Zoek op de website

11.7	Een laatste beetje Drents water

Het in hoofdstuk 11.5 besproken verhaal uit het Humsterlandse dijkboekje over de problemen rond de afwatering van Oost-Vredewold (het Nijesloterzijlvest)en de oplossing daarvan wordt bevestigd door enkele andere bronnen. Eén ervan hebben we al gezien: de uitspraak van Stadhouder en Hoofdmannen van 8 mei 1563 ter beslechting van de onenigheden tussen het Sloterzijlvest en het Bomsterzijlvest rond de overname van het Oxwerderdiep door de eerstgenoemde organisatie. Maar er zijn ook berichten die nadere informatie bevatten over de relatie tussen het (Nije)sloterzijlvest en het Aduarderzijlvest en de poging van de eerste organisatie om toegang te krijgen tot de watergangen die via de Aduarderzijl op de benedenloop van het Reitdiep loosden.

Alvorens daarop nader in te gaan moet ik melding maken van een aanwijzing die duidelijk maakt dat de Oost-Vredewolders al vóór 1560 de beschikking hadden over een opening waardoor ze hun water op het watergangenstelsel van het Aduarderzijlvest konden lozen. De eerder vermelde poging om, na het ‘staf’ worden van de Sloterzijl bij Ypegat, toegang te krijgen tot dat zijlvest betreft dus niet zozeer het scheppen van een nieuwe situatie, maar de verruiming van een reeds bestaande lozingsmogelijkheid.

Het bestaan van een opening tussen de watersystemen van twee naburige zijlvestenijen is vreemd. Doorgaans zagen de zijlvestenijen er juist nauwlettend op toe dat er geen druppel ‘vreemd water’ hun gebied binnen kwam.

Een zijltje bij Nieuwbrug (in de rode cirkel) en een niet bij de verkaveling passende watergang op de grens van de kerspelen Oostwold en Lagemeeden (bij het pijltje) op een uitsnede uit de kaart van Theodorus Beckeringh uit 1781. Een zijltje bij Nieuwbrug (in de rode cirkel) en een niet bij de verkaveling passende watergang op de grens van de kerspelen Oostwold en Lagemeeden (bij het pijltje) op een uitsnede uit de kaart van Theodorus Beckeringh uit 1781.

De aanwijzing die ik bedoel laat echter aan duidelijkheid niets te wensen over. Op 12 maart 1545 verklaarden de pastoor van Lagemeeden en een tweetal volmachten van datzelfde kerspel dat Oostwold zijn bijdrage had betaald voor het onderhoud van het ‘zijltje bij het huis van Jan Abbring’."53" Uit een bron van een eeuw later blijkt waar dat huis moet zijn geweest."54" Dan horen we dat de ‘Abbringetil’ een kleine 200 meter ten westen van de Nieuwbrug ligt. Hij overspant de Zuidwending enkele tientallen meters ten zuiden van de plaats waar de Zuidwending in het Aduarderdiep uitmondt."55" Op de ruim twee eeuwen latere kaart van Theodorus Beckeringh zien we het bedoelde zijltje ingetekend. Hierdoor kwam het water van de ten zuiden van de Weersterweg lopende Schipsloot in de Zuidwending uit.

De Abbringetil over de Zuidwending De Abbringetil over de Zuidwending

Het blijkt dus (1) dat Lagemeeden via een zijl op de Zuidwending loosde die in directe verbinding stond met het Aduarderdiep, en (2) dat ook Oostwold langs die weg zijn water liet lopen. Het meest waarschijnlijk lijkt me dat die afwatering verliep via een watergang ten noorden van het huidige Hoendiep, op de grens tussen Oostwold en Lagemeeden (bij het rode pijltje op het Beckeringh-kaartje).

Naamloze grenssloot tussen Lagemeeden (links) en Oostwold (rechts) ter hoogte van Hoendiep 36 Naamloze grenssloot tussen Lagemeeden (links) en Oostwold (rechts) ter hoogte van Hoendiep 36

De sloot past niet bij de verkaveling van het gebied en wekt de indruk een overblijfsel te zijn van een natuurlijke watergang.

Vermoedelijk heeft hierlangs het Oostwolder water noordwaarts gelopen om samen met dat van Lagemeeden in het Aduarderdiep uit te komen.
Tegenwoordig heeft de sloot geen boven-locale functie meer.

Duidelijk is in elk geval dat Oostwold en Lagemeeden – beide behorend tot het Sloterzijlvest – in 1545 voor hun afwatering niet, of niet geheel, op de Oost-Vredewoldertocht en de Sloterzijl bij Ypegat aangewezen waren, maar (ook) via het Aduarderzijlvest mochten lozen. Sinds wanneer dat zo was en hoe deze situatie in formele zin was geregeld, is niet aan de hand van schriftelijke bronnen vast te stellen. Ik heb geen aanwijzing gevonden die steun biedt aan de gedachte dat Oostwold en Lagemeeden formeel onderdeel zijn geweest van het Aduarderzijlvest. Er moet echter een relatie tussen dit gebied en het zijlvest zijn geweest. Daarop wijst ook het feit dat de genoemde verklaring ons bekend is doordat een afschrift ervan zich bevindt in een kopieboek van het Aduarderzijlvest.

Het bestaan van een verbinding tussen Oostwold-Lagemeeden en het Aduarderzijlvest vinden we verder bevestigd in een document uit 1561. Dat stuk behelst een verslag van een overlegvergadering die op 31 maart 1561 is gehouden op de Aduardersteentil."56" Daar bespraken de Aduarderzijlvesten, de Raad van Groningen en het Sloterzijlvest (met Wigbold van Ewsum) de details van een overeenkomst, waarbij het aan Oost-Vredewold zou worden toegestaan om een tweede ‘pijp’ te hebben waardoor het kon lozen op het Aduarderdiep. Het moet al heel vreemd zijn wanneer het hierbij niet zou gaan over de in het relaas over de zijlen bij Ypegat vermelde pogingen van het Sloterzijlvest om zich aan te sluiten bij het Aduarderzijlvest.

Uit het verslag blijkt dat het Sloterzijlvest al een pijp van 20 voet breedte had en graag een tweede opening van die maat zou willen hebben. Verder lezen we in dit stuk dat er toen gewerkt werd aan de Aduarderzijlen."57"

Op grond van deze aanwijzingen lijkt het me aannemelijk dat het Oost-Vredewolder of Sloterzijlvest al sinds heel lang een verbinding met het Aduarderdiep had en dat deze verbinding te maken heeft met de omstandigheid dat het de monniken van Aduard waren die via deze opening van en naar hun uithof in het Drentse Terheijl, anderhalve kilometer ten zuiden van Leek, konden varen. De route liep vanuit Aduard via de Lindt, het Aduarderdiep, de Zuidwending, de Gave of Oostwolderdiep, de Munnikesloot, het Zultemeer (Leekstermeer), de Leek en de Zwarte Riet. Juist het feit dat het klooster Aduard zelf vanouds de Zuidwending als schipsloot heeft gebruikt zou de verklaring kunnen zijn voor het feit dat er bij de Abbringetil geen waterscheiding is geweest tussen het Sloterzijlvest en het Aduarderzijlvest. Het ontbreken van een dergelijke waterscheiding betekent echter ook, dat water van de Noorddrentse nederzettingen Leutingewolde en Roderwolde via het Leekster- of Zultemeer ongehinderd zijn weg vond naar het Aduarderdiep.

We moeten hierbij zeker rekening houden met de mogelijkheid dat in de loop van de tijd veranderingen zijn opgetreden in bodemhoogten en hoeveelheden te lozen water. Het kan dus zijn dat de waterhuishoudkundige problematiek waarvan de zestiende- en zeventiende-eeuwse bronnen getuigen, eerder (in de veertiende en vijftiende eeuw) nog niet bestonden. We zullen aanstonds nog zien dat de Lagemeedsters zich later gedwongen zagen noodmaatregelen te nemen om te voorkomen dat water vanuit het Aduarderzijlvest hun land binnenkwam.

Zoals gezegd past het verslag over de in maart 1561 gehouden bijeenkomst op de Aduardersteentil bij het verhaal over de twee zijlen bij Ypegat en de daarin gemelde poging van het Sloterzijlvest om toegang te krijgen tot het Aduarderzijlvest. Ofschoon men – zo lezen we in dat verhaal – met de onderhandelingen al heel ver was gevorderd en de overeenkomst zelfs al was opgemaakt, ging het plan niet door. Dat kwam doordat het op verzet vanuit de stad Groningen stuitte. Ook dit wordt uit andere bron bevestigd. Stadssecretaris Egbert Alting noteerde op 17 februari 1562 in zijn dagboek dat burgemeesters en raad tijdens een bijeenkomst in het wijnhuis uit naam van de stad Groningen en de eigenerfden en landgebruikers in het stadshamrik hadden verklaard niet in te stemmen met een concept-overeenkomst die gesloten was tussen Wigbold van Ewsum en het Sloterzijlvest enerzijds en het convent van Aduard anderzijds over de inlating van ‘veen- ende ander wateren’."58" De instemming van het stadsbestuur was in deze zaak onontbeerlijk omdat burgemeesters en raad als wettige overheid van de burgers en stedelijke instellingen die in het Westerstadshamrik en Lieuwerderwolde gegoed waren, stem in het zijlvestenijkapittel hadden. De eigenaren en gebruikers van die landerijen – die zeker al sinds het begin van de veertiende eeuw bij het Aduarderzijlvest hoorden – waren vooral bang dat hun landerijen bedorven zouden worden door zuur veenwater.

Dat er naar de zin van de laatstgenoemden toch al te veel veenwater binnenkwam blijkt uit het protest dat het stadsbestuur later in hetzelfde jaar, op 14 september 1562, bij de abt van Aduard als voorzitter van het Aduarderzijlvest indiende. De overlast werd veroorzaakt door – zo heet het letterlijk – het veenwater dat als gevolg van de verveningen van Wigbold van Ewsum in grotere hoeveelheden naar beneden kwam dan vroeger het geval was. Uit het verhaal blijkt verder dat het water ook in de zomer voor problemen zorgde. De lage landen ten westen van de stad leden hierdoor grote schade en het hooi werd erdoor bedorven.

Twee dagen later gaf het stadsbestuur een aanbevelingsbrief aan het Heilige Geest Gasthuis – dat veel land bezat onder Hoogkerk – voor een collecte die het gasthuis bij andere geestelijke instellingen wilde houden ter delging van de schade, die veroorzaakt werd door de overstromingen."59"

Tenslotte is er nog een ongedateerde tekst die van ná 1561 moet dateren en waaruit blijkt dat de Hoogkerkers in het Oostwolderdiep (het huidige Hoendiep) een ‘knijpe’ moesten onderhouden."60" Mogelijk is deze ‘knijpe’ gelegd als een compromis tussen de conflicterende belangen van de Oost-Vredewolders enerzijds en de Lieuwerderwolders en Groningers anderzijds. Daarbij moeten we overigens niet alleen aan de waterhuishouding denken, maar ook aan het belang dat alle partijen hadden bij het later Hoendiep genoemde ‘trekdiep’ door Hoogkerk, het Oostwolderdiep (later ook Hoendiep genoemd) en de Gave, dat als vaarweg tussen de ‘westerse kwartieren’ en de stad Groningen dienst deed. Ik vermoed dat het bij de hier bedoelde ‘knijpe’ ging om een versmalling ter plaatse van de latere Vierverlaten. Deze was onder normale omstandigheden open, maar kon in geval van nood met balken worden afgesloten. Dat de Hoogkerkers verplicht waren om dit kunstwerk te onderhouden wijst erop dat zij het waren die er in het bijzonder belang bij hadden.

We zullen nu nog enkele plaatjes bekijken die het voorgaande kunnen verduidelijken.

 Bij de Abbringetil en Nieuwbrug Bij de Abbringetil en Nieuwbrug

De oude situatie bij Nieuwbrug ingetekend op Google Earth.
De Abbringetil overbrugt de Zuidwending. Via het zijltje bij de Abbringetil komt water van Lagemeeden en Oostwold in de Zuidwending uit, even ten zuiden van de plaats waar de Zuidwending en de Hunsinge bij elkaar komen. Langs deze weg kwam water uit Oost-Vredewold (het Sloterzijlvest) in het Aduarderzijlvest.

Bij de Abbringetil Bij de Abbringetil

Op de voorgrond het water van de Zuidwending, aan de andere (west-) kant van de brug loopt de Weersterweg.
Het nu onbeduidende slootje aan de zuidzijde van de weg of dijk, die tevens de waterscheiding was tussen het Sloterzijlvest aan de zuidzijde en het Aduarderzijlvest aan de noordzijde, werd door de Lagemeedsters en Oostwolders niet alleen als waterlossing, maar ook als Schipsloot gebruikt.

De Schipsloot aan de Lagemeedster (=zuid-)kant van de Weersterweg De Schipsloot aan de Lagemeedster (=zuid-)kant van de Weersterweg

Op de plaats van het door Beckeringh getekende zijltje ligt nu een dam.

 

Schepen kunnen hier allang niet meer varen, maar ook voor de waterhuishouding heeft de sloot nauwelijks betekenis meer.

Een conflict in der minne geschikt (1630) (GrA T705-217) Een conflict in der minne geschikt (1630) (GrA T705-217)

In het begin van de zeventiende eeuw diende voor de Hoofdmannenkamer een geschil tussen het Aduarderzijlvest enerzijds en de ingelanden van Oost-Vredewold en de Drentse plaatsen Roderwolde en Leutingewolde anderzijds. Het ging om het voornemen van het Aduarderzijlvest om een ‘verlaat, klief of pending’ te leggen bij de Pannekoek. Uit dit plan mogen we concluderen dat de ‘knijpe’ ter plaatse van de latere Vierverlaten niet of onvoldoende werkte en dat het Aduarderzijlvest de toestroom wilde beperken van veenwater dat via de Gave en de Munnikesloot vanuit Oost-Vredewold en Noord-Drenthe binnenkwam, zonder tegelijk ook het scheepvaartverkeer onmogelijk te maken.

Het geschil was er een van lange adem: de eerste signalen erover vond ik in 1622,"61" het plaatje op de vorige bladzijde toont een kopie van de schikking die partijen in 1630 met elkaar troffen.

Een verlaat gepland bij Pannekoek. 1.  Hoendiep (sinds halverwege de       zeventiende eeuw) 2.  Zuidwending 3.  Oostwolderdiep (nu Hoendiep) Een verlaat gepland bij Pannekoek. 1. Hoendiep (sinds halverwege de zeventiende eeuw) 2. Zuidwending 3. Oostwolderdiep (nu Hoendiep)

Het bovenstaande kaartje geeft aan waar het geplande kunstwerk – er is sprake van twee verlaten bij de Pannekoek, hetgeen wijst op een schutsluis – moest komen. Hierbij moet worden bedacht dat het op deze uitsnede uit de ‘Bonnebladen’ getekende stuk Hoendiep dat vanaf de Poffert naar het westen loopt, in de eerste helft van de zeventiende eeuw nog niet bestond.

Het geplande kunstwerk moest het uit Oostwold en Noord-Drenthe afkomstige water tegenhouden, maar de scheepvaart zo min mogelijk hinderen. Zoals we zagen kwam het te weren water op twee plekken het Aduarderzijlvest binnen: via de Zuidwending die bij Nieuwbrug in het Aduarderdiep uitkwam en via het Oostwolderdiep van de Poffert naar het latere Vierverlaten. Dat laatste kanaal is nu onderdeel van het Hoendiep.

Voordat de rechters uitspraak deden, kwamen de partijen zelf tot een vergelijk (1630)."62" Ze besloten dat het oosterdeel van Midwolde, Oostwold, Lettelbert, Lagemeeden en het Drentse Roder- en Leutingewolde ongehinderd op de Hunsinge en de Aduarderzijl zouden mogen uitwateren, maar tegelijkertijd ook de Nije Opslachterzijl (Kommerzijl) in orde moesten houden. Het Aduarderzijlvest zou dan afzien van de bouw van een verlaat.

Het is niet duidelijk of er omstreeks 1630 sprake is geweest van een ongewone toevloed van Vredewolder en Drents water en, indien dat inderdaad het geval was, wat daarvan de oorzaak kan zijn geweest. Het kan te maken hebben gehad met de voortschrijdende exploitatie van de venen boven Leek, maar ook – en dat lijkt, gelet op de inhoud van het vergelijk, het meest waarschijnlijk – van een slecht functionerende afvoer van het Vredewolder water noordwaarts, via Niezijl naar Kommerzijl.

Ten behoeve van het overzicht moeten we wat verder uitzoomen. Op het onderstaande plaatje zien we de drie uitwegen van het water van Oostwold, Midwolde, Lettelbert, Lagemeeden, Leutingewolde en Roderwolde waarover in 1630 overeenstemming werd bereikt. Er waren twee oude waterlossingen, een westelijke en een oostelijke.

De eerste had aanvankelijk naar de Sloterzijl ten westen van Noordhorn gelopen en was later verlegd naar de Nijesloterzijl (de oostelijke zijl in Niezijl) en dan verder naar Kommerzijl.

De oostelijke die ook gebruikt werd als vaarroute tussen Aduard en Terheijl, liep via de Zuidwending en het Aduarderdiep naar de Aduarderzijl, die eerst bij Arbere lag en later naar een plaats ten noorden van Feerwerd werd verplaatst.

De derde waterlossing liep via de vaarroute tussen Oostwold en Hoogkerk – het Oostwolderdiep – dat bij het latere Vierverlaten in de Hunsinge uitkwam.

De afvoer van het Noord-Drentse water.  1.  Oost-Vredewoldertocht  2.  Zuidwending 3.  Oostwolderdiep De afvoer van het Noord-Drentse water. 1. Oost-Vredewoldertocht 2. Zuidwending 3. Oostwolderdiep

Uit een tekst van 1627 weten we dat de opening bij de Abbringetil (even ten westen van Nieuwbrug, bij het pijltje) door de ingelanden van Lagemeeden c.a. met planken en mest werd gesloten wanneer het water in het Aduarderdiep zo hoog stond, dat het via deze opening het Nijesloterzijlvest dreigde binnen te komen. Zoals eerder vermeld bevond zich in de tweede helft van de zestiende eeuw in het Oostwolderdiep ter plaatse van het latere Vierverlaten een ‘knijp’ die door de Hoogkerksters moest worden onderhouden. Ook daar was dus een – smalle – verbinding tussen het Nijesloter- en het Aduarderzijlvest. Ook die zal men in geval van nood hebben kunnen afsluiten.

Met de oostelijke lozingsmogelijkheid via het Oostwolderdiep lijkt de situatie te zijn hersteld die mogelijk vóór de ontginning van dit gebied heeft bestaan. Eerder heb ik erop gewezen dat er een natuurlijke watergang moet zijn geweest – corresponderend met het smeltwaterdal in de pleistocene ondergrond – die water vanuit de venen tussen Roderwolde en Leek in noordoostelijke richting afvoerde."63" Het kwam in de buurt van Hoogkerk in de Hunsinge uit. Veel water zal dit riviertje niet hebben gevoerd. Het hele gebied was moerassig en het meeste water dat erin regende zal in droge tijden zijn verdampt. Door opslibbing in het stroomgebied van de Hunsinge zal deze natuurlijke uitweg verstopt zijn geraakt.

Roderwolde, Hoogheem, Lagemeeden en de vaarroute tussen Aduard en Terheijl. 1.  Hoogheem 2.  Kerkhof van Lagemeeden Roderwolde, Hoogheem, Lagemeeden en de vaarroute tussen Aduard en Terheijl. 1. Hoogheem 2. Kerkhof van Lagemeeden

De ontwikkeling van het gebied rond het Leekstermeer roept vele vragen op.

Het podium van Hoogheem (ter plaatse van het huidige bedrijventerrein Westpoort) dateert van halverwege de dertiende eeuw. Dat geeft een datering voor de heroccupatie van dit gebied, dat vanaf de achtste eeuw en vooral in de twaalfde en het begin van de dertiende eeuw aan overstromingen blootstond. Deze overstromingen hebben een c. 30 cm dik kleipakket achtergelaten."64"

Blijkens de goederenlijst van het klooster Werden aan de Ruhr kwamen er in de elfde eeuw al inkomsten uit dit grensgebied van Vredewold, Lieuwerderwolde en Drenthe."65"

Een bij Hoogheem aangetroffen dichtgeslibde, en later weer uitgegraven sloot past in de verkaveling van Roderwolde, die geraaid lijkt te zijn op het podium in Lagemeeden, waar halverwege de veertiende eeuw een kapel werd gesticht."66"

De kerk van Roderwolde (Roterwolde) wordt in 1139 voor het eerst in een oorkonde genoemd,"67" het podium in Lagemeeden dateert volgens Miedema uit de elfde eeuw."68" Deze kunstmatige verhoging moet bij een ‘tweede occupatiefase’ horen, want kort geleden zijn hier sporen aangetroffen die erop wijzen dat hier mogelijk al in de Romeinse tijd en zeker in de vijfde of zesde eeuw werd gewoond en gewerkt. De sporen waren overdekt met klei."69" De wijze waarop Lagemeeden in een vijftiende-eeuws Münsters parochieregister wordt aangeduid (‘de weiden van Oostwold of meden’) maakt duidelijk dat het bij de genoemde tweede occupatiefase moet gaan om een ontginning die vanuit Oostwold (Antiqua Ostwald) is uitgegaan."70" Het lijkt erop dat overstromingen de bewoners hadden verjaagd en dat er een langere periode is geweest waarin landgebruik onmogelijk was.

Mol suggereert dat de uithof Terheijl een functie heeft gehad die vergelijkbaar was met het Aduardervoorwerk in Everswolde, en dat de akte van 1250, waarin de bisschop van Utrecht aan Aduard vrij verkeer vergunt door zijn bisdom, mede betrekking heeft op het verkeer tussen Aduard en Terheijl."71" Het is echter de vraag of Terheijl in 1250 al in het bezit van Aduard was. De eerste concrete vermelding van de uithof dateert weliswaar pas uit het eind van de vijftiende eeuw, maar maakt wel duidelijk dat de uithof toen al langer bestond. De abtenkroniek van Aduard vermeldt over abt Wolterus I (1485-1494) dat hij een nieuwe kapel heeft gebouwd in ‘onze uithof bij Roden, op de plaats die “Hel” werd genoemd, maar nu “Hemel” heet’."72" De uithof bestond dus al langer en er had ook een oude kapel gestaan, maar vanaf wanneer de Aduarder aanwezigheid hier dateert is onbekend. Het jaartal 1200 dat op een website te lezen staat is in elk geval op niets gebaseerd.

Er is een aanwijzing voor de veronderstelling dat Terheijl in 1313 nog niet als Aduarder uithof functioneerde of, preciezer gezegd, dat er toen waarschijnlijk nog geen vaarroute was tussen het klooster Aduard en Terheijl. Deze aanwijzing kan worden ontleend aan de in deel 6 (Arbere en het Aduarderdiep) besproken akte van 1313, waarin door het klooster Aduard, Lieuwerderwolde en de Noorddrentse kerspelen Peize, Roden en Foxwolde afspraken gemaakt werden over het onderhoud van een zijltocht en zijl."73" Zoals we zagen ging het toen om de afwatering van de genoemde gebieden door de Hunsinge en de Kliefslootgeul. In dat stuk wordt het gebied van Roderwolde en Leutingewolde niet genoemd dat, gelet op zijn ligging en de oriëntatie van zijn verkaveling, zijn water in noordelijke richting heeft moeten lozen. Dit kan erop wijzen (1) dat er toen bij Nieuwbrug nog geen opening was tussen de Zuidwending (de oostelijke grenssloot van de ontginning Lagemeeden) en de Hunsinge, en (2) dat het Roderwolder water door Lagemeeden (via de Nutwegstertocht) in de richting van de Woldgeul liep en samen met dat van Oostwold en Midwolde via de Oost-Vredewoldertocht naar de Oxwerderzijl stroomde. B.W. Siemens huldigde (ongeveer) hetzelfde idee."74"

Als deze gedachtegang juist is zouden de Aduarders mogelijk pas in de veertiende eeuw zijn begonnen met de exploitatie van hun bezit bij Terheijl. De naam ‘Munnikesloot’ van de watergang tussen de Gave en het Leekstermeer lijkt me geen aanwijzing voor de datering ervan. Deze waterloop past in de verkaveling van het gebied ten oosten van Oostwold en deze is ongetwijfeld ouder dan het klooster Aduard. De naam Munnikesloot zal zijn toe te schrijven aan het feit dat de monniken van Aduard hem het meest gebruikten en wellicht ook hebben verbreed om als vaarweg te kunnen dienen.

 Het Sloterzijlvest en het Drentse deel van het Aduarderzijlvest Het Sloterzijlvest en het Drentse deel van het Aduarderzijlvest

Het Drentse stroomgebied van het Peizerdiep, dat tot c. 1400 via de Kliefslootgeul en daarna via de Aduarderzijl loosde is geel gearceerd, het gebied van het Sloterzijlvest (ook Oost-Vredewolderzijlvest en Midwoldemerzijlvest geheten) heeft een oranje arcering.

  1. Enumatil
  2. Zuidwending
  3. Oostwolderdiep (Hoendiep)

De huidige grens tussen Groningen en Drenthe is op het bovenstaande kaartje aangegeven met een vage grijze lijn. Vóór 1 januari 1987 lag er nog een klein stukje Drenthe (ruim 48 ha groot) ten noorden van de A7 (Drachten-Groningen). Met ingang van de genoemde datum werd de snelweg gemeente- en provinciegrens. Het vroeger Drentse gebied kreeg met de van oudsher ‘Groninger’ grond langs het Hoendiep de bestemming van bedrijventerrein (‘Westpoort’).

Het kaartje laat zien hoe het water van Leutingewolde en (een deel van) Roderwolde door Lagemeeden kan zijn afgevoerd vóórdat er een verbinding met het Aduarderzijlvest tot stand gebracht was. Volgens dit idee kwam het bij Enumatil uit in de Oost-Vredewoldertocht. Het gaat hier om het enige Drentse water dat ten westen van het Peizerdiep door Groningerland moest worden afgevoerd.

De twee watergangen waarlangs later water vanuit het Sloterzijlvest (dan Nijesloterzijlvest geheten) naar het Aduarderdiep stroomde, zijn met lichtblauwe lijntjes aangegeven: een stukje Zuidwending ten zuiden van Nieuwbrug en het Oostwolderdiep bij Vierverlaten. Twee losse stukjes van de oude waterlossing van de genoemde Noorddrentse gebieden zijn nog te zien in de vorm van schuin op de looprichting van de kavelsloten staande watergangen ten noorden en zuiden van de A7. Op het onderstaande kaartje zijn deze sloten met pijltjes aangegeven. De waterlossing die hier heeft gelopen begon bij de Rietboor (de noordoostelijke ‘kop’ van het Zulte- of Leekstermeer) en liep met een aantal slingers in de richting van Hoogkerk en het Peizerdiep. Deze watergang moet in de middeleeuwen de natuurlijke grens tussen Drenthe in het zuiden en Vredewold in het noorden zijn geweest.

Sporen van een oude waterlossing, die de natuurlijke grens is geweest tussen Groningen en Drenthe Sporen van een oude waterlossing, die de natuurlijke grens is geweest tussen Groningen en Drenthe

 Ten noorden van de A7 Ten noorden van de A7

Schuine sloot bij Matsloot 8, even ten westen van het bedrijventerrein Westpoort

Ten zuiden van de A7 Ten zuiden van de A7

Naamloos restant van de oude waterlossing van Roderwolde en Leutingewolde, nabij de driesprong Matsloot (links) en Munnikevaart (rechts)

De bosschages op de achtergrond horen bij boerderij De Hoogema en camping Pool aan het Leekstermeer.

Lettelberterdiep Lettelberterdiep

Al eerder hebben we gezien dat het Lettelberterdiep past in de verkaveling van het ontginningsgebied tussen de rug van Lettelbert en Enumatil."75" Het deel van het Lettelberterdiep tussen Lettelbert (bij camping ‘de Hondenhoek’) en het Leekstermeer – op het kaartje gemarkeerd – loopt schuin door de verkaveling ter plaatse, hetgeen erop duidt dat deze watergang later tot stand gekomen is dan de inrichting van het land ten zuiden van de pleistocene rug van Lettelbert. De bodemhoogte langs deze watergang vertoont aanzienlijke verschillen: 1,5-2 meter. Dat is zoveel, dat dit tracé niet het meest voor de hand ligt wanneer er een afwateringskanaal moet worden gegraven.

Hoe zit dat? Dat dit stuk van het Lettelberterdiep jonger is dan het ten noorden van Lettelbert gelegen deel is niet verrassend. Aan de oostkant van het meer zijn immers nog twee uitgangen geweest: een oude over de Hoogema naar Hoogkerk en een nieuwere via de Munnikevaart het Oostwolderdiep en de Zuidwending. Misschien hangt de oriëntatie van het jongere zuidelijke deel van het Lettelberterdiep samen met de plaats waar de Leutingewolder Molensloot – de westelijke grens van de Bolmert – in het Leekstermeer uitmondt. Maar wat kan het belang daarvan zijn geweest?

Het lijkt me passend om deze cyclus met een vraagteken af te sluiten. Het komt bovendien goed uit dat hierbij ook weer Drents water in het geding is.

53.

GrA T705-33 reg.nr. 32.

54.

GrA T136-858 (1627).

55.

Het zijltje (‘zieltje’) en ‘het Abberin tilletje’ bij Nieuwbrug (‘de Nyebrug’) staan op de Hottinger Atlas. Zie H.J. Versfelt, De Hottinger-atlas van Noord- en Oost-Nederland 1773-1794 (Heveskes 2003), kaart 28.

56.

GrA T696-183 (1561).

57.

Meer daarover is te lezen in de rubriek ‘Mengelwerk’ op de website van de Groninger Archieven, in het bijzonder onder het kopje ‘Nieuwe sluizen omstreeks 1560’.

58.

W.J. Formsma en R. van Roijen (eds), Diarium van Egbert Alting, 1553-1594. RGP grote serie 111 (’s-Gravenhage 1964) 117.

59.

GrA T2100-16.1 fol. 22 en 23.

60.

GrA T835-21 fol. 153v.

61.

GrA T1-118 (‘acteboek’ van Gedeputeerde Staten), 297 (8 augustus 1622), 309-310 (3 september 1622).

62.

GrA T705-217 regest nr. 44.

63.

Zie G&DW 10, Tussen Aduard en Grijpskerk 1, hoofdstuk 10.2 ‘Woldgeul’.

64.

J.Y. Huis in ’t Veld e.a., Het Hoogeheem, een Drents kloostervoorwerk in Groningen. Stadse Fratsen 28 (Groningen 2011), 10-12.

65.

OGD I 10; W.A. Ligtendag, De Wolden en het water; de landschaps- en waterstaatsontwikkeling in het lage land ten oosten van de stad Groningen vanaf de volle middeleeuwen tot ca. 1870 (Groningen 1995) 74.

66.

Huis in ’t Veld, Hoogeheem, 161-163; Van Moolenbroek en Mol (red.), De abtenkroniek van Aduard, 276.

67.

OGD I 27.

68.

Marijke Miedema, Vijfentwintig eeuwen bewoning in het terpenland ten noordwesten van Groningen (eigen uitgave 1983) dl. II, 187.

69.

Paul Panjkovic, ‘Wonen op veen in de Lagemeeden’, in: Historisch Jaarboek Groningen 2014, 134-136. Zie ook G&DW 5 Tussen Drentse A en Peizerdiep (13e-14e eeuw), 5.3 ‘Eerste ingrepen’, en G&DW 10 Tussen Aduard en Grijpskerk 1, 10.1 ‘Aduard en omgeving’.

70.

Leopold von Ledebur, Die Fünf Münsterschen Gaue und die Sieben Seelande Friesland’s. Ein Beitrag zur Geographie des Mittelalters (Berlin 1836) 102: Pratis Ostwald alias Meden (Lagemeeden) en Antiqua Ostwald (Oud-Oostwold).

71.

J.A. (Hans) Mol, ´Bezitsverwerving en goederenbeheer van de abdij van Aduard´, in: Abtenkroniek, 187-188.

72.

Abtenkroniek, 288-290.

73.

Zie G&DW 6, Arbere en het Aduarderdiep, 6.1 ‘Een nieuwe zijl bij Arbere (1313)’.

74.

Siemens, Dijkrechten en zijlvesten, 31-32 en kaart 3.

75.

Zie G&DW 10, Tussen Aduard en Grijpskerk 1, hoofdstuk 10.3 ‘Oost-Vredewoldertocht’.