Zoek op de website

3.3	Vragen en antwoorden

Bij het lezen van de oorkondetekst komt een groot aantal vragen op. Ik noem er tien:

  1. Welke rivier is bedoeld met het Latijnse woord amnis (rivier)?
  2. Wat is een aqueductus precies?
  3. Op welke manier en in welke mate zijn de met name genoemde partijen betrokken bij het project?
  4. Waar ligt de ‘brug van de heilige Walfridus’?
  5. Wie zijn degenen die ‘belanghebbenden’ en ‘bouwers’ worden genoemd?
  6. Welk water moest door de aqueductus worden afgevoerd?
  7. Waar loopt de ‘Weg van de Sint Walfridusbrug’ (via pontis Sancti Walfridi)?
  8. Waar is de aqueductus gebouwd?
  9. Wat moeten we ons voorstellen bij een aqueductus die ‘in’ de rivier wordt gebouwd?
  10. Waarom zijn er twee oorkonden nodig geweest om deze rechtshandeling vast te leggen?

In Een kronkelend verhaal heb ik al deze vragen systematisch behandeld. Ik zal nu alleen de belangrijkste punten bespreken.

Vraag 1: Welke rivier is bedoeld met het Latijnse woord amnis?

Uit de Nederduitse vertaling van Herman Elderwolt Uit de Nederduitse vertaling van Herman Elderwolt

Herman Elderwolt, de pastoor van de Akerk die rond 1500 veel secretariaatswerk voor het Groninger stadsbestuur deed, heeft in 1525 een vertaling gemaakt van de akten van 1321 en 1322."15" Hij vertaalde het Latijnse woord amnis met ‘A’. Dat is in zoverre correct, dat het woord ‘A’ in het Nederlands een algemene aanduiding voor een rivier kan zijn. Maar het is begrijpelijk, dat men in Groningen dan meteen aan de Drentse A denkt.

 Aantekening op de achterkant van de oorkonde: ‘van then silinghe tot then ostere deype’ Aantekening op de achterkant van de oorkonde: ‘van then silinghe tot then ostere deype’

Op de rug van de originele oorkonde van 1321/1322 staan – geschreven door een vermoedelijk veertiende-eeuwse hand – de woorden: ‘van then silinghe tot then ostere deype’ (‘over de zijltocht naar het oosterdiep’).

Dit maakt duidelijk dat met amnis niet de Drentse A, maar de Hunze bedoeld is. In de Middeleeuwen was de Hunze het Oosterdiep, de Drentse A en zijn voortzetting daarvan ten noorden van de stad, het huidige Reitdiep, heette het Westerdiep.

Ook in het vredesverdrag dat Groningen en Fivelgo in 1258 met elkaar sloten, wordt met het woord amnis de Hunze bedoeld."16"

Ooster- en Westerdiep Ooster- en Westerdiep

In de middeleeuwen heette de Drentse A het Groningerdiep, Westerdiep, Staddiep of Reitdiep. Die laatste naam is ontleend aan het Reitland, waar het doorheen liep. De naam Reitdiep komen we voor het eerst in de archieven tegen in een akte van 8 september 1449."17"

De namen Groningerdiep en Staddiep zullen ongetwijfeld samenhangen met het feit dat de Groningers een deel van de rivier hebben gekanaliseerd. De naam Westerdiep staat uiteraard in oppositie tot het Oosterdiep (de Hunze), dat in een aantal teksten eenvoudig amnis (‘de rivier’) wordt genoemd.

Vraag 2: Wat is een aqueductus ?

Pont du Gard Pont du Gard

Bij het woord ‘aquaduct’ denken we in de eerste plaats aan een constructie als de Pont du Gard. Dit bouwwerk maakt deel uit van een 50 kilometer lange waterleiding die was bedoeld om de stad Nemausus (het huidige Nîmes) van water te voorzien. Het gemiddelde verval bedroeg 23 centimeter per kilometer, en het geheel was zó gebouwd dat het water vanzelf naar de stad stroomde. Via de Pont du Gard passeerde de kunstmatige waterloop de rivier de Gardon.

Jeltesleat Akwadukt Jeltesleat Akwadukt

In ons vlakke land wordt het water niet hoog boven het maaiveld en over de landwegen heen geleid, maar duiken de landwegen onder de waterwegen door.

Een recent voorbeeld is het Jeltesloot Aquaduct. Dit kunstwerk maakt deel uit van de provinciale weg van Sneek naar de Lemmer (N354), en is gelegen ten zuiden van de Hommerts. De N354 kruist hier de Jeltesloot, die de verbinding vormt tussen de Heger Mar en de Kûfurd.

 Reconstructietekening van een dertiende-eeuwse pomp Reconstructietekening van een dertiende-eeuwse pomp

Het woord aqueductus betekent letterlijk ‘waterleiding’. Het kan zowel slaan op een tochtsloot als op een sluis.

Het hier getoonde model kwam overal in de lage landen voor.

We zagen al dat pastoor Herman Elderwolt het Latijnse woord amnis met ‘A’ vertaalde, aqueductus gaf hij weer met ‘watertucht’. Dat komt heel dichtbij ‘waterleiding’. Over de onduidelijkheid van de terminologie hoeven we ons niet te verbazen. De geestelijken die een overeenkomst als de onderhavige op schrift moesten stellen, kenden ongetwijfeld genoeg Latijn om de heilige boeken te kunnen lezen, maar daarin kwamen ze natuurlijk geen waterstaatkundige kunstwerken tegen. Ze moesten dus zelf een Latijns woord vinden of bedenken waarvan de betekenis in de buurt kwam van het begrip dat ze wilden aanduiden.

Vraag 3: Wie zijn waarom en hoe bij de zaak betrokken?

De betrokken partijen De betrokken partijen

Aan het antwoord op vraag 3 (naar de aard van de betrokkenheid van de genoemde partijen) zijn we nog niet toe. Maar het kan geen kwaad om de partijen nog eens te noemen.

Akte van 1321: De rechters van Hunsingo en Fivelgo en de raadsheren in Groningen zijn oorkonders en partijen. Zij hebben met elkaar de overeenkomst gesloten. De ‘mensen van Drenterwolde’ zijn belanghebbenden. Ze hebben – net zoals de Groningers – recht op de ‘derde eb’, maar zijn geen partij. Ze lopen, net als de Groningers, kans schade te ondervinden van de nieuwe aqueductus.

Akte van 1322: De prefecten en de schulte van Groningen zijn oorkonders, geen partij, en noemen de mensen van Drenterwolde hun onderdanen. Ze verklaren dat partijen van 1321 een overeenkomst hebben gesloten met de Drenterwolders. Die zijn nu wel partij.

Waar raken de invloedssferen van de genoemde partijen aan elkaar?

De Hunze is voor alle genoemden van belang. Eerder hebben we gezien dat in de organisatie van de Acht Zijlvesten kerspelen uit Hunsingo en Fivelgo samenwerkten om zich het Drentse water van het lijf te houden. Dat alles wijst in de richting van het Woldland.

Maar wie kunnen dan degenen zijn die in de tekst illi quorum interest of fundatores (de ‘belanghebbenden’ of ‘stichters’) worden genoemd (vraag 5)? Alvorens een poging te doen om die vraag te beantwoorden kijken we naar de Walfridusbrug.

Vraag 4: Waar ligt de Walfridusbrug?

Walfridusbrug Walfridusbrug

De Middeleeuwse Walfridusbrug bestaat allang niet meer, maar de huidige spoorbrug in de lijn Groningen-Sauwerd vervult in feite dezelfde functie. Ook deze brug over het Van Starkenborghkanaal is een schakel voor het verkeer tussen Noord-Groningen en de stad.

De meeste onderzoekers vermoeden dat we de Walfridusbrug bij Noorderhoogebrug moeten zoeken. Sommigen suggereren zelfs dat het gehucht Noorderhoogebrug naar die brug is genoemd. Ik denk ook dat de Walfridusbrug lag waar nu Noorderhoogebrug ligt. De Walfridusbrug komt niet in andere oude teksten voor. Wel zijn er een paar bronnen die de Sint Walfridusweg noemen. We mogen aannemen dat brug en weg iets met elkaar te maken hebben gehad.

De Walfridusbrug herinnert aan de legende over de H. Walfridus van Bedum, die dagelijks vanuit Bedum naar Groningen trok om daar de mis te horen. Ik vermoed zelfs dat de plaats van die brug een rol heeft gespeeld bij de kolonisatie van het gebied ten noordoosten van de stad. De Beijumerzuidwending lijkt vanuit het oosten te zijn geraaid op de plek waar ooit de brug heeft gelegen. Over deze constructie is veel meer te vertellen, maar daarvoor is hier geen gelegenheid. Ik hoop elders nog eens verder in te kunnen gaan op de methoden volgens welke men bij de inrichting van het Woldland te werk is gegaan."18"

De locatie van de Sint Walfridusbrug

  1. ’Nieuwe Gat’
  2. Boterdiep
  3. Beijumerzuidwending
  4. Oude bedding van de Hunze (Selwerderdiepje)
  5. Van Starkenborghkanaal in aanleg

Deze bewerkte luchtfoto van Noorderhoogebrug is met enkele wijzigingen en aanvullingen overgenomen uit Van Schaïks boek over Walfridus van Bedum."19"

We zien de situatie bij Noorderhoogebrug en het Boterdiep zoals ze in de jaren dertig van de twintigste eeuw was.
De pijl wijst naar de plaats waar ik de Sint Walfridusbrug vermoed. Remi van Schaïk legt hem iets verder naar het oosten.

Volgens de oorkonde moest de aqueductus komen op een plaats ‘ten zuiden van de weg van de brug van de Heilige Walfridus’, maar velen vonden dat blijkbaar te ingewikkeld en hebben gedaan alsof er ‘ten zuiden van de Sint Walfridusbrug’ staat.

Uit oude teksten blijkt dat de Walfridusweg de weg is die ook wel ‘Kleiweg’ werd genoemd en langs het Boterdiep liep. Wij kennen die weg nu als Bedumerweg. Maar we mogen de ons bekende Sint Walfridusweg niet zonder meer gelijkstellen aan de ‘weg van de brug van de Heilige Walfridus’!

Ubbo Emmius (1547-1625) naar een portret door Pieter Belta (1628) Ubbo Emmius (1547-1625) naar een portret door Pieter Belta (1628)

Dat deed Ubbo Emmius wel. In zijn grote standaardwerk over de Friese geschiedenis geeft Ubbo een uitgebreide parafrase van de akten van 1321 en 1322. Ik zal zijn weergave van de teksten niet tot in detail analyseren, maar het is wel zinvol om te signaleren dat hij daaraan enkele bijzonderheden toevoegde die aan zijn eigen fantasie moeten zijn ontsproten.

Een van die toevoegingen laat zien dat Emmius niet echt heeft begrepen wat er met de beide oorkonden is bedoeld. Volgens hem ging het om een sluis ‘ten zuiden van de Sint Walfridusbrug’ en moest die gelegd worden in een riviertje dat naar of langs Bedum liep. Emmius dacht blijkbaar aan het Boterdiep en veronderstelde dat dat een rivier was.

Maar dit is niet juist. De tekst zegt immers – we zagen het hierboven al – dat de aqueductus moest komen op een plaats ‘ten zuiden van de weg van de brug van de heilige Walfridus.’ Dat kán ‘ten zuiden van de Sint Walfridusbrug’ zijn, maar dat hoeft niet. Het is best mogelijk dat ‘de weg van de brug van de Heilige Walfridus’ ten noorden van de Sint Walfridusbrug heeft gelegen.

  1. Deel of Winsumerdiep
  2. Wolddijk
  3. Beijumerzuidwending
  4. Buursterzuidwending
  5. Het later Boterdiep genoemde afwateringskanaal van het westelijke Woldland
  6. Kardingermaar met Zuidwending en Geweide of Thesingermaar
  7. Drentse A of Westerdiep (Groningerdiep)
  8. Hunze of Oosterdiep
  9. Borgsloot

De gele cirkel geeft de plaats aan van de Sint Walfridusbrug (bij het latere Noorderhoogebrug).

Vraag 5: Wie zijn de bouwers?

Voor het beantwoorden van de vraag naar de fundatores of bouwers van de aqueductus kijken we nog eens naar het Centrale Woldland zoals dat er rond 1300 kan hebben uitgezien. Ik doe dat in navolging van Kooper, die in zijn Waterstaatsverleden de mogelijkheid heeft geopperd dat het in de oorkonden van 1321 en 1322 ging over de afwatering van Innersdijk. Hoe het precies zat kon hij echter niet uitleggen. Ik denk dat hij gelijk had en dat de landgebruikers van het Centrale Woldland degenen zijn geweest die in de tekst worden aangeduid als illi quorum interest of fundatores (‘zij in wier belang het is’ of ‘bouwers’).

Innersdijk hoort bij Hunsingo, Vierendeel bij Fivelgo. Duurswold, eveneens een onderdeel van Fivelgo, is het laagst gelegen deel van Groningerland.

Het gebied tussen de Buursterzuidwending en de Grasdijk (op het kaartje aangegeven met een vage rode lijn) past gezien het verkavelingspatroon bij het ten noorden van de Buursterzuidwending gelegen gebied, maar hoort niet bij het Vierendeel.

Beijumerzuidwending

Geel:       het onder de prefecten ressorterende gebied (prefectuur)
Groen:    het stadsgebied van Groningen (stadstafel)
Rood:      Hunsingo

Op dit plaatje zijn ook de verschillende kavelsystemen duidelijk herkenbaar. Het rode kasteeltje laat de opmerkelijke locatie zien van het Cortinghuis. Het ligt in een tot Hunsingo behorend en vrijwel geheel door de Hunze omsloten gebied (de Borgham), vlak buiten de Groninger ‘stadstafel’.

Vraag 6: Welk water moest door de aqueductus worden afgevoerd?

Zojuist liet ik een overzicht van het hele Centrale Woldland zien. De hoofdwatergangen liepen daar naar het noorden, naar het Winsumerdiep. Via dat kanaal (de Deel) werd ook het water van het Woldgebied op de Hunze geloosd.

De Beijumerzuidwending is een lage dijk, geflankeerd door twee sloten. Uit een akte van 1408 blijkt dat deze dijk of waterpending door het Winsumerzijlvest als zijn zuidelijke grens werd beschouwd."20"

Het zuidelijke gedeelte van het Woldland waterde langs de Beijumerzuidwending af, en wel langs de noordelijke parallelsloot. De zuidelijke diende als watergang voor de afvoer van Noorddijk, het meest noordelijke dorp van Drenterwolde.

De Beijumerzuidwending: twee lozingspunten naast elkaar De Beijumerzuidwending: twee lozingspunten naast elkaar

Aan het westelijke uiteinde van de twee parallelsloten van de Beijumerzuidwending bevonden zich waarschijnlijk kleppen van het model dat we zojuist hebben gezien. Bij hoog water in de Hunze (door hoogwater op zee of een groot aanbod van bovenwater) sloten de kleppen zich, bij lage waterstand in de Hunze gingen ze vanzelf open door de grotere druk van het binnenwater. Dan kon het water van het lage Woldland uitstromen in de Hunzebedding.

Je hoeft geen civiel ingenieur te zijn om te begrijpen, dat twee naast elkaar gelegen uitmondingen elkaar duchtig kunnen beconcurreren. Wanneer bij eb het Noorddijkster water in de Hunze uitstroomde, was er weinig ruimte meer voor de uitmonding van de noordelijke, Beijumer parallelsloot.

Waarschijnlijk was het proces van bodemdaling rond 1300 nog niet zover gevorderd als nu. Ofschoon er geen absolute cijfers bekend zijn, kunnen we de vermoedelijke ontwikkeling wel met behulp van een schematische voorstelling verduidelijken.

Schematische voorstelling van de bodemdaling in het Woldland Schematische voorstelling van de bodemdaling in het Woldland

Wellicht bevond het maaiveld ter plaatse van Beijum zich rond het jaar 500 op een hoogte van ongeveer 2,5 meter boven NAP en was het rond 1300 gedaald tot even boven 0. In 1980 lag het bodemniveau daar op 1 meter onder NAP.

Met verschillende lijnen is de loop aangegeven die het water vanuit het Centrale Woldland (Beijum) naar Wierum moest volgen. De bruine stippeltjeslijn hoort bij het jaar 500, de rode stippeltjes bij 1300 en de bruine lijn bij de huidige situatie.

Het verloop van de doorgetrokken bruine lijn maakt duidelijk dat een natuurlijke afwatering van het Woldland via Wierum tegenwoordig onmogelijk zou zijn. Rond 500 – toen het veen nog intact was – was dat geen probleem: de bruine stippeltjes lopen vanuit Beijum steil naar beneden in de richting van Wierum. De rode stippeltjes geven aan dat het water ook rond 1300 nog wel vanzelf naar Wierum kon afstromen.

We hebben gezien dat er een organisatie bestond ter behartiging van de waterstaatkundige belangen van de bewoners van het Woldland en dat daarin delen van Fivelgo en Hunsingo samenwerkten: de Acht Zijlvesten.

Omdat de noordelijke sloot van de Beijumerzuidwending steeds minder goed functioneerde, hebben de inwoners van het Woldland – zo vermoed ik – het plan opgevat om hun uitwatering te verleggen naar een plaats die wat verder weg lag van die van Noorddijk. Daardoor zou ze minder concurrentie hebben van de uitmonding van de buren. Een bijkomend voordeel zou zijn dat de nieuwe uitwatering lager (stroomafwaarts) zou komen te liggen dan die van Noorddijk. Daardoor zou ze bij eb ook wat eerder aan de beurt zijn.

Het antwoord op vraag 6 (welk water moest door de aqueductus worden afgevoerd?) luidt dus: het water van Innersdijk en Vierendeel.

Het tot Fivelgo behorende deel van het Centrale Woldland is rood gearceerd Het tot Fivelgo behorende deel van het Centrale Woldland is rood gearceerd

We zagen al dat er aanwijzingen zijn voor een antwoord op vraag 5 (wie zijn degenen die in de akte illi quorum interest of fundatores worden genoemd?): dat zouden wel eens de ‘woldmannen’ of ‘woltsaten’ binnen de Wolddijk kunnen zijn, en wellicht in het bijzonder die van Innersdijk, het Hunsingoër deel van het woldland.

Aan de zuidzijde wordt het Centrale Woldland begrensd door de Beijumerzuidwending, een stukje van de Borgwal en de Buursterzuidwending. De grens tussen Hunsingo en Fivelgo loopt langs het Kardingermaar dat dit gebied van zuidwest naar noordoost doorsnijdt. Het ten oosten daarvan gelegen gebied, het Vierendeel, behoort tot Fivelgo. Gezien het feit dat ook de Fivelgoër rechters als partij en oorkonders optreden, mogen we aannemen dat het de bedoeling is geweest dat ook water uit het Fivelgoër deel van het Woldland via de nieuwe aqueductus zou worden afgevoerd en dat dus ook de landgebruikers in het Vierendeel tot ‘de belanghebbenden of bouwers’ behoorden.

Het vermoedelijke antwoord op vraag 5 (wie waren de bouwers?) spoort met dat op vraag 6 (welk water moest door de nieuwe aqueductus worden geloosd?). Het gaat ongetwijfeld om het ‘eigen water’ van dit laaggelegen gebied.

Vraag 7: Wat is ‘de weg van de brug van de Heilige Walfridus’ ?

De weg van de brug van de Heilige Walfridus (?) aangegeven met een rode lijn De bruine lijnen zijn sporen van een oudere cultuurperiode. De weg van de brug van de Heilige Walfridus (?) aangegeven met een rode lijn De bruine lijnen zijn sporen van een oudere cultuurperiode.

Het is mogelijk dat de ‘weg van de brug van de Heilige Walfridus’ ten noorden van de brug aansloot op een oude noord-zuid lopende structuurlijn. Op deze lijn liggen Beijum, Zuidwolde en Noordwolde.

In Noorddijk is deze lijn nog altijd herkenbaar, want hierop ligt het ‘Koerspad’, dat de stadswijken Beijum en Lewenborg met elkaar verbindt. Ook de twee ten oosten daarvan getekende structuurlijnen zijn er nog: het zijn het ‘Dwarsdijkje’ en de ‘Noorddijkerweg’. Deze lijnen dateren uit een cultuurperiode die voorafgaat aan de afgebeelde verkaveling. Later wordt met de Sint Walfridusweg de oude Kleiweg bedoeld, die we nu kennen als Bedumerweg. Tussen de grotendeels door de Hunze omgeven Borgham en de Sint Walfridusbrug liep deze vermoedelijk over de oostelijke oeverwal van de Hunze.

De plaats van de aqueductus

De gele lijnen geven de kerspelgrenzen aan, de rode lijn is de Wolddijk.
Het veronderstelde tracé van ‘de weg van de brug van de heilige Walfridus’ is aangegeven met een bruine stippellijn.

Enigszins gewijzigde afbeelding uit Een kronkelend verhaal.

Vraag 8: Waar is de aqueductus gebouwd ?

De omschrijving van de plek waar de nieuwe aqueductus moest worden aangelegd is niet eenduidig. De Latijnse tekst laat twee interpretaties toe, samenhangend met de twee betekenissen van het Latijnse aqueductus (‘zijl’ en ‘zijltocht’). De aqueductus (in de betekenis van ‘zijl’) moest komen ten zuiden van de weg van de brug van de Heilige Walfridus, of (in de betekenis van ‘zijltocht’) vanaf een plek ten zuiden van die weg. Misschien mogen we het verschil tussen de twee interpretaties vergeten en aannemen dat met het ene woord aqueductus beide betekenissen zijn bedoeld: ‘een zijltocht met bijbehorende zijl’ dus. Dat geheel moest dan komen ten zuiden van de via pontis sancti Walfridi (‘weg van de brug van de Heilige Walfridus’), een weg waarvan we niet met zekerheid weten waar hij lag, maar waarvan het mogelijke verloop op het nevenstaande kaartje is aangegeven met een bruine stippellijn. Als deze suggestie juist is, zou de geknikte watergang ten westen van Noorderhoogebrug die op de topografische kaart als ‘Nieuwe Gat’ staat aangegeven, de aqueductus kunnen zijn die we zoeken.

In theorie waren er ook andere varianten voor de waterlossing mogelijk. Eén daarvan is aangegeven met een blauwe stippellijn. Dit tracé kwam echter niet in aanmerking vanwege het feit dat het ten noorden van de weg van de brug van de Heilige Walfridus loopt en in de akte uitdrukkelijk was bepaald dat de aqueductus ten zuiden van die weg moest komen.

Ik vermoed daarom dat met de aqueductus van de oorkonde van 1321 inderdaad het ‘Nieuwe Gat’ wordt bedoeld. In die tijd behoorde dit gebied nog tot de Hunsingoër parochie Beijum. Dat daarover met ‘het buitenland’ moest worden overlegd, komt door de effecten die de aanleg van de zijl zou kunnen hebben voor de inwoners van andere gebieden die op de Hunze afwaterden.

Door deze nieuwe zijltocht werd het water vanuit het woldland benedenstrooms op de Hunze gebracht. Op die manier kon men concurrentie met het Noorddijkster water vermijden. Bovendien was het woldland hierdoor bij laag water ‘het eerst aan de beurt’ om zijn water te lozen.

De verkaveling van het gebied ten noorden van het Nieuwe Gat lijkt te zijn afgeleid van de in 1321/1322 gegraven waterlossing. Zou dit buitendijkse gebied voordien niet of nauwelijks zijn gebruikt?

De orginele latijnse tekst zegt dat de aqueductus moet komen ab austro vie Sancti Walfridi. Ik heb ab austro steeds vertaald als ‘ten zuiden van’ en heb verondersteld dat ‘de weg van de brug van de heilige Walfridus’ heeft gelopen over een tracé dat evenwijdig liep aan de Beijumerzuidwending. Ik heb dit steeds een zwak punt in mijn betoog gevonden en ben daarom blij dat ik onlangs tot het inzicht kwam dat we deze hypothetische weg helemaal niet nodig hebben. Alles draait om de vertaling van de latijnse woorden ab austro. In Een kronkelend verhaal en ook hierboven heb ik betoogd dat ab austro ‘ten zuiden van’ betekent. Dat is correct. Maar je kunt die twee woorden ook – heel letterlijk zelfs – opvatten als ‘van het zuiden van’.

Tot mijn schande moet ik bekennen dat ik al veel eerder tot dit inzicht had kunnen komen als ik meer vertrouwen had gehad in de al eerder genoemde Herman Elderwolt, pastoor van de Akerk, die in 1525 een vertaling van de oorkondetekst maakte en de woorden ‘ab austro vie Sancti Walfridi’ vertaalde met ‘vant suijden des weghes der brugge sunte Walfridi’.

Uit de vertaling van pastoor Herman Elderwolt: ‘vant suijden des weghes der brugge sunte Walfridi’. Uitsnede uit GrA T2241-5. Uit de vertaling van pastoor Herman Elderwolt: ‘vant suijden des weghes der brugge sunte Walfridi’. Uitsnede uit GrA T2241-5.

Om het helemaal helder te maken moet ik toch nog een kleine ingreep doen en ‘van het zuiden’ interpreteren als ‘van het zuidelijke uiteinde van’. Op deze manier opgevat kan met ‘de weg van de brug van de heilige Walfridus’ immers gewoon de Wolddijk bedoeld zijn en past de plaatsaanduiding precies bij de – nog altijd bestaande – situatie. Het oostelijke einde van het Nieuwe Gat bevindt zich immers op de plek waar de Wolddijk bij de Beijumerzuidwending en de noordelijke dijk langs de Hunze uitkomt. De lezing ‘van het zuidelijke uiteinde’ voor ‘het zuiden’ komt me heel acceptabel voor, zeker wanneer ik me verplaats in de situatie van de klerk (‘clericus’) die in 1322 de Latijnse tekst van de twee akten moest opstellen. Hoe vertaal je ‘van het zuidelijke uiteinde van de weg van de brug van de heilige Walfridus’ in het Latijn? Ik zou wellicht gedacht hebben aan ab australi fine vie Sancti Walfridi of ab australi terminatione vie Sancti Walfridi, maar na wat aarzelingen zou ik misschien ook wel uitgekomen zijn bij het eenvoudige ab austro vie Sancti Walfridi.

Op de kern van het verhaal heeft deze herziene interpretatie geen invloed, maar ik ben toch blij dat ik van de zwakke hypothese af ben.

Het geknikte tracé van het Nieuwe Gat is geconstrueerd aan de hand van twee lijnen die in het veld zijn uitgezet. Het westelijke deel van het Nieuwe Gat is geraaid op de kerk van Dorkwerd, het oostelijke op die van Wierum.

Volgens de gemaakte afspraken moest de zijl tijdens ‘de derde eb’ worden gesloten. Dat betekent dat men de sluis zo moest bouwen, dat het binnenwater naar believen kon worden vastgehouden, ook wanneer dat hoger stond dan het buitenwater. Met andere woorden: men kon niet volstaan met een simpele spuisluis, er moest een complex, bestaande uit vloed- en ebdeuren, worden gebouwd.

De constructie van het Nieuwe Gat De constructie van het Nieuwe Gat

Vanaf de plek waar de zijlen werden gebouwd zette men een lijn uit die in het verlengde lag van de lijn tussen de zijl en Dorkwerd. Op dit kaartje is die lijn tot aan de Wolddijk doorgetrokken. Wanneer de gravers deze richting tot aan de Wolddijk zouden hebben aangehouden, zouden ze zijn uitgekomen op een punt dat ten noorden lag van het zuidelijke uiteinde van ‘de weg van de brug van de heilige Walfridus’. Afgesproken was echter, dat de nieuwe zijltocht ten zuiden van de via pontis Sancti Walfridi moest komen. Daarom raaide men vanaf het westelijke uiteinde van de noordelijke sloot van de Beijumerzuidwending een lijn op de kerk van Wierum en volgde bij het graven van de zijltocht die lijn tot het snijpunt met de op Dorkwerd geraaide lijn.

Deze gang van zaken biedt een verklaring voor de typische knik die het Nieuwe Gat vertoont. Omgekeerd is de knik in het Nieuwe Gat een indirect argument voor de stelling dat de akte van 1321 inderdaad de aanleg van het Nieuwe Gat betreft. De twee richtingen waarvan deze knik getuigt verwijzen immers naar de twee alternatieven die toen voorlagen.

Vraag 9: Wat is een aqueductus ‘in’ een rivier ?

Velen – onder wie ook ikzelf – hebben gedacht dat het Nieuwe Gat oorspronkelijk gegraven is als afsnijdingskanaal voor de Hunze."21" Bij nadere beschouwing is dat erg onwaarschijnlijk. Wie zou zo’n ingreep hebben kunnen verrichten en waarom? Bovendien is het raar dat er geen enkele schriftelijke bron is die daarvan melding maakt.

Toch gebiedt de eerlijkheid om nog eens te wijzen op de onduidelijkheid van de akte van 1321, die er debet aan is dat deze tekst zich zo moeilijk interpreteren laat. Het plaatje laat zien dat de nieuwe zijl niet ten zuiden van de Weg van de H. Walfridus ligt, maar – een beetje – ten noorden ervan. Maar de zijltocht begint wel ten zuiden van die weg. Daar, waar in de akte staat dat de aqueductus ten zuiden van de weg moest liggen, betekent het woord aqueductus dus meer ‘zijltocht’ (de ´watertucht´ van Herman Elderwolt) dan ‘zijl’.

Maar de Latijnse woorden aqueductus in amne doen vermoeden dat er ‘een zijl in de rivier’ wordt bedoeld, en dan in die zin, dat de zijl het afstromen van het rivierwater moest reguleren. Enkele onderzoekers hebben ook aan die mogelijkheid gedacht.

Als mijn eigen interpretatie juist is – en daaraan twijfel ik niet – , de nieuwe sluis tussen Koekoek en Nadorst lag (zie het volgende hoofdstuk) en het Nieuwe Gat de zijltocht van 1321-1322 is, dan had dat in het Latijn misschien beter kunnen worden uitgedrukt met aqueductus in amnem (‘een zijltocht naar de rivier toe’).

De aansluiting van het Nieuwe Gat op de Beijumerzuidwending

  1. Geuzenweg
  2. Van Starkenborghkanaal
  3. Molenstreek
  4. Wolddijk
  5. Noordzeeweg (N370)
  6. Innersdijkster sloot van de Beijumerzuidwending met Groningerweg
  7. Boterdiep

De situering van het Nieuwe Gat laat zien dat deze watergang niet gegraven kan zijn om de Hunzekronkel rond de Borgham af te snijden, maar dat het de bedoeling moet zijn geweest om hierlangs het water van de noordelijke sloot langs de Beijumerzuidwending af te leiden.

Als er wat afgesneden is, dan is dat niet de rivier, maar de Borgham, onderdeel van het kerspel Beijum, dat ten tijde van de overeenkomst nog een zelfstandige parochie was, maar in de vijftiende eeuw bij die van Zuidwolde is gevoegd.

Nog eens vraag 3: Wie zijn waarom en hoe betrokken bij de zaak ?

Wie zijn bij de twee akten betrokken? Wie zijn bij de twee akten betrokken?

We weten nu wat ‘de zaak’ is: de aanleg van het Nieuwe Gat in het kerspel Beijum.

De direct betrokkenen (de ‘bouwers’) zijn de inwoners van het Centrale Woldland, wier waterafvoer moest worden verbeterd. De rechters van Hunsingo en Fivelgo zijn de autoriteiten achter de inwoners van Innersdijk en Vierendeel en de Acht Zijlvesten. De raadsheren van Groningen vertegenwoordigen degenen die binnen het stadsgebied van Groningen belang hebben bij afwatering op de Hunze. Dat zijn in elk geval de landgebruikers van de stadshamrikken. Maar ook de stad zelf watert voor een deel op de Hunze af. Bovendien maken de Groningers gebruik van de rivier door deze met hun schepen en schuitjes te bevaren. Het dichtslibben van de waterloop is niet alleen slecht voor de afwatering, het belemmert ook de scheepvaart.

De inwoners van de prefectuur (Noorddijk, Middelbert, Engelbert en Kropswolde) zijn geen partij, maar zitten wel in hetzelfde schuitje als de Groningers. De bouw van de nieuwe sluis kan ook hun waterafvoer en scheepvaart hinderen.

De passage over de ‘derde eb’ (nummer 5 van de tekst) doet vermoeden dat er al vóór 1321 een afspraak heeft gegolden waarbij de waterafvoer van Groningen en Drenterwolde was veiliggesteld door de regeling dat 1 op de 3 laagwaters exclusief voor hen zou zijn. Anders gezegd: Groningen en Drenterwolde mochten altijd lozen, maar de ebdeur van het Nieuwe Gat mocht maar twee laagwaters achter elkaar open staan; bij de derde eb moest ze gesloten zijn.

Vraag 10: Waarom twee oorkonden voor dezelfde zaak ?

Het stuk dat we besproken hebben ziet er uit als één oorkonde, maar uit de analyse bleek dat het in werkelijkheid twee teksten zijn. Dit heeft te maken met de verhouding tussen de stad Groningen en dat deel van de prefectuur dat Drenterwolde wordt genoemd.

Ooit waren die min of meer één geheel en werden vanuit Groningen namens de bisschop van Utrecht bestuurd door de prefect. Na c. 1251 hadden de prefecten in de stad weinig meer te vertellen. Ze hielden alleen de regie over Drenterwolde. Doordat de leden van de prefectenfamilie hun functies en rechten onder elkaar verdeelden, konden er tegelijkertijd meer personen zijn die zich ´prefect´ mochten noemen.

De toedracht is vermoedelijk als volgt geweest. In 1321 is de overeenkomst tussen Groningen en zijn buren in de Friese Ommelanden gesloten. Daarvan is een oorkonde opgemaakt, maar dat stuk is niet bewaard gebleven. In het overleg met de Friese buren zijn de raadsheren van Groningen opgekomen voor de belangen van de Drenterwolders, die identiek waren met die van de Groningers zelf. Het lijkt erop dat de prefecten niet aan dat overleg hebben deelgenomen en pas een half jaar later hebben bedacht dat ook hun onderdanen formeel partij moesten zijn bij deze overeenkomst.

Er is nog een 11e vraag te stellen (en te beantwoorden): waarom is men juist in 1321-1322  overgegaan tot het maken van een nieuwe zijltocht?

De reden kan gelegen zijn in de wateroverlast waardoor Friesland (en eigenlijk heel West-Europa) in de voorgaande jaren werd geteisterd. Vanaf 1314 berichten kroniekschrijvers in Engeland, Duitsland en Frankrijk over maandenlang aanhoudende regen, buiten hun oevers tredende rivieren en stormvloeden. In de jaren 1315-1316 is sprake van grote hongersnood, nog verergerd door pestepidemieën. In Keulen zouden 30.000 mensen zijn omgekomen, in Mainz 16.000 en in Straatsburg 13.000. Het is begrijpelijk dat de bevolking en ook de autoriteiten zich genoodzaakt hebben gezien om maatregelen te nemen ter voorkoming van herhaling van deze rampen. Uit het jaar 1323 zijn er berichten over ingrijpende veranderingen in het waterstaatswezen in Holland en het Sticht Utrecht."22"

Het is dus zeer aannemelijk dat niet alleen de eerder aangestipte veranderingen in bodemhoogte geleid hebben tot de noodzaak om de afwatering van het Woldland te verbeteren, maar dat ook de extreme wateroverlast van de jaren 1314-1315 een handje heeft meegeholpen.

15.

GrA T2041-1473.

16.

GrA T2100-52 (1258).

17.

GrA T172-20 fol. 37v (regest nr. 264).

18.

Zie voor een voorproefje mijn voordracht ‘Beijum – van grensgeval tot bloemkoolwijk’

19.

Remi van Schaïk, Walfridus van Bedum. Een duizend jaar oude Groninger overlevering (Groningen 1985), 57.

20.

GrA T708 reg. nr. 8 (29 september 1408).

21.

Zie bijv. B.W. Siemens in zijn aantekeningen bij de oorkonde van 1321 (GrA T1761-4996).

22.

Ubbo Emmius, Rerum Frisicarum Historia XIII (Leiden 1616) 190; J. Buisman, Duizend jaar weer, wind en water in de Lage Landen dl. 2 (Franeker 1996) 35-37, 63, 68, 76.