Zoek op de website

2.3 		De tekst

Uitsnede uit de oorkonde van 8 april 1285 Uitsnede uit de oorkonde van 8 april 1285

Officiële akten als deze werden opgemaakt volgens een bepaalde, vaststaande indeling. Die opzet en de daarbij horende standaard-frasen en formele kenmerken droegen bij aan de betrouwbaarheid van het stuk.

Eerst komt het zogenaamde ‘beginprotocol’ met de intitulatio, salutatio en praeambule, waarin de personen zich voorstellen die de oorkonde uitvaardigen (‘de oorkonders’: prefect Egbert van Groningen, zijn zoon Adolf, ridder Otto van Groningen en Snelger van Scharmer), de lezers worden begroet en mededeling wordt gedaan van het motief voor het uitvaardigen van de oorkonde.

Daarna volgt de dispositio waarin de rechtshandeling wordt omschreven. Dat is de eigenlijke kern van de akte.

De akte eindigt met het zogenaamde ‘slotprotocol’, bestaande uit corroboratio (‘bekrachtiging’) en sigillatio (‘bezegeling’).

Hier volgt een vertaling van de oorspronkelijk in het Latijn gestelde tekst met enig commentaar.

OGD I 168 (8 april 1285)"16"

Akte van uitspraak door de prefect van Groningen en zijn mederechters in een geschil tussen het klooster Aduard enerzijds en de ingezetenen van Oostwold en Gorecht anderzijds over het onderhoud van een dam in de Groeve. Met afschrift, 1285.

[1]

Egbert, prefect in Groningen, en Adolf, zijn zoon, Otto, ridder van Groningen, en Snelger, leek van Scharmer, wensen allen die deze oorkonde zullen zien heil in de Zoon van de glorierijke Maagd.

[2]

De waarheidsgetrouwe rede leert ons dat daden die het waard zijn herinnerd te worden, door middel van bezegelde teksten ongeschonden bewaard blijven, zodat ze niet in vergetelheid geraken en daardoor ontkomen aan de herinnering van het nageslacht.

Egbert en Adolf hadden sinds c. 1250 niets meer te vertellen in de stad Groningen, maar waren nog wel de baas in het Gorecht. Ze zullen als arbiters door Go en Wold zijn aangezocht. Het vermoeden ligt dan voor de hand dat Snelger van Scharmer door Aduard is gevraagd om als arbiter op te treden. Snelger van Scharmer was waarschijnlijk een leenman van de graaf van Bentheim. Het graafschap Bentheim was door toedoen van de eerder genoemde bisschop Hartbert van Bierum in de Utrechtse sfeer gekomen. In 1227 was de graaf van Bentheim een van de edelen die samen met bisschop Otto van Lippe tegen de opstandige Drenten ten strijde trok.

[3]

Derhalve verklaren wij door de inhoud van deze oorkonde, dat wij met betrekking tot de kwestie en het meningsverschil, ontstaan tussen de abt en het convent van Sint Bernardus in Aduard aan de ene kant,  en de mensen van Oosterwolde en Go aan de andere kant,

Oosterwolde of Drenterwolde is het (lage) deel van de prefectuur (het Gorecht of Gericht van Selwerd), dat ten oosten van de Hunze lag. Go is het hoog op de Hondsrug gelegen deel van de prefectuur.

[4]

over een dam, in de volkstaal slachte genoemd, die gemaakt is door de mensen van Oosterwolde en Go, in het kanaal dat gemeenlijk Growe wordt genoemd, met het doel de stroom van het water dat door het genoemde kanaal loopt te hinderen of op te houden, met volledige instemming van beide partijen, waarbij de instemming of de scheidsrechterlijke uitspraak op 100 mark sterling is gewaardeerd, een compromisregeling hebben vastgesteld die eeuwig in acht moet worden genomen, op de hierbij gevoegde voorwaarden.

De mark sterling is een Engelse munt die in de dertiende eeuw vaak wordt genoemd als ijkpunt voor de waarde van geld. In het stadsarchief van Groningen berust een oorkonde uit 1254 waarbij de Engelse koning aan de Groningers voorrechten toekent in Engelse havens."17" De handel met Engeland was in deze periode van groot belang.
Partijen hebben (vooraf!) beloofd zich aan de uitspraak van de arbiters te zullen houden, en zichzelf daarbij een dwangsom opgelegd van 100 mark sterling.

[5]

Namelijk dat, als de mensen van Oosterwolde en Go zullen besluiten tot het maken van een dijk of waterkering, die in de volkstaal zuidwending(1) genoemd wordt, vanaf de plaats die Geraldeswere(2) heet, en wanneer die kering of dijk met instemming van degenen die aan de andere kant van Geraldeswere wonen, aan de zuidzijde dus, gevestigd zal kunnen worden, dan zullen de abt en het convent van Aduard die were(3) bewaken en behouden, zoals ze die tot dusver hebben behouden, en genoemde abt en convent zullen, nadat de genoemde dijk of waterkering op vreedzame wijze zal zijn gevestigd, getrouw de bevelen opvolgen die wij op grond van het recht noodzakelijk achten(4).

  1. Een zuidwending is een waterkering aan de zijkant van een polder. Hij bestaat meestal uit een combinatie van een lage dijk met sloten ter weerszijden en staat vaak haaks op een rivier. De bedoeling ervan is water uit de polder te houden dat via naburig land binnen zou kunnen komen, bijvoorbeeld door een dijkdoorbraak bij    de buren.
  2. Er zijn geen bronnen die duidelijk maken waar de Geraldeswere precies lag.
  3. We weten ook niet met zekerheid wat het woord ‘were’ hier betekent. Een weer is – onder meer – een waterkering, een landmaat in ontginningsgebied, maar ook een viskenij, visstal of visvijver. In de laatste gevallen is sprake van betekenisoverdracht. Het ontgonnen stuk land was omgeven door waterkeringen en een viskenij was gecreëerd door het maken van een stuw (‘weer’) in een stroom. Boven de weer vormde zich een plas waarin ook in droge tijden vissen konden worden gehouden.
  4. De scheidsrechters willen ook later nog een vinger in de pap houden. Ze voorzien dat er na het realiseren van de zuidwending bij Geraldeswere nog dingen zouden moeten worden geregeld, en bepalen dat Aduard de bevelen zal moeten opvolgen die zij dan voor nodig en rechtvaardig zullen houden.

[6]

We hebben daaraan toegevoegd, dat de mensen van Oosterwolde en Go die slachte of dam mogen behouden zoals ze willen.

De arbiters leggen geen verband tussen deze bepaling en de vorige en staat dus op zichzelf. Het is dus niet zo dat de dam in de Groeve mag blijven bestaan op voorwaarde dat de inwoners van Go en Wold erin slagen om – met instemming van de zuidelijke buren – een zuidwending te bouwen bij Geraldeswere.

[7]

Abt en convent van Aduard zullen ook hun moeras in Everswolde en al het onroerende goed dat zij daar hebben liggen vrijelijk voor hun eigen nut mogen bewerken, op de manier die hun het beste uitkomt, zodanig dat de genoemde mensen hen op geen enkele manier mogen hinderen bij het graven van turven in het genoemde moeras of in het bewerken van akkers en het verlengen en verbreden van het grondbezit.

Tegenover het onder 6 aan Drenterwolde en Go vergunde staat dat de Aduarders door kunnen gaan met het afgraven van de turf en het in cultuur brengen van het land ten oosten van de Hunze, hetgeen vermoedelijk in strijd was met de wens van de Gorechters. Die vreesden de wateroverlast die daarvan het gevolg was en hadden waarschijnlijk geëist dat Aduard zou stoppen met het steken van turf.

[8]

Op het moment dat wij deze uitspraak deden was het land van het genoemde convent in Everswolde 52 roeden breed.

De mededeling over de omvang van het conventsland bij Everswolde lijkt niets van doen te hebben met het geschil tussen Aduard en Drenterwolde. Het ontbreken van een verband is echter onwaarschijnlijk. Wellicht hadden de Drenterwolders van Aduard een bijdrage geëist in de extra-kosten van de waterbeheersing die zij zouden moeten maken in het geval dat de kolonisten in Everswolde hun activiteiten daar zouden uitbreiden. De overlast voor de Drenterwolders zou daardoor immers nog toenemen.

[9]

In de toekomst evenwel, als het zijn land zal hebben verbreed, zal het de heffing betalen die in de volkstaal schot wordt genoemd, zoals ze ook betaald hebben over het landbezit dat ze vóór onze huidige uitspraak hebben verworven, en ze zullen vrijgesteld zijn van alle andere heffingen.

Schot is een bijdrage die geheven wordt over alle cultuurland en wordt geïnd voor specifieke doeleinden. Andere, oudere, heffingen en lasten drukten vaak op de vanouds bestaande huizen en het oude bouwland: transportplicht, onderhoudsplicht, schultmolt e.d. Die heffingen hangen samen met het feodale stelsel. Daarvan zijn de kolonisten vrijgesteld. Zij betalen alleen een bijdrage ter bestrijding van ‘communale’ onkosten. Dat zijn die welke een gemeenschap moet betalen voor zaken van algemeen belang: het maken en onderhouden van dijken, zijlen en wegen. De vrijstelling van lasten is een bevestiging van hetgeen reeds in 1262 en 1264 was geregeld.
De vraag die hier gesteld moet worden is aan welke organisatie schot moet worden betaald? Gaat het om de kerspelgemeenschap van Zuidlaren of om een waterschap dat meerdere streken omvatte?

[10]

Bovendien, als de mensen van Oosterwolde en Go zullen verklaren dat door personen van het genoemde convent schade is toegebracht aan de keringen die ze gemaakt hebben in het kanaal dat we hierboven Growe hebben genoemd, en wanneer het convent dit ontkent, maar de broeders van het convent gehoor geven aan hun geweten en bereid zijn de schade te herstellen, dan zullen ze zich met de verklaring van zeven beëdigde getuigen wettig kunnen zuiveren.

De betekenis van deze passage is duister. Het volgende is niet meer dan een suggestie. De arbiters houden er rekening mee dat de dam in de Groeve weerstand zal blijven oproepen, niet alleen van het water, maar ook van mensen. Wanneer hij beschadigd wordt, ligt het voor de hand dat de inwoners van Go en Wold de Aduarder kolonisten daarvan de schuld zullen geven. De benadeelde partij zou niet alleen het herstel van de dam kunnen eisen, maar het convent van Aduard zou ook de dwangsom moeten betalen van 100 mark sterling waarmee de compromisregeling is gegarandeerd. Wanneer het convent ontkent als zodanig verantwoordelijk te zijn voor de schade, maar individuele kolonisten erkennen op eigen houtje te hebben gehandeld en bereid zijn de dam te herstellen, dan zullen zij de dwangsom niet hoeven te betalen als zij zeven getuigen kunnen vinden die bereid zijn te zweren dat hun beschrijving van de toedracht juist is.

[11]

Van deze oorkonde hebben we vier exemplaren gemaakt, waarvan we er één gegeven hebben aan het convent van Aduard, een ander aan de mensen van Oosterwolde, het derde aan heer Snelger, leek van Scharmer, en wij, Egbert, prefect in Groningen, het vierde hebben behouden, ter gedachtenis van het nageslacht aan deze gebeurtenis.

Van de vier opgemaakte akten zijn er twee bewaard gebleven: het exemplaar van Aduard en dat van het Gorecht. Dat laatste is – waarschijnlijk – in 1392 in bezit van de stad Groningen gekomen, toen Groningen de Utrechtse rechten op Go en Wold in pacht nam.

[12]

Elk van deze akten hebben we laten bekrachtigen met zes zegels: die van ons, prefect Egbert en de stad Groningen, het land Hunsingo, het land Fivelgo, het land Drenthe en de abt van Sint Bernardus te Aduard.

De stad Groningen is geen arbiter, noch oorkonder of partij. Dat het stadszegel toch werd bijgevoegd kan erop wijzen dat de stad een erkende autoriteit in de regio was. Het is ook mogelijk dat ze vanwege haar laaggelegen ‘hamrikken’ ook zelf belang had bij de regeling. Ook de landschappen Hunsingo en Fivelgo lijken geen directe belanghebbenden te zijn en kunnen hun zegels hebben aangehangen om als gezaghebbende buren meer autoriteit aan de rechtshandeling te verlenen. Hetzelfde zou voor Drenthe kunnen gelden, maar de betrokkenheid van dit gebied kan ook te maken hebben met het feit dat Everswolde in de marke van Zuidlaren ligt en dus bij Drenthe hoort. Bovendien kon de aanleg van een zuidwending vanaf Geraldeswere gevolgen hebben voor de zuidelijke buren (het Hondsrugdorp Annen en zijn marke).

[13]

Gedaan en gegeven in Groningen, in het jaar des Heren 1285 op de zondag waarop Misericordia Domini(1) wordt gezongen, in aanwezigheid van Eltet Gaaikema, de gebroeders Ivo en Elward van Fransum in Hunsingo, de gebroeders Arnold en Johan van Zuidlaren, de gebroeders Eneko en Sweger, geheten Helmerchiaman, en verscheidene andere betrouwbare personen(2).

  1. Misericordia Domini zijn de beginwoorden van de introitus (het ‘voetgebed’ dat aan het begin van de mis wordt gezongen) van de tweede zondag na Pasen. Ze zijn genomen uit psalm 32, de verzen 5-6: Misericordia Domini plena est terra, alleluja; verbo Domini caeli firmati sunt, alleluja, alleluja. Vers 1: Exsultate, justi, in Domino; rectos decet collaudatio. Gloria Patri en Filio et Spiritui Sancto, et nunc et semper et in saecula saeculorum, amen. In 1285 viel de tweede zondag na Pasen op 8 april.
  2. Eltet Gaaikema (Eltatus Geykinga) zal wel in relatie staan met Aduard. De Gaaikema’s bezaten land tussen Aduard en Dorkwerd (de huidige Gaaikemadijk herinnert daaraan). Ook de gebroeders Ivo en Elward van Fransum (Franchim) zullen door toedoen van Aduard bij de zaak betrokken zijn. Middag hoorde in 1285 nog bij Hunsingo. Arnold en Johan van Zuidlaren zijn markegenoten van Zuidlaren en vertegenwoordigen de buurschap. Hun aanwezigheid heeft wellicht te maken met de vrijheid die Aduard van de Zuidlaarders had gekregen om zijn bezittingen ten oosten van de Hunze uit te breiden. Eneko Helmerchinga komt in 1264 voor als een van de onderhandelaars die namens Zuidlaren een aanvullend accoord moesten sluiten met Aduard over de venen ten oosten van de Hunze. De naam Helmerking komt vooral voor in de buurt van de Duitse plaatsen Diepholz en Nienburg. De naam Helmersing wordt in de 15e eeuw in Groningen aangetroffen.

De inhoud van passage 12 is illustratief voor de grensoverschrijdende aard van de waterproblematiek: Drenthen, Ommelander Friezen, Groningers en Utrechtse kolonisten – allen behoren tot verschillende rechtskringen – zijn bij deze zaak betrokken.

16.

Een transcriptie van de Latijnse tekst vindt men behalve in het Oorkondenboek van Groningen en Drenthe en op de website van Cartago hierachter in de bijlage.

17.

GrA T2100-51.