Zoek op de website

5.3 	Eerste ingrepen

Monomawalde en Lieuwerderwolde met Hoendiep Monomawalde en Lieuwerderwolde met Hoendiep

Ik laat eerst het Hoendiep zien, ofschoon ik daarmee wel op de zaken vooruit loop. Dit kanaal is veel later en in verschillende fasen gegraven, maar de chronologie ervan is onduidelijk.

Het diep is zijn bestaan waarschijnlijk begonnen vanaf het oosten. Dat wil zeggen dat de Hoensloot, de hoofdwatergang van de Hoenen (een tweetal polders binnen de Groninger stadstafel, vlak buiten de Apoort) het oudste stuk van het Hoendiep is. Aanvankelijk heeft het water van de Hoensloot oostwaarts gestroomd, naar de Drentse A. Later, toen het niet meer mogelijk was om langs die kant te lozen, werd de stroomrichting omgedraaid en is de sloot in verschillende fasen in westelijke richting doorgetrokken.

Ik laat het plaatje zien omdat de verspringingen in deze kunstmatige watergang passen bij de zuid-noord stromende natuurlijke watergangen die we zojuist hebben besproken.

Ik kom later op het Hoendiep terug.

Monomawalde en Lieuwerderwolde; eerste ingrepen

  1. Drentse A en Groningerdiep (Reitdiep)
  2. Woldsloot-Hoendiep
  3. Eelderdiep
  4. Kliefdiep
  5. Hoendiep
  6. Avingesloot

Verbindingskanaal Hunsinge-Hunze (?)

Ik geef eerst een overzicht over de verschillende aanpassingen die de revue zullen passeren.

  • De Groningers hebben het ten noordwesten van de stad gelegen Reitland aangepakt. In verband daarmee hebben ze de Drentse A verlegd. Vanaf Donghorn is een watergang gegraven naar de benedenloop van een natuurlijke waterloop bij Dorkwerd (1).
  • De Woldsloot (of zijn natuurlijke voorganger) is vanaf de huidige Wolvedijk naar het westen omgelegd (2). Even ten oosten van Hoogkerk mondde deze watergang uit in het Eelderdiep (3). De verkaveling ten westen van de tol op de grens tussen de Stadstafel en Hoogkerk lijkt jonger te zijn dan het tracé van het Hoendiep. Dat wijst erop dat dit stuk van het kanaal even vóór of ten tijde van de aanleg van de percelering is gegraven.
  • Het Eelderdiep (3) werd via het Kliefdiep (4) ten noorden van Hoogkerk naar het westen gebracht om uit te stromen in de Hunsinge.
  • Aangezien er geen kaden liggen langs het Kliefdiep, lijkt het erop dat het water van het Eelderdiep en de Woldsloot via het stuk Hoendiep tussen de derde knik en het latere Vierverlaten (5) naar de Hunsinge is afgeleid vóórdat de bodem ten noorden van Hoogkerk tot onder het kritische niveau was gedaald.
  • Om het land ten oosten van Hoogkerk (de latere polder ‘de Verbetering’) bruikbaar te maken, heeft men op een later moment het Eelderdiep naar het Peizerdiep afgeleid door ten zuiden van Hoogkerk de Avingesloot te graven (6).
  • Tenslotte lijkt het erop dat de Hunsinge via een kanaal ten noorden van Dorkwerd in verbinding heeft gestaan met de Hunze (7). We hebben daarvan al eerder melding gemaakt, toen we de sporen bij Dorkwerd bekeken.

Overigens is dit deel van mijn verhaal erg onzeker; schriftelijke bronnen zijn er niet.

We zagen al eerder dat het veronderstelde kanaal bij Dorkwerd samenvalt met de kerspelgrens tussen Wierum en Dorkwerd. Dat kan erop wijzen dat de aanleg ervan samenhangt met de (her)occupatiegeschiedenis van het gebied (twaalfde eeuw?).

We kijken nu naar de afzonderlijke ingrepen en beginnen met de Drentse A.

Drentse A

De gekanaliseerde Drentse A in het Reitland: Westerdiep, Groningerdiep of Reitdiep De gekanaliseerde Drentse A in het Reitland: Westerdiep, Groningerdiep of Reitdiep

De Drentse A is mogelijk al in de twaalfde eeuw omgelegd in verband met de ontginning van het rietmoeras (‘reitland’) ten noordwesten van Groningen. De verkaveling ter weerszijden van het Westerdiep heeft dezelfde oriëntatie. Was dit kanaal in eerste aanleg niet meer dan een grote tochtsloot? En in hoeverre speelde bij het graven ervan het belang van de zeevaart mee?

Door het dalen van de bodem en de invloed van de zee werd de toestand gevaarlijk. Om die reden moest het kanaal halverwege de dertiende eeuw worden bedijkt.

In Groningen, een stad apart heb ik een hypothese gepresenteerd over de inrichting van het gebied ten noordwesten van Groningen. De westelijke begrenzing van de Groningse invloedssfeer in het Reitland werd gevormd door de lijn Dorkwerd-Eelde (de gele lijn op het hierna volgende kaartje). Op grond van die verdeling hoorde aanvankelijk dus ook het groen gearceerde gebied bij Groningen. Het met een rode stip gemarkeerde Hooihuis lag net buiten de noordwestelijke hoek van het Groningse gebied. Als gevolg van de waterstaatkundige ontwikkeling (bodemdaling, bedijking van het ‘Westerdiep’ en afwateringsproblemen) is het ten westen van de gekanaliseerde A gelegen stuk land los geraakt van de Stadstafel.

Door het graven van het Westerdiep van Donghorn naar een bestaande rivierkronkel bij Dorkwerd ontstond een vreemde ‘overhoek’ ten westen van Selwerd. Hier stond de burcht van ‘roofridder’ Roelof Predeker. Mogelijk is de door archeologen op het Zernike-terrein aangetroffen versterking de basis geweest van waaruit Roelof opereerde.

 De ontginning van het Reitland en haar gevolgen De ontginning van het Reitland en haar gevolgen

De tot verschillende rechtstoelen behorende gebieden hebben verschillende kleuren; de grenzen tussen de rechtstoelen zijn aangegeven met rode lijnen.
Het gearceerde gebied kan aanvankelijk onder Groningen geressorteerd hebben; het zou dan pas in een later stadium en onder invloed van de waterstaatkundige ontwikkeling bij de ten westen van het Westerdiep (Reitdiep) gelegen rechtstoelen zijn gaan behoren.
De gele lijn is het noordelijke deel van de oriëntatielijn Eelde-Dokwerd. "10"

Het Westerdiep kwam in de Hoge Paddepoel uit in de Hunze. Hier lag de Mude, waarover we al eerder spraken, toen het ging over het in 1332 opgestelde reglement voor het beheer en de werking van de zijlen bij Redwolde en de Paddepoel.

Waarschijnlijk is het Westerdiep niet van meet af aan door middel van kaden opgesloten geweest. Daardoor konden eb en vloed een tijd lang hun schurende werking verrichten en konden de lichte kronkels ontstaan die het Reitdiep nog altijd vertoont.

Het Westerdiep of Reitdiep: een bochtig kanaal Het Westerdiep of Reitdiep: een bochtig kanaal

Beide foto’s zijn genomen in zuidelijke richting. De linker foto laat het Reitdiep zien ten oosten van Dorkwerd. Ook een eindje verder naar het zuiden vertoont het kanaal flinke bochten. De rechter foto is genomen ten zuiden van de Zernikebrug. Rechts de stadswijk Reitdiep. Voor een gegraven kanaal vertoont het Reitdiep wel erg veel kronkels!

Het noordelijke uiteinde van het Eelderdiep/Westerdiep Het noordelijke uiteinde van het Eelderdiep/Westerdiep

De pijl geeft de kijkrichting aan van de hierna volgende foto.

Het noordelijke uiteinde van het Eelderdiep/Westerdiep Het noordelijke uiteinde van het Eelderdiep/Westerdiep

De foto is genomen in zuidelijke richting.

 De Mude nu (Google).  De pijl wijst in de richting van de volgende foto’s. De Mude nu (Google). De pijl wijst in de richting van de volgende foto’s.

De kromme sloot langs de Paddepoelsterweg vormt de westelijke begrenzing van een perceel ter plaatse van de uitmonding van Eelderdiep/Westerdiep in de Hunze.

De Mude in 2006 en 2012 De Mude in 2006 en 2012

We kijken in oost-zuidoostelijke richting. Links de Hunze (Selwerderdiepje), rechts het overblijfsel van het Eelderdiep/Westerdiep.

Op de linkerfoto ligt het Selwerderdiepje nog ingesloten tussen hoge oevers; de rechterfoto toont de situatie die is ontstaan nadat de Stichting Het Groninger Landschap de waterstand in de Hoge Paddepoel heeft verhoogd.

Westerdijk  Westerdijk

Het gebied tussen het Hooihuis en de Eelderdijk heette in de vijftiende eeuw ‘Westerdijk’. Deze naam verwijst naar de westelijke dijk langs de Drentse A/Hoornsediep/Reitdiep/Westerdiep.

De Eelderdijk (nu Meerweg) was een zogenaamde zuidwending. Vanaf de Hondsrug kon men langs deze dijk in Paterswolde (‘Potterwolde’) en Eelde komen. De route via de Paterswoldseweg (vroeger Hoornsedijk) bestond in de middeleeuwen niet. De huidige weg is pas in de negentiende eeuw doorgetrokken. Vóór die tijd was het gebied hier te drassig.

Op het plaatje zijn nog meer zuidwendingen te zien. De belangrijkste is de ‘Drentselaan’, nu Peizerweg. In droge tijden kon men via deze weg in Peizermaden komen en vandaar naar Peize gaan.

De bocht bij de Middelbuurschap heette ‘Pishorn’. Hier, aan de westzijde van de rivier, wordt in 1323 een uithof van het nonnenklooster ‘Maria ten Hoorn’ vermeld. Later staat hier het klooster Maria ten Hoorn.

Tot zover over de Drentse A/Hoornsediep/Reitdiep/Westerdiep. We kijken nu naar het Eelderdiep.

Eelderdiep

 Hoogkerk en het Kliefdiep.  De genummerde pijltjes wijzen in de kijkrichting van de volgende foto’s. Hoogkerk en het Kliefdiep. De genummerde pijltjes wijzen in de kijkrichting van de volgende foto’s.

Eerder hebben we een achttiende-eeuwse kaart van het Westerstadshamrik gezien waarop de oude loop van het Eelderdiep ten oosten van Hoogkerk is aangegeven en ook de kunstmatige voortzetting ervan, het via enkele min of meer haakse bochten lopende Kliefdiep."11"

Het Kliefdiep heeft dus een tijd lang het water van het Eelderdiep – wellicht samen met dat van de wat verder naar het oosten gelegen Woldsloot en de Hoenen – naar de Hunsinge afgevoerd. Die rivier is op dit Googleplaatje natuurlijk niet meer te zien. Tegenwoordig komt het Kliefdiep in het gekanaliseerde Aduarderdiep uit. Het satellietbeeld maakt duidelijk dat het Kliefdiep in de verkaveling van Lieuwerderwolde past. Met andere woorden: het Eelderdiep is hierlangs afgeleid nadat de verkaveling tot stand gekomen was.

Dit lijkt wel wat op de situatie bij de Drentse A ten noordwesten van de stad. Ook het Reitdiep voegt zich daar in het patroon van de verkaveling. Daarbij past de veronderstelling dat die bedding aanvankelijk niet meer is geweest dan een forse sloot in het ontginningsgebied.

 (1) Hoogkerk: de derde knik in het Hoendiep (1) Hoogkerk: de derde knik in het Hoendiep

We kijken in oostelijke richting. Uiterst links zien we de betonnen overspanning van de waterloop tussen het Hoendiep en het Kliefdiep. Op de achtergrond kartonfabriek ‘De Halm’.

(1) Hoogkerk: duiker tussen Hoendiep en Kliefdiep (1) Hoogkerk: duiker tussen Hoendiep en Kliefdiep
 (2) Kliefdiep.  De foto is genomen vanaf de Vierverlatenweg. (2) Kliefdiep. De foto is genomen vanaf de Vierverlatenweg.

Langs het Kliefdiep onder Hoogkerk ontbreken noemenswaardige kaden. Hoe is dat te rijmen met het idee dat het Eelderdiep daarlangs is afgeleid? De verklaring schuilt in de verandering van de bodemhoogte in de loop van de eeuwen, en dan in het bijzonder de daling van de bodem in het gebied tussen de Hoogkerkster Kerkstraat en de Groninger stadswijk De Held. Kon eerder het door het Eelderdiep aangevoerde water via het Kliefdiep onder vrij verval in de Hunsinge uitstromen – waarbij de monding gecontroleerd werd door een ‘klief’, een eenvoudig zijltje dat sloot bij een teveel aan buitenwater – tegenwoordig zou dat niet meer mogelijk zijn. Ter plaatse van de haakse bochten in het tracé van het Kliefdiep ligt het maaiveld zo’n 40 cm lager dan dat van het Aduarderdiep."12"

Zolang het bodemniveau van de aangrenzende landen nog hoog genoeg was, waren kaden echter niet nodig en kon het water vrij afstromen naar de Hunsinge. Er moet echter een moment gekomen zijn waarop het bodempeil het kritische niveau naderde en het noodzakelijk werd om in elk geval het Drentse water buiten deze lage streek te houden. Wellicht was dat het motief om over te gaan tot het graven van het Hoendiep tussen ‘de derde knik’ bij ‘De Halm’ en de Hunsinge bij het latere Vierverlaten. Dat stuk van het Hoendiep zou dan uit het begin van de veertiende eeuw kunnen stammen. Dat is de tijd waarin men elders zeewerende zijlen bouwde of wilde bouwen (bij Winsum en Delfzijl). Die pogingen zijn een indicatie voor de afgenomen natuurlijke afwateringscapaciteit. De waterstaatkundige situatie zal bovendien benard zijn geworden door de extreme regenval in de jaren 1314-1316, toen overal in West-Europa overstromingen en misoogsten werden geregistreerd."13"

 (3) Het Kliefdiep vanaf de Kerkstraat in Hoogkerk (3) Het Kliefdiep vanaf de Kerkstraat in Hoogkerk

Het is echter allerminst zeker dat het bewuste Hoendiepvak gegraven is ter verbetering van de waterhuishoudkundige toestand. De chronologie van de bodemdaling is immers verre van duidelijk. Om die reden valt vooralsnog niet uit te sluiten dat men de hoogte van Hoogkerk – de hoogteverschillen zijn gering, maar niet te veronachtzamen – heeft doorgraven om een betere vaarroute te maken tussen de stad Groningen enerzijds en de landschappen Vredewold  en Langewold anderzijds. Daar waar het kanaal dat later eenvoudig het ‘Trekdiep’ en later Hoendiep heette, in de Hunsinge, later Aduarderdiep, uitkwam, mondde vanuit het westen het Oostwolderdiep in dezelfde waterloop uit. Via het Oostwolderdiep kon men verder oostwaarts via de Gave en ten westen van Oostwold noordwaarts via het Lettelberterdiep naar Langewold. Vanuit het Oostwolderdiep was het ook mogelijk om via de Munnikesloot zuidwaarts richting Zultemeer of Leekstermeer te komen. Voor wat de datering betreft zou men dan eerder aan de tweede helft van de veertiende eeuw kunnen denken dan aan het begin ervan."14"

We weten niet wie er verantwoordelijk is geweest voor de ontginning van het zuidelijke deel van Lieuwerderwolde (Hoogkerk) en de omlegging van het Eelderdiep, maar het is wel duidelijk dat die met elkaar in verband staan.

Een goederenlijst van het door Liudger gestichte klooster Werden aan de Ruhr uit c. 1050 maakt melding van inkomsten uit Vredewold (de omgeving van Oostwold) en Lieuwerderwolde (Hoogkerk en Leegkerk). Mogen we op grond van deze vermelding aannemen dat het Kliefdiep op zijn laatst in het begin van de elfde eeuw is aangelegd? Dit zou passen bij de opgravingsresultaten ter plaatse van het even verder naar het zuidwesten gelegen Hoogheem. Daar is men wat later, omstreeks het jaar 1100, begonnen met de ontginning van het veen.

(4) Kliefdiep vanaf de Aduarderdiepsterweg (4) Kliefdiep vanaf de Aduarderdiepsterweg

De situatie is hier halverwege de vorige eeuw sterk veranderd door het rechttrekken en verbreden van het Aduarderdiep.

De huizen in de verte staan aan de Hoogkerkster Kerkstraat.

 (5) Hoendiep tussen de borg en de kerk te Hoogkerk (5) Hoendiep tussen de borg en de kerk te Hoogkerk

Het op de bovenstaande foto afgebeelde gedeelte van het Hoendiep is gegraven tussen de plaatselijke borg (‘Potters kamnade’ zoals de zestiende-eeuwse kroniekschrijver Sicke Benninge hem noemt)"15" en de kerk te Hoogkerk. Zoals gezegd kan dit kanaalvak in het begin van de veertiende eeuw gegraven zijn ter afleiding van het water van Eelderdiep, Woldsloot en de Hoenen, maar is het ook mogelijk dat het enkele decennia later is aangelegd om de vaarverbinding tussen Groningen en de ‘westerse kwartieren’ te verbeteren.

Nog een enkel woord over de Woldsloot. Het Hoendieppand tussen de voormalige fabriek van de Suikerunie in de stad en Hoogkerk lijkt de richting te bepalen van de verkaveling van Lieuwerderwolde. Dat wijst op hoge ouderdom. De afleiding van de Woldsloot lijkt dus te behoren bij ‘de tweede occupatiefase’ (twaalfde en dertiende eeuw). Dat wil zeggen dat het Kliefdiep een tijd lang ook het water van de Woldsloot moet hebben afgevoerd.

Wanneer men ook het gebied ten oosten van de ‘Rug van Bangeweer’ (later polder ‘De Verbetering’) tegen overstroming door ‘bovenwater’ wilde beschermen, moest men het door het Eelderdiep aangevoerde water niet langs Bangeweer laten lopen, maar zorgen voor een afleiding vanaf een hoger punt. Dat moet het motief zijn geweest voor het graven van de Avingesloot. Hierdoor werd het Eelderdiep ten zuiden van Hoogkerk verbonden met het Peizerdiep.

Avingesloot en Eiteweert

  1. Koningsdiep
  2. Eiteweert
  3. Peizerdiep
  4. Avingesloot (tegenwoordig Omgelegde Eelderdiep’)
  5. Omgelegde Eelderdiep
  6. Oude Eelderdiep

De Avingesloot vormt de zuidelijke begrenzing van de vloeivelden van de Hoogkerkster suikerfabriek.

In een uit 1313 daterende akte over de waterproblematiek bij Aduard wordt Eelde niet genoemd onder de Drentse dorpen die betrokken zijn bij het Peizerdiep en zijn benedenloop. Maar het westelijke deel van Eelde waterde wel degelijk daarlangs af. De verklaring voor het niet vermelden van Eelde kan zijn, dat het Eelder water altijd door Lieuwerderwolde naar de Hunsinge had gelopen en dus als ‘Lieuwerderwolder water’ werd beschouwd.

Peizerdiep (voorgrond) en Avingesloot (links op de achtergrond) bij Eiteweert Peizerdiep (voorgrond) en Avingesloot (links op de achtergrond) bij Eiteweert

Volgens de ‘Aduarder zijlbrief’ van 1382 werden vergaderingen van het Aduarderzijlvest ‘op de Avingesloot’ gehouden. Deze locatie bevond zich ongeveer in het midden van het gebied waarvan de inwoners zich in het begin van de veertiende eeuw hadden verbonden om bij Aduard een gezamenlijke zijl te leggen. Daarover later meer."16"

Andere varianten van de naam Avingesloot zijn ‘Abbingesloot’ en ‘Havensloot’. Misschien houdt de naam van de watergang verband met het woord ‘abt’. Als dat zo is, suggereert dat een connectie met het klooster Aduard.

Peizerdiep

Het Peizerdiep heeft verwarrend veel namen. We hebben al eerder gezien dat de benedenloop van het Peizerdiep in Lieuwerderwolde ‘Hunsinge’ genoemd wordt. Maar dat is niet het enige alias van deze rivier. Ten zuidwesten en westen van Hoogkerk heet de rivier Koningsdiep en ten noorden van Vierverlaten heet de gekanaliseerde watergang Aduarderdiep.

Uit een tweetal veertiende-eeuwse akten weten we dat het water van Peize, Roden en Foxwolde via Aduard werd geloosd. De naam van de rivier die het Drentse water daarheen bracht wordt in de stukken niet genoemd, maar het kan niet anders of het moet hierbij om het Peizerdiep gaan. Maar hoe kwam dat water bij Aduard?

Alvorens op die vraag in te gaan, kijken we naar de geul die ten noorden van Aduard het Drentse water naar zee bracht, de ‘Kliefslootgeul’. Zoals we zagen hangt het ontstaan van deze geul samen met de vorming van de Lauwerszeeboezem vanaf de achtste eeuw. Het noordelijke uiteinde ervan bevindt zich tussen Saaksum en Ezinge (hier net als Aduard aangegeven met rode stippen). Aan deze geul herinnert de bochtige loop van de huidige Kliefsloot en Oude Tocht. Deze bedding vormt de westelijke begrenzing van het landschap Middag.

Op het onderstaande kaartje is te zien dat Middag een schiereiland was tussen de genoemde inbraakgeul en de benedenloop van Hunze en A. Ten westen ervan ligt Humsterland. De Kliefslootgeul loopt aan de oostzijde voorbij Aduard en reikte bij het latere Nieuwklap tot aan of zelfs in de bedding van de Hunsinge. Ten westen van Aduard ligt een andere, kleinere geul. Deze voert water uit de venen van Lagemeeden af, loopt door Hoogemeeden, neemt ten westen van boerderij Zuiderham de ‘Woldstroom’"17" op en komt ten noordwesten van Aduard in de Kliefslootgeul uit. Een deel van deze watergang heet tegenwoordig ‘Langeweerstertocht’, maar de oorspronkelijke natuurlijke waterloop heeft geen eigen naam. Voor het gemak noem ik hem ‘Meedsterriet’.

De Kliefslootgeul tussen Saaksum en Aduard De Kliefslootgeul tussen Saaksum en Aduard

De Hunsinge bij Nieuwbrug afgeleid (?)  Bewerkte uitsnede van de PPD-hoogtekaart uit 1988.  Het pijltje wijst naar de Hoogemeedstermandetocht De Hunsinge bij Nieuwbrug afgeleid (?) Bewerkte uitsnede van de PPD-hoogtekaart uit 1988. Het pijltje wijst naar de Hoogemeedstermandetocht

We zullen onze aandacht nu richten op de vraag die ik zojuist al stelde: hoe kwam het water van Peize, Roden en Foxwolde bij Aduard?

De zwarte kronkels in het midden van het nevenstaande kaartje geven de (veronderstelde) oude loop van de Hunsinge aan. Net zoals het geval was bij de rivierkronkels ten westen en zuidwesten van Winsum, is het ook hier erg lastig om uit de afzonderlijke kromme lijnen een samenhangend patroon te destilleren.

Toen de monniken van Aduard rond 1200 in de directe omgeving van hun klooster dijken legden en watergangen omleidden, troffen zij zeker geen ongerept gebied aan. Afgezien van de vele nog oudere bewoningssporen zijn er aanwijzingen die doen vermoeden dat anderen al een eeuw eerder met dergelijke werkzaamheden waren begonnen.

Sommigen denken dat monniken van Aduard het water van de Hunsinge of benedenloop van het Peizerdiep vanaf een punt ten westen van Leegkerk naar het westen hebben afgeleid. Het pijltje wijst naar het kanaaltje dat de Hunsinge verbond met de bedding waardoor een natuurlijke stroom uit het grensgebied van Hooge- en Lagemeeden naar het noorden liep (de ‘Meedsterriet’). Deze bedding kwam ten noordwesten van Aduard (bij boerderij ‘Groot Leger’) in de Kliefslootgeul uit."18"

Hoogemeedstermandetocht Hoogemeedstermandetocht

We kijken vanaf het gemaal ‘De Kriegsman’ in oostelijke richting, naar Nieuwbrug.
Deze watergang lijkt te zijn geraaid op de kerk van Zuidhorn.

Langeweerstertocht ten oosten (links) en ten westen (rechts) van de Langeweersterweg. Langeweerstertocht ten oosten (links) en ten westen (rechts) van de Langeweersterweg.

Men denkt daarbij aan de Hoogemeedstermandetocht en een stuk van de Langeweerstertocht, die de verbinding vormen tussen Nieuwbrug en de watergang die ik zojuist ‘Meedsterriet’ noemde. De makers van de PPD-hoogtekaart dachten dat ter plaatse van de Hoogemeedstermandetocht een oude kreek heeft gelopen. Er is echter niets dat erop wijst dat we hier met een natuurlijke bedding te maken hebben.

De Hoogemeedstermandetocht ligt op een lijn die vanaf Nieuwbrug lijkt te zijn geraaid op de kerk van Zuidhorn. Overigens zien we in de polder ‘Kleine Eendracht’ nog twee andere kavellijnen die op Zuidhorn zijn geraaid. Deze hangen waarschijnlijk samen met de oorspronkelijke indeling van dit gebied."19" Later is deze tocht gaan dienen om de twee polders van Hoogemeeden (‘Kriegsman’ en ‘Kleine Eendracht’) op het Aduarderdiep aan te sluiten. Dat wil zeggen dat het water daarin toen in oostelijke richting stroomde.

Het is zeer de vraag of deze watergang ooit gediend heeft om het door het Peizerdiep aangevoerde Drentse water af te voeren. Zoals gezegd moest het dan via de Meedsterriet noordwaarts zijn gestroomd om bij boerderij ‘Groot Leger’ aan de Sietse Veldstraweg in de Kliefslootgeul uit te komen. Schriftelijke bronnen die dit zouden kunnen bevestigen ontbreken. Die zijn er wel voor een andere afleiding van het water van het Peizerdiep.

Voor die andere afleiding van het Noord-Drentse water moeten we kijken naar de sloot die vermoedelijk al vroeg is gegraven tussen enerzijds het zuidelijke uiteinde van de Kliefslootgeul bij Nieuwklap in het noorden en Nieuwbrug ten westen van Leegkerk in het zuiden. Waarschijnlijk is deze watergang gegraven om het ontginningsgebied ten westen van de kronkelende Hunsingebedding te ontwateren en heeft hij ook meteen het door de Hunsinge aangevoerde Drentse water afgevoerd. Deze oude sloot maakt deel uit van het nu veel bredere Aduarderdiep.

Als dit juist is rijzen twee vragen:

  1. Wanneer kan dat zijn gebeurd?
  2. Hoe komt men aan de oriëntatie van deze sloot?

We beginnen met de vraag naar de ouderdom van deze watergang. Vooralsnog ontbreken gegevens die een precieze datering mogelijk maken. We moeten het dus doen met vage aanwijzingen. Ik zet ze hier op een rijtje (de cijfers verwijzen naar het plaatje op de volgende bladzijde).

  • De lichte kronkels in het Aduarderdiepvak tussen Nieuwbrug (2) en Nieuwklap (1) wijzen erop dat hier enige tijd eb en vloed hun gang hebben kunnen gaan. Dat betekent dat deze watergang gegraven moet zijn vóórdat de Kliefslootgeul ten noorden van Aduard werd afgesloten met de ‘Nienhuisdam’ (3), waarover later meer. We mogen aannemen dat de monniken van Aduard (het klooster is gesticht in 1192) de hand hebben gehad in de afsluiting van die geul. Deze afdamming zal op zijn vroegst omstreeks 1200 hebben plaatsgevonden.
  • De kavelpatronen en hoogtegegevens laten zien dat de Gaaikemadijk (4) en het zuidelijke gedeelte van de Zijlvesterweg (5) op sommige plaatsen oude kronkels van de Hunsinge doorsnijden. Het is niet goed denkbaar dat men deze dijken heeft aangeleg toen de oude rivierbedding nog volop Drents water afvoerde. De Hunsinge moet dus al vóór die tijd naar de Kliefslootgeul zijn afgeleid.
  • Verschillen in de dikte van het kleipakket dat ten westen en ten oosten van de dijk is afgezet, doen vermoeden, dat ook na de aanleg van deze dijk het opslibbingsproces aan de buitenzijde ervan is doorgegaan. Dat betekent dat de aanleg van deze dijk geruime tijd vóór de afsluiting van de Kliefslootgeul (bij 3) moet worden gedateerd.
  • Eerder zagen we al dat het klooster Werden aan de Ruhr halverwege de elfde eeuw bezittingen had in ontginningsgebieden in de buurt (bij Oostwold en in Lieuwerderwolde).

Op grond van dit alles vermoed ik dat we de afleiding van de Hunsinge via het kanaal tussen Nieuwbrug naar Nieuwklap – ik zal het hierna soms als ‘oer-Aduarderdiep’ aanduiden – om en nabij 1100 moeten dateren, een kleine eeuw voordat de monniken in Aduard verschenen. Ik zal in het vervolg nader ingaan op de hier genoemde argumenten.

De Hunsinge afgeleid naar de Kliefslootgeul

  1. Nieuwklap
  2. Nieuwbrug
  3. ‘Nienhuisdam’
  4. Gaaikemadijk
  5. Zijlvesterweg
  6. Langeweersterweg

Op het kaartje zijn enkele dijken en wegen ingetekend: de Gaaikemadijk (4) en het zuidelijke deel van de Zijlvesterweg (5), de Langeweersterweg (6) die bescherming bood tegen de Meedsterriet ten westen daarvan, en de Munnikedijk (nu Weersterweg) tussen Nieuwbrug (2) en Den Horn. Het kan zijn dat het gebied van Lagemeeden ooit met zo’n dikke laag veen bedekt is geweest dat de Munnikedijk in eerste instantie is gelegd om te voorkomen dat water vanuit het zuiden Hoogemeeden binnenkwam. Later zal de situatie tegenovergesteld zijn geweest: toen moest dezelfde dijk het water tegenhouden dat vanuit de Hoogemeeden in zuidelijke richting liep en in Lagemeeden overlast veroorzaakte. Deze vreemde gang van zaken is het gevolg van de samenstelling van de bodem in het zuidelijke deel van Lagemeeden. Daar ligt een klei-op-veen bodem die aan inklinking onderhevig was. Zodra men in Lagemeeden aan het ontwateren ging, daalde de bodem snel en kon water vanuit Hoogemeeden daarheen stromen."20"

De Weersterweg is tevens een bezits-scheiding: ten zuiden ervan had Aduard veel minder grond dan aan de noordzijde.

Grondbezit van het klooster Aduard Grondbezit van het klooster Aduard

De sloot tussen Nieuwklap en Nieuwbrug werd gegraven in een gebied dat in 1594 vrijwel geheel in bezit was van het klooster Aduard. Het is mogelijk dat dit land, net zoals Hooge- en Lagemeeden, grotendeels door of vanwege het klooster is ontgonnen. Maar het is ook denkbaar dat de oorspronkelijke bewoners, gedwongen door de slechte omstandigheden, zijn vertrokken en het land onbeheerd hebben achtergelaten, waarna de monniken zich erover hebben ontfermd. Een derde mogelijkheid is dat de landerijen later, na de heroccupatie van het gebied, aan het klooster zijn geschonken. In elk geval is het wel duidelijk dat hier ook vóór het verschijnen van de kloosterlingen is gewoond en gewerkt. Dat blijkt onder meer uit het grote aantal wierden dat we langs de Hunsinge aantreffen. We hebben die al eerder gezien.

De kerspelgrens tussen Hooge- en Lagemeeden en Leegkerk/Hoogkerk (de lange schuine gele lijn in het midden) past in de verkaveling en hangt dus samen met de (secundaire) ontwikkeling van dit gebied. Eerst was het noordelijke stuk aan de beurt, daarna het zuidelijke, waar een klei-op-veen bodem ligt.

Overigens zijn er onlangs twijfels gerezen aan de juistheid van het verloop van de genoemde kerspelgrens, die op dit plaatje is getekend naar de Historische Atlas van B.W. Siemens.

Hoorde de gemarkeerde strook ooit bij Leegkerk? Hoorde de gemarkeerde strook ooit bij Leegkerk?

Recent onderzoek naar de geschiedenis van de boerderijen in dit gebied heeft aan het licht gebracht dat een 600-700 meter brede strook land ten westen van het ‘oer-Aduarderdiep’ omstreeks 1800 bij het kerspel Leegkerk hoorde. Maar ook al is de watergang tussen Nieuwklap en Nieuwbrug geen kerspelgrens, hij vormt wel de scheidslijn tussen twee verkavelingspatronen die onderling geen samenhang vertonen. Dat wijst erop dat het kanaal gegraven moet zijn vóór of gelijktijdig met de inrichting van het land.

Op dit plaatje is de bewuste strook met een roodachtig kleurtje aangegeven. De twee rode lijnen zijn geraaid op de kerk in Zuidhorn. De meest zuidelijke van de twee bepaalde de oriëntatie van de Hoogemeedstermandetocht die we eerder zagen."21"

Dan de tweede vraag die ik stelde met betrekking tot de afleiding van de Hunsinge naar de Kliefslootgeul: hoe komt men aan de oriëntatie van dit oer-Aduarderdiep? Voor zover we kunnen zien sluit het zuidelijke einde van de sloot niet zonder meer aan bij een oude kronkel van de Hunsinge.

Doordat de situatie met betrekking tot het landschap, bezitsverhoudingen, invloedssferen e.d. in de loop der eeuwen ingrijpend is veranderd en schriftelijke bronnen onbreken, mogen we er niet op rekenen dat we de overwegingen achter de oriëntatie van deze watergang zouden kunnen reconstrueren. Je zou er daarom ook gewoon aan voorbij kunnen gaan, ware het niet dat de richting van een watergang als deze misschien iets zegt over het doel wat men ermee heeft willen dienen, over de personen die hier aan het werk zijn geweest en over de vraag wanneer dat kan zijn gebeurd.

Oriëntatie op Roden? Oriëntatie op Roden?

Omdat iets beter is dan niets, wijs ik op een merkwaardig fenomeen: wanneer we de lijn tussen het noordelijke uiteinde van de sloot (het punt waar ze aansluit op de Kliefslootgeul, nu Nieuwklap) en het zuidelijke einde (Nieuwbrug) naar het zuiden doortrekken, blijkt ook de Zuidwending op die lijn te liggen. En wanneer we de lijn nog verder doortrekken gaat hij precies door de kerk van Roden!

Is dit toeval of heeft men zich werkelijk op die kerk georiënteerd? Men zegt wel dat toeval niet bestaat. Maar hoe zit het in dit concrete geval?

Indien de lijn doelbewust op de kerk van Roden is georiënteerd, moet men daarvoor wel echt zijn best hebben gedaan. De afstand tussen Nieuwklap en Roden is zo groot, dat een object in Roden – rekening houdend met een bodemhoogte te Roden van 3,5 m +NAP – minstens 6,9 m hoog moet zijn, wil zijn top het niveau van de zichtbare horizon halen. Om echt zichtbaar te zijn moet het dus nog heel wat hoger zijn geweest. Daarbij komt nog dat het gezichtsveld natuurlijk niet helemaal vrij is geweest. Ook al bevond zich in de tussenruimte slechts laag geboomte en struikgewas, dan nog zullen deze het zicht op bomen en gebouwen over zo’n grote afstand hebben belemmerd. Anderzijds: als men werkelijk van plan is geweest om deze lijn vanaf het einde van de Kliefslootgeul op Roden te zetten, kan men ook wel een truc hebben bedacht om deze opzet te realiseren. Het aanleggen van een flink rokend vuur is voldoende om oriëntatie over een grote afstand mogelijk te maken.

Constructie van het Aduarderdiep Constructie van het Aduarderdiep

Maar er is nog een andere verklaring denkbaar voor de oriëntatie van de sloot waarlangs het water van de Hunsinge in de richting van de Kliefslootgeul is afgeleid. Deze tweede verklaring ligt wat mij betreft meer voor de hand dan een die het moet hebben van rooksignalen vanuit Roden.

Wanneer we een lijn trekken tussen de kerken van Zuidhorn en Leegkerk blijkt deze haaks te staan op het ‘oer-Aduarderdiep’ tussen Nieuwklap en Nieuwbrug. Zou deze watergang zijn geconstrueerd door een loodlijn te zetten op de lijn Leegkerk-Zuidhorn? De afstand tussen beide gebouwen bedraagt 5,7 km. Dat betekent dat deze in het open land over en weer zichtbaar zijn geweest.

Bij de landinrichting zijn constructies met behulp van loodlijnen niet ongewoon. Als ik mij niet vergis heeft men op deze manier ook de grens tussen het Gorecht en Fivelgo (tussen Noorddijk en Garmerwolde) bepaald, en kan hetzelfde gezegd worden over de oriëntatie van het Boterdiep (zowel het stuk tussen Bedum en Onderdendam als dat tussen Bedum en Plattenburg), over de constructie van de Oude Ae tussen Ubbega en de Wolddijk en over die van het Hoendiep ten westen van Zuidhorn. Er zijn nog meer voorbeelden van dit soort constructies. Ik hoop dit thema elders nog eens te kunnen bespreken. "22"

De huidige kerk van Zuidhorn is de opvolger van een tufstenen zaalkerk uit de twaalfde eeuw. Of deze misschien ook een houten voorganger heeft gehad is mij niet bekend. Wanneer de hoogte van Zuidhorn-Noordhorn ook vóór de twaalfde eeuw bewoond is geweest– en dat ligt voor de hand – dan mogen we gevoeglijk aannemen dat op dezelfde plaats een oudere vroegere kerk heeft gestaan.

De kerk van Zuidhorn De kerk van Zuidhorn

Het huidige kerkje van Leegkerk dateert uit de zestiende eeuw en staat op de fundamenten van een voorganger waarvan men vermoedt dat hij uit de dertiende eeuw dateert. Ook hier is mij niets bekend van een eventuele voorganger, maar mag een oudere kerk worden verondersteld.

De kerk van Leegkerk De kerk van Leegkerk

Overigens is de constructie van het ‘oer-Aduarderdiep’ niet afhankelijk van het al dan niet bestaan van een kerk in Leegkerk. Ook het stuk Leegeweg tussen de Noodweg en Leegkerk is op Zuidhorn georiënteerd.

Als het ‘oer-Aduarderdiep’ inderdaad geconstrueerd is als een loodlijn op de lijn Zuidhorn-Leegkerk, zou dat betekenen dat de eerder genoemde oriëntatie op Roden gewoon toeval is. Wie vast wil houden aan het idee dat toeval niet bestaat, moet dan aannemen dat de locaties van de kerken in Zuidhorn, Leegkerk en Roden iets met elkaar te maken hebben. Dat gaat mij veel te ver.

Een echt geloofwaardige reconstructie van de gang van zaken bij de indeling van dit ontginningsgebied is vooralsnog onmogelijk, maar er lijkt wel samenhang te zijn tussen de verschillende elementen daarin. De vraag is alleen wat voor samenhang dat dan is.

We kunnen niet uitsluiten dat we in dit geval te maken hebben met verschillende fasen in de ontwikkeling van het land en dat men op verschillende tijdstippen op verschillende manieren te werk is gegaan. Zoals eerder opgemerkt ligt de Zuidwending tussen Nieuwbrug en de Poffert op dezelfde lijn als het stuk Aduarderdiep tussen Nieuwklap en Nieuwbrug. Zou men bij de aanleg van deze watergang/kering gewoon die lijn hebben doorgetrokken of heeft men hierbij wél gebruik gemaakt van de mogelijkheid om zich op Roden te oriënteren? Het zou dan toch weer gewoon toeval zijn dat beide stukken precies in elkaars verlengde liggen.

Als ik het goed zie hangt de aanleg van de Zuidwending samen met de ontginning van Lagemeeden, en niet met de ontginning van het zuidwestelijke deel van Lieuwerderwolde. Dit in weerwil van het feit dat de ten oosten van de Zuidwending gelegen polder de naam ‘de Zuidwending’ draagt en de poldermolen ‘Zuidwendinger’ water vanuit die polder uitslaat op de Zuidwending). De oriëntatie van de Zuidwending past immers bij de verkaveling van Lagemeeden en niet bij die van de polder die naar deze watergang is genoemd.

 Is de Zuidwending op Roden georiënteerd? Is de Zuidwending op Roden georiënteerd?

De situering van de Zuidwending maakt duidelijk wat de oorspronkelijke functie van deze watergang is geweest: hij was de westelijke parallelsloot langs een dijkje (in het Oudfries ‘sidewendene’) dat moest voorkomen dat water vanuit de Hunsinge de aan bodemdaling onderhevige landerijen van Lagemeeden kon binnendringen. In dit klei-op-veen gebied zijn bewoningssporen gevonden uit de vroege middeleeuwen."23" Het vroeg-middeleeuwse landgebruik heeft ongetwijfeld geleid tot het dalen van de veenbodem, zodat overstromingen er een laag klei konden achterlaten (een zogenaamd ‘verjongingsdek’) en er een tweede ontginningsfase nodig was. Ook daarna heeft de bodemdaling zich voortgezet. De oorspronkelijke parallelsloot kon daardoor niet langer onderdeel blijven van de Lagemeedster waterhuishouding en moest aan de westzijde worden bekaad.

 Sint Catharinakerk te Roden Sint Catharinakerk te Roden

De kerk te Roden wordt in 1139 voor het eerst in een oude tekst genoemd, dat wil zeggen: een halve eeuw vóór de stichting van het klooster Aduard.

De verkaveling van het ten zuidwesten van Hoogkerk en het vroeger aan de Drentse kant van de provinciegrens gelegen gebied van Hoogheem dateert van rond 1100. Dit gebied is nog niet zo lang geleden verdwenen onder het bedrijventerrein Westpoort, tussen de A7 en het Hoendiep.

Bodemkaart van de omgeving van Aduard en Leegkerk.  Het gele pijltje wijst naar het uiteinde van de Kliefslootgeul. Bodemkaart van de omgeving van Aduard en Leegkerk. Het gele pijltje wijst naar het uiteinde van de Kliefslootgeul.

De Kliefslootgeul heeft tot aan het huidige Nieuwklap een duidelijk spoor nagelaten door een tong van kalkrijke zware klei te deponeren in een gebied dat uit kalkarme knippige of zavelachtige klei bestaat.

Vage kronkels in het Aduarderdiep tussen Nieuwklap en Nieuwbrug Vage kronkels in het Aduarderdiep tussen Nieuwklap en Nieuwbrug

Het ‘oer-Aduarderdiep’ heeft een tijdlang – tot het moment waarop de Kliefslootgeul door middel van de ‘Nienhuisdam’ bij Arbere werd afgesloten (waarover later meer) – in open verbinding gestaan met de zee. In die periode hadden eb en vloed dus vrij spel. De lichte kronkels in de watergang zijn het resultaat van de getijdebewegingen.

Sporen van deze kronkels zijn tegenwoordig alleen nog aan de westzijde van het Aduarderdiep zichtbaar. Dat komt doordat het Aduarderdiep halverwege de twintigste eeuw is hergraven en verbreed.

Aduarderdiep tussen Nieuwklap en Nieuwbrug.  De foto is vanaf Nieuwklap in zuidelijke richting genomen. Aduarderdiep tussen Nieuwklap en Nieuwbrug. De foto is vanaf Nieuwklap in zuidelijke richting genomen.

Halverwege de twintigste eeuw is het kanaal drastisch verbreed en zijn de lichte kronkels weggewerkt die het diep eerder vertoonde. Aan de oostzijde (links) is de oever helemaal recht getrokken, maar aan de westkant zijn de sporen van de oude kronkels nog te zien.

Zoals ik al eerder aangaf is er misschien verband tussen het graven van deze watergang – en de afleiding van de Hunsinge naar de Kliefslootgeul – enerzijds en anderzijds de aanleg van een dijk die het proces van opslibbing in het gebied van Lieuwerderwolde en Dorkwerd heeft doen ophouden.

Hoogteverschillen langs de Zijlvesterweg (AHN 2).  De twee pijltjes op het plaatje geven de kijkrichting aan van de volgende foto’s. Hoogteverschillen langs de Zijlvesterweg (AHN 2). De twee pijltjes op het plaatje geven de kijkrichting aan van de volgende foto’s.

We kijken daarvoor naar de hoogtekaart van het gebied tussen Aduard, Hoogkerk en Groningen. Linksonder zien we het lage land van Lagemeeden. Deze laten we nu buiten beschouwing. Het gaat ons nu om het verschil in hoogte tussen het gebied linksboven en dat in de rechterhelft van het plaatje. Hier liggen nu de Groninger stadswijken Gravenburg, Reitdiep en De Held, die zich aftekenen als oranje vlekken in het blauw. Op dit kaartje is de Zijlvesterweg gemarkeerd met een rode lijn: zo is te zien dat de scheiding tussen hoog en laag langs die weg loopt. De verschillen zijn overigens niet groot: ze variëren van ongeveer 1 meter tot enkele centimeters. Toch is het beeld opmerkelijk.

Jan Meijering en Henny Groenendijk verklaren dit hoogteverschil door inklinking van de bodem ten zuiden van de Zijlvesterweg."24" Ik mis de bevoegdheid van deze deskundigen, maar waag het toch om in dit verband te verwijzen naar enkele andere gevallen waarin we dergelijke hoogteverschillen zagen en waar deze niet het gevolg zijn van zgn. ‘differentiële inklinking’, maar van verschillen in opslibbing. Ik doel op de hoogteverschillen in de Koningslaagte ten noorden van Groningen en die ten zuidwesten van Winsum. Daar waar een dijk is gelegd, is aan de buitenkant van de dijk het opslibbingsproces gewoon doorgegaan, terwijl aan de binnenzijde het destijds bestaande bodemniveau is ‘geconserveerd’ en dus laag gebleven. Zou iets dergelijks ook hier het geval kunnen zijn?

Brandlaagjes tussen Zijlvesterweg en Aduarderdiep Brandlaagjes tussen Zijlvesterweg en Aduarderdiep

Bij de aanleg van een nieuw fietspad (‘een fietssnelweg’) aan de zuidzijde van de N355 is in 2012 ook de bermsloot verlegd. Hierdoor werd een band van donker gekleurde laagjes zichtbaar. Deze laagjes zijn ontstaan doordat aan het einde van de winter de dorre grassen en planten doelbewust in brand werden gestoken. Men deed dit om de bodem te verrijken en de verjonging van de vegetatie te bevorderen. Hierdoor bood de lage kwelder in het voorjaar een fris gewas dat geschikt was voor het voeden van vee. In elk geval lijkt het regelmatig afbranden van de kweldervegetatie gedurende de IJzertijd (800 v. Chr. tot 0) tot in de laat-Romeinse periode een algemene praktijk te zijn geweest. Bovenop de band met brandlaagjes ligt een kleipakket van uiteenlopende dikte.[[voetnoot25]

Brandlaagjes ten noorden van Gravenburg Brandlaagjes ten noorden van Gravenburg

Dezelfde brandlaagjes waren ook ten oosten van de Zijlvesterweg te zien. Het lijkt er echter op dat het kleipakket boven het jongste donkere laagje hier aanzienlijk dunner is dan ten westen van de Zijlvesterweg het geval is. Zou dat komen doordat het opslibbingsproces daar gedurende langere tijd is doorgegaan dan hier? Zou de Zijlvesterweg – we kunnen in dit verband beter spreken over de Zijlvesterdijk – zijn aangelegd toen de zee in de twaalfde eeuw actiever werd en via de Kliefslootgeul en de monding van de Hunsinge bij Wierum het lage land van Lieuwerderwolde binnenkwam?"26"De landgebruikers van dit gebied hadden twee mogelijkheden: ze konden vertrekken of een poging doen om met behulp van een dijk overstromingen te voorkomen. Ik vermoed dat ze voor het laatste hebben gekozen en de bestaande wierden met elkaar hebben verbonden. Zo zou de Zijlvesterdijk kunnen zijn ontstaan.

Mijn waarneming is van een afstandje gedaan en mijn suggestie ter verklaring ervan is die van een geïnteresseerde leek. Het wachten is dus op het oordeel van meer gequalificeerde deskundigen. Maar als dat wachten te lang duurt en er cijfers beschikbaar zijn waarmee te rekenen valt, is het ook voor een amateur mogelijk een poging te doen om de terloopse waarneming te controleren.

Boringen langs de N355 (2008); links oost, rechts west

In 2008 is, voorafgaand aan de werkzaamheden ten behoeve van de ‘fietssnelweg’ langs de N355, een booronderzoek uitgevoerd tussen het Reitdiepplein in Groningen en de oostelijke rotonde bij Zuidhorn.

Afgebeeld is een grafische weergave van een door mijzelf bewerkt uittreksel uit de gepubliceerde boorstaten, "27" gecombineerd met – min of meer – corresponderende maaiveldhoogten, ontleend aan de AHN-viewer. Weergegeven zijn slechts boringen tussen GPS 53.238126, 6.510901 in het oosten (tegenover Autobedrijf Van der Veen; links op de grafiek) en GPS 53.247578, 6.467290 ten westen van het Aduarderdiep (rechts op de grafiek). Tussen beide punten is in de ondergrond de donkere band van humeuze laagjes aangetroffen die als brandlaagjes zijn geïdentificeerd. Verder naar het westen ontbreekt deze band.

Er zijn een paar plaatsen waar geen brandlaagjes zijn aangetroffen en langs enkele stukken van het traject zijn geen boringen verricht. Daar waar geen brandlaagjes zijn aangetroffen, heb ik de cijfers van de naburige boringen ingevuld, de ‘overgeslagen’ trajectdelen heb ik gewoon weggelaten.

Wat we na deze – voor echte vaklieden ontoelaatbare – bewerking zien is dat de groene lijn (het huidige maaiveld) van oost (links) naar west (rechts) oploopt.

De laagte in het midden van de grafiek bevindt zich even ten westen van de vrijwel hoepelronde Hunsingekronkel tussen de Zijlvesterweg en de Gaaikemadijk die ik in gedachten ‘Gaaikemarotonde’ heb gedoopt. Op een oude kaart staat op deze plaats de voormalige Gaaikemaborg (‘olim Gaikinga’) getekend,"28" maar helemaal correct is dat niet. De borg stond in werkelijkheid een kilometer ten noorden van deze ‘hoepel’.

De op de grafiek zichtbare laagte is de voormalige bedding van de Hunsinge (benedenloop van het Peizerdiep). De ‘bulten’ links daarvan bevinden zich ter hoogte van de kruising van de Friesestraatweg met de Zijlvesterweg, met een tankstation en chinees-indisch restaurant.

De okerkleurige lijn daaronder geeft het hoogteverloop aan van de bovenzijde van de humeuze laag, een uit brandlaagjes bestaande band. Een opvallende ‘zonk’ daarin zien we bij punt 23 (aan de linkerkant van de grafiek): hier hebben we waarschijnlijk te maken met een prehistorische sloot. Afgezien van wat kleinere fluctuaties die zullen samenhangen met het micro-reliëf uit de brandlaagjes-periode, zien we dat de humeuze band zo’n beetje op hetzelfde niveau ligt, tussen -75 en -125 cm NAP. Dit min of meer gelijkblijvend niveau wijkt af van de duidelijk oplopende lijn van het maaiveld. Met andere woorden: het kleipakket bovenop de humeuze laagjes is ten oosten van de Gaaikemadijk echt dunner dan ten westen ervan.

Je kunt natuurlijk de dikte van dit pakket in een aparte grafiek weergeven. Die laat ik hieronder zien.

De piek aan de linkerzijde is de vulling van een prehistorische sloot. De onderbreking links van het midden correspondeert met de locatie van een tankstation en restaurant bij de kruising van de Friesestraatweg met de Zijlvesterweg. De ‘zonk’ in het midden is de laagte ten westen daarvan (de bedding van de Hunsinge).

Het plaatje laat zien dat de laag ten westen van de Gaaikemadijk/Zijlvesterweg aanzienlijk dikker is dan ten oosten daarvan. Het verschil bedraagt gemiddeld zo’n 40 cm.

Het boorrapport bevestigt dus wat ik vanaf het nieuwe fietspad langs de Friesestraatweg meende gezien te hebben, maar een deskundige explicatie van het verschijnsel ontbreekt nog.

Dikte van de kleilaag boven de humeuze laagjes; links oost, rechts west

 Gaaikemadijk en Zijlvesterweg  1.  Zijlvesterweg 2.  Gaaikemadijk 3.  Kleiwerd 4.  rug bij Dorkwerd Gaaikemadijk en Zijlvesterweg 1. Zijlvesterweg 2. Gaaikemadijk 3. Kleiwerd 4. rug bij Dorkwerd

Al eerder heb ik erop gewezen dat de Zijlvesterweg/Gaaikemadijk (1 en 2) enkele oude kronkels van de Hunsinge afsnijdt en dat dit doet vermoeden dat deze kronkels ten tijde van de aanleg van de dijk al geen Drents water meer afvoerden. Anders gezegd: de afleiding van de Hunsinge naar de Kliefslootgeul via het ‘oer-Aduarderdiep’ moet zijn voorafgegaan aan de aanleg van de Gaaikemadijk. Dit alles zou gebeurd kunnen zijn lang voordat het klooster te Aduard werd gesticht (1192).

Tussen Kleiwerd (3) en Dorkwerd loopt de Zijlvesterweg niet over een dijk. Op dit plaatje laat ik de eerder besproken hoge rug ten westen van Dorkwerd (4) een onderdeel zijn van een dijk. Dit doet niets af aan de mogelijkheid dat de watergang ten zuiden ervan gediend kan hebben ter afleiding van het water van de Hunsinge en als een verbindingsroute tussen Aduard en de (benedenloop van de) Hunze.

De Hunsinge afgeleid naar de Kliefslootgeul De Hunsinge afgeleid naar de Kliefslootgeul

De afleiding van de Hunsinge door het graven van een watergang tussen Nieuwbrug en Nieuwklap lijkt wel wat op hetgeen de Groningers ten noordwesten van de stad hebben gedaan. Ook daar werd een rivier (de Drentse A) door een nieuw gegraven bedding (het Reitdiep) geleid die onderdeel was van de verkavelingsstuctuur die ten tijde van de aanpak van het Reitland tot stand is gekomen. Door het bovenwater sneller af te leiden kon men de aangrenzende lage landen gemakkelijker ontwateren.

Bij de inrichting van het land tussen Aduard en Dorkwerd is men vermoedelijk uitgegaan van enkele wierden op de oeverwal van de Hunsinge. Door dijkjes aan te leggen verbond men deze met elkaar, zodat een langgerekte hoogte ontstond: de Gaaikemadijk.

De Gaaikemadijk (bij de pijl) is geen gewone dijk De Gaaikemadijk (bij de pijl) is geen gewone dijk

Op de AHN is te zien dat de Gaaikemadijk geen gewone dijk is. Hij lijkt meer op een inversierug  of een serie losse hoogten die door middel van dijkjes met elkaar zijn verbonden. Tegelijk laat de hoogtekaart zien dat de hoogte op verschillende plaatsen wordt doorbroken door laagten.

Ten noordoosten van Nieuwklap, tussen het einde van de Kliefslootgeul en de vrijwel cirkelronde meander van de Hunsinge aan de Zijlvesterweg, bevindt (sinds kort: bevond!) zich een opvallende laagte die zich aan de oostzijde in twee takken splitst. Het lijkt hier te gaan om uitlopers van de Kliefslootgeul. Deze kreken of prielen kunnen hebben gefunctioneerd als ‘overlopen’ waarlangs het water van de Hunsinge bij groot aanbod vanaf het Drentse bovenland zijn weg vond naar de Kliefslootgeul. Nadat de Hunsinge bij Leegkerk was afgeleid gebeurde dat uiteraard niet meer. Deze kreken restte alleen nog een lokale functie: afvoer van het water uit het gebied ten westen van de Gaaikemadijk.

 Kavelpatronen in het kerspel Wierum Kavelpatronen in het kerspel Wierum

Tussen de Gaaikemadijk en Dorkwerd valt een langgerekte strook op door zijn regelmatige en van de omgeving afwijkende verkaveling. Het gebied van het kerspel Wierum (op het bovenstaande kaartje met een transparante rode kleur aangegeven) strekt zich in het westen uit tot aan Aduard, in het zuiden tot de wierde van Dorkwerd. Door de omlegging van de Hunsinge en de aanleg van dijken kon het zuidelijke deel van het kerspel Wierum worden verkaveld en in gebruik genomen. Daarbij is men min of meer planmatig tewerk gegaan. Daarop wijst de regelmatige indeling van een blok ten noordwesten en westen van Dorkwerd. Dit gebied is op dit plaatje wat roder dan de rest van het kerspelgebied van Wierum.

De constructie van dit blok lijkt te zijn afgeleid van een lijn die vanaf Dorkwerd op de Sint Maartenskerk te Groningen is geraaid. Of zou dit ook weer gewoon toeval zijn?

De constructie van een ontginningsblok bij Dorkwerd De constructie van een ontginningsblok bij Dorkwerd

Het zou natuurlijk te ver voeren om in dit verband verder te speculeren over de occupatiegeschiedenis van dit gebied, maar het is wel de moeite waard om erop te wijzen dat we hier dezelfde constructiewijze zien als zojuist in het geval van de afleiding van de Hunsinge tussen Nieuwbrug en Nieuwklap. Ook daar zagen we dat men de richting kan hebben bepaald door een loodlijn te zetten op een lijn die op herkenbare punten was geraaid. Zoals gezegd is het een werkwijze die we ook elders in de ontginningsgebieden rond Groningen tegenkomen. Uitzonderlijk is ze dus niet, opmerkelijk wel.

Een ‘winkelhaak’ tussen Nieuwklap en Slaperstil Een ‘winkelhaak’ tussen Nieuwklap en Slaperstil

Aan de zuidzijde van de onregelmatig gevormde Gaaikemadijk bevindt (bevond) zich een dijk met een opvallend winkelhaak-vormig tracé. Deze ‘winkelhaak’ is op het bovenstaande kaartje rood gemarkeerd. De strakke vorm ervan doet vermoeden dat hij van jongere datum is dan de Gaaikemadijk zelf. Hij zal pas zijn aangelegd toen de Kliefslootgeul bij Arbere was afgedamd en ook de aanstonds te bespreken verbinding tussen Aduard en de Paddepoel in onbruik was geraakt. Misschien dateert hij zelfs pas uit de tijd toen het Aduarderdiep naar het noorden werd doorgetrokken (c. 1400).

Kloppenburg daarentegen veronderstelde dat deze ‘winkelhaak’ deel heeft uitgemaakt van de oude bedijking van Middag en dat er een sluis heeft gelegen op de plek waar de dijk het Aduarderdiep kruiste. Hij dateert haar – zonder duidelijke motivering – op c. 1275."29"

Gaaikemadijk

  1. Dorkwerderbrug
  2. Van Starkenborghkanaal
  3. Aduarderdiep
  4. Zijlvesterweg
  5. Driesprong E.H. Woltersweg - Oostumerweg
  6. Aduardersteentil
  7. Korrelshoogte
  8. Friesestraatweg

De rode lijn markeert de weg die nu Gaaikemadijk heet, de geelgroene lijn is de 19e-eeuwse Gaaikemadijk.

In het voorgaande heb ik de naam Gaaikemadijk gebruikt ter aanduiding van de langgerekte hoogte die vanaf Slaperstil noordwaarts loopt. Tegenwoordig is het de naam van de weg tussen Slaperstil en de Dorkwerderbrug (op het kaartje aangeduid met een felrode kleur). Het zal duidelijk zijn dat deze naam eigenlijk alleen past bij het stuk tussen Slaperstil en het Van Starkenborghkanaal. Het wegvak langs de zuidzijde van het kanaal dateert uit de jaren dertig van de vorige eeuw.

In het begin van de negentiende eeuw werd echter het hele gebied tussen het zuidelijke deel van de Zijlvesterweg, Nieuwbrug, het Aduarderdiep en Slaperstil ‘Gaaikemadijk’ genoemd.

De door Nicolaas Westendorp aangevulde tweede editie van Kremers Beknopte beschrijving der provincie Groningen van 1839 levert de verklaring voor deze naamgeving."30" We lezen daar dat de Gaaikemadijk (op het kaartje aangegeven met een geelgroene lijn) begint bij de ‘kruisweg’ en vandaar naar het zuiden loopt. Met de kruisweg bedoelde Westendorp – want die is hier aan het woord – het voormalige kruispunt ten oosten van de Aduardersteentil (op het kaartje aangegeven met nr. 5). Tegenwoordig bevindt zich hier de driesprong waar de Oostumerweg vanuit het noorden op de Evert Harm Woltersweg uitkomt."31" De Gaaikemadijk

– aldus Westendorp – loopt dan door tot de ‘Korrelshoogte’ (een boerderij ten westen van Slaperstil die van de moderne kaart verdwenen is, maar nog wel op de oude ‘chromo-topografische kaart’ staat"32") en maakt dan een ongeveer haakse bocht in westelijke richting. Anders gezegd: de ‘jongere dijk’ die ik zojuist ‘winkelhaak’ heb genoemd werd geacht een deel te zijn van de Gaaikemadijk. Verder, aldus nog weer Westendorp, loopt de dijk zuidwaarts langs het Aduarderdiep door tot aan Nieuwbrug.

 Een laagje sneeuw maakt de ‘winkelhaak’ zichtbaar Een laagje sneeuw maakt de ‘winkelhaak’ zichtbaar

Doorgaans is de ‘winkelhaak’ niet of nauwelijks te zien. In februari 2013 lag er aan de noordkant van oneffenheden een laagje sneeuw waardoor het haaks op het Aduarderdiep staande stukje dijk zichtbaar werd.

Het noordelijke stuk van de ‘winkelhaak’ is onlangs (in 2011-2012) verdwenen, toen het land rondom de Elisadahoeve en de poldermolen ‘De Jonge Held’ is geëgaliseerd.

In hoofdstuk 5.1 (‘Sporen) zagen we dat er – in het bijzonder bij Dorkwerd – sporen zijn die aanleiding geven voor de veronderstelling dat er in de dertiende eeuw een verbinding is geweest tussen de Hunsinge en de gezamenlijke benedenloop van Hunze en A in de Paddepoel. Waartoe kan zo’n verbinding hebben gediend?

Het volgende plaatje laat zien dat via deze watergang Hunsinge-water naar de benedenloop van de Hunze kan zijn afgevoerd en dat hij onderdeel kan zijn geweest van een vaarroute tussen Aduard en de Paddepoel.

Een kanaal tussen Aduard en de Paddepoel? Een kanaal tussen Aduard en de Paddepoel?

Zoals we eerder hebben gezien,"33" zijn er schriftelijke bronnen waaruit blijkt dat Aduard halverwege de dertiende eeuw volop bezig was met het afgraven van turf aan de oostzijde van de Hunze in de marke van Zuidlaren (Everswolde). We hebben dit thema besproken toen we de oorkonde van 1285 lazen, waarin een conflict tussen Aduard en Drenterwolde werd beslecht.

De bouw van de kloosterkerk van Aduard wordt ook halverwege de dertiende eeuw gedateerd. Ze was in 1263 – na een bouwtijd van 23 jaar – zover voltooid, dat ze aan Sint Bernardus kon worden toegewijd en dat ook het hoofdaltaar en vijf bij-altaren konden worden geconsacreerd."34" Bij de bouw van de kerk zijn grote massa’s bakstenen gebruikt. De daarvoor benodigde klei was in de directe omgeving van Aduard voorhanden, maar de turf moest over water vanuit Everswolde worden aangevoerd. Een oorkonde van 1250 maakt expliciet melding van het vervoer van turf ‘door het bisdom Utrecht’. Daarmee kan in het bijzonder Drenterwolde zijn bedoeld.

Maar langs welke waterwegen kan de turf vanuit Everswolde naar Aduard zijn gebracht? De route over natuurlijke waterwegen is erg lang en omslachtig. Je moet via de Hunze stroomafwaarts tot voorbij Ezinge en dan via de Kliefslootgeul stroomopwaarts naar het zuiden.

De vaarweg tussen Everswolde en Aduard De vaarweg tussen Everswolde en Aduard
Een kortere vaarweg tussen Paddepoel en Aduard? Een kortere vaarweg tussen Paddepoel en Aduard?

In de Paddepoel (ten noorden van de pleistocene hoogte van de Hondsrug en net buiten het Utrechtse gebied) hadden de monniken – vanuit Everswolde gerekend – de eerste mogelijkheid om de grote omweg over Ezinge af te snijden. Het kanaal tussen Paddepoel en de Kliefslootgeul is zelfs de kortst mogelijke verbinding tussen de Hunze en Aduard.

Het zal wel niemand zijn ontgaan wat voor geweldige ontdekking we hier en passant hebben gedaan: eindelijk is er een goede verklaring voor het liedje over Berend Botje, die met zijn scheepje naar Zuidlaren voer en nooit weerom kwam. ‘De weg was recht’ (het kanaal), ‘de weg was krom’ (de Hunze) ...! Zelfs de naam Berend past: de heilige Bernardus van Clairvaux was immers de stichter van de cisterciënser orde en het klooster Aduard werd daarom het Sint Bernardus-klooster genoemd!

Het is te mooi om waar te zijn.

De Lindt: een dertiende eeuws scheepvaartkanaal? De Lindt: een dertiende eeuws scheepvaartkanaal?

Een oorkonde uit het jaar 1313 – deze tekst zullen we de volgende keer uitvoerig bespreken – maakt melding van een watergang die Huchslate wordt genoemd en mogelijk in de buurt van Aduard heeft gelegen. Huchslate is ongetwijfeld een Fries woord dat wellicht eerder als een appellativum"35" dan als een echt toponiem moet worden gezien. Het doet denken aan een tweetal ‘Hoeksloten’ bij Enkhuizen en Andijk, en ook aan de ‘Huigsloot’ (later ook de naam van een plaatsje) bij Abbenes. Ook in die streken is ooit Fries gesproken. Het kost moeite om in dit verband niet ook te denken aan de ‘Houkesloot’ bij Sneek.

Maar wat zou huch kunnen betekenen? Te denken valt natuurlijk aan ‘hoek’, scherpe punt. Bij de Hoeksloot bij Enkhuizen lijkt de zaak duidelijk: die watergang loopt van de ‘Geldersche Hoek’ aan het IJsselmeer naar Enkhuizen. Maar in de andere gevallen zijn geen duidelijke hoeken in het spel. Bovendien is het Oudfriese woord voor ‘hoek’ niet huch maar hōk.

In het Nieuwfries is hûch ‘huig’, het woord dus dat we in ‘Huigsloot’ tegenkomen en dat in het Middelnederduits en Gronings resp. de vormen hūk en hoek heeft. Het toponiem ‘Huigsloot’ heeft geleid tot een familienaam die op vele wijzen wordt gespeld: (van) Hoeckesloot, Hoecksloot, Hoeksloot, Huichsloot, Huigsloot,  Huijcksloot, Huijgsloot, Huijksloot, Huksloot, Huycksloot, Huygsloot, Huuksloot, Huxsloot...

Van Berkel en Samplonius delen mee dat de woorden ‘huigsloot’ en ‘huiksloot’ in Noord-Holland (West-Friesland, dus een van oorsprong Friestalige omgeving?) appellativa waren en nog altijd zijn met de betekenis 'sloot die aan het ene uiteinde droogligt of droogloopt'."36" Deze betekenis zou verband houden met de functie van het lelletje dat achter in de mondholte dienst doet als verkeersregelaar. Bij deze explicatie bekruipt mij het gevoel dat we hier niet te maken hebben met een oude betekenis, maar met een door 20e of 21e-eeuwse geleerden bedachte interpretatie. 

Volgens het Middelnederduitse woordenboek van August Lübben is een hukbôt of hukebôt een ‘Lichterfahrzeug’."37" Maar het is niet duidelijk wat huk of huke hier zou moeten

betekenen en waar het vandaan komt. Ook het Middelnederlands kent het woord hoecboot of houkeboot. Voor het element huk wordt dan gedacht aan een ablautvorm van ‘haak’ (in verband met de visserij), maar zeker is deze afleiding niet. Voeg hierbij het in allerlei vormen voorkomende woord huik en de door etymologen geopperde mogelijkheid dat de moderne Nederlandse woorden huig (Lat. uvula) en huif in essentie hetzelfde woord zijn, en er opent zich een ruim speelveld voor speculatie. Gezien de algehele onzekerheid lijkt het niet op voorhand uitgesloten dat huch verwijst naar een vaartuig van een bepaald type en dat de betekenis van dit woord al vroeg verloren is gegaan."38" Als dat juist is, zou huchslate eenvoudig ‘schipsloot’ kunnen betekenen. Deze betekenis zou in elk geval passen bij de ‘hoeksloten’ bij Aduard, Sneek en Abbenes.

Zowel de door Van Berkel en Samplonius gegeven interpretatie (‘aan één eind drooglopende sloot’) als de functie (‘schipsloot’) zouden aanleiding hebben kunnen zijn om ‘De Lindt’ bij Aduard als een huchslate te zien. Aan het westelijke uiteinde van de Lindt ligt het maaiveld tegenwoordig maar een kleine meter hoger dan aan het oostelijke eind bij Nieuwklap. Of dat in de veertiende eeuw ook al zo was weten we niet. Dit hoogteverschil is niet groot, maar genoeg om het drooglopen van het westelijke einde van de sloot te kunnen veroorzaken. De interpretatie ‘schipsloot’ van het woord huchslate lijkt steun te krijgen door de (latere) naam van de watergang. De naam ‘De Lindt’ zou wellicht hetzelfde woord kunnen zijn dat we in Drenthe tegenkomen als ‘lent’. Een ‘lent’ is een aanlegplaats voor bootjes aan de bovenloop van de Hunze, in het bijzonder een plek waar turfschuiten met het bruine goud beladen konden worden."39" Het zou niet vreemd zijn wanneer de naam van de schipsloot bij Aduard samenhangt met het doel dat hij heeft gediend.

Restanten van een sluis in Aduard Restanten van een sluis in Aduard

De foto is ontleend aan de publicatie van Boersma en Praamstra over de opgravingen te Aduard."40"

In 1941 is een sluis aangetroffen aan het zuidelijke einde van de Hofstraat in Aduard. Via deze sluis had men vanuit De Lindt toegang tot een haven binnen het kloosterterrein.

Misschien hebben de Aduarder monniken het Drentse water ook gebruikt om de riolering van Aduard te spoelen!"41"

 De Lindt bij Nieuwklap De Lindt bij Nieuwklap

Deze watergang was van oorsprong het uiteinde van de Kliefslootgeul. Hij heeft dienst gedaan voor de afleiding van het Drentse water dat door de Hunsinge werd aangevoerd en is mogelijk door Aduard gebruikt als scheepvaartkanaal. Na een knik voert De Lindt in rechte lijn naar de zuidwestelijke hoek van het kloosterterrein. De bomen op de achtergrond markeren de loop van De Lindt.

Zuidwending en Hunsinge tussen Vierverlaten en Nieuwbrug. De oude en nieuwe situatie zien we wanneer we de oude kadasterkaart en het huidige beeld over elkaar leggen. Zuidwending en Hunsinge tussen Vierverlaten en Nieuwbrug. De oude en nieuwe situatie zien we wanneer we de oude kadasterkaart en het huidige beeld over elkaar leggen.

Ook ‘boven’ Nieuwbrug is het Peizerdiep gekanaliseerd. Tot halverwege de twintigste eeuw vertoonde het Aduarderdiep (Peizerdiep, Hunsinge) tussen Nieuwbrug en Vierverlaten een hevig kronkelende loop. De bochtige Aduarderdiepsterweg herinnert nog aan de oude loop van de rivier.

Aduarderdiep tussen Nieuwbrug en Vierverlaten.  Vanaf de in 2009 in gebruik genomen Tichelwerkbrug ten westen van Leegkerk kijken we in zuidelijke richting. Aduarderdiep tussen Nieuwbrug en Vierverlaten. Vanaf de in 2009 in gebruik genomen Tichelwerkbrug ten westen van Leegkerk kijken we in zuidelijke richting.

Het hier afgebeelde stuk van het Aduarderdiep is halverwege de vorige eeuw gegraven en vervangt een sterk kronkelend deel van de Hunsinge.

 Nogmaals het grondbezit van het klooster Aduard Nogmaals het grondbezit van het klooster Aduard

We zagen al eerder dat vrijwel alle grond onder Leegkerk in 1594 eigendom was van Aduard. Noord-Lieuwerderwolde (Leegkerk) is, net zoals Hooge- en Lagemeeden, grotendeels ontginningsgebied geweest en Aduard zal bij de ontwikkeling ervan een belangrijke rol hebben gespeeld.

Het feit dat Aduard in 1313 en omstreeks 1335 met Lieuwerderwolder partners een overeenkomst sloot over een zijl in of bij Aduard, wijst erop dat niet alle land in dit gebied in het bezit van Aduard was. Dat geldt in het bijzonder voor Zuid-Lieuwerderwolde (Hoogkerk), waar Aduard vrijwel geen grond bezat.

De Gaaikemadijk ligt in zijn geheel binnen de parochie Wierum en heeft – zoals reeds opgemerkt – vermoedelijk een rol gespeeld bij de ontwikkeling van het gebied tussen Aduard, Dorkwerd en Wierum.

Nog eens het reliëf tussen Aduard en de Paddepoel
De rode lijnen geven de landwegen weer.
Het pijltje wijst naar de plek waar een vanaf het uiteinde van de Kliefslootgeul gegraven kanaal op een oude Hunsingekronkel kan zijn aangesloten.

Door de Hunsinge uit zijn natuurlijke bedding te weren was het mogelijk geworden het gebied tussen Aduard en Dorkwerd in ontwikkeling te nemen. Om dezelfde reden, maar dan ten behoeve van Lieuwerderwolde, zijn ook de Woldsloot en het Eelderdiep afgeleid. We zagen dat al eerder. Ook de omlegging van de Drentse A door middel van een gegraven kanaal door het Reitland (het huidige Reitdiep tussen Donghorn en Dorkwerd) diende een dergelijk doel.

Op het bovenstaande kaartje wijst de rode pijl naar het punt vanwaar een kanaaltje vanuit een oude Hunsingekronkel in westelijke richting kan zijn gegraven. De eerder genoemde en in mijn ogen jongere ‘winkelhaak’ sluit deze watergang af. Voordien moet dit kanaaltje een belangrijke schakel zijn geweest in de vaarroute tussen de Hunze en Aduard. Tegelijkertijd moet het een hindernis zijn geweest voor het landverkeer dat, komende uit de richting Dorkwerd, vanaf de Zijlvesterweg naar de Gaaikemadijk wilde en omgekeerd. Een eenvoudig tilletje zal genoeg geweest zijn om dit probleem op te lossen.

Let op de relatieve hoogte van de Paddepoel: een kanaaltje dat in open verbinding stond met Hunze en A kan als gevolg van de slibafzetting in dat gebied niet goed hebben gewerkt, ook al lag de bodem daar in de dertiende eeuw nog niet zo hoog als nu. Om de watergang op diepte te houden moest hij voortdurend worden uitgegraven.

Zou dit ook de verklaring kunnen zijn voor de langgerekte rug ten noordwesten van Dorkwerd? Zoals gezegd kan deze een onderdeel zijn van de oude Middagsterdijk, maar het is ook denkbaar dat hij ‘t onbedoelde resultaat is van het herhaaldelijk uitgraven van de

watergang. De specie deponeerde men op eigen, Aduarder grond aan de noordkant van de sloot. De Dorkwerder zijde van het kanaaltje was in 1594 eigendom van Selwerd.

Misschien vullen beide veronderstellingen elkaar aan.

Wegen tussen Dorkwerd en Aduard
De pijl wijst naar een van de plekken waar de Gaaikemadijk een natuurlijke watergang kruist.
De rode stip boven het Van Starkenborghkanaal markeert de plaats van boerderij ‘Het Hool.’

We zagen al dat de Gaaikemadijk deel uitmaakte van de landweg tussen Groningen en Aduard. Deze liep vanaf Dorkwerd langs de Zijlvesterweg in zuidwestelijke richting tot even ten noorden van de plek waar die weg nu de N355 kruist. Dan maakte hij een halve cirkel buitenom de bijna cirkelronde Hunsingekronkel ten westen van Kleiwerd. Tegenwoordig bestaat die laatste weg niet meer, maar in het veld is hij nog wel te zien. De opstellers van de Cultuurwaardenkaart west (bijlage 1 bij de toelichting van het ontwerp-bestemmingsplan Buitengebied van de gemeente Groningen uit 2011) maken melding van dit stuk weg, dat door hen ‘Pad Gaaikemadijk – Zijlvesterweg’ genoemd wordt. Ze verwijzen naar het kadastrale minuutplan van 1821-1832, waarop dit pad ook staat aangegeven, en wel onder de naam en als deel van de Zijlvesterweg.

De weg langs de Gaaikemadijk was ook de gewone verbinding tussen Groningen en Middag. Hij past in de verkaveling en is om die reden vermoedelijk ouder dan de alternatieve landroute over de Hoogeweg en Dorkwerd, die sinds de aanleg van het Van Starkenborghkanaal vlak ten noorden van het kanaal westwaarts loopt. Deze weg (nu E.H. Woltersweg geheten) kruist ten zuiden van boerderij Het Hool een oude rivierkronkel en gaat daar ook schuin door de verkaveling, hetgeen erop wijst dat deze weg eerst is aangelegd nadat de verkaveling tot stand was gekomen. Dit maakt het belang van de zojuist genoemde halfronde verbindingsschakel tussen de Zijlvesterweg en de Gaaikemadijk nog groter dan we al dachten. In elk geval ondersteunt het de opvatting dat het behoud van dit oude stukje weg uit cultuurhistorisch oogpunt wenselijk is.

We zagen zojuist dat er vanaf Dorkwerd twee oude landroutes naar Aduard zijn geweest: een zuidelijke over de Zijlvesterweg en de Gaaikemadijk en een (wat jongere) noordelijke over de Hoogeweg. Beide wegen maakten gebruik van de Steentil en zijn ook allebei – sterk vereenvoudigd – ingetekend op een 17e-eeuwse kaart.

Hetzelfde wegenpatroon op een 17e-eeuwse kaart
Uitsnede uit GrA T817-1052: ‘Kaart van het Westerkwartier, in het bijzonder van zijn wateren, tillen, zijlen en verlaten; 1600-1700’.
De stippeltjes-lijnen geven landwegen aan.

De volgende foto is genomen vanaf de plek waar de ‘winkelhaak’ aansluit op de oude Gaaikemadijk. De pijl op het nevenstaande kaartje geeft de kijkrichting aan.

 Tussen de Gaaikemadijk en Dorkwerd  Het hek staat dwars op de weg die de verbinding vormde tussen de Gaaikemadijk en de Zijlvesterweg. Tussen de Gaaikemadijk en Dorkwerd Het hek staat dwars op de weg die de verbinding vormde tussen de Gaaikemadijk en de Zijlvesterweg.

Van de gelegenheid maak ik gebruik om, aan de hand van de twee volgende plaatjes, nog even te wijzen op het verdwijnen van het reliëf. Op het linkerplaatje zien we de AHN-1, rechts de jongere AHN-2. Op het linkerplaatje zijn tussen de Gaaikemadijk en het Aduarderdiep nog sporen van vroegere prielen zichtbaar. Deze zijn op het rechterplaatje verdwenen. Daar is te zien dat een ongeveer 23 ha groot stuk land is opgehoogd en geëgaliseerd.

Tussen de Gaaikemadijk en het Aduarderdiep Tussen de Gaaikemadijk en het Aduarderdiep

Onlangs zijn ook de kavelsloten in het ronde terrein bij Slaperstil gedempt en is, aan de zuidkant van de N355, het land bij de poldermolen De Jonge Held geëgaliseerd.

10.

Zie Jan van den Broek, Groningen een stad apart, 269 evv.

11.

Zie p. 31.

12.

De maaiveldhoogte ter plaatse bedraagt -1,29 NAP, het kanaalpeil in het Aduarderdiep is -0,93 NAP.

13.

J. Buisman, Duizend jaar weer, wind en water in de Lage Landen dl. 2 (Franeker 1996) 35-37, 63, 68, 76.

14.

Zie in dit verband G&DW 7, De Hunze omgeleid, hoofdstuk 7.3, ‘Tillen, Kleisloot en Boterdiep’ en Mengelwerk, ‘Zijpad Hinkemahornster’, 16-21 (http://www.groningerarchieven.nl/historie/mengelwerk/zijpad-hinkemahorn-2).

15.

F.A.H. van den Hombergh en E.O. van der Werff (eds), Sicke Benninge. Croniken der Vrescher Landen mijtten Zoeven Seelanden ende der stadt Groningen. Geschiedenis van Groningen en Ommelanden tot 1530. 2 dln. (Den Haag 2012) 251.

16.

Zie G&DW 6, Aduarderzijlvest en Aduarderdiep, hoofdstuk 6.1, ‘Een nieuwe zijl bij Arbere (1313)’.

17.

Zie voor de met deze fantasienaam aangeduide waterloop G&DW 10, Tussen Aduard en Grijpskerk 1, hoofdstuk 10.1 ‘Aduard en omgeving’ p. 1.

18.

J.A. Mol en Jan Delvigne, ‘Het klooster, het land en het water’, in: Jaap van Moolenbroek en J.A. (Hans) Mol (red.), De Abtenkroniek van Aduard, Studies, editie en vertaling (Hilversum-Leeuwarden 2010) 153-172, in het bijzonder 165.

19.

Zie p. 55.

20.

Een dergelijke gang van zaken is ook denkbaar bij het oostelijke deel van de Wolddijk (ten noorden van Oosterdijkshorn) en de Graauwedijk tussen Luddeweer en Overschild.

21.

Zie p. 52.

23.

Paul Panjkovic, ‘Wonen op veen in de Lagemeeden’, in: Historisch Jaarboek Groningen 2014, 134-136.

24.

Zie Jan Meijering en Henny Groenendijk, ‘Bodem en landschap’, in: W. Friso en K. Holstein (red.), Steentil bij Aduard (Groningen 2010) 9-16, in het bijzonder 15.

25.

R.P. Exaltus en G.L.G.A. Kortekaas, ‘Prehistorische branden op Groningse kwelders’, PaleoAktueel 19 (2008) 115-124.

26.

Vgl. Gert Kortekaas, ‘Graven in Lieuwerderwolde’ in Hervonden Stad 1 (1996) 51-62, dezelfde, ‘Archeologie in 1999’ in: Hervonden Stad 5 (2000) 4-24, aldaar 17, en L.A.H. de Smet, De bodem van Groningen (Wageningen 1965) Stiboka; toelichting bij blad 1 van de bodemkaart van Nederland schaal 1:200.000, 11.

27.

H. Buitenhuis, Een archeologisch bureau-onderzoek en inventariserend veldonderzoek door middel van grondboringen aan de zuidkant van de rijksweg N355 tussen Groningen en Zuidhorn (Gr.) ARC-Rapporten 2008-78 (Groningen, 19 juni 2008)

28.

GrA T817-1053.

29.

D. Kloppenburg, ‘De waterstaatkundige ontwikkeling van het Westerkwartier’, 434-435 en 453. Kloppenburgs exposé is moeilijk te volgen, mede doordat de verwijzingen daarin niet altijd corresponderen met de bijbehorende kaartjes.

30.

Hs. Kremer, Beknopte aardrijks- en geschiedkundige beschrijving der Provincie Groningen (Groningen 18392) 153.

31.

GPS 53.260971,6.488487.

32.

GPS 53.243884,6.488745.

33.

G&DW 2, Aduard, Drenterwolde en de Hunze, hoofdstuk 2.2, ‘De politieke en geografische achtergrond’.

34.

Jaap van Moolenbroek en J.A. (Hans) Mol (red.), De Abtenkroniek van Aduard, Studies, editie en vertaling (Hilversum-Leeuwarden 2010) 268.

35.

Een woord dat de aard of herkomst van het benoemde aanduidt, een soortnaam dus.

36.

G. van Berkel en K. Samplonius, Nederlandse plaatsnamen. Herkomst en historie (Utrecht 2006) 212.

37.

August Lübben, Mittelniederdeutsches Handwörterbuch (1888 Norden en Leipzig, herdrukt 1965 Darmstadt) 153.

38.

Toen hij zijn kaart van Amstelland en Rijnland maakte wist ook  Willem Blaeu (1571-1638) niet wat hij met de Huigsloot moest aanvangen. Hij maakte er Huys sloot van.

39.

J. Wieringa, ‘Het toponiem Lent. Herinnering aan de scheepvaart op de Hunze’, in: Driemaandelijkse bladen 1976, 49-53. Wieringa verwijst naar T1536-1010 (kaart van de Oostermoersevaart tussen Drouwen en het Zuidlaardermeer), waarop 22 ‘lenten’ en 1 ‘lint’ zijn ingetekend. Het is niet duidelijk wat het woord ‘lent’ betekent. Zie Wobbe de Vries, Groninger Plaatsnamen (Groningen/Batavia 1946) 124: ‘De naam is mij duister’. 

40.

H. Praamstra und J.W. Boersma, ‘Die archäologische Untersuchungen der Zisterzienserabteien Clarus Campus (Klaarkamp) bei Rinsumageest (Fr.) und St. Bernardus in Aduard (Gr.)’, in: Palaeohistoria 19 (1977) 173-259, in het bijzonder 196.

41.

Jakob Loer, ´De abtenkroniek en de bouw van de Sint-Bernardusabdij’, in: Jaap van Moolenbroek en J.A. (Hans) Mol (red.), De Abtenkroniek van Aduard, Studies, editie en vertaling (Hilversum-Leeuwarden 2010) 107-152, in het bijzonder 140-141.