk (c. 1430) Graafwerk (c. 1430)

Niet alleen moesten de Langewolders en Oost-Vredewolders elk een eigen zijl in de nieuwe Langewolderzeedijk leggen (de Niekerksterzijl en de Sloterzijl), er was ook graafwerk te doen. Voor de Langewolders viel de afstand daarvan mee. Vanaf de Roder hoefden ze slechts een 450 meter lange zijltocht door de ingepolderde kwelder te graven naar hun nieuwe zijl. De Vredewolders echter moesten vanaf de plaats van de huidige Gabrug (?) een nieuw zijldiep graven van ruim 1 km lengte. Dit liep ten oosten van de oude bedding van de Oost-Vredewoldertocht en door een terrein dat als gevolg van opslibbing enkele decimeters hoger lag, in de richting van Ypegat. Het hoogteverschil is op het detailkaartje hierboven goed te zien. Voorbij de Roder sloten ze hun nieuwe zijltocht (het Stillediep) aan op de kronkelende bedding die vóór de inpoldering van de kwelder de gemeenschappelijke buitendijkse monding was geweest.

Deze Sloterzijl wordt in de bronnen ook aangeduid als de Vredewold(em)erzijl, Midwold(em)erzijl, Oxwerderzijl en Oldesloterzijl. Waarschijnlijk is niet de oude Oost-Vrederwoldertocht, maar de rond 1430 gegraven watergang tussen de Bril en het Ypegat de sloot die de Sloterzijl zijn naam gegeven heeft. Een vijftiende-eeuwse tekst"25" maakt het onderscheid duidelijk: ‘Item alle dat landt dat achter Zuijdthorm ende Noorthorm licht westwert oever die tocht, datt geefft zijlschot toe Nijekerckerzijll. Item alle dat landt dat in Oostwoldt licht int leege dat scheet tho Vredewoltmerzijll, anders genoempt Oxwerderzijl’ (‘al het land dat achter Zuidhorn en Noordhorn ligt aan gene zijde van de tocht betaalt belasting voor de Niekerksterzijl; al het land dat in de lage streek van Oostwold ligt betaalt voor de Vredewoldemerzijl, die ook Oxwerderzijl wordt genoemd’).

Het gebruik van het voorzetsel ‘achter’ in ‘achter Zuidhorn en Noordhorn’ maakt duidelijk dat deze notitie is geschreven vanuit Aduarder perspectief. ‘De tocht’ is de Oost-Vredewoldertocht, het latere Hoendiep.

De Rijksstraatweg (N355) en Oxwerd vanaf de Oude Riet De Rijksstraatweg (N355) en Oxwerd vanaf de Oude Riet

De huidige N355 (Rijksstraatweg) op de tweede Langewolderzeedijk. De boerderijen van Oxwerd liggen zo’n 400 meter zuidelijker, op de Roder. De bomen op de voorgrond staan langs de Rijksstraatweg, de begroeiing op de achtergrond staat op de Roder.

Bij Oxwerd Bij Oxwerd

Op de foto zien we de vermoedelijke benedenloop van de oude Oost-Vredewoldertocht, die na 1430 en het vooruitbrengen van de Midwolde(me)r-, Oxwerder- of Sloterzijl zijn functie heeft verloren. Rechts Uildersma, links aan de horizon de Ooster-Heddemaheerd.

 Stillediep tussen Ypegat en de spoorlijn Stillediep tussen Ypegat en de spoorlijn

Het Stillediep was het nieuwe uiteinde van de Oost-Vredewoldertocht. Het terrein achter de boom rechts is het bij Uildersma behorende perceel, waar het slot Oxwerderzijl heeft gestaan.

Reed en Stillediep bij Ypegat Reed en Stillediep bij Ypegat

We kijken naar het noorden: de bomen staan bij de Kolk, het overblijfsel van het Ypegat.

Het riet aan de rechterkant van de reed verhindert het zicht op het noordelijke uiteinde van het Stillediep, dat hier tot een onaanzienlijk slootje is vervallen. Door het Stillediep en de Sloterzijl werd het Oost-Vredewolder water op de Oude Riet geloosd.

Direct ten oosten van de Sloterzijl damde men in 1453 de bedding van de Oude Riet af door het leggen van de Nijeslachte tussen Balmahuizen en de Langewolderzeedijk. Daarover volgt straks meer.

 Stillediep tussen de spoorbaan en het Van Starkenborghkanaal Stillediep tussen de spoorbaan en het Van Starkenborghkanaal

Dit onaanzienlijke slootje is een deel van de ‘nieuwe’ benedenloop van de Oost-Vredewoldertocht. Het ligt in het verlengde van het Hoendiep. Als je je omdraait zie je het volgende.

Van Starkenborghkanaal, Hoendiep en Gabrug Van Starkenborghkanaal, Hoendiep en Gabrug

Mogelijk is vanaf dit punt de nieuwe Oost-Vredewoldertocht naar Ypegat gegraven.

De waterlossing van Niekerk en Faan De waterlossing van Niekerk en Faan

Zoals we zagen moesten de Langewolders vanaf de Roder een 450 meter lang zijldiep graven naar de plaats van hun eigen zijl – de Niekerksterzijl – in de tweede Langewolderzeedijk.

In het veld is van deze Langewolder watergang niet meer overgebleven dan een kleine, nauwelijks waarneembare laagte.
De bomen rechts op de foto staan langs de weg naar Balmahuizen.

Een doodgewone sloot Een doodgewone sloot

Deze noord-zuid georiënteerde sloot, 150 meter ten oosten van de Ooster-Heddemaheerd, is de benedenloop van de Katerhals.
Hierlangs stroomde het water uit de lage streken van Niekerk en Faan naar het noorden.
We kijken naar het zuiden; de bomen op de achtergrond staan langs het Van Starkenborghkanaal.

20.

A.J. Andreae, De Lauwerszee, nagespoord in hare wording, haren omvang en hare verschillende bedijkingen (Leeuwarden 1891) 34, en D. Kloppenburg, ‘De waterstaatkundige ontwikkeling van het Westerkwartier’, in: Tijdschrift van het Koninklijk Nederlandsch Aardrijkskundig Genootschap dl. 61 (1944) 329-356, 429-455, 548-569, aldaar 429, 549-550.      

21.

Kloppenburg, a.w. 550.

22.

Kloppenburg, a.w. 552.

23.

GrA T713-3, fol. 143-144v.

24.

GrA T2100-139 (1426).

25.

GrA T713-2 fol. 125.