Zoek op de website

11.3	Inpolderingen

Woldgeul Woldgeul

De onderzoekers zijn het erover eens dat de buitendijkse landen in de Woldgeul stap voor stap zijn ingepolderd. Maar er bestaat grote verwarring over de verschillende fasen waarin de inpoldering zich heeft voltrokken en de locatie van enkele dijken die in de oude bronnen worden genoemd.

Hornsterslachte en bedijking van de Woldstroom. Het pijltje wijst naar de Hornsterheerd aan het oostelijke uiteinde van de Hornsterslachte. Hornsterslachte en bedijking van de Woldstroom. Het pijltje wijst naar de Hornsterheerd aan het oostelijke uiteinde van de Hornsterslachte.

In het vorige hoofdstuk hebben we al aandacht geschonken aan de ‘Hornsterslachte’, even ten noorden van Den Horn. Mogelijk is dat de eerste – gedeeltelijke – afdamming van de geul geweest. Over die dijk is in de archieven niets te vinden, maar dat hij van belang was blijkt uit het feit dat hij later de grens vormt tussen de kerspelen Zuidhorn en Hooge- en Lagemeeden. Ten noorden ervan bezat de abdij van Aduard land, ten zuiden ervan niet. Het land ten noorden van de slachte viel later onder het Aduarderzijlvest, het land ten zuiden ervan hoorde bij het Sloterzijlvest.

Ik heb al eerder aangegeven dat de Hornsterslachte naar mijn gevoel al is gelegd vóórdat in Aduard een klooster was gesticht.

De Hornsterslachte is een kerspelgrens De ‘Hornsterslachte’ is de grens tussen het oudere Zuidhorn en het jongere Hooge- en Lagemeeden. De Hornsterslachte is een kerspelgrens De ‘Hornsterslachte’ is de grens tussen het oudere Zuidhorn en het jongere Hooge- en Lagemeeden.

Het bovenstaande plaatje laat, ruim anderhalve kilometer ten noorden van de Hornsterslachte, een tweede grens zien die dwars door de Woldgeul loopt. Deze ligt in het verlengde van de Hoogemeedster waterleiding, ten zuiden van de huidige Rijksstraatweg en tussen de Hogeweg en boerderij Vette Koe.

De kerspelgrens tussen Zuidhorn en Den Ham De kerspelgrens tussen Zuidhorn en Den Ham

Hier zien we nog duidelijker, dat de kerspelgrens tussen Zuidhorn en Den Ham in het verlengde ligt van de Hoogemeedster waterleiding en – vooral – de dijk die daaraan parallel liep.

De rode cirkel markeert de locatie van boerderij ‘Vette Koe’.

Ook Kooper vermoedde hier, op de grens van Zuidhorn en Den Ham, een slachte. Hij meende deze te kunnen identificeren met de ‘Godekemaslachte’, die genoemd wordt in enkele teksten die betrekking hebben op de inpoldering van de Woldgeul. Siemens dacht daarentegen dat de Godekemaslachte geen dwarsdijk in de Woldgeul was, maar dat deze ten noorden van de Piloersemaborg de Oudedijk verbond met de westelijke dijk langs de Kliefslootgeul."26"

Boerderij Vette Koe ligt bij het westelijke einde van een dwarsdijk in de Woldgeul

Een verwarrende tekst Een verwarrende tekst

De verwarring over de inpoldering van de Woldgeul wordt vooral veroorzaakt door een onjuiste interpretatie van enkele teksten uit de jaren 1453 en 1457."27"

Kooper, Ligterink, Siemens en Schroor denken dat deze teksten betrekking hebben op verschillende slachten of dijken, die kort na elkaar zouden zijn aangelegd. In werkelijkheid gaan ze over één en dezelfde dijk, de zogenaamde Nijeslachte tussen de Langewolderzeedijk en de Humsterdijk bij Balmahuizen. De onjuiste interpretatie van deze teksten heeft ook verwarring gezaaid omtrent de dijk die in oude documenten als Olde Slachte of Godekemaslachte wordt aangeduid.

Zoals gezegd vermoedde Kooper dat dit de dwarsdijk was tussen de N355 en de boerderij ‘Vette Koe’ ten oosten van Zuidhorn. Dat hier een dwarsdijk heeft gelegen lijkt wel aannemelijk – hierlangs loopt de kerspelgrens tussen Zuidhorn en Den Ham – maar deze dijk was niet de Godekemaslachte.

Uitsnede uit kaart nr. V van Kooper Uitsnede uit kaart nr. V van Kooper

Kooper tekende naast het woord ‘Zuidhorn’ een dwarsdijk in de Woldgeul en legde er ook een ‘pomp’ in (p). Hij deed dat omdat in enkele oude teksten sprake is van een ‘pomp in de Godekemaslachte’. Naar de pomp in de Godekemaslachte heetten de landerijen tussen Noord- en Zuidhorn enerzijds en Aduard en Den Ham anderzijds ‘de Pompelanden’.

Kooper realiseerde zich blijkbaar niet hoe raar het is dat de Pompelanden hun naam zouden ontlenen aan een duiker die in waterstaatkundige zin boven de betrokken landerijen ligt. Het ligt veel meer voor de hand dat landerijen genoemd worden naar de duiker waarlangs ze hun water lozen, die dus benedenstrooms moet liggen en ook door de eigenaren van de lozende landerijen onderhouden moet worden.  

De PPD zag op de door Kooper aangewezen plek geen dijk, maar vermoedde er wel een ter hoogte van de huidige Rijksstraatweg, ruim 350 meter verder naar het noorden. Dat is, gelet op het verloop van de kerspelgrens tussen Zuidhorn en Den Ham en het tracé van de Hoogemeedster waterleiding, erg onwaarschijnlijk.

Verschillende soorten klei in de Woldgeul Verschillende soorten klei in de Woldgeul

De bodemkaart laat in de Woldgeul tussen Zuidhorn en de Hogeweg-Spanjaardsdijk twee verschillende kleisoorten zien. Misschien houden de verschillen in grondsoort verband met de slachte die ter hoogte van Vette Koe is gelegd met het doel een stuk van de Woldgeul in te polderen. Het zou me niet verbazen wanneer deze inpoldering tot stand is gekomen op initiatief van en ook door Aduard. Daarop wijst de locatie van de slachte (in het verlengde van de dijk langs de Hoogemeedster waterleiding!) en het feit dat de landerijen ten zuiden ervan eigendom van Aduard waren.

Het zou te ver voeren om alle theorieën over de verschillende bedijkingen in de Woldgeul of bij de Oude Riet te bespreken. Ik laat hieronder een uitsnede zien uit de PPD-kaart waarop cultuurwaarden zijn vastgelegd.

Bedijkingen in de Woldgeul. Uitsnede uit de cultuurwaardenkaart van de PPD Bedijkingen in de Woldgeul. Uitsnede uit de cultuurwaardenkaart van de PPD

Groene lijnen geven cultuur- en landschapshistorisch waardevolle elementen aan, zwart zijn zichtbare dijktracé’s, zwart gestippeld de verdwenen dijken.

  1. Hornsterslachte
  2. Dwarsdijk ter hoogte van de Friesestraatweg
  3. De door Siemens veronderstelde ‘Noorderslachte’
  4. Noorderweg / Noordhornerweg
  5. ‘Nijeslachte’ bij Balmahuizen

De inventarisatoren van de PPD namen van Siemens wel diens Noorderslachte (ten zuiden van de Piloersemaborg) over, maar volgden hem niet met betrekking tot de Godekemaslachte.

Tussen Noordhorn en Den Ham Tussen Noordhorn en Den Ham

  1. Noorderweg/Noordhornerweg
  2. Hamsterpad

De hoogtekaart laat zien hoe onwaarschijnlijk het idee van Siemens’ Noorderslachte tussen Den Ham en Piloersema is. Niet alleen ontbreekt elk spoor van een dijk, schuin door het tracé van Siemens’ dijk (bij het pijltje) loopt zelfs het spoor van een oude bedding (een voormalig wadgeultje of priel).

Het plaatje laat tevens zien hoe de buitendijkse landen zijn ingedeeld. Een stukje van het huidige Hamsterpad (2) loopt over de lijn die getrokken kan worden tussen de kerken van Noordhorn en Den Ham. Deze lijn is kennelijk de basis geweest voor de verkaveling van dit gebied.  Ook ten noorden van het Hamsterpad is een kavellijn geraaid op de kerk in Den Ham. Wanneer deze percelering zijn beslag heeft gekregen is onbekend.

De kronkelende lijn linksboven op het plaatje (1) is de Noorderweg. De hoogteverschillen zijn veelzeggend: de weg volgt grotendeels de opslibbingsgrens.

Op het rechterkaartje is het landbezit van het klooster Aduard aangegeven met een rode arcering. Zo wordt zichtbaar dat Aduard een belangrijke rol moet hebben gespeeld bij de inpoldering en het beheer van het buitendijkse land in de Woldgeul. Overigens laat het kaartje ook mooi zien dat alleen de oostelijke uiterdijk – het landbezit van Aduard – langs de oriëntatielijnen van het linkerplaatje is verkaveld. Het westelijke deel van de uiterdijk is vanuit Noordhorn aangepakt.

Hamsterpad richting Noordhorn Hamsterpad richting Noordhorn
Hamsterpad richting Den Ham Hamsterpad richting Den Ham

Het is vreemd dat bij het zoeken naar de locatie van de Godekemaslachte geen verband is verondersteld tussen deze naam en de Gaukema- of Gokemaheerden in Humsterland. Een van die heerden staat aan de Balmahuisterweg, tussen Balmahuizen en Frytum."28"

Lag de Godekemaslachte ten noorden van Noordhorn? Lag de Godekemaslachte ten noorden van Noordhorn?

Zoals gezegd meende Siemens dat de Godekemaslachte niet een dwarsdijk in de Woldgeul was, maar de verbinding vormde tussen de door hem veronderstelde Noorderslachte bij de Piloersemaborg en de ringdijk om Humsterland."29"

Een zestiende-eeuwse aantekening over het leggen van een nieuwe ‘pomp’ in de Godekemaslachte maakt echter duidelijk dat deze kering wel degelijk een dwarsdijk in de Woldgeul is geweest en dat ze tussen Frytum of Fritemahuis en Noordhorn heeft gelegen."30" We kunnen dan denken aan een stuk van de Noorderweg/Noordhornerweg tussen Oldehove en Noordhorn, waar de PPD ook een dijk zag. Deze is op het plaatje aangegeven met een rode lijn. Het grootste deel van het gemarkeerde tracé ligt op of boven de opslibbingsgrens. Het stuk weg in de buurt van de Oude Riet wekt echter de indruk een dijk te zijn.

Godekemaslachte (?) en Oude Riet Godekemaslachte (?) en Oude Riet

Waar lag de Godekemaslachte? Waar lag de Godekemaslachte?

Op het linkerplaatje is een op de kaart zichtbare dwarslijn rood aangezet. Daar zou de Godekamaslachte kunnen hebben gelegen.
De hoogtekaart en ook Google Earth laten echter ten noorden van die plek een vreemd patroon zien dat dwars op de stroomrichting van de Oude Riet ligt en op het rechter plaatje met een rode lijn is gemarkeerd. Het lijkt er in elk geval op dat hier veelvuldig is gegraven.

Siemens’ reconstructie van de bedijkingen rond de Wold- en Kliefslootgeul is maar voor een deel op controleerbare feiten gebaseerd en gaat in een aantal gevallen voorbij aan wat schriftelijke bronnen te zeggen hebben. Desondanks is Siemens’ voorstelling van zaken gemeengoed geworden doordat Meindert Schroor (en Jan Meijering) deze in Wotter en Golden Raand hebben overgenomen.

Zoals gezegd betreffen de eerder genoemde akten van 1453 en 1457 dezelfde afdamming van de benedenloop van de Woldgeul, die ter plaatse bekend is als Oude Riet.

De verwarring onder de onderzoekers wordt in de hand gewerkt door het feit dat de betreffende akten niet in originele vorm bewaard zijn gebleven. De originele stukken berustten in de abdij van Aduard, maar de boekerij en archieven van het klooster zijn aan het eind van de zestiende eeuw vrijwel volledig verloren gegaan. Daardoor moeten we ons behelpen met zestiende-eeuwse afschriften waarvan de kwaliteit twijfelachtig is. Het lijkt er zelfs op dat degene die deze afschriften maakte niet altijd goed begrepen heeft wat hij overschreef.

‘Copia van Godekema slachte’ in het handschrift  GrA T713-2 fol. 115 ‘Copia van Godekema slachte’ in het handschrift GrA T713-2 fol. 115

Het kopje boven het afschrift van de akte van 10 november 1453 luidt: ‘Copia van Godekemaslachte, daer toe Aedwert die principael bezegelde brieff van is’  (‘Afschrift over de Godekemaslachte, waarvan de originele bezegelde akte in Aduard berust’).

Reeds dit kopje is onjuist. Wanneer we de tekst zelf lezen, blijkt dat deze niet over de Godekemaslachte gaat, maar over het leggen van een nieuwe dijk die eenvoudig als ‘Nijeslachte’ wordt aangeduid. Uit de tekst blijkt dat de Godekemaslachte in waterstaatkundige zin ‘boven’ de nog te bouwen dijk lag. Andere teksten in hetzelfde handschrift maken duidelijk dat de Nijeslachte gelegd is tussen Balmahuizen en de N355.

Het misverstand bij de zestiende-eeuwse kopiïst en de latere onderzoekers is veroorzaakt door de dubbelzinnige manier waarop de belanghebbenden zichzelf in de akte van 1453 omschreven. Ze noemden zich ‘de gezamenlijke landeigenaren op de uiterdijk tussen de Godekemaslachte en de Nijeslachte tussen Noordhorn en Fritemahuis’.

De Woldgeul ten noordwesten van Noordhorn. De Woldgeul ten noordwesten van Noordhorn.

De uiterdijkslanden tussen Balmahuizen en Noordhorn zijn geel gearceerd; de met een rode kleur gemarkeerde landerijen waren in het bezit van het klooster Aduard.

De rode lijn links is de Nijeslachte, de andere rode lijn de Godekemaslachte

Wanneer men de plaatsbepaling ‘tussen Noordhorn en Fritemahuis’ op Nijeslachte laat slaan, betekent dit dat we – net zoals Siemens – die nieuwe dwarsdijk ter hoogte van de tegenwoordige Noorderweg ten noorden van Noordhorn zouden moeten zoeken.

Maar je kunt dezelfde tekst ook anders lezen. De woorden ‘tussen Noordhorn en Fritemahuis’ kunnen ook betrekking hebben op het woord ‘uiterdijk’. Uit de inhoud van de akte van 1453 en ook uit latere bronnen blijkt dat dit inderdaad de bedoeling is geweest. Degenen die in 1453 het initiatief namen tot afdamming van de Oude Riet zijn de personen die grond bezaten in de uiterdijkslanden die gelegen waren tussen Fritemahuis (Frytum) in het noorden en Noordhorn in het zuiden, en tussen de Godekemaslachte in het oosten en de nog te leggen nieuwe dijk (Nijeslachte) in het westen. Deze landeigenaren verklaarden in 1453 dat zij twee motieven hadden voor het voorgenomen werk. In de eerste plaats wilden ze hun ‘beneden’ de Godekamaslachte gelegen buitendijkse landen – hier geel gearceerd – beschermen tegen de oplopende vloed en in de tweede plaats wilden ze een betere mogelijkheid scheppen om [met hun producten] de Groninger markt te bezoeken.

Schuurdeur Frytema aan de Frijtumerweg Schuurdeur Frytema aan de Frijtumerweg
De Nijeslachte tussen Balmahuizen en Oxwerd De Nijeslachte tussen Balmahuizen en Oxwerd

Dat het afdammen van de Oude-Rietbedding tussen Balmahuizen en de Langewolderzeedijk ter plaatse van de huidige N355 de condities van de uiterdijkslanden tussen Noordhorn en Frytum verbeterde, spreekt voor zichzelf. Lastiger is het om ons voor te stellen hoe zo’n dijk ook bevorderlijk zou kunnen zijn voor het verkeer naar en van de stad Groningen.

Met ons eenentwintigste-eeuwse referentiekader zijn we geneigd om bij verkeersroutes in de eerste plaats aan landwegen te denken. Wanneer de opstellers van de akte van 1453 ook zo hebben gedacht, is het motief van verbetering van de verbindingsroute met Groningen onbegrijpelijk. De route van de uiterdijk over de Noorderweg, Noordhorn en Zuidhorn is korter, hoger en dus ook droger dan die via de Nijeslachte bij Balmahuizen.

Anders wordt het wanneer we ons voor de geest proberen te halen hoe men destijds goederen van de uiterdijk tussen Frytum en Noordhorn over het water naar Groningen kan hebben gebracht.

Nijeslachte en Oude Riet bij Balmahuizen Nijeslachte en Oude Riet bij Balmahuizen
Vaarroute Ypegat-Groningen op een zeventiende-eeuwse kaart (GrA T817-1052, bewerkte uitsnede) Vaarroute Ypegat-Groningen op een zeventiende-eeuwse kaart (GrA T817-1052, bewerkte uitsnede)

We zagen in het vorige hoofdstuk dat het water uit de streek ten zuiden van Enumatil via de Oost-Vredewoldertocht/Stillediep (de ‘Sloot’?) noordwaarts liep en ten westen van Noordhorn via een zijl in de Woldgeul/Oude Riet uitkwam.

Ten noorden van Lettelbert kruiste het Lettelberterdiep een natuurlijk stroompje, de Gave. Komende vanuit het noorden kon men vanaf dat kruispunt in oostelijke richting varen en dan via Oostwold, de Poffert, de kruising met de Hunsinge/het Peizerdiep (Vierverlaten) en Hoogkerk in Groningen komen.

Door de aanleg van een nieuwe slachte tussen Balmahuizen en de Langewolderzeedijk werd het voor de Humsterlanders, en ook voor de eigenaren en gebruikers van de landerijen tussen de Godekemaslachte en de aan te leggen nieuwe dijk gemakkelijker om vaartuigen in de Oost-Vredewoldertocht/Stillediep met hun producten te beladen.

Het is deze route die kroniekschrijver Sicke Benninge voor ogen heeft gehad toen hij vertelde dat de Saksers in 1505 de kerk van Hoogkerk tot een fort ombouwden. Op deze manier verhinderden zij dat de Groningers per schip naar Vredewold, Langewold en Humsterland konden komen."31" Ook uit latere tijd ben ik een vermelding van deze vaarroute tegengekomen. Het betreft dan schepen die in september 1580 vanaf de Opslag (bij het huidige Kommerzijl) onderweg waren naar Groningen en vanwege het lage waterpeil in Oostwold waren blijven steken. Ook deze moeten via het ‘proto-Hoendiep’ zijn gevaren.

De beschreven route vinden we terug op een zeventiende-eeuwse manuscriptkaart waarvan ik hier een uitsnede laat zien."32" Op deze kaart ontbreekt nog het stuk Hoendiep tussen de Poffert en Enumatil, dat blijkens de rekeningen van de provinciale rentmeester in de jaren 1655-1656 tot stand is gebracht."33" De afsnijding van de omweg over Oostwold met de haakse knik tussen Lettelbert en Oostwold zien we voor het eerst op de ‘editie-1675’ van de provinciekaart van Bartold Wicheringe. 

In het overzichtswerk dat hij in 1910 publiceerde, meldde C.C. Geertsema echter dat dit stuk van het Hoendiep uit 1616 dateert."34" Dit jaartal is sindsdien in vrijwel alle publicaties over de waterwegen en het landschap overgenomen."35" Geertsema’s datering is gebaseerd op de gedachte dat het kanaalvak De Poffert-Enumatil staat afgebeeld op de provinciekaart van Bartold Wicheringe en dat die uit 1616 dateert. De kaart van Wicheringe kent echter vele versies die op onderdelen van elkaar verschillen. De oudste versie dateert inderdaad uit 1616, maar daarop komt het kanaalvak De Poffert-Enumatil nog niet voor. Zoals gezegd verschijnt deze waterweg voor het eerst op de versie die in 1675 is gepubliceerd.

De omweg over Oostwold afgesneden; detail uit de provinciekaart van Bartold Wicheringe, ed. 1675. Het pijltje wijst naar het kanaal dat tussen de Poffert en Enumatil is gegraven. De omweg over Oostwold afgesneden; detail uit de provinciekaart van Bartold Wicheringe, ed. 1675. Het pijltje wijst naar het kanaal dat tussen de Poffert en Enumatil is gegraven.

Het feit dat de eigenaren van de buitendijkse landerijen tussen Noordhorn en Humsterland in 1453 meenden door de aanleg van een ´nijeslachte´ gemakkelijker naar Groningen te kunnen komen, wijst erop dat de vaarroute over Oostwold halverwege de vijftiende eeuw reeds in gebruik was.

De initiatiefnemers tot de nieuwe afsluitdijk zullen zich niet hebben gerealiseerd dat ze met hun nieuwe dijk in de onmiddellijke nabijheid van de twee zijlen in de Langewolderzeedijk een zwak punt in de zeewering schiepen.

26.

Siemens, Dijkrechten en zijlvesten, 32

27.

GrA T713-2 fol. 115-119v (10 november 1453) en fol. 120-125 (11 november 1457).

28.

Zie Hidde Feenstra, ‘Iets over de maatschappelijke structuren in het laat-middeleeuwse Humsterland’, in: D.E.H. de Boer e.a. (red.), Het Noorden in het midden. Opstellen over de geschiedenis van de Noord-Nederlandse gewesten in Middeleeuwen en Nieuwe Tijd (Groninger Historische Reeks 17) (Assen 1998), 31-45,

29.

Siemens, Dijkrechten en zijlvesten, 32.

30.

T713-2 fol. 142: ‘Item die nije pompe in Goedekemaslachte tusschen Northorm ende Frijtemahuijs worde gelecht anno domini dusent vijffhondert ende xlv, omtrent meij´.

31.

F.A.H. van den Hombergh en E.O. van der Werff, Sicke Benninge. Croniken der Vrescher Landen mijtten Zoeven Seelanden ende der stadt Groningen. Geschiedenis van Groningen en Ommelanden tot 1530. 2 dln. (Den Haag 2012) 251.

32.

GrA T817-1052.

33.

GrA T1-1878-1879. In de provinciale rekening over het jaar 1657 wordt melding gemaakt van een ‘nieuw kret, staande in ’t nieuwe gegraven diep tegens over Oostwold’ (GrA T1-1880 fol. 202).

34.

C.C. Geertsema, De Zeeweringen, Waterschappen en Polders in de provincie Groningen (Groningen 1910) 130.

35.

Laatstelijk nog in Jan Meijering, ‘Van Caspar de Roblesdiep tot Van Starkenborghkanaal’, in: Historisch Jaarboek Groningen 2012, 24-43, aldaar 30.