Zoek op de website

2.4		Interpretatie

Twee van de vier exemplaren zijn bewaard gebleven Twee van de vier exemplaren zijn bewaard gebleven

Zoals we zagen is de akte van 8 april 1285 in viervoud opgemaakt en zijn twee exemplaren bewaard gebleven, één in het archief van het klooster Aduard en één in dat van de stad Groningen. Het exemplaar in het stadsarchief is het stuk dat oorspronkelijk voor Wold en Go was bestemd. Dat blijkt uit de aantekening op de achterkant van de oorkonde (de ‘dorsale’ notitie).

De akten zijn niet helemaal identiek. Ze zijn van verschillend formaat en ook de tekst wijkt in enkele onbelangrijke details af. Het kopiëren van teksten was natuurlijk handwerk.

Aantekeningen op de rug van de oorkonde uit 1285  boven: Crepeswolt onder: van den knypen Aantekeningen op de rug van de oorkonde uit 1285 boven: Crepeswolt onder: van den knypen

Op de achterkant van beide exemplaren staan verschillende aantekeningen. Opmerkelijk zijn twee – naar het handschrift te oordelen – vermoedelijk veertiende-eeuwse notities.

Op de achterkant van het charter in het stadsarchief staat het woord ‘Crepeswolt’ (Kropswolde). Deze aantekening doet vermoeden dat het in het bijzonder de inwoners van Kropswolde zijn geweest die betrokken waren bij het conflict tussen Go en Wold enerzijds en Aduard anderzijds.

Op het exemplaar in het archief van Aduard staat op de rug: ‘Van den knypen’. Het woord ‘knype’ komt in de tekst van de oorkonde echter niet voor. Het zou kunnen slaan op de dam in de Groeve, op de ‘Geraldeswere’, maar misschien ook op een jonger, maar wel vergelijkbaar kunstwerk dat het Hunzewater moest ophouden. Zeker is wel dat degene die deze aantekening op de achterkant van het Aduarder exemplaar heeft geschreven, daarmee aangeeft dat het stuk van belang is geweest in een latere zaak waarin het opnieuw ging om het Drentse water, het ophouden daarvan en de rol die het klooster van Aduard daarbij speelde. Die kwestie komt later in ‘Groningen en het Drentse water’ aan de orde wanneer we de bouw van zijlen bij Schilligeham, in Redwolde en de Paddepoel bespreken."18"

R.K. Driessen, de eerste die de tekst van de akte van 1285 uitgaf, vermoedde dat met Geraldeswere het tegenwoordige Garrelsweer is bedoeld, maar hield daarbij wel een slag om de arm. De uitgevers van het Oorkondenboek hebben dit overgenomen, maar zonder de reserves van Driessen.

De gedachte aan Garrelsweer past bij het verhaal van Pieter Mennes Bos (‘De Fivel en hare verzanding’) dat de Hunze ooit een zijtak heeft gehad waardoor een deel van het Drentse water via het Foxholstermeer noordwaarts stroomde. Volgens hem liep het Hunzewater door Duurswold heen en was de Fivel in feite de benedenloop van de Hunze. De identificatie Geraldeswere = Garrelsweer biedt tevens een goede verklaring voor de betrokkenheid van Fivelgo.

Is Geraldeswere hetzelfde als Garrelsweer? Is Geraldeswere hetzelfde als Garrelsweer?

Toch is deze oplossing onwaarschijnlijk. In de eerste plaats is er een bezwaar van taalkundige aard. De oude naam van Garrelsweer is ‘Gerleviswert’, waarbij Gerlevis de tweede naamval is van de mansnaam Gerlef of Gerlof. Ook ´Geraldeswere´ lijkt een mansnaam te bevatten (Gerald), maar staat in taalkundige zin wel erg ver van Gerleviswert af.

In de tweede plaats is Garrelsweer alleen met de inzet van veel fantasie in verband te brengen met de herkenbare bijzonderheden in de tekst:

  • Hoe moeten we ons een zuidwending bij Garrelsweer denken?
  • Wie kunnen de zuidelijke buren zijn die zouden moeten instemmen met de aanleg van een zuidwending bij Garrelsweer?
  • Wat kunnen Aduard en Drenterwolde met Garrelsweer te maken hebben gehad?

Er zijn in het verleden verschillende pogingen tot interpretatie van deze tekst gedaan, maar het is steeds gebleven bij suggesties voor afzonderlijke onduidelijkheden in de akte: de Growe, de Zuidwending, de Geraldeswere, de zuidelijke buren.

Een verhaal waarin oplossingen voor deze verschillende vraagpunten in hun onderlinge samenhang betekenis krijgen, is nog niet verteld. Ik waag het toch een poging in die richting te doen, al durf ik voor de juistheid van het verhaal mijn hand niet in het vuur te steken. Nog afgezien van het feit dat de identificatie van enkele topografische elementen in de tekst onzeker blijft, moet ik tussen twee onderdelen van de arbitrale uitspraak ook een verband aannemen, dat niet met zoveel woorden in de tekst is uitgedrukt. Desondanks volgt hier mijn hypothese.

Een andere interpretatie Een andere interpretatie

Toelichting bij het schematische plaatje

In de gele band links staan de Hondsrugdorpen, rechts daarvan de weide- en hooilanden (groen) van die kerspelen ten westen van de Hunze, die is aangegeven met een dikke blauwe lijn. Aan de oostzijde van de Hunze is met een roodbruine kleur het onontgonnen hoogveen aangegeven. De andere kleur geeft het ontgonnen land aan, met in het noorden kleiïge bodems, verder naar het zuiden zandig en moerig van aard.

De gele dwarsstreep is de landschaps- nu provinciegrens: aan de noordzijde het Gorecht (Groningen), aan de zuidzijde Drenthe.

De blauwe ronde vlek ten oosten van Noordlaren is het Noordlaardermeer, nu Zuidlaardermeer genoemd.

De blauwe ‘schildjes’ in de Hunze ten oosten van Annen en verder naar het zuiden beduiden ‘viskenijen’ of ‘visstallen’, door dammen gecreëerde visvijvers waar ook in droge tijden vis kon overleven.

Zoals gezegd is de Growe hoogstwaarschijnlijk de Groeve, een afwaterings- annex scheepvaartkanaal dat door de kolonisten van Everswolde is gegraven. Het daardoor aangevoerde water kwam onregelmatiger af dan vroeger, toen het veen als een spons werkte, en bedreigde de landerijen van de Kropswolders. Om het water uit de Aduardervenen weg te houden van hun landerijen legden ze een dam (slachte) in het kanaal. De plaats daarvan bevindt zich nu ergens in het huidige Zuidlaardermeer. Deze dam was hinderlijk voor de Aduarder kolonisten. Niet alleen werd het afstromen van het Hunzewater erdoor belemmerd, ook de turfvaart had er last van. Onderling overleg leidde niet tot een aanvaardbare oplossing, zodat het conflict ter beslechting aan scheidsrechters werd voorgelegd.

Dezen bepaalden dat de Drenterwolders hun slachte mochten behouden, maar dat ze de Aduarder kolonisten in Everswolde zouden helpen om het bovenwater te keren. Hiertoe werden twee maatregelen voorzien:

  • het herstellen van de were die ooit in de rivier had gelegen maar vervallen was of opgeruimd (de Geraldeswere);
  • het leggen van een zuidwending bij de bedoelde were.

Het zou de taak zijn van de Drenterwolders om de zuidwending bij de Geraldeswere te leggen. Dat kon alleen als de inwoners van Annen daarmee instemden. Immers, wanneer op die plek een kering of stuw werd gelegd, zouden de lage gronden van het bovenstrooms gelegen Annen last kunnen krijgen van het opgestuwde water. De were zelf zou blijvend onderhouden moeten worden door Aduard. Waarschijnlijk was deze ooit op de markegrens tussen Zuidlaren en Annen aangelegd om het bovenwater te keren en tegelijk een viskenij te creëren. Misschien had die stuw al vóór 1285 zijn oorspronkelijke betekenis verloren en was men daarom met het onderhoud ervan gestopt. Hij kan voor de kolonisten van Everswolde zelfs een bron van gevaar zijn geweest. Het ophouden van het water op die plek kan immers overstromingen hebben veroorzaakt. We kunnen ons voorstellen dat de rivier bij hoog water boven de were buiten zijn oevers trad en door het ontbreken van een dwarsdijk of zuidwending de ontgonnen – en daardoor lage – landen bedreigde. Het is dus denkbaar dat de Everswolder kolonisten de stuw doelbewust hebben weggehaald.

Beide partijen kregen dus wat: Drenterwolde zijn slachte in de Groeve, Aduard een zuidwending ter bescherming tegen het bovenwater én het recht om door te gaan met turfgraven.

Opmerkelijk is dat er niets gemeld wordt over de vraag waar het Hunzewater bleef nu de Groeve door middel van een dam was afgesloten. Zou het de bedoeling zijn geweest om de rivier zijn oude, in westelijke richting kronkelende loop te laten volgen?

Barrage in de Oust bij het Château de Josselin (Bretagne) Barrage in de Oust bij het Château de Josselin (Bretagne)

In het voorafgaande ben ik ervan uitgegaan dat met het woord ‘were’ in de akte van 1285 een viskenij is bedoeld. Dat wil zeggen: een kunstmatige visvijver, ontstaan door het maken van een lage waterkering of pending in een waterloop. De eerste betekenis van het woord ‘were’ is – althans in deze context – vermoedelijk: een lage kering in een waterloop. In die betekenis komt hetzelfde woord ook in het Duits en Engels voor (Wehr en weir). In het Frans spreekt men van een barrage.

Dergelijke ‘weren’ of stuwen werden gebouwd om het afstromen van het water te reguleren, maar ook om visvijvers te creëren. Boven de weer ontstond immers een plas  waarin vissen zich lekker voelden. Op die manier hadden de oeverbewoners ook bij wisselende waterstanden voldoende verse vis.

 Twee ‘ Wehre’ in de Wezer bij Hameln Twee ‘ Wehre’ in de Wezer bij Hameln

‘Weren’ zijn er ook nu in alle soorten en maten. De moderne stuwen dienen vrijwel allemaal ter regulering van het rivierwater ten behoeve van de scheepvaart. In de Wezer bij Hamelen bevinden zich zelfs twee weren vlak bij elkaar. Elke ‘Wehr’ is voorzien van een sluis, zodat op- en neergaande schepen tegelijkertijd kunnen worden geschut.

Omdat uit onze tekst van 1285 niet duidelijk op te maken is wat het woord ‘were’ nu eigenlijk betekent, mogen we blij zijn dat er een akte uit 1309 bewaard is gebleven die ook over een ‘were’ bij Zuidlaren gaat. Ook dit stuk is in twee exemplaren overgeleverd."19" De inhoud ervan laat zien dat ‘were’ echt viskenij betekent. We lezen hierin namelijk dat ‘were’ de volkstaal-versie is van piscatura, het Latijnse woord voor ‘visvangst’ of ‘visvijver’.

1309: weer gedoe over een ‘were’ 1309: weer gedoe over een ‘were’

Maar ook om een andere reden is deze tekst voor ons onderwerp van belang. Ook hier gaat het namelijk om een scheidsrechterlijke uitspraak, in dit geval geveld door enkele conversen van het klooster Essen en ingezetenen van Zuidlaren en beoorkond door ridder Ludolf, heer van Gronebeke, prefect in Groningen, de gezworen rechters van Drenthe en de raden van Fivelgo.

De zaak in kwestie was een geschil tussen Drenterwolde (alweer!) en de eigenaren van drie huizen in Annen. De laatsten hadden een viskenij vernield die ooit van Aduard was geweest. Ze hadden dat gedaan omdat deze ‘were’ hun waterlossing belemmerde. Drenterwolde claimde echter, mede op grond van de akte van 1285, dat het Drentse water hier moest worden opgehouden. De scheidsrechters bepaalden dat de Anners de piscatura (‘were’) moesten herstellen naar het voorbeeld van enkele bovenstrooms gelegen viskenijen en haar ‘voor eeuwig’ in stand houden.

De veronderstelling ligt voor de hand dat de ‘were’ die door de Anners was opgeruimd dezelfde stuw is waarvan in 1285 werd bepaald dat hij moest worden hersteld.

De twee bewaard gebleven exemplaren van de akte van 1309 waren blijkens de aantekeningen op de achterkant bestemd voor Middelbert en Kropswolde en zijn vermoedelijk als onderdeel van het archief van het Gorecht in 1392 in het stadsarchief van Groningen terecht gekomen.

Op de achterkant van de akten staan aantekeningen die moeilijk te lezen zijn, maar waarin het woord ‘pendinge’ herkenbaar is. Dat doet denken aan de ‘penden’ of ‘panden’ waarvan

in latere oorkonden sprake is. Het zijn de waterkeringen die op verschillende plaatsen in (en bij?) de rivier het volume van het af te voeren water binnen de perken moesten houden.

De akte voor Kropswolde (‘Crepeswolt’) vertoont een litteken De akte voor Kropswolde (‘Crepeswolt’) vertoont een litteken

Misschien zijn vele van deze keringen in eerste instantie gebouwd ten behoeve van de visvangst. Op den duur bleken ze echter een ernstige belemmering voor het afstromen van het rivierwater. Vooral degenen die land hadden aan de rivier en ook de eigenaren van bovenstrooms gelegen landerijen zullen daarvan hinder hebben gehad. Tegelijk hadden die ook wel plezier van de ‘weren’, doordat ze in droge tijden het water vasthielden en scheepvaart mogelijk maakten.

Voor de benedenstrooms gelegen lage gronden waren de keringen van groot belang vanwege het feit dat een ongebreidelde toestroom van Drents water overstromingen veroorzaakte. Om die reden waren ook veel later nog de inwoners van de lagere gronden in het Gorecht en de Friese Ommelanden verplicht om in Drenthe ‘de panden te houden’.

 De situatie ten oosten van Zuidlaren omstreeks 1265 De situatie ten oosten van Zuidlaren omstreeks 1265

Behalve onzeker is mijn interpretatie ook niet zo eenvoudig te volgen. Daarom herhaal ik het verhaal nog eens, nu aan de hand van schematische plaatjes van de ontwikkeling.

  •  Aduard verwierf in 1262 stukken veen in de marke van Zuidlaren, aan de oostzijde van de Hunze. Een gedeelte van dit markegebied was toen al onder de markegenoten verdeeld en in cultuur gebracht. Ook het klooster Aduard bezat daar reeds een voorwerk of uithof, Everswolde geheten. Het kloosterveen lag tussen de Gronesbeke en de Prumesleke, maar ook ten noorden van de Prumesleke, tot aan de grens met Midlaren (en Wolfsbarge).
  • Waar het voorwerk Everswolde precies heeft gelegen is niet bekend. Vermoedelijk lag het in het zuidelijke deel van het markegebied van Zuidlaren, wellicht vlak ten noorden van de Gronesbeke, die de grens vormde met de marke Annen.

Links:
De Geraldeswere was waarschijnlijk een ´viskenij´ op de grens van de marken van Zuidlaren en Annen. Ook de verder naar het zuiden gelegen Hondsrugdorpen hadden zulke visvijvers.

We moeten aannemen dat de natuurlijke bedding van de Hunze in de loop van de dertiende eeuw minder goed is gaan functioneren, niet alleen voor wat betreft de afvoer van overtollig water, maar ook als vaarweg. Misschien is dat mede het gevolg geweest van het afgraven en transporteren van turf. Hierdoor is ongetwijfeld ‘turfmot’ in de rivier terecht gekomen dat zich kon ophopen en er mede toe bijdroeg dat de rivier verstopt raakte en verlandde. Het slechte functioneren van de rivier veroorzaakte wateroverlast voor de hooilanden ten oosten van Zuidlaren.

Rechts:
Wellicht zijn het kolonisten van Everswolde geweest die omstreeks 1275 (?) een eindje verder naar het oosten, door een wat hoger terrein, een kanaal groeven waardoor (een deel van) het Hunzewater kon afstromen. Via dezelfde watergang werden ook de ontgonnen venen ontwaterd en kon de gestoken turf worden afgevoerd. Het kanaal passeerde de grens tussen Drenthe en het Gorecht en kwam uit in het Noordlaardermeer, mogelijk in de buurt van de plek waar een waterlossing van Kropswolde in het meer uitmondde. Het kanaal werd toepasselijk ‘de Groeve’ genoemd.

Links:

Door de veenontginningen stroomde het bovenwater veel onregelmatiger af dan vroeger het geval was geweest. Het water dat door de Groeve werd aangevoerd veroorzaakte problemen voor Kropswolde en omgeving, een gebied dat misschien ook vanuit het noorden werd bedreigd. De zeespiegel was aan het stijgen (?) en als gevolg van de aanleg van dijken langs de zeearmen werd het zeewater bij vloed hoger opgestuwd en drong het verder het land in dan vroeger.
Maar ook de Aduarder kolonisten in Everswolde bleven last houden van de Hunze. Het niveau van de landerijen bij de Aduarder uithof was als gevolg van de turfwinning en ontginning sterk gedaald. Het opgestuwde water boven de stuw van de Geraldeswere zocht zich een weg en overstroomde de landerijen van de kolonie.

Rechts:
De kolonisten van Everswolde konden of wilden zelf geen goede kering maken die zou kunnen voorkomen dat het rivierwater bij de Geraldeswere de lage landerijen overstroomde. Daarom besloot de hofmeester die stuw weg te halen. Hierdoor kon het water van de Hunze ter hoogte van de Aduarder landerijen vrij afstromen. Dit bevrijdde Everswolde van de wateroverlast, maar vergrootte de moeilijkheden voor de Kropswolders. Dezen namen daarop hun toevlucht tot een noodgreep: om de toestroom van bovenwater te beperken legden ze een ‘slachte’ in de Groeve. Uit de termen die in de Latijnse oorkonde hiervoor gebruikt worden (restrictio seu obstructio aque) kunnen we opmaken dat de slachte de rivier niet echt afsloot, maar bedoeld was om de loop van het water te beperken.

Maar de slachte was wel nadelig voor de Aduarders, die door deze ingreep hun eigen water minder goed kwijt konden, terwijl ze ‘van boven’ door het Hunzewater werden bedreigd. Bovendien belemmerde de dam de vaart van de Aduarder turfschuiten.

Dit was de situatie waarin Aduard en de Drenterwolders scheidsrechters om een beslissing vroegen.

De oplossing van 1285 De oplossing van 1285

De scheidsrechters erkenden de ernst van de problemen die beide partijen bedreigden. Voor de Drenterwolders zagen ze geen andere oplossing dan handhaving van de dam die in de Groeve was gelegd. Maar ook de problemen van de Everswolders moesten worden opgelost. De arbiters waren van mening dat de Drenterwolders hun tegenpartij moesten helpen om het bovenwater uit hun landerijen te houden. Drenterwolde werd daarom gewezen op de mogelijkheid om (op Drentse bodem!) een ‘zuidwending’ aan te leggen die zou aansluiten op de oude Geraldeswere. De Aduarders zouden dan de dam van die viskenij moeten onderhouden zoals ze dat ook vroeger hadden gedaan, toen er van wateroverlast nog geen sprake was.

Voor de aanleg van de zuidwending was wel de instemming nodig van degenen die ten zuiden daarvan land hadden liggen, want ook zij konden nadeel gaan ondervinden van het herstel van de Geraldeswere en de aanleg van een zuidwending.

18.

G&DW 4, Schilligeham, Redwolde en Paddepoel.

19.

OGD II 1228 (2 september 1309), GrA T2100-59.1 en 2.