Zoek op de website

2.2 	De politieke en geografische achtergrond

Een schenkingsakte uit 1040 Een schenkingsakte uit 1040

Om de vraag ‘Wat is een prefect?’ te kunnen beantwoorden, moeten we enkele eeuwen terug in de tijd. 

In 1040 schonk koning Hendrik III een landgoed in Groningen aan de kerk van Utrecht. Hij deed dit omdat hij zijn greep op dit deel van het Duitse Rijk wilde versterken. Graven en hertogen konden staten binnen de staat stichten doordat ze wettig nageslacht produceerden, kerken (lees: bisschoppen en abten) konden dat niet. Op hen meende de koning meer te kunnen vertrouwen. De schenking van Groningen past in wat men het ‘Rijkskerkensysteem’ noemt.

Volgens de tekst van de schenkingsakte lag het geschonken landgoed in de villa cruoninga. Het ging bij de schenking van 1040 niet alleen om grond en de daaraan verbonden inkomsten, maar ook (en vooral) over het overheidsgezag in de streek waar het landgoed lag. Daarbij hoorden ook het recht om markt te houden en munten te slaan. De bisschop liet het landgoed beheren door een villicus of meier. Die werd op zijn beurt weer geholpen door grote heren uit de buurt (‘borgmannen’ of ridders). In ruil voor de steun die dezen aan de meier (en dus indirect aan de bisschop) gaven, kregen ze een deel van de inkomsten die verbonden waren aan de schenking van 1040. Hierbij valt te denken aan inkomsten uit het geleiderecht, de wildban en het recht op de woeste grond (‘de koning heeft recht op alles wat van niemand is’)."6"

In de schenkingsakte van 1040 wordt voor het eerst de villa cruoninga genoemd In de schenkingsakte van 1040 wordt voor het eerst de villa cruoninga genoemd

Ik vermoed dat het recht op de woeste grond van veel grotere betekenis is geweest dan tot dusver werd aangenomen. We zagen eerder dat reeds in de tiende eeuw op grote schaal woeste grond (veen) in cultuur is gebracht. Wellicht heeft de bisschop van Utrecht, steunend op zijn nieuwe bezit in Groningen en met actieve assistentie van de lokale elite, een leidende rol gespeeld in de kolonisatie van het nabij Groningen gelegen woeste land.

Gorecht, Wold en Go, Drenterwolde (Oosterwolde) en Go Gorecht, Wold en Go, Drenterwolde (Oosterwolde) en Go

We kijken eerst naar het gebied dat bij de schenking van 1040 hoorde.

De rode streepjes op dit plaatje geven de buitengrenzen van het Gorecht aan zoals ze omstreeks 1750 waren. Het ligt echter voor de hand dat het vanuit Groningen beheerste gebied oorspronkelijk veel kleiner is geweest. Waarschijnlijk hebben de beide waterlopen – de Drentse A in het westen en de Hunze in het oosten – de natuurlijke grenzen van het ‘oer-Gorecht’ gevormd. Aan gene zijde van deze natuurlijke grenzen lagen woeste en onbewoonde gebieden.

Het koninklijke, sinds 1040 bisschoppelijke, landgoed zelf lag op het noordelijke uiteinde van de Hondsrug. Het centrum ervan bevond zich vermoedelijk in de noordoostelijke hoek van de Groningse binnenstad: het gebied ten noorden en zuiden van de Martinikerk (de Prefectenhof, en de ‘Valkenvlucht’).

We mogen aannemen dat de villicus van Groningen zijn best heeft gedaan om het gebied uit te breiden waarover hij namens de kerk van Utrecht de overheidsrechten uitoefende. Het ging daarbij in het bijzonder over de woeste gronden buiten de natuurlijke grenzen, die gevormd werden door Drentse A en Hunze. Maar ook vanuit de aangrenzende Friese streken kon men aanspraak maken op die gebieden.

Burchten bij Groningen

  1. ‘Zernikeburcht’
  2. Huis Selwerd
  3. Cortinghuis
  4. ‘Elba’
  5. Ulgersmaburcht
  6. Vrydemaburcht
  7. Gronenburg
  8. Wolfsbarge
  9. Huis te Glimmen

In de locatie van de burchten in de buurt van Groningen kunnen we een aanwijzing zien voor het grote belang dat de ontwikkeling van de woeste grond heeft gehad voor de bisschop van Utrecht en degenen die hem in dit gebied vertegenwoordigden. Vrijwel al deze sterkten staan op de rand van het kolonisatie-gebied. Hier was winst te halen door een aandeel te nemen in de ontginning en exploitatie van woeste grond.

Op het kaartje zijn de verschillende administratief-juridische territoria met verschillende transparante kleurvlakken aangegeven. Het geelachtige gebied linksonder is het onder het bisdom Utrecht ressorterende Drenthe; Groningen en de Groninger ‘stadstafel’ zijn meer en minder rood gekleurd, het Friese Hunsingo is groen en het eveneens Friese Fivelgo is paars. Aan de rechterkant is er nog een ongekleurd gebied: dat is het onbewoonde hoogveen waar later de Veenkoloniën zouden ontstaan.

Op het kaartje zijn – van noord naar zuid – de plaatsen aangegeven waar ‘Utrechtse’ steunpunten hebben gestaan of worden vermoed: de ‘Zernikeburcht’ aan de Zernikelaan op het universiteitsterrein Paddepoel, het kasteel Selwerd, het Cortinghuis, een burcht ter plaatse van de latere boerderij ‘Elba’ (waar nu de Groningse woonwijk ‘De Hunze’ ligt), de Ulgersmaborg, Vrydemaborg en Gronenburg, en tenslotte de sterkten te Wolfsbarge en Glimmen.

Door de kolonisatie van woeste grond kon men in contact (en aanvaring!) komen met de Friese buren, die niet onder het Utrechtse gezag vielen. Er was geen grote landsheer die daar de scepter zwaaide, zeker niet na 1200. Hunsingo en Fivelgo waren ‘landgemeenten’ die je zou kunnen beschouwen als vrije republiekjes. De Friese bevolking achtte zichzelf vrij. Ze had geen andere heer dan de koning of keizer zelf (de ‘Friese Vrijheid’). Hier waren nobiles en eigenerfden de baas. Maar ook de geestelijken telden mee. Zeker na de opkomst van de kloosters (vanaf eind twaalfde eeuw) treden ook de abten op als invloedrijke autoriteiten.

Daar waar invloedssferen aan elkaar raakten, trok men rechte grenzen.

Overigens lijkt het erop dat de zuidelijke grens van de prefectuur een tijdlang wat meer naar het noorden heeft gelegen, waarschijnlijk bij de natuurlijke laagte die nu bekend is als de ‘Besloten Venen’. Dit gebied ligt ten noordoosten van De Poll en is een c. 400 meter breed doorbraakdal door de Hondsrug. Het dal loopt door tot de Lageweg bij Vogelzang. Het dal vormde de kerspelgrens tussen Haren en Noordlaren.

Sint Maarten en Sint Walburg Dit plaatje is een uitsnede uit de vogelvluchtplattegrond van Groningen uit de stedenatlas van Braun en Hogenberg uit 1575. Sint Maarten en Sint Walburg Dit plaatje is een uitsnede uit de vogelvluchtplattegrond van Groningen uit de stedenatlas van Braun en Hogenberg uit 1575.

Vóór 1040 waren er al relaties tussen de kerk van Utrecht en Groningen. We mogen aannemen dat de eerste Sint Maartenskerk al vóór 800 door de bisschop van Utrecht is gesticht.

Reeds kort nadat het koninklijke landgoed in Groningen in bezit was gekomen van de Utrechtse kerk, ontstonden er moeilijkheden tussen de eigenaars in Utrecht en de personen die betrokken waren bij het beheer van hun afgelegen bezitting. De details van die conflicten ontgaan ons. Waarschijnlijk heeft de bevolking van Groningen zich weldra eigenares gevoeld van de Sint Maartenskerk. 

In elk geval vond bisschop Burchard (1100-1112) het noodzakelijk om in het verre Groningen een indrukwekkend symbool van zijn gezag neer te zetten. Even ten noorden van de Sint Maartenskerk liet hij een kerkfort bouwen: de Sint Walburgkerk. De archeoloog Jaap Boersma heeft aannemelijk gemaakt dat we dit gebouw als een ‘Rijkssymbool’ moeten zien.[[voetnoot

De onderstaande afbeelding laat zien hoe het noordoostelijke deel van de Groninger binnenstad er volgens stadsarcheoloog Gert Kortekaas omstreeks 1100 kan hebben uitgezien. We kijken vanuit het noordoosten naar het zuidwesten.

Sint Walburg en Sint Maarten volgens Gert Kortekaas Sint Walburg en Sint Maarten volgens Gert Kortekaas

Het imposante ‘kerkfort’ op de voorgrond is de door bisschop Burchard gebouwde Sint Walburg. Daarachter staat de oudere Sint Maartenskerk: een eenvoudig tufstenen gebouw dat kort na het jaar 900 is opgetrokken ter vervanging van de eerste (houten) Sint Maarten.

Plattegrond van de Sint Walburgkerk  te Groningen Plattegrond van de Sint Walburgkerk te Groningen

In de jaren 1950-1951, 1957 en 1968 werd archeologisch onderzoek verricht op de plaats waar de middeleeuwse Sint Walburg heeft gestaan."8"

De Sint Walburg getekend door Roeland Roghman, ets van Jacobus Schijnvoet uit 1711

Het linkerplaatje toont de echte gravure, het rechterplaatje is een photoshop-grapje: het is dezelfde gravure, maar dan in spiegelbeeld. Dit om de vergelijking met het onderstaande plaatje van de kerk van Ottmarsheim gemakkelijker te maken. In beide gevallen is aan de oostzijde een koorpartij tegen een fortachtig meerhoekig middendeel geplakt en staat aan de westzijde een toren.

 De abdijkerk van Ottmarsheim (Elzas) Foto: Eric Gaba De abdijkerk van Ottmarsheim (Elzas) Foto: Eric Gaba

De abdijkerk in Ottmarsheim heeft een 8-hoekig grondplan en herinnert daardoor aan de keizerlijke kapel in Aken.

Bisschop Burchard moet de abdijkerk van Ottmarsheim hebben gekend. In elk geval vertoont zij een opmerkelijke overeenkomst met de 10-hoekige Sint Walburg in Groningen.

De Walburgkerk diende in de zestiende eeuw niet alleen als godshuis, maar werd veelvuldig gebruikt als vergaderplaats voor de Groninger bevolking. Ten tijde van de belegering van Groningen door prins Maurits en graaf Willem Lodewijk (1594) haalden de stadjers de loden dakbedekking van het gebouw om er kogels van te maken. In 1611 werd het ronde middengedeelte afgebroken, in 1616 gevolgd door de toren. Het restant werd vervolgens in 1627 gesloopt.

De bouwheer van de Sint Walburgkerk, Burchard van Lechsgemünd, was vóór zijn benoeming tot bisschop van Utrecht (1100) domproost geweest in Straatsburg. Als zodanig wordt hij tussen 1089 en 1097 genoemd. In het tot het diocees Straatsburg behorende plaatsje Ottmarsheim bestond sinds c. 1030 een benedictijner nonnenklooster. De abdijkerk werd in 1049 door paus Leo IX gewijd, waarbij zij de heilige Petrus en Paulus als patroonheiligen kreeg.

De Sint Walburgkerk doet wel denken aan een fort, maar veel indruk maakte dit machtssymbool niet. De Groningers rebelleerden tegen Burchards opvolger, bisschop Godebald (1112-1128), die overigens ook zelf stelling had genomen tegen zijn baas, de keizer van het Duitse Rijk. Een van Godebalds opvolgers, de Fries Hartbert van Berum (1139-1150), begreep dat de meier van zijn landgoed in Groningen niet in staat was om de zaken in de hand te houden. Mogelijk had die meier zelfs, samen met de ‘borgmannen’, een onafhankelijke houding jegens de bisschop aangenomen.

Bisschop Hartbert meende een methode te hebben gevonden om zijn greep op het afgelegen Groningen te versterken. Hij stelde zijn broer Leffard (Lieuwerd?) aan tot prefect in Groningen, zijn andere broer Ludolf maakte hij kasteelheer (‘kastelein’) van Coevorden en daarmee tot zijn plaatsvervanger in Drenthe.

Moeten we deze benoemingen als ‘nepotisme’ beschouwen? Onze enige bron, een kroniekachtig verhaal dat zichzelf ‘Quedam Narracio’ noemt, vertelt ons dat de bisschop uit was op ‘bevordering’ van zijn ‘vleselijke broeders’. Ook Ubbo Emmius sprak er schande van. Maar misschien was het de bisschop helemaal niet zozeer te doen om het bevoordelen van zijn broers, maar zag hij deze manoeuvre als de enige mogelijkheid om zijn afgelegen bezittingen in vertrouwde handen te stellen.

Hoe dat ook zij, feit is dat de functies van prefect in Groningen en drost van Drenthe erfelijk in handen van Hartberts familieleden kwamen. Zo leidde deze benoeming in Drenthe en Groningen tot het ontstaan van heerlijkheden en gebeurde precies datgene wat koning Hendrik III een eeuw eerder had willen voorkomen.

De Prefectenhof komt tevoorschijn De Prefectenhof komt tevoorschijn

In het voorjaar van 1987 kwamen, kort na de start van de opgavingen aan de voet van de Martinitoren, de overblijfselen van de Prefectenhof voor de dag op de plaats waar het oude politiebureau had gestaan.

Gedenksteen ter herinnering aan de slag bij Ane (1227) Gedenksteen ter herinnering aan de slag bij Ane (1227)

We weten inmiddels ongeveer wat het antwoord is op de eerste vraag die we ons stelden: ‘wat is een prefect?’ De functionaris die in de akte van 1285 ‘prefect’ wordt genoemd was de plaatsvervanger van de bisschop in het noordelijkste deel van het bisdom Utrecht.

De positieve uitwerking van bisschop Hartberts benoeming van zijn broers tot zijn plaatsvervangers in Groningen en Coevorden was maar van korte duur. De opvolgers van Ludolf als kasteleins van Coevorden rebelleerden tegen Hartberts opvolgers. Ze versloegen de bisschop zelfs vernietigend in het moeras bij Ane (1227), een kilometer of acht ten zuidwesten van Coevorden. De Groningse prefecten bleven de bisschop van Utrecht trouw, maar kregen het daardoor juist aan de stok met hun Drentse buren.

Bovendien braken er gevaarlijke twisten uit tussen de Groningse prefecten en hun aanhangers aan de ene kant, en hun Friese buren aan de andere kant. Over de aard van de conflicten weten we weinig, maar er is reden om te vermoeden dat de ‘Utrechtse partij’ in Groningen op een voor de Ommelander Friezen onaanvaardbare manier probeerde munt te slaan uit het feit dat Groningen voor de wijde omtrek de meest voor de hand liggende marktplaats was. Misschien leidde ook de kolonisatie van het land rondom Groningen tot conflicten met de Friese buren.

Het ongenoegen werd zo heftig, dat de Hunsingoërs en Fivelgoërs halverwege de dertiende eeuw hun onderlinge strijd staakten en zich samen, geholpen door de Oldambtsters, op Groningen stortten. In 1251 veroverden ze de stad en verjoegen de prefect. Vanaf dat moment regelden de inwoners van de stad hun eigen zaken en konden de Friezen in Groningen handel drijven zonder daarbij gehinderd te worden door de prefect en zijn ridders.

Ook al had de prefect geen zeggenschap meer over de stad Groningen en de Stadstafel,"9" hij bleef wel de baas in het Gorecht of ‘Gericht van Selwerd’.

Het Gorecht of Gericht van Selwerd (‘Go en Wold’); Scharmer in de rode cirkel Het Gorecht of Gericht van Selwerd (‘Go en Wold’); Scharmer in de rode cirkel

Hier zien we een kaartje van het Gorecht of Gericht van Selwerd uit de zeventiende eeuw, waarop de grens van het district is aangegeven met een gele lijn. De onderdelen van het Gorecht hebben verschillende kleuren.

  • in het uiterste noorden ligt het kleine landje Selwerd; het is hier aangegeven met een wat onbestemde donkere kleur;
  • het rozerood gekleurde gebied ten zuiden van Selwerd is de ‘Stadstafel’ met daarbinnen de stad Groningen, omringd door het nieuwe bolwerk dat in het eerste kwart van de zeventiende eeuw is aangelegd; 
  • op de Hondsrug ligt, donkergroen gekleurd, Go;
  • ten oosten van de Hunze zien we een gebied dat Drenterwolde, Oosterwolde of kortweg Wold (lichtgroen) genoemd wordt.

Ten westen van Drentse A ligt slechts een smalle strook die ook bij het Gorecht hoorde (Onland, Onlandse Dijk). Misschien heeft dit gebied ooit Westerwolde geheten, omdat het beschouwd kan worden als de tegenhanger van Oosterwolde, dat later meestal ‘Drenterwolde’ werd genoemd.

De zuidoostelijke hoek van het Gorecht was tot het begin van de zeventiende eeuw ‘woest en ledig’, maar de nederzettingen Noorddijk, Engelbert, Middelbert, Westerbroek, Kropswolde en Wolfsbarge zijn oud. Ze zijn wellicht al in de elfde eeuw gesticht.

De rode ring om Scharmer heeft te maken met Snelger van Scharmer die in de kopnoot in het Oorkondenboek wordt vermeld. Wie was deze Snelger van Scharmer en wat kan hij te maken hebben gehad met het conflict tussen Aduard en Drenterwolde dat in 1285 speelde?

In de kroniek van Wittewierum wordt in 1267 en 1271 een ‘Snelgerus van Skiramere’ genoemd. Dit moet dezelfde persoon zijn als degene die in onze tekst samen met de prefecten van Groningen optreedt als scheidsrechter in het geschil tussen Oosterwolde en Aduard. In dezelfde kroniek worden in 1295 nog Aylwardus en Eyso Snelgra genoemd, die optreden als rechters en aanvoerders in de strijd. Dit zijn blijkbaar zonen van Snelger van Scharmer.

Aylwardus en waarschijnlijk ook zijn vader Snelger waren leenmannen van de graaf van Bentheim. Dat is vreemd, want feodale verhoudingen kwamen in de Ommelanden – en zeker in die tijd – nauwelijks voor. De bemoeienis van de graaf van Bentheim met Fivelgo was ook bepaald niet gering. In 1323 beleende graaf Johan van Bentheim Snelgers kleinzoon Eyso met de rechtsmacht in Scharmer, Slochteren, Kolham, Woltersum en Wittewierum.

De middeleeuwse kerk van Scharmer op een aquarel van Jan Ensing De middeleeuwse kerk van Scharmer op een aquarel van Jan Ensing

Over de plaats waar de borg van Snelger van Skiramere stond wordt verschillend gedacht. Mogelijk heeft het zogeheten ‘Huis te Scharmer’ op korte afstand ten westen van de in 1824 wegens bouwvalligheid afgebroken kerk van Scharmer gestaan. In elk geval is duidelijk dat Snelger van Scharmer niet de eerste de beste ‘leek’ was.

De samenstelling van het college van arbiters dat in 1285 uitspraak deed, lijkt enigszins vreemd. De prefect is de baas van Oosterwolde, maar een relatie tussen Snelger en de andere partij, de abdij te Aduard, lijkt er niet te bestaan.

De derde vraag die we naar aanleiding van de kopnoot bij de akte van 1285 stelden, betrof de plaats waar we ‘de Growe’ zouden moeten zoeken. Aanstonds zullen we aan de hand van de tekst van de akte zien dat de Groeve bij Zuidlaren moet zijn bedoeld.

De vierde vraag ging over de relatie tussen Aduard en ‘de Growe’. Wat kan het klooster te Aduard te maken hebben gehad met een in het uiterste noorden van Drenthe gelegen kanaal? Alvorens op die vraag in te gaan kijken we even naar de zes oudste kloosters die in de nabijheid van Groningen hebben gestaan.

Kloosters bij Groningen, ingetekend op de hoogtekaart Kloosters bij Groningen, ingetekend op de hoogtekaart
  • Aduard en Essen horen bij de cisterciënser orde. Aduard dateert van 1192, het nonnenklooster Essen is in 1215 (?) vanuit Aduard gesticht.
  • Selwerd, Thesinge en Ten Boer behoren tot de benedictijner orde. Mogelijk is Thesinge het oudst (tussen 1183 en 1198), Selwerd is waarschijnlijk tussen 1207 en 1217 gesticht en Ten Boer is vermoedelijk het jongste klooster. Thesinge en Ten Boer zijn in de vijftiende eeuw samengevoegd.
  • Het zesde klooster is het praemonstratenser klooster Bloemhof (Floridus Hortus) te Wittewierum, gesticht in 1213.

De ligging van de kloosters is opmerkelijk: Aduard en Selwerd – we zullen dat in de loop van deze serie nog duidelijker zien – liggen op ‘schiereilanden’, Thesinge, Ten Boer en Wittewierum op bultjes temidden van veengebieden. Essen ligt op de oostelijke helling van de Hondsrug en grenst eveneens aan veengrond. Het lijkt erop dat deze kloosters gesticht zijn op plekken waar land te winnen was.

Het Zuidlaardermeer met omgeving Het Zuidlaardermeer met omgeving

Het Zuidlaardermeer had in de dertiende eeuw nog niet de huidige omvang. Een blauwe vlek geeft aan hoe het ‘Noordlaardermeer’ van toen er kan hebben uitgezien. Op het linkerkaartje is de oude loop van de Hunze ingetekend, met de Prumesleke, een veenstroompje dat tussen Wolfsbarge en Everswolde vanuit het oosten in de Hunze uitkwam.
Op het rechterkaartje zien we de Growe of Groeve waarlangs het water van de Hunze ten oosten van de oorspronkelijke rivier noordwaarts stroomde. De rode vlakken geven het grondbezit van het klooster Aduard aan. Waar het precies lag en hoe de uitgestrektheid ervan was is niet helemaal duidelijk.
In het gebied bevinden zich drie kerspelen: Noordlaren, Zuidlaren en Kropswolde. Er stonden kapellen in Wolfsbarge en Everswolde.
De blauwe lijn ten zuiden van Everswolde is de Hilligjessloot, de grens tussen de marken van Zuidlaren in het noorden en die van Annen in het zuiden.

Dan de vraag naar de betekenis die de Groeve bij Zuidlaren omstreeks 1285 voor Aduard kan hebben gehad.

Er zijn enkele gegevens die, de een duidelijker dan de andere, erop wijzen dat het cisterciënserklooster in Aduard in de omgeving van Zuidlaren belangen heeft gehad: 

  • In 1250 gaf de bisschop van Utrecht aan Aduard (dat in het bisdom Münster ligt!) het recht om in en door het Sticht onbelemmerd goederen te vervoeren en handelsactiviteit te plegen. Expliciet wordt het vervoer van hout en turf genoemd."10"
  • In 1262 kocht abt Geiko van Aduard van de markegenoten van Zuidlaren 28 waardelen (‘weren’) in het veen ten oosten van de Hunze (Zuidlaarderveen). Volgens de betreffende akte lag dit land tussen de Gronesbeke en de Prumesleke."11"
  • In 1264 preciseerden Aduard en Zuidlaren enkele punten uit de transactie van 1262. De partijen stelden vast dat de aankoop van 1262 betrekking had op land in Everswolde ten noorden van de grangia of uithof die het klooster daar bezat. Over de rivier de Hunze werd afgesproken dat de visserij gemeenschappelijk zou zijn en dat de afloop van het water naar het Northlara mare (nu Zuidlaardermeer) niet zou worden belemmerd. Aduard kreeg ook het recht om een weg aan te leggen in de richting van Wolfsbarge. De ondergrond van het veen tussen de Prumesleke en de marke Midlaren kreeg Aduard van de Zuidlaarders cadeau vanwege het feit dat het klooster hen ‘vroeger’ had geholpen door hun een kelk en bakstenen voor hun kerk te schenken."12"

Het laatste punt herinnert waarschijnlijk aan de schade die het kerspel Zuidlaren in 1232 had geleden, toen de opstandige Drenten in oorlog waren met de Groninger ridders die de bisschop trouw waren gebleven. Bij die gelegenheid zou de kelk zijn ontvreemd en de dorpskerk van Zuidlaren verwoest.

Als dit klopt, wordt het aannemelijk dat Aduard in 1262 al geruime tijd belangen had in de buurt van Zuidlaren. Het ligt voor de hand daarbij in de eerste plaats te denken aan de brandstof die uit dit gebied kon worden gehaald, maar het valt ook niet uit te sluiten dat de kloosterlingen op de veengrond ten oosten van de Hunze graan hebben verbouwd.

We weten verder dat er in 1263 een kapel stond in Everswolde (Hortus Sancti Bernardi, ‘de tuin van Sint Bernard’) en in 1282 of 1283 blijkt er ook te Wolfsbarge een kapel te zijn. Daarbij hoorde ook een begraafplaats. Het gaat hier om een afsplitsing van het kerspel Noordlaren. De ‘buren’ van Wolfsbarge waren kolonisten van Aduard. Zou de afsplitsing nodig zijn geworden doordat het zich uitbreidende Zuidlaardermeer de verbinding tussen Noordlaren en Wolfsbarge had verbroken? Zoals we zagen heette dit meer in de oorkonde van 1264 Northlara mare (‘Meer van Noordlaren’); het werd toen een stagnum (‘stilstaande plas’) genoemd. Wellicht is de omvang van de kleine Noordlaarder plas in deze jaren aanzienlijk toegenomen door twee factoren: (1) de toegenomen stuwing vanuit zee die het gevolg was van de aanleg van dijken langs de benedenloop van de Hunze en andere zeearmen, en (2) de toestroom van bovenwater dat als gevolg van het afgraven van de turf bij Zuidlaren versneld loskwam.

Ten zuiden van Everswolde en de Gronesbeke – in de marke Annen – lag het veen van het  Heilige Geest Gasthuis in Groningen. De grens tussen de marken van Zuidlaren en Annen werd gevormd door de Hilligjessloot.

Mogelijk is de in de tekst van 1285 genoemde Growe of Groeve een kunstmatige watergang vanuit het veen bij Everswolde. De oude loop van de Hunze lag verder naar het westen en was verland. Om die reden zou men genoodzaakt zijn geweest een nieuwe watergang te graven.

Het kan ook zijn dat men met het graven van de Groeve een poging heeft gedaan om de wateroverlast als gevolg van de zojuist genoemde factoren te bestrijden. Door het afgraven van het veen gaat de sponswerking ervan verloren en loopt het hemelwater veel onregelmatiger af dan voorheen het geval was. Daardoor raakten de weilanden tussen Zuidlaren en de oude loop van de Hunze onbruikbaar.

De Groeve De Groeve

Het toponiem ‘De Groeve’ komt in onze streken vaker voor. Het kanaal tussen het Schildmeer en Appingedam heet zo, ten oosten van Lettelbert, tussen het Leekstermeer en de Gave bij Oostwold, is er een boerderij die ´De Groeve´ heet en tussen Garsthuizen en Zeerijp ligt nog een buurtschap die ook ´De Groeve´ genoemd wordt.

Sommigen denken dat de ‘Geraldeswere’ die in ons stuk wordt genoemd, geïdentificeerd kan worden met Garrelsweer. Op grond daarvan zou men kunnen vermoeden dat we ook de Groeve in die richting zouden moeten zoeken. Te denken valt dan aan de Groeve bij Appingedam.

Maar op grond van de eerder genoemde gegevens en de aanwijzingen in onze tekst zelf ligt het veel meer voor de hand om aan de huidige Oostermoerse Vaart te denken.

De ondergrond van het veen is niet vlak De ondergrond van het veen is niet vlak

Tussen ‘De Dijk’ (de weg die c. 100 meter ten oosten van het ‘bebouwde-kom-bord’ van De Groeve’ vanaf de Hunzeweg naar het zuiden aftakt) en de Hondsrug is de ondergrond van het veen niet echt vlak. Op de foto komt het helaas niet zo duidelijk uit, maar zo’n 50 meter ten westen van De Dijk daalt het maaiveld over een korte afstand van 1,92 naar 0,19 m +NAP. Daar moet ooit de Hunze hebben gelopen.

‘Berg en dal’ tussen Zuidlaren,  De Groeve en De Knijpe Het pijltje wijst naar de plek waar de vorige foto is genomen. ‘Berg en dal’ tussen Zuidlaren, De Groeve en De Knijpe Het pijltje wijst naar de plek waar de vorige foto is genomen.

Dank zij AHN-gegevens kunnen we kleine niveauverschillen laten zien die in het veld nauwelijks zijn waar te nemen. Ook sporen van verdwenen waterlopen zijn herkenbaar.

De Hunze ten oosten van Zuidlaren

  1.  Burgvoort
  2. Vossenburg

Van enkele oude waterlopen zijn de sporen blauw aangezet. Nog altijd herinneren veldnamen in hetzelfde gebied aan verdwenen watergangen: ‘Oude diep’, ‘Tusschenwater’, ‘Achter ‘t water’.
Markegrenzen zijn aangegeven met rode lijnen.

De rode pijl wijst naar de plek waar ik de Geraldeswere uit de akte van 1285 vermoed.
De in die akte genoemde Zuidwending is vermoedelijk langs de latere Hilligjessloot gelegd.

Hoe de zaak precies in elkaar heeft gezeten kan ik niet zeggen. Uit de akten van 1262 en 1264 blijkt dat een deel van de markegronden ten oosten van de Hunze reeds verdeeld was. Aduard kreeg toen alleen de onverdeelde markegronden tussen de Gronesbeke en de Prumesleke. Daarvan werd gezegd dat ze ten noorden van de grangia (het kloostervoorwerk) te Everswolde lagen. Aduard bezat dus al een uithof in het veen ten oosten van de Hunze.

Voor de locatie van het Aduarder grondbezit verwijs ik naar hetgeen B. van Heuveln in 1984 schreef: ‘De Gronesbeke wordt wel vereenzelvigd met de huidige Hilligjessloot, de markescheiding van Zuidlaren met Annen. Dit “hillige” slaat op eigendom van het Heiligegeest-gasthuis uit de stad Groningen, dat hier later ook venen verwierf. De Prumesleke lag waarschijnlijk ongeveer in de as van Burgvoort bij Zuidlaren naar de noordelijke boerderij de Vosseburg.’ "13"

Nu moeten we ons afvragen hoe de turf die bij Everswolde (en Wolfsbarge) werd gestoken, Aduard bereikte.

De bisschop van Utrecht verleent Aduard vrijheid van handel en vervoer in zijn diocees (1250) De bisschop van Utrecht verleent Aduard vrijheid van handel en vervoer in zijn diocees (1250)

Regest of samenvatting van de hiernaast afgebeelde akte:

Henricus, elect van Utrecht, schrijft aan de pastoor van Anloo, dat hij abt en convent van Aduard verlof heeft gegeven om in al zijn landen, inzonderheid te Groningen, handel te drijven (20 oktober 1250).

Niet alle turf die in of bij Everswolde werd gewonnen, zal naar Aduard zijn gevoerd. Een deel ervan zal verstookt zijn in steenovens op de oeverwallen van de Hunze. Maar waarschijnlijk kwam een deel van de turf wel degelijk in Aduard terecht. Zeker ten tijde van de bouw van de grote kloosterkerk (1240-1263) was er natuurlijk een grote behoefte aan bakstenen. Bovendien moesten de stenen die ergens aan de rivier werden gebakken, op de een of andere manier naar Aduard worden gebracht. Het ligt niet voor de hand dat turf en stenen over de weg naar Aduard werden vervoerd. Transport over land is en was relatief duur, er kan per wagen niet veel mee, de af te leggen afstand tussen Everswolde en Aduard is groot en de landwegen waren een groot deel van het jaar onbruikbaar. Voor het goederenvervoer werd dus vooral gebruik gemaakt van waterwegen. Het ligt voor de hand dat de monniken van Aduard dezelfde route hebben bevaren die ook door de inwoners van Groningen werd benut: de rivier de Hunze.

Voor het Ommelander klooster dat in het bisdom Münster lag betekent dit dat men door Utrechts gebied moest en langs de stad Groningen.

Zegel van Hendrik van Vianden, bisschop van Utrecht (1249-1267) Zegel van Hendrik van Vianden, bisschop van Utrecht (1249-1267)

Hendrik van Vianden was in 1250 ‘episcopus electus’. Dat wil zeggen dat hij door de kapittelheren tot bisschop was gekozen, maar nog niet als zodanig was gewijd. Hendrik ontving zijn wijding pas in 1251.

De oorkonde uit 1250 waarvan we zojuist het regest zagen is een van de oudste stukken in de Groninger Archieven. Uit de tekst blijkt het volgende:

  • Aduard heeft om dit privilege gevraagd.
  • Het privilege betreft de vrijheid om handel te drijven in Utrechts gebied, in het bijzonder dat van Groningen en het stedelijke gebied (de stadstafel).
  • De ‘yconomi’  (letterlijk: ‘huishouders’) van Aduard mogen vrijelijk hout en turf met alle mogelijke transportmiddelen vervoeren, en ook hun vee door Drenthe en alle Utrechtse gebieden drijven, zonder hinder van de stedelijke of andere gewoonte, maar met inachtneming van het bisschoppelijke recht.

De laatste bepaling doet vermoeden dat de stad Groningen al een soort stapelrecht claimt!

Dit privilege zou ook iets te maken kunnen hebben met Aduards bezittingen in Ter Heijl (ten noorden van Roden), dat dus ook in het bisdom Utrecht gelegen was."14" De bepaling dat het privilege speciaal van kracht is voor Groningen en het bij de stad behorende gebied en dat er vrijdom van een ‘municipale gewoonte’ wordt gegarandeerd, wijst erop dat het in het bijzonder moet zijn gegaan om transport door of langs de stad Groningen.

 Hoe kwam de turf van Everswolde naar Aduard? Hoe kwam de turf van Everswolde naar Aduard?

Waarschijnlijk werden de turfpramen geboomd en/of getrokken. Het is niet handig om met deze bootjes over een open zeearm als de Hunze helemaal tot voorbij Winsum en zelfs Feerwerd en Ezinge te varen om dan door een andere open zeearm, de Kliefsloot tussen Ezinge en Saaksum, weer stroomopwaarts te varen.

Het ligt meer voor de hand dat men veel zuidelijker een doorsteek in westelijke richting heeft gevonden of gemaakt.

De eerste mogelijkheid daarvoor bestond pas in de Paddepoel, een streek ten noorden van de stad Groningen, vanwaar men via Dorkwerd naar Aduard kon komen. Later kan deze route zijn vervangen door het kanaliseren van een natuurlijke waterloop tussen Fransum en Oostum. Ik kom hierop later terug, en wel in verband met de ontstaansgeschiedenis van het Aduarderdiep."15"

We zijn nu zover dat we de tekst van de oorkonde kunnen bekijken.

6.

Zie Jan den Broek, Groningen, een stad apart. Over het verleden van een eigenzinnige stad (Assen 2007), in het bijzonder hoofdstuk 2: ‘Groningens eerste parel. Zes eeuwen Groningen en het Gorecht (1040-1640)’.

7.

J.W. Boersma, ‘De Groninger St. Walburgkerk en haar bouwheer’, in:  J.W. Boersma e.a., (red.), Groningen 1040; archeologie en oudste geschiedenis van de stad Groningen (Bedum 1990) 175-192.

8.

De resultaten zijn gepubliceerd in: A.E. van Giffen en H. Praamstra, De Groninger St.-Walburg en haar ondergrond. Verhandelingen KNAW N.R 78 afd. Letterkunde (Amsterdam 1973).

9.

Het buiten de stadsmuren van Groningen gelegen gebied waar het Groninger stadsrecht gold.

10.

GrA T2-1 regest nr. 15 (OGD I 114).

11.

GrA T172-50 reg. nr. 8 (OGD I 131).

12.

GrA T172-50 reg. nr. 9 (OGD I 135). Groenendijk en Van der Sanden vergissen zich wanneer ze denken dat de Prumesleke geïdentificeerd kan worden als het waterloopje dat vanuit het oosten ter plaatse van de latere grens tussen het Gorecht en Drenthe in het Zuidlaardermeer uitkomt. Uit de tekst van deze oorkonde blijkt dat er nog veen ligt tussen de Prumesleke en de landschapsgrens. Anders gezegd: de Prumesleke vormt niet de landschapsgrens (H.A. Groenendijk en W.A.B. van der Sanden, ‘Een verdronken weg in het Zuidlaardermeer. Verslag van een ongewoon onderzoek’, in: Drentse Volksalmanak 2007, 131-187, hier 172).

13.

B. van Heuveln, ‘Verveningen’, in: Het Drentse Landschap (Zutphen-Assen 1984) 102 evv. Burgvoort ligt op GPS 53.100596, 6.702849, De Vossenburg op GPS 53.114663, 6.746189.

14.

J.A. (Hans) Mol, ´Bezitsverwerving en goederenbeheer van de abdij van Aduard´, in: Jaap van Moolenbroek en J.A. (Hans) Mol (red.), De abtenkroniek van Aduard. Studies, editie en vertaling (Hilversum-Leeuwarden 2010) Middeleeuwse studies en bronnen CXXI, 187-188.

15.

Zie G&DW 5 Tussen Aduard en Drentse A (13e en 14e eeuw). hoofdstuk 5.4 , ‘Nieuwe werken onder regie van Aduard’.