Zoek op de website

2.5		Nawerking

Een oorkonde als die van 1285 biedt ons eigenlijk niet meer dan een glimp op de situatie van toen. Het is alsof je heel even door een sleutelgat naar binnen kunt gluren. We kunnen alleen maar gissen naar wat zich buiten het beperkte blikveld bevindt en hebben geen idee van wat zich daar vóór en na ons korte gluren afspeelt.

We weten niet met zekerheid of de uitspraak van de arbiters is nageleefd en zo ja, wat daarvan de gevolgen zijn geweest. Maar een vermelding uit latere tijd, toen men bij een waterstaatkundige kwestie verwees naar de uitspraak van 1285, wijst er wel op dat ze toen van betekenis werd geacht en maakt het waarschijnlijk dat ze in de praktijk echt effect heeft gehad.

We zagen zojuist al een akte uit 1309 waarin sprake was van een ´were´ die ooit door Aduard werd onderhouden. Als daarmee de Geraldeswere bedoeld is die ingevolge de akte van 1285 opnieuw door Aduard moest worden beheerd, zou ook dat stuk een aanwijzing zijn voor het feit dat de uitspraak van de arbiters in praktijk is gebracht.

Maar wat is er gebeurd met de ‘slachte’ of dam van de Kropswolders? Er is niets wat van het bestaan daarvan getuigt. Maar zou het kunnen zijn dat deze waterkering er – onbedoeld natuurlijk – toe heeft bijgedragen dat het Noordlaardermeer zich in zuidelijke richting kon uitbreiden?

De ruzie over de ‘were’ of piscatura die in 1309 speelde en die we in het vorige hoofdstuk terloops hebben bekeken, verdient nog enige aandacht. Zoals we al zagen ging de twist tussen (opnieuw) Drenterwolde en enkele inwoners van Annen om een ‘were’ die eerder van Aduard was geweest en door de Anners was vernield. Scheidsrechters (conversen van Essen en buren van Zuidlaren) bepaalden dat de Anners de stuw moesten herstellen. Hun uitspraak werd beoorkond door de prefect van Groningen, de raadsheren van Fivelgo en de rechters van Drenthe.

Het lijkt te gaan om de piscatura waarvan in 1285 werd bepaald dat Aduard deze in orde zou moeten houden. In het stuk van 1309 wordt geen eigenaar of beheerder genoemd. Wellicht zijn stuw en vijver in andere handen overgegaan. Maar ook bij deze gelegenheid erkenden de scheidsrechters het belang dat Drenterwolde had bij deze in Drenthe gelegen voorziening en verplichtten ze de Drenten om de stuw te herstellen.

 ‘De Knijpe’ bij Zuidlaren op een door Hendrick Bierum getekende kaart (1676) Het noorden is op deze kaart links. ‘De Knijpe’ bij Zuidlaren op een door Hendrick Bierum getekende kaart (1676) Het noorden is op deze kaart links.

Er bestaat een zeventiende-eeuwse afbeelding van een ‘were’ bij Zuidlaren: de Knijpe (‘de Knip’). De kaart geeft een beeld van de stadslanderijen onder Zuidlaren en is in 1676 getekend door Hendrick Bierum.20

De Knijpe De Knijpe

Deze plek bestaat nog altijd en ook de naam Knijpe is nog in gebruik. Maar deze Knijpe ligt op een andere plaats dan de Geraldeswere uit de akte van 1285.

De Knijpe bij Zuidlaren en de ‘were’ van 1285 De Knijpe bij Zuidlaren en de ‘were’ van 1285

De locatie van de door Hendrick Bierum in 1676 getekende ‘Knip’ is op het Google-plaatje aangegeven met een witte cirkel, de vermoedelijke plaats van de ‘were’ van 1285 met een blauwe rond vlakje.

 De Knijpe in 2012 De Knijpe in 2012

Op de foto zien we de brug over de Oostermoersevaart bij De Knijpe vanuit het noorden. In vergelijking met vroeger is de situatie hier ingrijpend veranderd. Toen liep de weg met een slinger aan de noordzijde langs het huis waarvan links nog net een glimp te zien is en dat als herberg dienst deed. Ook de brug lag een eindje verder naar het noorden.

Jan Folkerts schreef in 1982 een artikel over Everswolde waarin hij veronderstelde dat de huidige Knijpe (een voormalige herberg bij een stuw in de Hunze) de omstreden piscatura was.21 Er zijn verschillende redenen om aan te nemen dat dit niet zo waarschijnlijk is. De belangrijkste is wel dat de huidige Knijpe midden in Zuidlaarder land ligt, tussen de Gronesbeke (Hilligjessloot) in het zuiden en de Prumesleke in het noorden, terwijl we op grond van de akte van 1285 mogen aannemen dat de ‘Geraldeswere’ nabij de markegrens tussen Zuidlaren en Annen lag. Vermoedelijk is de door Bierum in 1676 getekende Knijpe een later (in de 14e eeuw?) gebouwde stuw.

Het ophouden van het Hunzewater was en bleef voor de lager gelegen gebieden van groot belang. De akte van 1285 bepaalde dat de inwoners van die gebieden daartoe op vreemde bodem maatregelen mochten of moesten nemen.

Later zal blijken dat deze belanghebbenden zich verplichtten om op dit terrein samen te werken. We horen daarover in een aantekening achterop het reglement van de Drie Delfzijlen (1317) en in een tekst uit 1343. Maar ook veel later is nog sprake van de verplichting tot het ‘houden van de panden’ in Drenthe. Dat is het geval bij de inlating van het Groninger Oosterhamrik in het Scharmerzijlvest (1424), in de ‘Fokko Ukenakeuren’ van 1427 en bij de inlating van het Westerhamrik in het Scharmerzijlvest (1434). In het vervolg kom ik daarop nog terug.22

We herinneren ons de dorsale aantekening op de rug van het Aduarder exemplaar van de oorkonde van 1285: ‘van den knypen’. Zoals reeds aangestipt is de uitspraak van 1285 later gebruikt ter bevestiging van de plicht van Aduard om wateroverlast als gevolg van de toevloed van Drents water te voorkomen. In concreto kon dat gebeuren door het leggen en onderhouden van ‘knijpen’ of stuwen. Op grond van deze gedachtengang kan de aantekening op de achterkant van het Aduarder exemplaar van de akte betrekking hebben op ‘knijpen’ die in 1285 nog niet bestonden, maar later op grond van de genoemde verplichting zijn aangelegd. Eén van die knijpen zou de Knijpe bij Zuidlaarderveen kunnen zijn geweest.

20.

´Kaart van de stadts landen en gronden geleegen in de Drenthe onder de klocken-slach van Zuitlaeren´, getekend door H. Bierum, 1676 (GrA T1536-6648).

21.

Jan Folkerts, ‘Uit de geschiedens van Zuidlaarderveen, het oude Everswolde’, Nieuwe Drentse Volksalmanak 98 (1981) 38-60.

22.

Zie G&DW 4, hoofdstuk 4.5, ‘Tussen Harssens en de Mude’, en G&DW 8, hoofdstuk 8.3, ‘De Stadshamrikken’.