Zoek op de website

3.2 		Een oorkonde uit 1321-1322

Een oorkonde van  1 augustus 1321 en  24 februari 1322 Een oorkonde van 1 augustus 1321 en 24 februari 1322

Met de oorkonde van 1301 en de problematiek van de Borg zijn we beland bij een tekst waarvan de interpretatie eeuwenlang onzeker is gebleven. Het gaat in feite om twee akten die vastgelegd zijn in één oorkonde.

De ‘kopnoten’ in het Oorkondenboek luiden als volgt:

OGD I 272: ‘De overheden der landschappen Hunsingoo en Fivelgoo en der stad Groningen sluiten eene overeenkomst over een sluis in de Hunse.’

OGD I 273: ‘Egbert en Egbert, prefecten van Groningen, en de schout Otto Buning bekrachtigen eene overeenkomst van de landschappen Hunsingoo en Fivelgoo en de stad Groningen met het Goorecht over een sluis in de Hunse.’

We zullen niet, zoals in het geval van de akte van 1285, opnieuw gaan kijken naar de betreffende pagina’s van het Oorkondenboek en de website van Cartago, maar wel een blik werpen op de beschrijving in de inventaris van het stadsarchief van Groningen, die men kan vinden op Archieven.nl.

De beschrijving van de oorkonde van 1321/1322 op Archieven.nl. De beschrijving van de oorkonde van 1321/1322 op Archieven.nl.

‘Akte waarbij Egbertus, zoon van Adolfus, prefect in Groningen, Egbertus, zoon van Godekinus, prefect, en Otto, schulte in Groningen, vidimus geven van een verdrag uit het jaar 1321 tussen de rechters van Hunsingo en Fivelgo en de raden van Groningen inzake een bij de Sint Walfridusbrug te leggen sluis.’13

‘Vidimus geven’ van een ouder document wil zeggen dat de oorkonders verklaren een ouder document te hebben gezien waarvan ze de tekst in hun eigen oorkonde opnemen. Het Latijnse vidimus betekent ‘wij hebben gezien’. Een vidimus of akte van vidimus is dus een authentieke kopie.

Een artikel met reactie Een artikel met reactie

Er is in het verleden al vaak geprobeerd om van de oorkonde uit de jaren 1321-1322 iets begrijpelijks te maken. Dat dit zo lastig is komt vooral doordat niet duidelijk is waar de topografische aanduidingen in de tekst precies op slaan.

In een artikel in het vierde nummer van jaargang 2009 van Stad en Lande is het voorstel gedaan om deze tekst in verband te brengen met de omleiding van de Hunze langs de oostzijde van de stad Groningen. In het daarop volgende nummer van Stad en Lande heb ik daarop gereageerd (‘Een inspirerende vergissing’) en betoogd dat dit zeker niet het geval was. Toen ik die reactie schreef wist ik zelf nog niet echt hoe het wél zat, maar voelde wel aan in welke richting we zouden moeten denken. Toen ik mijn theorie had uitgewerkt, bleek dat die niet in een kort artikel kon worden opgeschreven, maar dat het ‘t beste was om haar te publiceren in samenhang met enkele andere thema’s over de Groninger waterstaatsgeschiedenis.

Het resultaat was het boekje Een kronkelend verhaal. Nieuw licht op de oude Hunze, dat in het najaar van 2011 is verschenen.

In het eerste hoofdstuk van dit boek heb ik mijn best gedaan aannemelijk te maken dat de akten van 1321 en 1322 betrekking hebben op een poging van de inwoners van Innersdijk en het Vierendeel om hun uitwatering op de Hunze te verbeteren.

Het is niet nodig om de argumentatie hier te herhalen. We beperken ons nu tot het lezen van de tekst, het signaleren van de interpretatie-problemen en, daarna, een overzicht van de oplossing die ik heb voorgesteld.

Vertaling van OGD I 272 en 273 (1 augustus 1321 en 24 februari 1322)14

Akte waarbij Egbertus, zoon van Adolfus, prefect in Groningen, Egbertus, zoon van Godekinus, prefect, en Otto, schulte in Groningen, vidimus geven van een verdrag uit het jaar 1321 tussen de rechters van Hunsingo en Fivelgo en de raden van Groningen inzake een bij de Sint Walfridusbrug te leggen sluis.

[1]

Alle Christengelovigen die deze akte zullen zien en horen, wensen wij, Egbertus, prefect in Groningen, zoon van heer Adolf, Egbert, prefect, zoon van Godeken, en Otto, schout aldaar, heil en kennis van de waarheid. 

Openingsprotocol van de vidimus (OGD I 273) met begroeting en het noemen van de oorkonders.

[2]

Zowel later als nu dient men te weten dat alle rechters van de landen Hunsingo en Fivelgo en de raadsheren in Groningen met de inwoners van Drenterwolde (dat bij ons rechtsgebied behoort) eensgezind hebben ingestemd met de volgende regeling, welke wij op schrift gesteld hebben gezien en met hun zegels bezegeld en nergens beschadigd, zoals vervat in de woorden hieronder:

De oorkonders delen mee een oudere akte te hebben gezien en kondigen aan de tekst daarvan hieronder in te zullen voegen (de nummers 3 – 11).

[3]

‘Alle Christengelovigen die deze akte zullen zien en horen, wensen wij, alle rechters van de landen Hunsingo en Fivelgo en de raadsheren in Groningen, heil en kennis van de waarheid.

Begin van de ingevoegde oorkonde (OGD I 272) met begroeting en de vermelding van de oorkonders.

[4]

Wij willen dat iedereen ervan kennis neemt, dat wij een overeenkomst hebben gesloten over de hieronder vermelde zijl, die gebouwd moet worden in de rivier, en wel zo,

Begin van de dispositio, de uiteenzetting van de rechtshandeling

[5]

dat degenen in wier belang hij is of zal kunnen zijn, de zijl kunnen bouwen in de genoemde rivier ten zuiden van de weg van de brug van de heilige Walfridus en niet verder naar het noorden, met eigen arbeid en op eigen kosten, steeds onder deze voorwaarde, dat ten tijde van de derde afloop van het zakkende water, die in de volkstaal ‘derde eb’ wordt genoemd, de deuren van diezelfde zijl geheel worden gesloten, welke derde afloop ons, Groningers en inwoners van Drenterwolde, vrijelijk toebehoort en ten deel valt.

[6]

Bovendien is toegevoegd dat, in het geval dat de genoemde rivier door deze zijl begint dicht te slibben, wij, burgers in Groningen, gehouden zullen zijn om hiervan kennis te geven aan de vergadering van Hunsingo en Fivelgo en aan hen, wier belang het is, namelijk degenen die de genoemde zijl hebben gebouwd, en wel tussen het feest van de heilige Walburg en het feest van de heilige Johannes de Doper, opdat zij op een dag binnen drie maanden na onze melding samen met ons bij de genoemde zijl gaan kijken om gezamenlijk vast te stellen of de genoemde rivier werkelijk dreigt verloren te gaan.

De feestdag van St. Walburg wordt gevierd op 1 mei, die van Johannes de Doper op 24 juni.

[7]

Wanneer we tot de conclusie komen dat de rivier teniet gaat, zullen de bouwers van de zijl hem binnen drie maanden afbreken. 

[8]

Maar als wij, Fivelgoërs en Hunsingoërs, niet binnen de gestelde termijn verschijnen, zullen wij, Groningers, de bouwers van de zijl aanzeggen dat ze diezelfde zijl binnen drie maanden moeten afbreken.

[9]

Wanneer ze dat niet doen, zal het ons, Groningers, vrij staan om diezelfde zijl af te breken, zonder enig bezwaar of tegenspraak.

[10]

Tot getuigenis van deze zaak zijn onze zegels aan deze akte gehangen. 

[11]

Gedaan en gegeven in het jaar des Heren 1321, op de dag van Sint Petrus Banden.’

De nummers 10 en 11 vormen het ‘slotprotocol’ (corroboratio en datum) van de ingevoegde oorkonde van 1321 (OGD I 272). De dag van Sint Petrus Banden is op 1 augustus.

[12]

Tot groter getuigenis en zekerheid van het bovenstaande hebben wij deze akte van onze zegels laten voorzien.

[13]

En omdat ik, Egbert Godekenszoon, op dit moment geen zegel heb, ben ik in dit geval tevreden met het zegel van Egbert heer Adolfszoon.

[14]

Gegeven in het jaar des Heren 1322 op de dag van de Heilige apostel Matthias.

De nummers [12] – [14] vormen het slotprotocol (corroboratio en datum) van de vidimus van 1322 (OGD I 273). De feestdag van de heilige Matthias is op 24 februari.

13.

De oorkonde is onderdeel van het Groninger stadsarchief en beschreven onder GrA T2100-63.

14.

GrA T2100-63. De originele Latijnse tekst vindt men in de bijlage.