Zoek op de website

4.2 	Zijlen bij Schilligeham (1323)

 Een ambitieus project Een ambitieus project

Zolang de vloed vrij toegang had tot de gezamenlijke benedenloop van Hunze en A viel er aan de voortschrijdende opslibbing in de Paddepoel weinig te doen. Maar in 1323 nam het cisterciënser nonnenklooster Essen – dat omstreeks 1215 is gesticht en zich weldra onder de bescherming van de abdij van Aduard heeft begeven – het initiatief tot een ambitieus project, dat bedoeld was om het effect van het hoge getij uit te schakelen en op die manier de lozingsmogelijkheden van de lage landen via de Hunze te verbeteren.

Door het bouwen van een dam met zijlen bij Schilligeham, ver weg aan de benedenloop van de Hunze, zou de bedding boven de dam een grote bergboezem worden, waarin het water kon wachten om op zee geloosd te worden wanneer bij eb de sluisdeuren open gingen.

Let wel: dit gebeurde vrijwel onmiddellijk nadat Innersdijk met het ‘Nieuwe Gat’ zijn waterlossing op de Hunze had gebouwd. Maar vreemd genoeg waren noch de Innersdijksters, noch de Acht Zijlvesten bij het project betrokken. Ook de stad Groningen had er niets mee te maken. Wél mee deden Go en Wold (het hoge en lage deel van het Gorecht, Haren, Noordlaren, Noorddijk, Middelbert, Engelbert, Westerbroek, Kropswolde en Wolfsbarge) en de Noorddrentse dorpen Eelde en Yde. Via de Drentse A waterden ook zij op de benedenloop van de Hunze af.

Op het kaartje is de plaats van de te bouwen waterwerken aangegeven met een rode cirkel. De rode stippen markeren de plaatsen die aan het project meededen. Ook de locatie van de stad Groningen en het klooster Essen is aangegeven.

Een akte uit 1323 maakt melding van nieuwe sluizen bij Schilligeham Een akte uit 1323 maakt melding van nieuwe sluizen bij Schilligeham

Bij oorkonde nr. 276 in het oorkondenboek van Groningen en Drenthe staat de volgende kopnoot: ‘Het klooster Essen en de kerspellieden van een aantal dorpen in het Goorecht sluiten een overeenkomst met het Winsumer zijlvest over waterloozingen’.

In toegang 172 van de Groninger Archieven luidt de beschrijving bij inventarisnummer 156: ‘Akte van verklaring door het klooster Essen, de kerspellieden en parochianen van Noordlaren, Haren, Eelde, Middelbert, Noorddijk, Engelbert, Kropswolde, Westerbroek en Wolfsbarge over de aanleg en het onderhoud van waterlopen bij Schilligeham. Met afschrift, 1323.’

De tekst van het bijbehorende regest 22 is wat uitvoeriger en geeft de namen in de oorspronkelijke spelling: ‘Het convent van Jesse en de kerspellieden en parochianen van Northlaren, Haren, Elethe, Middelberd, Northdic, Egniberde, Crepiswald, Broke en Berge, belanghebbenden bij een nieuwe waterloop bij het voorwerk, gelegen in Hammis en geheten Skilgaforwerck, beloven met behulp van het zijlvest van Winzum een nieuwe waterloop te zullen maken als de oude in verval is geraakt, en tevens de westelijke waterloop in Gershusum in behoorlijke toestand te zullen houden.’

Schilligeham met omgeving Schilligeham met omgeving

Dit plaatje is een combinatie van een satellietfoto en de AHN hoogtekaart. Hierdoor zijn de patronen zichtbaar die het stromende water in dit gebied heeft achtergelaten.

  1. De ‘Baatjeborg-kronkel’ ten westen van Winsum; hier bevond zich mogelijk de oudste monding van de Deel in de benedenloop van de Hunze
  2. Deel of Delf (Winsumerdiep)
  3. Het omstreeks 1400 gegraven Aduarderdiep"1"
  4. Het afsnijdingskanaal dat in 1629 bij Garnwerd is gegraven
  5. De toen afgesneden rivierkronkels bij ‘de Raken’ (het huidige ‘Oude Diepje’
Twee akten van vrijwaring (1323) Twee akten van vrijwaring (1323)

In verband met de nieuwe werken bij Schilligeham zijn meerdere akten opgemaakt. Twee daarvan zijn bewaard gebleven. Ze zijn beide in het Latijn gesteld en dateren allebei uit 1323, maar dag en maand worden niet gegeven. Om ze van elkaar te kunnen onderscheiden noem ik ze A en B. De twee oorkonden gaan niet over het graven van waterlopen of de bouw van zijlen, maar zijn opgesteld om de afspraken vast te leggen die betrokkenen met elkaar hebben gemaakt voor het geval de geplande waterstaatkundige ingrepen onverwachte nadelige gevolgen zouden hebben. Er zal ongetwijfeld ook een akte zijn opgemaakt over de bouw van de zijl, maar die is verloren gegaan.

In het eerste stuk (oorkonde A) verklaren de initiatiefnemers dat zij de landeigenaren die verenigd zijn in het Winsumerzijlvest zullen vrijwaren van schade die zou kunnen optreden als gevolg van de nieuwe zijlen.

Het tweede stuk (oorkonde B) is een nadere akte van vrijwaring. Hierin verklaart een groot aantal met naam, toenaam en woonplaats genoemde personen garant te zullen staan voor de borgen die in de eerste overeenkomst werden gesteld.

Oude monding van de Deel

  1. Aduarderdiep
  2. Winsumerdiep
  3. Reitdiep
  4. (Winsumer) Oldenzijl
  5. ‘Baatjeborgkronkel’
  6. Schilligehamstertocht

De rode stip geeft de locatie van boerderij Baatjeborg aan.

Dit hoogtekaartje geeft de huidige situatie weer. Omstreeks 1320 was het Aduarderdiep er nog niet en het is niet duidelijk of er al een stuk van het huidige Winsumerdiep bestond. Het rechte kanaal ten oosten van Garnwerd, tegenwoordig deel van het Reitdiep, is pas in 1629 gegraven.

De akten van 1323 dateren uit hetzelfde jaar als de oude ‘zijlbrief’ van het Winsumerzijlvest, waarin de regels voor deze organisatie zijn vastgelegd. We mogen aannemen dat het zijlvest de uitmonding van de Deel beheerde, maar weten niet met zekerheid waar de Winsumerzijl toen lag. Het kan zijn dat die lag op de plek die nu Oldenzijl heet, 850 meter ten zuidwesten van de kerk te Winsum. Vóórdat de Oldenzijl werd gebouwd mondde de Deel waarschijnlijk – zonder zijl – uit in de kronkel langs boerderij Baatjeborg. De Schilligehamstertocht voerde waarschijnlijk water af uit de omgeving van Maarhuizen en Ranum, ten noorden van Schilligeham (niet op het kaartje).

Nu volgt eerst een vertaling van oorkonde A.

OGD I 276 (1323)"2"

Akte van verklaring door het klooster Essen, de kerspellieden en parochianen van Noordlaren, Haren, Eelde, Middelbert, Noorddijk, Engelbert, Kropswolde, Westerbroek en Wolfsbarge over de aanleg en het onderhoud van waterlopen bij Schilligeham. Met afschrift, 1323.

[1]

Wij, het convent van Jesse van het Utrechtse diocees, en alle burgers of parochianen van de hieronder genoemde parochies, namelijk Noordlaren, Haren, Eelde, Middelbert, Noorddijk, Engelbert, Kropswolde, Westerbroek, Wolfsbarge, die behoren bij de nieuwe zijlen in de Hammen, Skilgaforwerch genaamd, maken bekend aan alle Christengelovigen, zowel die van nu als die van de toekomst,

[2]

dat wij hebben beloofd de gemeenschap of universitas van de zijlen in Winsum(1) schadeloos te zullen houden voor wat betreft de vier zijlen,(2) de daarbij behorende dijken en het afstromen van ons water, voor het geval er door het water op enige manier schade zou optreden aan hun afstroom beneden het terrein van de zijl(3) – tenzij iemand die sluizen met geweld vernielt, want dan zullen we dat samen met de zijlvesten van Winsum en op gemeenschappelijke kosten afweren – en beloven door middel van dit geschrift dit te zullen doen naar de kostenraming en schatting van het convent in Aduard en de pastoors van kerken van de landen Hunsingo en Fivelgo en hun advocaten.

  1. Het woord ‘zijlen’ staat in deze vertaling voor het Latijnse aqueductuum. Dat is de tweede naamval meervoud van aqueductus dat, zoals we de vorige keer hebben gezien, een watertocht kan zijn, maar ook een zijl of simpele ‘pomp’ of duiker.
  2. Worden met ‘de vier zijlen’ de nieuwe sluizen in de Hammen bedoeld, of gaat het over reeds bestaande kunstwerken?
  3. Enkelvoud. Is het woord ‘zijl’ hier als een soort collectivum gebruikt? Onduidelijk is of hier de te bouwen of de reeds bestaande zijl is bedoeld.

[3]

We beloven ook dat we, als de oude loop(1) gebrekkig mocht worden of vergaan, een nieuwe waterloop zullen graven met hulp van de zijlvesten van Winsum en met gezamenlijke arbeid en kosten, of dat we datgene wat wij hebben gemaakt, zullen verwijderen en opschonen met eigen inspanningen en op eigen kosten.

  1. Welke watergang wordt hier bedoeld? Het kan gaan om de Hunzebedding beneden Winsumerzijl (4 op het kaartje) of die bij de Schilligehamstertocht (6 op het kaartje).

[4]

En de westelijke zijl in Garsthuizen(1) zullen we in zijn huidige toestand handhaven zoals we verplicht zijn te doen.

  1. In de Latijnse tekst staat ‘Gershusum’. Deze naam (‘Grashuizen’) komt in akten uit deze tijd voor als de gewone spelling voor Garsthuizen.

[5]

Tot getuigenis van dit alles in het algemeen en het bijzonder hebben we dit geschrift laten bekrachtigen met de zegels van het landschap Drenthe en de abdis van Essen.

[6]

We hebben verder Asego Liuppinga, Liubbe Sibekinga, Rembertus Skerlinga aangewezen als borgen voor die van Fivelgo(1), Fredericus Widerza en Bevo Poptata voor de gemeenschap van Bederawaynredene(2), Henricus Osdinga, Ondolphus Remburgisz en Popeko Aldama voor die van het Halfambt, Asego van Middelstum, Dodo Wabkema, Hayo Onninga en Focko Mellama buta Dele(3) voor die van het Oosterambt, alsmede de erfgenamen van alle genoemde personen en stellen hen hierbij als borgen aan inzake het voorgaande, en wel voor de tijd van acht jaren, te rekenen vanaf de dag dat de sluizen en dijken zullen(4) zijn voltooid.(5)

  1. Tot het Winsumerzijlvest behoorden zowel Hunsingoër als Fivelgoër kerspelen. Via het Kardingermaar maakten ook Stedum en het Vierendeel gebruik van de Winsumerzijl. De Buursterzuidwending (nu de Stadsweg) was de zuidgrens van het zijlvest.
  2. De Friese benaming van de ‘Bedumer wagenreed’, een van de vier onderdelen van het oude Winsumerzjlvest. Er werd in deze tijd nog volop Fries gesproken in de Ommelanden.
  3. ‘Ten noorden van de Deel’. ‘Buppa Dele’ (ten zuiden van de Deel) liggen de Hunsingoër kwartieren Middag, Ubbega en Innersdijk.
  4. Het werk is dus nog aan de gang of moet zelfs nog beginnen.
  5. De initiatiefnemers stellen borgen die gegoed (en waarschijnlijk ook woonachtig) zijn in het gebied van de wederpartij. Dit maakt het voor de wederpartij mogelijk om, wanneer de borgstellende partij in gebreke blijft, binnen het eigen rechtsgebied en onder het regiem van de eigen rechtsregels dwangmaatregelen te nemen, zoals beslag te leggen, pandhaling te doen of over te gaan tot executie. Deze vorm van borgstelling zullen we ook tegenkomen bij andere overeenkomsten tussen partijen die tot verschillende rechtskringen horen.

[7]

Dit is gedaan in het jaar des Heren 1323.

[8]

Elke zijl moet 20 voeten breed zijn.(1)

  1. Deze slotbepaling hangt er wat vreemd bij. De maat van de nieuwe sluizen duidt op scheepvaartverkeer.

NB  De notities achterop de oorkonde luiden: ‘de aqueductu’ (letterlijk: ‘over de waterleiding’) en ‘de novis aqueductibus prope grangiam Schilgheham positis et conservandis’ (letterlijk: ‘over de nieuwe waterleidingen die bij het voorwerk Schilligeham geïnstalleerd zijn en beheerd moeten worden’). Het is niet duidelijk waarom de ene notitie het enkelvoud hanteert en de andere het meervoud. De tekst zelf maakt melding van de ‘novos aqueductus apud grangiam in Hammis’ (‘nieuwe waterleidingen bij het voorwerk in de Hammen’).

 De tweede akte van vrijwaring (1323) De tweede akte van vrijwaring (1323)

De tekst van oorkonde B (OGD I 277) zullen we niet helemaal bespreken. We beperken ons tot een overzicht van de inhoud.

Onder de plaatsen waar de bij deze zaak betrokken personen wonen worden ook Hemmerwolde, Den Hoorn en Dilgt genoemd. Deze buurtschappen of woonsteden liggen aan de westzijde van de Hondsrug onder Haren. Hieruit blijkt dat de onderneming ook het stroomgebied van de Drentse A betrof.

De gezamenlijke inwoners van alle nederzettingen in Go en Wold, alsmede van enkele dorpen in Noord-Drenthe, allen belanghebbenden bij de nieuwe zijlen bij Schilligeham, verklaren in deze oorkonde dat zij de kloosterlingen van Essen en de in oorkonde A gestelde borgen zullen vrijwaren van claims, afkomstig van de Winsumerzijlvesten. Ter bevestiging van deze belofte stellen ze ook zelf weer borgen, die hebben toegezegd om, wanneer er inderdaad schade zou optreden, elk 60 schilden te betalen aan het klooster van Essen.

Daarop volgt een lijst van personen die zich bereid hebben verklaard om als ‘tweedelijns-borgen’ op te treden, ingedeeld naar hun woonplaatsen: eerst de dorpen en nederzettingen van Go (Noordlaren, Midlaren, Glimmen, Onnen, Haren, Hemmerwolde, den Hoorn, Dilgt en Helpman), dan de Drentse dorpen Eelde en Yde, en tenslotte de kerspelen en nederzettingen van Drenterwolde (Wolfsbarge met Everswolde (!), Kropswolde, Westerbroek, Noorddijk, Middelbert en Engelbert).

Tenslotte beloven de genoemde gemeenschappen dat ze ook de in de lijst genoemde personen schadeloos zullen houden. Deze gemeenschappen zou je dus ‘derdelijnsborgen’ kunnen noemen.

De rechtshandeling heeft plaatsgevonden ten overstaan van Egbertus en Egbertus, ‘heren en rechters in Groningen’ en enkele andere autoriteiten. We kennen hen van de akte van 1322 over de deelname van Drenterwolde aan de overeenkomst over het Nieuwe Gat.

De oorkonde die ervan is opgemaakt, is bekrachtigd geweest met vijf zegels, waarvan er twee zijn overgebleven: dat van – opnieuw – het landschap Drenthe en dat van prefect Egbertus in Groningen.

Opmerkelijk is dat het Drentse Everswolde bij Drenterwolde wordt genoemd. Wellicht komt dat doordat Wolfsbarge en Everswolde, als Aduarder kolonies, voor het gevoel bij elkaar hoorden.

Niet alle gemeenschappen die voor hun waterlossing gebruik maakten van Hunze en A, staan in het lijstje van belanghebbenden. Innersdijk en het Vierendeel ontbreken. Opmerkelijk – en ook niet goed te verklaren – is het ontbreken van de stad Groningen in de opsomming van belanghebbende partijen. Ook de stad en de stadshamrikken waren voor hun afwatering aangewezen op de genoemde rivieren. Dat geldt ook voor een deel van het landbezit van de conventen van Aduard en Selwerd, maar ook zij zijn niet betrokken bij het project.

Dat Lieuwerderwolde (Hoogkerk en Leegkerk) niet wordt genoemd komt doordat dit gebied op de Hunsinge (Peizerdiep) loosde. Die rivier was vermoedelijk al vroeg (nog vóór de stichting van het klooster te Aduard?) via een sloot tussen Hoogemeeden en Leegkerk – het huidige Aduarderdiep – naar een inbraakgeul geleid, die vanaf Saaksum-Ezinge tot voorbij Aduard reikte."3"

Zoals gezegd staat in oorkonde B niets over de nieuwe zijlen en zijn de mededelingen in oorkonde A wel heel karig. We lezen daarin alleen dat de zijlen gebouwd worden bij het voorwerk ‘in Hammis’, of wel bij het (Aduarder) Voorwerk dat ‘door het volk’ Schilligeham wordt genoemd. Die plek ligt maar liefst 10-30 km verwijderd van de nederzettingen die belang hadden bij de nieuwe werken.

Oorkonde A maakt niet duidelijk over welke amnis (‘rivier’) het gaat en wat het doel van de nieuwe zijlen was. Er is echter moeilijk iets anders te bedenken dan wat ik aan het begin heb gezegd: het bij opkomend getij afsluiten van de Hunze om te voorkomen dat de afwateringsfunctie van die rivier tweemaal per etmaal door de vloed werd gehinderd. Misschien heeft men ook behoefte gehad aan een mogelijkheid om bij eb water vast te houden, zodat boven de zijlen scheepvaart mogelijk bleef.

Maar het kan geen kwaad om nog eens te onderstrepen dat het hier om niet meer dan een poging tot interpretatie gaat.

Ook het landschap geeft geen duidelijke aanwijzingen bij het zoeken naar de plek die in 1323 werd bedoeld. Toch valt er wel het een en ander te zeggen over de streek waar de zijlen moesten komen.

Het Voorwerk Schilligeham gezien vanuit het noorden Het Voorwerk Schilligeham gezien vanuit het noorden

Oorkonde A spreekt over de ‘grangia in Hammis’ (‘het voorwerk in de Hammen’). ‘Hammen’ is meervoud. Dat past goed bij de situatie ten zuidwesten van Winsum, want het woord ‘ham’ dient om een grotendeels door water omgeven stuk land aan te duiden. Tussen Winsum en het latere Aduarderzijl zijn verschillende kronkels en dus ook verschillende ‘hammen’ te zien. Het lijkt erop dat de monniken van Aduard hier land hebben aangewonnen door indijking en het afdammen en vergraven van waterlopen.

Landbezit van Aduard met de Winsumer Oldenzijl

Het kaartje is gemaakt met behulp van de gegevens van de Historische Atlas van Siemens; de op de onderliggende kadasterkaart ingetekende waterstaatkundige elementen zijn die van het begin van de negentiende eeuw. Veel daarvan bestond zes eeuwen eerder nog niet.

De rode cirkel geeft de plaats aan van het Aduarder voorwerk ‘Schilligeham’; het pijltje wijst naar het kanaal dat het water van de Deel naar de Winsumer Oldenzijl bracht.

Ofschoon Essen optrad als de initiatiefnemer voor de ‘nieuwe zijlen’ bij Schilligeham, lijkt het onwaarschijnlijk dat dit kleine nonnenklooster echt de hoofdrol heeft gespeeld. Misschien vervulde het die functie alleen ten behoeve van zijn mede-Gorechters en lotgenoten in de strijd tegen het water. Het is aannemelijk dat de grote abdij van Aduard op zijn minst op de achtergrond de regie voerde. Daarbij komt nog dat Aduard zoveel grond bezat in de buurt van Winsum, dat het juist een van de grootste belanghebbenden moet zijn geweest bij de afwatering van het gebied van het Winsumerzijlvest.

Het is goed om er in dit verband op te wijzen dat het landbezit van Aduard ten zuidwesten van Winsum begrensd wordt door de watergang waarlangs de Deel naar de Oldenzijl en de benedenloop van de Hunze stroomt. Wellicht bestond dit kanaal in 1323 al en was de Oldenzijl toen reeds het belangrijkste lozingspunt van de Winsumer zijlvesten.

Het omvangrijke landbezit van Aduard tussen Winsum en Garnwerd heeft ongetwijfeld te maken met de grote meanders die de Hunze in dit gebied maakte en de mogelijkheden die deze boden om land aan te winnen.

Schematische voorstelling van een meanderende rivier Schematische voorstelling van een meanderende rivier

Het linker plaatje laat van links naar rechts de natuurlijke ontwikkeling zien van een door een vlak land stromende rivier. Het is een vereenvoudigd model, want in de werkelijkheid kan een meanderende rivier een ingewikkeld netwerk van kronkels vormen. Afhankelijk van de aard van de ondergrond kan er zelfs een soort vlechtwerk ontstaan. Wanneer daarbij ook nog eb en vloed komen, kan zich een breed moerassig gebied vormen waarin de beddingen alleen bij laag water zichtbaar zijn.

Zoals het laatste plaatje laat zien, zorgt de natuur zelf voor doorbraken. Hierdoor kunnen oude meanders ‘dode beddingen’ worden. De mens kan dit proces bespoedigen door middel van betrekkelijk kleine ingrepen (doorgravingen en bedijkingen). Op die manier kan men grote stukken vruchtbaar land winnen.

Sporen van rivierkronkels op de hoogtekaart  De rode lijn is de huidige weg tussen Garnwerd en Winsum (‘Klein Garnwerd’ en ‘Garnwerderweg’). Sporen van rivierkronkels op de hoogtekaart De rode lijn is de huidige weg tussen Garnwerd en Winsum (‘Klein Garnwerd’ en ‘Garnwerderweg’).

Wanneer we het satellietbeeld combineren met de hoogtekaart zien we ook sporen die in het veld niet zo gemakkelijk herkenbaar zijn. Een samenhangend patroon valt echter maar moeilijk te ontdekken. De sporen zijn alleen tot volledige lussen aan te vullen door aan te nemen dat hele stukken oude bedding later zijn overslibd. Ik heb tussen Tijum en Schilligeham met enkele vage blauwe lijnen aangegeven waar oude beddingen kunnen worden vermoed.

Opmerkelijk is tussen Antum en Valcum (de laatste wierde is afgegraven en op de hoogtekaart zichtbaar als een donker gat"4") de rechte grens tussen gebieden waarvan de bodemhoogte sterk van elkaar verschilt. Hier heeft een dijk gelegen, die gelegd is ter bescherming van het gebied ten zuiden ervan. Ten noorden van de dijk – buitendijks dus – is het land hoog opgeslibd. Een stuk daarvan is afgegraven. Waarschijnlijk is de dijk aangelegd tussen de buitenkanten van twee kronkels. De kronkel bij Valcum is deels ondergeslibd en daardoor onherkenbaar. De dijk sneed de zuidwestwaarts georiënteerde kronkel tussen Garnwerd en Alinghuizen af.

We weten niet met zekerheid hoe de situatie er in 1323 precies heeft uitgezien.

De kijkrichting van de twee volgende foto’s De kijkrichting van de twee volgende foto’s

Ook in het veld zijn ten westen van Winsum nog grote oude rivierkronkels te zien. Hier volgen daarvan twee foto’s. De eerste is genomen vanaf Schilligeham in noordelijke richting (linker pijltje), de tweede vanaf Weidelust in zuidelijke richting (rechter pijltje).

Oude Hunzekronkel tussen Schilligeham en Baatjeborg Oude Hunzekronkel tussen Schilligeham en Baatjeborg

Op de foto zien we een deel van de grote lus ten westen van Winsum. Eerder heb ik deze lus aangeduid als de ‘Baatjeborgkronkel’. Gezien het feit dat in deze bedding, waarvan de breedte varieert van 40 tot 55 meter, geen of nauwelijks opslibbing heeft plaatsgevonden, mogen we aannemen dat deze kronkel reeds vroeg is afgesneden en dat hij in de veertiende eeuw zeker geen Hunzewater meer voerde.

De situatie op deze plek lijkt sterk op die van de Koningslaagte. Ook daar heeft in de afgesneden lussen geen opslibbing plaatsgevonden.

Oude Hunzebedding ten zuiden van Weidelust, naar het zuiden gezien Links de weg tussen Winsum en Garnwerd (‘Klein-Garnwerd’). Oude Hunzebedding ten zuiden van Weidelust, naar het zuiden gezien Links de weg tussen Winsum en Garnwerd (‘Klein-Garnwerd’).

In tegenstelling tot de reeds vroeg afgesneden lus bij Baatjeborg die we zojuist zagen, heeft het op de bovenstaande foto afgebeelde deel van de rivier gefunctioneerd tot het doorgraven van de Raken tegenover Garnwerd (1629).

De situatie rond Schilligeham rond 1320 (hypothese) De gele arcering geeft het landbezit van Aduard aan. De situatie rond Schilligeham rond 1320 (hypothese) De gele arcering geeft het landbezit van Aduard aan.

In 1192 is het klooster Aduard gesticht. In de onmiddellijke omgeving van de abdij zijn weldra natuurlijke waterlopen afgedamd met het doel land in cultuur te brengen. Vermoedelijk hebben de kloosterlingen van Aduard hetzelfde gedaan in de buurt van Winsum. Het gearceerde land was in 1594 in het bezit van het klooster Aduard. De hofmeester (bedrijfsleider) van Schilligeham werd in 1371 grangarius in Hammis genoemd: ‘hofmeester in de Hammen’ (meervoud!) dus."5"

Ik denk dat Aduard vanuit het voorwerk te Schilligeham de afgedamde rivierbeddingen bij Winsum in cultuur heeft gebracht. Daarbij zijn dijken, duikers (‘pompen’) en zijlen gelegd. Hoe dat precies is gegaan weten we niet.

  • De grote Baatjeborgkronkel is op twee plaatsen afgedamd; het ‘eigen’ water uit deze kronkel werd wellicht via een simpel zijltje ten noorden van de huidige boerderij Weidelust op de Hunze geloosd.
  • De Deel kreeg ten zuidwesten van Winsum een nieuwe uitmonding, die werd afgesloten met een zijl (later de Winsumer Oldenzijl of gewoon Oldenzijl genoemd).

Volgens B.W. Siemens is de Winsumer Oldenzijl na 1361 gebouwd, maar deze bewering mist een deugdelijke grond. Siemens dacht dat de sluizen van Schilligeham – de sluizen waarop de twee akten van 1323 betrekking hebben – door de Marcellusvloed van 1361 (moet zijn 1362) zijn weggespoeld en dat men daarna een nieuwe monding voor de Delf heeft gemaakt."6" Dat zou dan de Oldenzijl zijn. Geloofwaardige aanwijzingen voor de juistheid van deze zienswijze ontbreken. Mij lijkt de zijltocht naar de Oldenzijl samen te hangen met het in cultuur brengen van de afgesneden Baatjeborg-kronkel. Als die veronderstelling juist is, kan deze zijl reeds in de dertiende eeuw zijn gelegd.

De pijlen geven de kijkrichting aan van de twee volgende foto’s De bovenste pijl wijst naar de zijltocht die het water van de Deel naar de Winsumer- of Oldenzijl bracht, de onderste naar de plaats van de zijl.

Zijldiep naar de oude Winsumerzijl (Oldenzijl)   De foto is vanuit het noorden genomen. Langs de oude zijltocht loopt nu een wandelroute. Zijldiep naar de oude Winsumerzijl (Oldenzijl) De foto is vanuit het noorden genomen. Langs de oude zijltocht loopt nu een wandelroute.

Dit kunstmatige uiteinde van de Delf kan reeds in de dertiende eeuw zijn gegraven in verband met de landaanwinningswerken die door Aduard vanuit Schilligeham zijn ondernomen. Door het vanuit het Winsumer achterland komende water uit de grote kronkels weg te houden, kon men dit gebied tot ontwikkeling brengen. Dat zou passen bij het feit dat deze watergang de oostelijke begrenzing vormt van het Aduarder kloosterland ten westen van Winsum.

Voormalige Hunzebedding bij de oude Winsumerzijl (Oldenzijl); rechts op de voorgrond de uitmonding van de Delf of Deel

De foto is in westelijke richting genomen (juni 2011). Deze bedding voert sinds het afsnijden van de grote meanders ten oosten van Garnwerd (1629) geen rivierwater meer.
Het is voor ons moeilijk voorstelbaar dat de bescheiden watergang op deze foto het restant is van de route waarlangs zeeschepen tot 1629 van en naar de stad Groningen voeren.

We kijken nog eens opnieuw naar het kaartje waarin een reconstructie van de situatie rond 1320 wordt voorgesteld en dat nu voorzien is van nummers om gemakkelijker naar enkele elementen te kunnen verwijzen.

  • Het reliëf laat zien dat er een dijk is gelegd tussen de rivierbochten bij Antum en Valcum. Het tracé daarvan is hier aangezet met een groene lijn. Door deze dijk werd een kronkel ten oosten van Garnwerd afgesneden. Ook dat gebied moest zijn eigen water kwijt. Waarschijnlijk heeft ten oosten van Antum een zijltje gelegen dat het water uit de afgesneden bocht door de ‘groene dijk’ heen in de Hunze liet stromen (bij 2).
  • Het water dat vanuit de richting Ranum en Maarhuizen kwam werd ter plaatse van de huidige Looptil (300 meter ten oosten van boerderij Baatjeborg, bij 5) via een gegraven watergang buiten om deze kronkel in westelijke richting geleid om via een oude bedding (de Schilligehamstertocht) en een zijltje ten westen van Schilligeham op de Hunze gebracht te worden (bij 1).

De situatie bij Schilligeham rond 1320 (hypothese) De situatie bij Schilligeham rond 1320 (hypothese)

Vooral dat laatste wordt duidelijker wanneer we uitzoomen en de voormalige Hunzemonding in zijn geheel bekijken.

Alvorens dat te doen stellen we vast dat er rond 1320 zeker vier lozingspunten moeten zijn geweest in de buurt van Schilligeham. Van west naar oost zijn dat: een zijl bij de Schilligehamstertocht (bij 1), een zijl ten oosten van Antum (2), een zijl bij Weidelust (3) en de latere Oldenzijl ten zuidwesten van Winsum (4). Het aantal vier is van belang omdat in akte A onder 2 sprake is van vier zijlen bij Schilligeham.

Met het aanwijzen van de vier lozingspunten wil overigens niet beweerd zijn dat dit echt de ‘vier zijlen’ (quattuor aqueductus) zijn waarvan de akte van 1323 melding maakt. We weten immers niet zeker of met deze vier aqueductus vier afzonderlijke lozingspunten zijn bedoeld. Het is ook mogelijk dat het in dit geval over slechts één lozingspunt gaat waar een complex van vier sluisdeuren de loop van het water regelde. Een dergelijk geval zien we later bij Vierverlaten, ten westen van Hoogkerk.

Maar wanneer in de oorkondetekst inderdaad vier verschillende lozingspunten bedoeld zijn, zouden we aan de op het kaartje aangegeven punten kunnen denken. We mogen dan ook aannemen dat de zijltochten die het water naar deze lozingspunten voerden, waar nodig bedijkt zullen zijn geweest, hetgeen eveneens in de bedoelde passage wordt aangegeven.

De voormalige Hunzemonding op de moderne hoogtekaart De voormalige Hunzemonding op de moderne hoogtekaart

Wanneer we uitzoomen tekent de noordwaarts gerichte Hunzemonding zich duidelijk op de hoogtekaart af. Ook de verschillende kwelder- en oeverwallen zijn goed zichtbaar.

Midden op het plaatje, ten zuiden van Eenrum en ten oosten van de oude Hunzebedding, zien we een gekromde oeverwal. Deze is zowat halfrond. Nadat de oude Hunzemonding aan de wadzijde was dichtgeslibd, kreeg de bedding ten westen van deze oeverwal een andere functie. Ze ging lokaal water afvoeren, en wel in omgekeerde richting: naar het zuiden. Het water kwam bij het huidige Schouwerzijl in het Reitdiep uit, dat nu westwaarts in de Lauwerszee uitmondde.

Ten zuidoosten van de kromme oeverwal helt het land naar het zuiden af. Dit is het gebied van Maarslag, Maarhuizen en Ranum. Deze landen hebben oorspronkelijk op de Baatjeborgkronkel geloosd, maar na de afsnijding en ‘inpoldering’ van die bocht kon dat niet meer. Zoals gezegd werd het water wellicht via een buiten de oude rivierbocht gegraven kanaal in westelijke richting afgevoerd naar de Schilligehamstertocht, die ten westen van het voorwerk in de Hunze uitmondde (niet op dit kaartje ingetekend). Zo zou het stuk Winsumerdiep tussen de Looptil (waar het Mensingeweersterloopdiep in het Winsumerdiep uitkomt, bij 5 op het vorige kaartje) in het oosten en de Schilligehamstertocht in het westen tot stand kunnen zijn gekomen.

Als dit juist is, hangt het graven van dit kanaalvak niet samen met de aanleg van de Schaphalsterzijl halverwege de vijftiende eeuw, zoals algemeen wordt aangenomen. Overigens is op de hoogtekaart goed te zien dat men toen een hoge oeverwal heeft moeten doorgraven om het water van het Winsumerdiep via de nieuwe Schaphalsterzijl te kunnen lozen.

Maar misschien is niet alleen het stuk Winsumerdiep ten westen van de Looptil oud, maar kan hetzelfde gezegd worden van het oostelijke stuk, tussen Winsum en de Looptil. Het valt niet uit te sluiten dat men – in samenhang met de afdamming van de Baatjeborg-lus – al meteen een deel van het Deel-water vanaf Winsum buitenom de Baatjeborgkronkel naar het westen heeft gevoerd, waar het – samen met het water van Maarhuizen en Ranum – via de Schilligehamstertocht naar de benedenloop van de Hunze stroomde. In dat geval zouden er – we kijken nu weer naar het kaartje op p. 18 – twee punten zijn geweest waar de Winsumer zijlvesten het water van de Deel loosden: de Oldenzijl of Winsumerzijl (4) en de ‘Schilligehamsterzijl’ (1).

Voor onze interpretatie van de akten van 1323 heeft de onzekerheid over deze varianten geen betekenis. We hebben in totaal vier uitmondingen of zijlen met bijbehorende dijken geteld die de ‘quattuor aqueductus et aggeres aqueductuum’ (‘vier waterleidingen en dijken van waterleidingen’) zouden kunnen zijn waarover akte A van 1323 spreekt.

De zijlen van 1323 (reconstructie) De zijlen van 1323 (reconstructie)

Volgens B.W. Siemens zijn de nieuwe zijlen van 1323 ten zuidwesten van Schilligeham en ten westen van het Reitdiep – ‘in het land van de boerderij Kremer’ (Antumerweg 1) – gebouwd. Hij schrijft dat de oude rivierloop daar nog duidelijk te herkennen is."7"

Het lukt mij niet om die ‘duidelijk herkenbare plaats’ te vinden. Maar het is niet onmogelijk dat de bedoelde zijlen moesten komen op een plaats ten oosten van de huidige boerderij Hunzebocht (Antumerweg 5), ruim 500 meter ten noorden van de wierde Antum. Die plek is op dit plaatje met een pijltje en de aanduiding ‘de zijlen van 1323’ aangegeven.

De uitmonding van de Schilligehamstertocht ligt dan in waterstaatkundige zin ‘beneden het terrein van de zijl’. Aanleg van zeesluizen op de plek ten noorden van Antum zou inderdaad gevaar kunnen opleveren voor het functioneren van die watergang en het aansluitende stuk van de Hunze/Reitdiep-bedding.

Hetzelfde gebied met – in geel – de kerspelgrenzen Hetzelfde gebied met – in geel – de kerspelgrenzen

Ik denk dat de Schilligehamstertocht – deze heeft tegenwoordig een zuiver lokale functie – in de middeleeuwen van veel meer betekenis is geweest dan uit de literatuur blijkt. Daarin wordt met geen woord over het bestaan ervan gerept.

Wanneer we het verloop van de kerspelgrenzen in dit gebied zichtbaar maken, blijkt dat de grens tussen Maarhuizen en Winsum ten dele langs de Schilligehamstertocht loopt.

Dat het belang van deze watergang door onderzoekers van waterstaatsgeschiedenis niet onderkend is, komt ongetwijfeld door de bouw, in 1459, van de Schaphalsterzijl (bij het pijltje linksboven). Hierdoor verloor de Schilligehamstertocht zijn bovenlokale afwateringsfunctie. Maar het feit dat de verkaveling zich naar zijn loop voegt en dat deze watergang de grens vormt tussen de kerspelen Winsum en Maarhuizen wijst erop dat er een tijd is geweest waarin deze tocht wel degelijk van grote betekenis was.

We zien dat de zijlen waarover in 1323 plannen werden gemaakt, op Aduarder grond (gearceerd) zouden worden geplaatst. Wanneer we een nauwe relatie tussen Aduard en Essen mogen aannemen, zal het nauwelijks nodig zijn geweest om over dit project ingewikkelde onderhandelingen te voeren. Maar de mogelijkheid bestond dat de voorgenomen ingreep nadelige gevolgen voor anderen zou hebben. Om die reden was afstemming met de buren noodzakelijk. Het is hetzelfde geval als bij de plannen voor het Nieuwe Gat bij Noorderhoogebrug. Ook daar werd gebouwd binnen de parochie Beijum, maar waren ook andere belanghebbenden bij de zaak betrokken.

Volgens punt 3 van de oorkonde A van 1323 waren er, wanneer zich na de bouw van de nieuwe zijl problemen zouden voordoen, twee alternatieven:

  1. het samen met het Winsumerzijlvest graven van een nieuwe uitwatering voor de Winsumers. Men kan zich voorstellen dat daarbij gedacht werd aan het maken van een nieuwe zijltocht door het land van Aduard in de richting van de latere Schaphalsterzijl;
  2. het herstellen van de oude toestand door het afbreken van de nieuwe zijl.

In de zeventiende eeuw hebben burgemeesters en raad van Groningen een poging gedaan om ten behoeve van de scheepvaart de rivierkronkel af te snijden die in 1323 door het nieuw te graven zijldiep had moeten worden afgesloten. Dat plan werd niet uitgevoerd doordat het Ommelander smaldeel in de Staten niet wilde meewerken."8" Het feit dat de bewuste kronkel in de zeventiende eeuw nog bestond (sterker, hij bestaat ook nu nog!), wijst erop dat het ambitieuze ‘plan van 1323’ niet gerealiseerd is óf dat onze interpretatie niet deugt. Het is in elk geval niet erg aannemelijk dat, zoals Siemens schrijft, de zijlen bij Schilligeham door de Marcellusvloed (1362) ‘zijn weggespoeld’, laat staan dat de Winsumer Oldenzijl gelegd zou zijn ter vervanging van de zijlen van 1323.

Als de hier aangewezen locatie wél de juiste is, heeft men mogelijk wel een begin gemaakt met het werk, maar is het – door welke oorzaak dan ook – niet gelukt om het tot een goed einde te brengen.

Overigens is het nodig om hier nog eens te onderstrepen hoe onzeker de interpretatie van de akten van 1323 is, in het bijzonder die van akte A. Ze bevat termen waarvan de precieze betekenis onbekend is en refereert aan een situatie die alleen gissenderwijs te reconstrueren is. We zagen al dat men met de ‘vier zijlen’ van oorkonde A mogelijk niet de vier door mij aangewezen verschillende lozingspunten op het oog heeft gehad, maar slechts één enkel sluizencomplex bedoelde. Het zal duidelijk zijn dat daarmee een groot deel van het bovenstaande verhaal op losse schroeven komt te staan.

Toch moeten we met deze variant serieus rekening houden. Uit het jaar 1323 is immers nog een andere akte overgeleverd die in dit verband moet worden vermeld. Uit deze tekst, die algemeen wordt aangeduid als de ‘zijlbrief van het Winsumerzijlvest’"9" valt op te maken dat het zijlvest over één zijl beschikte! Dit wil natuurlijk niet zeggen dat er binnen het gebied van het Winsumerzijlvest maar één enkele zijl lag. Het gaat in het bewuste stuk niet om de binnenzijlen en –zijltjes waarvan het onderhoud bij de aangelanden ter plaatse berustte, maar om de grote gemeenschappelijke uitwateringssluis waarlangs het binnenwater op zee (de benedenloop van de Hunze) werd geloosd. Aangenomen mag worden dat met deze uitwateringssluis de zijl bedoeld is die hierboven is aangeduid als de Winsumer Oldenzijl.

Wanneer we deze variant verder vervolgen en daarbij vasthouden aan de door Siemens aangewezen plek voor de ‘zijlen van 1323’ ten noorden van Antum, zou het project van Essen c.s. ertoe leiden dat de Winsumerzijl een binnenzijl werd. Ook in dat geval is het goed denkbaar dat de initiatiefnemers rekening hebben gehouden met de mogelijkheid dat de installatie van nieuwe zijlen ‘beneden’ de bestaande Winsumerzijl nadelig zou zijn voor het afstromen van het ‘Winsumer water’ en dat ze zich om die reden genoodzaakt hebben gezien de in de twee akten van 1323 vervatte garanties af te geven.

Siemens deelt mee dat er al eerder bij Ezinge zeewerende sluizen in de Hunze hebben gestaan."10" Hij doet dit op grond van zijn geloof in de legendarische ‘zeeborg’. Deze zou reeds in de twaalfde eeuw de Ommelander kwelders hebben omsloten. De vermelding van ‘nieuwe sluizen’ in de oorkonde van 1323 wil volgens hem zeggen dat er ‘dus’ ook oude sluizen zijn geweest. Die zouden dan in de zeeborg hebben gelegen. Meindert Schroor heeft deze gedachte overgenomen. Ook hij schrijft dat de Hunze ter hoogte van Ezinge afgesloten is geweest van de zee en dat de kunstwerken zijn weggespoeld."11"

Ik ben ervan overtuigd dat we het idee van zeewerende sluizen bij Ezinge moeten vergeten."12" In het begin van de veertiende eeuw zijn op verschillende plaatsen pogingen gedaan om aan de monding van watergangen naar zee zijlen te leggen. Het meest bekend is de afsluiting van de Delf bij het latere Delfzijl."13" De bedoeling daarvan was kennelijk om de vloed tegen te houden en zo bergboezems te creëren waarop de lage landen konden afwateren. Ik denk dat de veertiende-eeuwse zijlen een novum waren en dat de bouw ervan samenhing met dramatische veranderingen in het landschap.

 De voormalige boerderij Maarhuizen met omgeving op de chromo-topografische kaart De voormalige boerderij Maarhuizen met omgeving op de chromo-topografische kaart

Een paar woorden nog over de Schilligehamstertocht. In ‘Een kronkelend verhaal’ heb ik deze kromme watergang ‘Maarhuistertocht’ genoemd."14" Ik had toen nog geen blik geworpen op de polderkaart van C.C. Geertsema en de ‘Legger Watersystemen’ van het Noorderzijlvest, waarop deze watergang als ‘Schilligehamstertocht’ staat vermeld. Het water dat van Maarhuizen via de Looptil (rechtsboven) naar het Winsumerdiep loopt, staat op de ‘Bonnebladen’ (de afgebeelde kaart) vermeld als ‘Maarhuizerdiep’, maar heet nu officieel ‘Mensingeweersterloopdiep’.

De boerderij Maarhuizen lag nog net in het kerspel Maarhuizen, tegen de kerspelgrens met Winsum aan. Deze boerderij is een van de vele Ommelander heerden die in een oude bedding staan. De boerderij bestaat niet meer. Fietsers kennen de plek doordat er nu een bosje staat.

De omgeving van boerderij Maarhuizen en Schilligeham De omgeving van boerderij Maarhuizen en Schilligeham

Op dit plaatje zijn de locatie van de voormalige boerderij Maarhuizen (in de rode cirkel) en het ‘Notarisbosje’ (het vlekje ten zuidoosten van de boerderij) herkenbaar. Het ‘Notarisbosje’ staat op de plek waar de ‘Schillighamsterzijl’ heeft gelegen.

Halverwege de vijftiende eeuw is een nieuw zijldiep gegraven in verband met de bouw van de Schaphalsterzijl. Dat gebeurde nadat het gebied der Winsumerzijlvesten aanzienlijke uitbreiding had ondergaan door de inlating van enkele kerspelen ten zuiden van Uithuizen. De Winsumerzijl (Oldenzijl) kon al het water niet meer verwerken. Bij die gelegenheid moest de hoge oeverwal ten oosten van de Hunzekronkel worden doorgraven.

Nog later, omstreeks 1635, is pal ten noorden van de Schaphalsterzijl een nieuwe Winsumerzijl gebouwd. Dit gebeurde omdat de oude Winsumerzijl niet meer functioneerde als gevolg van het afsnijden van de Raken (1629). Sindsdien werd de oude Winsumerzijl ‘Oldenzijl’ genoemd.

Het complex van de Winsumer en Schaphalsterzijlen is op het plaatje herkenbaar ten noordwesten van boerderij Maarhuizen.

Fietspad langs de Schilligehamstertocht Fietspad langs de Schilligehamstertocht

De foto is in zuidelijke richting genomen, vanaf het Winsumerdiep. Links van het midden zien we het dak van de boerderij Hunzebocht die ten zuiden van het Reitdiep staat. Het bosje links staat op de plaats waar de boerderij Maarhuizen heeft gestaan.

Het Reitdiep en het ‘Notoaresbosje’ bij Schilligeham, gezien vanaf Aduarderzijl (maart 2010). Het Reitdiep en het ‘Notoaresbosje’ bij Schilligeham, gezien vanaf Aduarderzijl (maart 2010).

Het ‘Notarisbosje’ – aan de horizon, links van het midden – ligt op de plek waar de Schilligehamstertocht in de Hunze uitkwam. De werking van deze watergang en het op deze foto zichtbare deel van de Hunzebedding kwam in gevaar door de aanleg van de ‘zijl van 1323’.

De naam ‘Notarisbosje’ herinnert aan jhr. mr. S.M.S. de Ranitz, notaris te Winsum, die het ‘als vogelbosje’ aanlegde.

1.

Het Aduarderdiep is een opvallend element, maar komt pas in G&DW 6 aan de orde.

2.

GrA T172-156. Zie voor de oorspronkelijke Latijnse tekst de bijlage en de website van Cartago: http://www.cartago.nl/oorkonde/ogd0276.xml

3.

Zie G&DW 5, Tussen Aduard en Drentse A, hoofdstuk 5.3, ‘Eerste ingrepen’.

4.

De wierde Valcum is inmiddels hersteld.

5.

OGD I 589 (19 juni 1371).

6.

B.W. Siemens, Dijkrechten en zijlvesten (Groningen 1974) 35 en 42.

7.

Siemens, Dijkrechten en zijlvesten, 42.

8.

E.J. Werkman, ‘De doorgravingen van het Reitdiep in het begin der zeventiende eeuw’, in: GVA 1934, 110-145.

9.

OGD II 1230.

10.

Siemens, Dijkrechten en zijlvesten, 42.

11.

Meindert Schroor, ‘De waterstaat van de gemeente Winsum en omstreken, 1300-1850’, in: Winsum 1057-2007 (Winsum 2007) 107-124; dezelfde, Wotter. Waterstaat en waterschappen in de provincie Groningen, 1850-1995 (Groningen 1995) 30.

12.

Mijn zienswijze wordt gedeeld door Mol en Delvigne, ‘Het klooster, het land en het water’, in: Abtenkroniek 153-172, aldaar 170 noot 25.

13.

W.A. Ligtendag, De Wolden en het water (Groningen 1995) 197.

14.

Jan van den Broek, Een kronkelend verhaal. Nieuw licht op de oude Hunze (Assen 2011) 62, 64-65.