Zoek op de website

5.4	Nieuwe werken onder regie van Aduard

Aduard en omgeving

  1.  ‘oer-Aduarderdiep' en ‘hoogtesprongen’ bij
  2. de ‘Nienhuisdam’
  3. Arbere
  4. Groot Leger
  5. Osseweide

Ik heb gewezen op de lichte kronkels in het ‘oer-Aduarderdiep’: de sloot tussen Hoogemeeden en Leegkerk waarlangs de Hunsinge naar de Kliefslootgeul is afgeleid en die het gedeelte van het Aduarderdiep vormt tussen Nieuwklap en Nieuwbrug. Die kronkels moeten het gevolg zijn van getijdewerking. Het feit dat het niet meer dan lichte kronkels zijn, wijst erop dat eb en vloed niet erg lang vrij spel hebben gehad.

Tegelijk zien we ten noordwesten van Aduard een opvallend hoogteverschil – een ‘hoogtesprong’ – ter weerszijden van een rechte lijn. Die lijn is het overblijfsel van een oude dam. Tegenwoordig loopt over deze dam de ree naar boerderij Nienhuis. Om die reden noem ik hem in het vervolg de ‘Nienhuisdam’.

We zien zulke hoogtesprongen ook op drie andere plaatsen in de buurt: bij boerderij ‘Arbere’ ten noorden van de Kliefslootgeul, bij ‘Groot Leger’ aan de Sietse Veldstraweg en bij de Spanjaardsdijk achter boerderij ‘Osseweide’. Eerder zagen we een dergelijk verschijnsel ook al bij Schilligeham en in de Koningslaagte. Het gaat daarbij telkens om oude beddingen die al vroeg zijn afgedamd. ‘Boven’ de dam kon geen slib meer worden afgezet, terwijl het opslibbingsproces ‘beneden’ de dam gewoon kon doorgaan.

Het verhaal over de ontwikkeling van het gebied ten westen van de Spanjaardsdijk – de invloed van het Drentse water was daar minder groot – komt in het voorlaatste deel van ‘Groningen en het Drentse water’. We concentreren ons nu op de ‘Nienhuisdam’.

Afsluiting van de Kliefslootgeul  De ‘Nienhuisdam’ is aangegeven met een rood lijntje. Afsluiting van de Kliefslootgeul De ‘Nienhuisdam’ is aangegeven met een rood lijntje.

We weten niet wanneer de Nienhuisdam en de uitwateringssluis daarin zijn gelegd, maar het zou me niet verbazen wanneer dat al vroeg in de dertiende eeuw is gebeurd. Met dit kunstwerk heeft men in de eerste plaats de vloed op afstand willen houden en de laagte tussen Aduard en Arbere als spuiboezem willen benutten. Wanneer de zijl zich bij opkomend tij sloot, bleef het waterpeil boven de dam laag, zodat het lage land in het zuidelijke deel van Middag (Fransum en omgeving) zijn water op de boezem kon lozen. Misschien zijn vanaf het begin niet alleen één of meer vloeddeuren geïnstalleerd, maar heeft men ook ebdeuren geplaatst die het mogelijk maakten om, wanneer dat gewenst en met het oog op de waterhuishouding ook mogelijk was, het binnenwater vast te houden dat voor de scheepvaart nodig was.

Ik durf niet te zeggen dat de aldus geschapen waterberging de eerste boezem is in de Nederlandse geschiedenis, maar als Peter Hoppenbrouwers gelijk heeft met zijn mededeling dat de oudste boezems in Holland van ná het midden van de vijftiende eeuw dateren, dan is de boezem tussen Aduard en Arbere zeker twee eeuwen ouder en moet dan op zijn minst een van de oudste zijn.42

De Aduardersteentil in 2012 De Aduardersteentil in 2012

Enkele jaren geleden is de Aduardersteentil vernieuwd. Nadat de oude Steentil was afgebroken, bleek het muurwerk te zijn gefundeerd op palen waarvan het hout tussen 1285 en 1295 is gekapt. Dat wijst erop dat hier aan het einde van de dertiende eeuw reeds een brug stond. Deze oeververbinding maakte deel uit van de verbindingsweg tussen Groningen en Aduard. Waar een brug is moet ook een watergang zijn. Maar wat voor watergang kan dat zijn geweest?

Volgens de archeoloog H.A. Groenendijk en de andere deskundigen die zich over deze kwestie hebben gebogen, zijn er voor de eind dertiende-eeuwse paalkoppen onder die brug twee verklaringen mogelijk: óf de oude brug ging over een natuurlijke watergang, óf het Aduarderdiep is een eeuw ouder dan gedacht. Op grond van – naar ik mag aannemen – deugdelijke argumenten wijzen ze de eerste mogelijkheid af en kiezen ‘dus’ voor de tweede. Deze interpretatie is door Jacob Loer overgenomen en als uitgangspunt gebruikt voor zijn bespreking van een akte uit 1313, die in het volgende deel uitgebreid aan de orde komt.43

Met deze redenering wordt voorbijgegaan aan een voor de hand liggende derde mogelijkheid: dat de brug van 1285-1295 over een kanaal is geslagen dat later onderdeel is geworden van het Aduarderdiep dat we nu kennen. In deze geest heb ik zelf een voorstel gedaan in bijlage 1 van Een kronkelend verhaal. Het hierna volgende is een andere weergave van hetzelfde idee.44

Waarschijnlijk werd het in de tweede helft van de dertiende eeuw steeds moeilijker om de schipsloot van de Hunze via Dorkwerd naar Aduard open te houden. Met name het gedeelte bij Paddepoel en Dorkwerd stond bloot aan opslibbing. Om die reden kan men op zoek zijn gegaan naar een andere vaarverbinding tussen de Hunze en Aduard.

De hoogtekaart geeft aanwijzingen voor het alternatief dat men toen – misschien – heeft gevonden.

 Een nieuwe vaarweg tussen de Hunze en Aduard? Een nieuwe vaarweg tussen de Hunze en Aduard?

Er zijn enkele aanwijzingen die op zijn minst doen vermoeden dat er een watergang heeft bestaan tussen Aduard en de Hunze (nu Reitdiep) ten noorden van Oostum.

 Tussen Aduard en de Steentil Tussen Aduard en de Steentil

Het plaatje laat zien dat zich tussen Aduard en de Aduardersteentil een laagte bevindt, die het overblijfsel moet zijn van een oude priel die op de Kliefslootgeul uitkwam. Het lijkt mij op zijn minst denkbaar dat deze natuurlijke waterloop als vaarweg is benut.

Het beeld wordt tegenwoordig verstoord door de grondberging in het zuidwestelijke kwadrant van de kruising Aduarderdiep-Van Starkenborghkanaal.

Een nieuwe verbinding tussen Aduard en de Hunze (?)  De rode stip geeft de plaats aan van boerderij Langeveld. Een nieuwe verbinding tussen Aduard en de Hunze (?) De rode stip geeft de plaats aan van boerderij Langeveld.

Tussen de Aduardersteentil en boerderij Langeveld lijkt de nieuwe watergang – een deel van het latere Aduarderdiep – doelbewust gegraven te zijn.

De watering ten noorden van Oostum, het verbindingsstuk tussen het nieuwe diep en de benedenloop van Hunze en A of Reitdiep, is oud en – gelet op de oriëntatie en de onregelmatige loop ervan – waarschijnlijk van natuurlijke oorsprong. Aan de westzijde van het latere Aduarderdiep heeft hij een voortzetting in zuidwestelijke richting. Hij vormt bovendien de kerspelgrens tussen Oostum en Garnwerd. Ook dat zou erop kunnen wijzen dat we hier te maken hebben met een oude waterloop.

De rechthoekige donkergroene vlakken zijn afgetichelde percelen. Hier is tot in de twintigste eeuw klei gestoken ten behoeve van de baksteenproductie. Wellicht is men daarmee al in de dertiende eeuw begonnen – ten behoeve van de kloosterkerk te Aduard? – en heeft het nieuwe diep daarbij een rol gespeeld.

Boerderij Langeveld in de jaren vijftig Boerderij Langeveld in de jaren vijftig
Watergang ten noorden van Langeveld Watergang ten noorden van Langeveld

We kijken vanaf de weg langs het Aduarderdiep in zuidwestelijke richting. Het geboomte links op de foto hoort bij boerderij Langeveld. De sloot ligt wat vreemd in de verkaveling aan de westkant van het Aduarderdiep, hetgeen kan duiden op een natuurlijke oorsprong.

De sloot die aan de oostzijde van het Aduarderdiep in het verlengde van deze waterloop ligt, zou gebruikt kunnen zijn als verbinding tussen de Hunze en het Aduarderdiep.

Sporen van een kreek die als vaarweg is gebruikt? Sporen van een kreek die als vaarweg is gebruikt?

De rechte blauwe streep links is het Aduarderdiep, rechts het Reitdiep.
Linksonder boerderij Langeveld, rechtsonder de wierde van Oostum.
De hoogte ter linkerzijde van het Aduarderdiep is de Brillerij, de rode lijn is de Oostumerweg.

Van bovenaf is goed te zien dat de oriëntatie van de waterloop ten noorden van Oostum (bij het pijltje) afwijkt van het verkavelingspatroon en dat de sloot in het afgegraven terrein ten westen van het Aduarderdiep ongeveer dezelfde oriëntatie heeft.

Spoor van een oude vaarroute?  De foto’s zijn vanaf de Reitdiepsdijk in westelijke richting genomen en tonen het oostelijke uiteinde van de watergang die benut kan zijn als vaarroute tussen de Hunze en Aduard. Spoor van een oude vaarroute? De foto’s zijn vanaf de Reitdiepsdijk in westelijke richting genomen en tonen het oostelijke uiteinde van de watergang die benut kan zijn als vaarroute tussen de Hunze en Aduard.

Hetzelfde gebied met kerspelindeling Hetzelfde gebied met kerspelindeling

De besproken watergang vormt de grens tussen de kerspelen Oostum en Garnwerd.

Het lijkt erop dat het kerspelgebied van Oostum oorspronkelijk deel heeft uitgemaakt van dat van Garnwerd en later (na het graven van het zuid-noord georiënteerde stuk Aduarderdiep?) van dat kerspel is afgescheiden.

Het ‘oerkerspel’ Garnwerd met zijn afsplitsingen Het ‘oerkerspel’ Garnwerd met zijn afsplitsingen

Dit spoort met de theorie van Paul Noomen omtrent de volgorde waarin de parochies in dit deel van Groningerland zijn gesticht. In zijn visie is Garnwerd een ‘oerparochie’ die rond het jaar 1000 is ontstaan, en zijn Feerwerd en Oostum kerspels die daarvan later zijn afgescheiden.45

Garnwerd en Krassum Garnwerd vanuit het zuidwesten. Rechts op de foto de schuren van Krassum. Garnwerd en Krassum Garnwerd vanuit het zuidwesten. Rechts op de foto de schuren van Krassum.

De oudste vermelding van Krassum dateert uit c. 820, toen landerijen bij Creslinge’46 geschonken werden aan de abdij van Fulda, die gesticht is door Bonifatius.

Een nieuwe vaarverbinding. De rode stip geeft de plaats van boerderij Langeveld aan. Een nieuwe vaarverbinding. De rode stip geeft de plaats van boerderij Langeveld aan.

Het idee is dus dat men vanuit Aduard een natuurlijke zijgeul van de Kliefslootgeul in noordoostelijke richting volgde (ruim 850 meter), vervolgens – zoveel mogelijk gebruik makend van bestaande kavelsloten – over een afstand van 2,3 km een nieuw kanaal groef in noordelijke richting en dit ten noordoosten van boerderij Langeveld (de rode stip op het kaartje) aansloot op een bestaande watergang die in noordoostelijke richting naar de Hunze leidde.

Deze gang van zaken zou tevens verklaren waarom het Aduarderdiep op de plek waar het ten noorden van Langeveld op de natuurlijke waterloop uitkwam, een lichte knik vertoont. Toen men later (c. 1400) besloot om het Aduarderdiep in noordelijke richting door te trekken, moest men een lichte kromming maken om aansluiting te vinden bij een bestaande watergang die vanaf de Schifpot (tussen Feerwerd en Garnwerd, niet op dit plaatje) noordwaarts liep.

Het Aduarderdiep en Oostum. Het kerspelgebied van Oostum is geel gekleurd;  het Aduarderdiep doorsnijdt een aantal oudere kavellijnen Het Aduarderdiep en Oostum. Het kerspelgebied van Oostum is geel gekleurd; het Aduarderdiep doorsnijdt een aantal oudere kavellijnen

Bij Oostum doorsnijdt het Aduarderdiep een aantal oude kavelsloten, maar er zijn ook enkele ter weerszijden van het kanaal doorlopende watergangen die ter hoogte van het kanaal een knik vertonen. Dat wijst erop dat het kanaal weliswaar jonger is dan de percelering, maar dat het na zijn ontstaan wel bepalend is geweest voor de verdere inrichting van het land.

Tegelijk is het Aduarderdiep hier de grens tussen Oostum enerzijds en Fransum en Garnwerd anderzijds. Dat doet vermoeden dat het kerspel Oostum jonger is dan dit stuk van het Aduarderdiep! Of moeten we zeggen dat de grens aanvankelijk anders liep en dat men later, uit praktische overwegingen, het Aduarderdiep als kerspelgrens is gaan hanteren?

De kerk van Oostum wordt gedateerd op halverwege de dertiende eeuw, maar de eerste vermelding van het kerspel Oostum vinden we niet eerder dan in de vijftiende eeuw. De wierde Oostum en de bewoning daar zijn natuurlijk veel ouder. Oostum komt reeds voor in een lijst van kloostergoederen uit de periode 800-1050. Stichting van een parochie Oostum in de loop van de dertiende eeuw zou passen bij de hypothese dat in die tijd een alternatief moest worden gevonden voor de vaarroute Paddepoel-Aduard en dat dit alternatief werd gevonden door het creëren van de hier beschreven vaarverbinding via Oostum.

Het ‘proto-Aduarderdiep’ met kloosterland Het ‘proto-Aduarderdiep’ met kloosterland

Aduard kon in dit gebied waarschijnlijk vrij zijn gang gaan. In elk geval was in 1594 vrijwel alle grond in deze buurt in handen van het klooster (het gearceerde gebied).

Er is wel een serieus bezwaar tegen deze hypothese aan te voeren. Het tussen Nieuwklap en boerderij Langeveld gelegen deel van het huidige Aduarderdiep – hier lichtblauw gemarkeerd – wekt op zijn minst de indruk in één keer te zijn gegraven. Als men in 1285 of daaromtrent het hele stuk tussen de Steentil en Langeveld ten behoeve van de scheepvaart heeft gegraven, had men – zo zou men kunnen denken – ook wel bij Nieuwklap kunnen beginnen. Op die manier zou men in één moeite door een nieuwe afleiding van de Hunsinge hebben geschapen.

Er is echter geen enkele aanwijzing voor de veronderstelling dat het Drentse water reeds aan het einde van de dertiende eeuw vanaf Nieuwklap noordwaarts is geleid. Integendeel. Nog halverwege de veertiende eeuw liep het water van het Peizerdiep via de Kliefslootgeul naar zee.47 Wellicht was er aan het einde van de dertiende eeuw nog geen behoefte aan een andere lozingsmogelijkheid en was eerder het tegendeel het geval. Voor het openhouden van de door dichtslibbing bedreigde Kliefslootgeul was juist een groot debiet48 nodig, en daarbij kon men het Drentse water niet missen. In elk geval laten de schaarse bronnen zien dat men in de veertiende eeuw nog pogingen heeft gedaan om de afstroom van het Drentse water bij Arbere te verbeteren.

De indruk dat het kanaalvak Nieuwklap-Langeveld in één keer is gegraven, is vooral gebaseerd op zijn vorm. Het lijkt kaarsrecht te zijn. Maar dat is niet meer dan schijn. In werkelijkheid vertoont het tracé bij de Aduardersteentil een minuscuul knikje en ten zuiden van Langeveld zelfs een lichte kromming.

 Een knikje bij de Steentil en flauwe bocht bij Langeveld Een knikje bij de Steentil en flauwe bocht bij Langeveld

Als er ter plaatse van de Aduardersteentil aan het einde van de dertiende eeuw een brug is geweest, heeft men later, bij het graven van het aansluitende stuk tussen Nieuwklap en de Steentil, geen speciale oriëntatiepunten nodig gehad. Men groef eenvoudig een verbindingskanaal vanaf het noordelijke einde van de sloot waarmee lange tijd tevoren de Hunsinge naar de Kliefslootgeul was afgeleid (nu Nieuwklap) naar de Steentil. Het is dan ook toeval dat dit stuk (de rode lijn) op de kerk van Garnwerd lijkt te zijn geraaid. Ten opzichte van het stuk Aduarderdiep ten noorden van de Steentil (de groene lijn) wijkt de rode lijn ruim 1 graad in oostelijke richting af.

De conclusie is dus: er is eerst – eind dertiende eeuw? – een smal schipslootje gegraven ten noorden van de Aduardersteentil, en later, rond 1400, is het stuk Nieuwklap-Steentil aangelegd met het doel een nieuwe afleiding te maken voor het door de Hunsinge

aangevoerde Drentse en Lieuwerderwolder water. Dat was toen noodzakelijk geworden, omdat lozing via de Kliefslootgeul als gevolg van de voortschrijdende opslibbing niet langer mogelijk was.

Het Aduarderdiep, de Steentil en Garnwerd, gezien vanaf Nieuwklap.  Het stuk Aduarderdiep tussen Nieuwklap en de Aduardersteentil is niet op Garnwerd geraaid, al lijkt dat op het eerste gezicht misschien wel zo. Het Aduarderdiep, de Steentil en Garnwerd, gezien vanaf Nieuwklap. Het stuk Aduarderdiep tussen Nieuwklap en de Aduardersteentil is niet op Garnwerd geraaid, al lijkt dat op het eerste gezicht misschien wel zo.

Het Aduarderdiep ten noorden van de Steentil.  De foto is in februari 2007 genomen, dus vóór de restauratie van de Aduardersteentil. Het Aduarderdiep ten noorden van de Steentil. De foto is in februari 2007 genomen, dus vóór de restauratie van de Aduardersteentil.

Zoals ik heb betoogd kan het op de vorige foto getoonde stuk Aduarderdiep zijn bestaan begonnen zijn als een alternatieve vaarroute tussen de Hunze en Aduard. Maar misschien is deze hypothese veel te ver gezocht en heeft de eind dertiende-eeuwse voorganger van de Steentil eenvoudig gediend ter overbrugging van een lokale watergang, die in het bijzonder gebruikt werd voor de aanvoer van klei of bakstenen.

Gelukkig weten we van de monding bij Arbere zeker dat ze heeft bestaan. Die zullen we in G&DW 6 uitvoerig bespreken.

Zuidwending en Hunsinge.  Het rode sterretje geeft de plaats aan van het kerkhof te Lagemeeden. Zuidwending en Hunsinge. Het rode sterretje geeft de plaats aan van het kerkhof te Lagemeeden.

Tot slot nog een paar woorden over de Zuidwending, de watergang tussen Lagemeeden en Hoogkerk.

Zojuist liet ik een plaatje zien om te wijzen op het kronkelende deel van de Hunsinge tussen Nieuwbrug en Vierverlaten. Nu gaat het me om de kaarsrechte watergang tussen Nieuwbrug en de Poffert: de Zuidwending. Eerder hebben we gezien dat dit kanaal op een lijn ligt die geraaid lijkt te zijn op de kerk te Roden en dat de aanleg ervan verband houdt met de ontwikkeling van Lagemeeden. Oorspronkelijk was deze watergang niet meer dan een van de twee parallelsloten langs een lage dijk die het lage land van Lagemeeden tegen overstromingen moest beschermen.

In de abtenkroniek van Aduard lezen we dat de kerk te Lagemeeden (‘in Medis’, ‘in de Meden’) – de plek ervan is op het bovenstaande kaartje gemerkt met een rood sterretje – onder abt Frederik Gaaikema (1329-1350) is gesticht.49 Maar dat wil niet zeggen dat Lagemeeden toen pas tot ontwikkeling is gekomen.

Kerkhof van Lagemeeden Kerkhof van Lagemeeden

Het kerkhof van Lagemeeden ligt op een kunstmatige bult die mogelijk reeds in de elfde of twaalfde eeuw als oriëntatiepunt heeft gediend bij de ontwikkeling van het veengebied tussen Hoogheem en Roderwolde.50

In elk geval zal de bewerking van de klei-op-veen bodem in dit gebied de bodemdaling hebben bevorderd, zodat er voorzieningen nodig waren om vreemd water buiten te houden en het moeilijk werd om het eigen water kwijt te raken.

 Zuidwending vanaf Nieuwbrug naar de Poffert Zuidwending vanaf Nieuwbrug naar de Poffert

Anders dan het stuk Aduarderdiep tussen Nieuwbrug en Nieuwklap vertoont de Zuidwending geen spoor van oude kronkels, hetgeen erop duidt dat de werking van de getijden hier geen rol heeft gespeeld. Dit kan op verschillende manieren worden verklaard:

  • De Zuidwending is gegraven nadat de afsluiting van de Kliefslootgeul bij Arbere tot stand was gekomen.
  • De Zuidwending is weliswaar gegraven vóórdat de Nienhuisdam is gelegd, maar heeft niet in open verbinding gestaan met het ‘oer-Aduarderdiep’.
  • Toen de Zuidwending werd gegraven was de Nienhuisdam er nog niet, maar lag de bodem in Lagemeeden nog zo hoog, dat het vloedwater er niet in door kon dringen.

Dit raadsel kent zoveel onbekenden dat ik vooralsnog geen keus uit deze verklaringen kan maken.51

Het oorspronkelijke doel van de Zuidwending is ongetwijfeld de afvoer van overtollig (lokaal) water geweest. Dat deze watergang is gegraven met het oog op de aanvoer van turf vanuit de omgeving van Leek lijkt me erg onwaarschijnlijk. Maar dat wil niet zeggen dat hij in een later stadium niet gediend kan hebben als verbindingsroute tussen Aduard en de kloosterbezittingen in Terheijl, ten zuiden van Leek. Integendeel. Het ligt juist voor de hand dat de monniken van Aduard dit kanaal hebben gebruikt om het met turfschuitjes te bevaren.

De Zuidwending komt bij de Poffert uit in het Oostwolderdiep (nu Hoendiep). Dit kanaal is vanaf Vierverlaten (ten westen van de kruising van het Hoendiep met het Peizerdiep/Koningsdiep/Hunsinge) regelrecht op Oostwold georiënteerd. Een kleine kilometer verder naar het westen sluit deze watergang – die nu ‘Gave’ heet – aan op de noord-zuid lopende Munnikevaart of Munnikesloot (die natuurlijk niet voor niets zo heet), waarlangs men in het Zultemeer of Leekstermeer komt. Via dit meer kon men de hoogvenen bij Terheijl bereiken, waar Aduard grond bezat (het ‘Paradijs ter Helle’). Uit de kroniek van Sicke Benninge weten we dat daar ook een tichelwerk is geweest.52

Het zuidelijke uiteinde van de Zuidwending Het zuidelijke uiteinde van de Zuidwending

We staan aan de oostkant van het kanaaltje bij de Poffert – hier stond ooit de herberg ‘de Pannekoek’ – en kijken naar het noorden, richting Nieuwbrug. Rechts de bij Hoogkerk horende polder ‘de Zuidwending’, links Lagemeeden.

De Zuidwending: een echte ‘zijdwende’ De Zuidwending: een echte ‘zijdwende’

De Zuidwending tussen Nieuwbrug en De Poffert lijkt op het eerste gezicht niet meer te zijn dan de voortzetting van het Aduarderdiep. Maar dit plaatje maakt duidelijk dat het tegelijkertijd een echte dwarssloot op de Hunsinge was.

De aanleg van de Zuidwending hangt ongetwijfeld samen met de ‘tweede occupatiefase’ van Lagemeeden. Tegelijkertijd is hij de kerspelgrens tussen Hooge- en Lagemeeden aan de ene kant en Hoogkerk (Zuid-Lieuwerderwolde) aan de andere kant. Ook in waterstaatkundige zin was de Zuidwending een ‘grensgeval’: Lagemeeden hoorde bij het Sloterzijlvest (later Nijesloterzijlvest), terwijl Hoogkerk onderdeel was van het Aduarderzijlvest.

De precieze status van de Zuidwending en de veranderingen die deze watergang in de loop der eeuwen heeft ondergaan zijn nog niet opgehelderd. Zoals gezegd past de oriëntatie van de Zuidwending bij de verkaveling van Lagemeeden. In overeenstemming daarmee houdt Siemens haar – ongetwijfeld terecht – voor een onderdeel van het watersysteem van het Sloterzijlvest.53 Uit Geertsema’s beschrijving van de Groninger polders blijkt echter dat de situatie in de loop van de tijd ingrijpend veranderd is. Het kanaal diende in zijn tijd (1910) voor de ontwatering van het waterschap ‘de Zuidwending’, dat ook de oostelijke kade in onderhoud had; Lagemeeden loosde er niet op, maar was wel belast met het onderhoud van de westelijke kade.54 Deze verandering hangt – het is al eerder aangeduid – samen met de daling van de bodem in Lagemeeden: het peil in de Zuidwending is in de loop der eeuwen hoger komen te liggen dan het maaiveld in Lagemeeden. De watergang kon daardoor niet langer onderdeel blijven van de Lagemeedster waterhuishouding en moest aan de westzijde worden bekaad. Dat is de situatie die we nu nog altijd zien: het peil in de Zuidwending (sc. de huidige watergang van die naam) bedraagt -0,93 NAP, de kade erlangs ligt op 0 NAP en het aangrenzende maaiveld in Lagemeeden ligt ruim 1 meter onder NAP, terwijl er in de polder nog veel langere plekken zijn.

Poldermolen ‘Zuidwendinger’ Poldermolen ‘Zuidwendinger’

De naam van de oorspronkelijke kering (‘Zuidwending’) is overgegaan op het waterschap dat de ten oosten ervan gelegen polder beheerde en de molen waardoor deze bemaald werd.

Als gevolg van deze veranderingen moest het waterschap Lagemeeden zijn water op een andere manier kwijt: naar het zuiden loosde het op het Hoendiep (met een molen en een pomp) en naar het noorden (door middel van drie pompen) op de Weer. Dat is de watergang die aan de zuidzijde langs de weg van Den Horn oostwaarts loopt (Weersterweg) en op de Bonnebladen als ‘Schipsloot’ staat aangegeven. Aan het oostelijke uiteinde van de Weer – bij Nieuwbrug dus – bevond zich een verlaatje met een enkel stel deuren en een doorvaartwijdte van 3 meter. De sluis was bedoeld om buitenwater (vanuit het Aduarderdiep en de Zuidwending) te weren en kon alleen gebruikt worden wanneer het peil aan weerszijden gelijk was.

Nutweg in Lagemeeden Nutweg in Lagemeeden
42.

P.C.M. Hoppenbrouwers, ‘Van waterland tot stedenland. De Hollandse economie ca. 975-ca. 1570’; in: T. de Nijs en E. Breukers (red.), Geschiedenis van Holland tot 1572 I (Hilversum 2002) 113.

43.

Jan Meijering en Henny Groenendijk, ‘Bodem en landschap’, in: W. Friso en K. Holstein (red.), Steentil bij Aduard (Groningen 2010) 9-16, Henny Groenendijk, Hans van der Plicht & Harm Jan Streurman, ‘Steentil, an early stone bridge in the monastic landscape of Groningen, the Netherlands’, in: Journal of Archaeology in the Low Countries 4-1 (October 2012) 159-166, en Jakob Loer, ‘Wanneer is het Aduarderdiep gegraven?’, in: Historisch Jaarboek Groningen 2014, 16-33. In het volgende deel (G&DW 6 Het Aduarderzijlvest en het Aduarderdiep) kom ik op het laatstgenoemde artikel terug.

44.

Van den Broek, Een kronkelend verhaal, 188-194.

45.

Paul Noomen, ‘Winsum in de vroege Middeleeuwen’, in: Redmer Alma e.a. (red.), Winsum 1057-2007, 65-87.

46.

OGD I 1.

47.

Dit volgt uit twee teksten (OGD I 241 en OGD II 1231), die in G&DW 6 in een passende context aan de orde zullen komen.

48.

Het debiet is de hoeveelheid water die per bepaalde tijdseenheid door een watergang wordt afgevoerd. Vaak wordt het debiet uitgedrukt in kubieke meters per seconde.

49.

Van Moolenbroek e.a., Abtenkroniek 276

50.

J.Y. Huis in ’t Veld e.a., Het Hoogeheem, een Drents kloostervoorwerk in Groningen, Stadse Fratsen 28 (Groningen 2011), 162.

51.

Volgens Jan Oldenhuis moeten we het graven van de Zuidwending in verband zien met de aanleg van het Aduarderdiep ‘aan het eind van de 15e eeuw’ (Jan Oldenhuis, ‘Lagemeeden, een merkwaardige plek voor een kerk’, in: Stad en Lande 2010 nr. 4, 41-43). Dat laatste zal een vergissing zijn; de auteur zal de 14e eeuw bedoelen. Desondanks lijkt deze datering mij veel te laat.

52.

Van den Hombergh en Van der Werff, Sicke Benninge, 467 (‘achter Adwerder tichelwarck inde Helle’).

53.

B.W. Siemens, Dijkrechten en zijlvesten (Groningen 1974-1975) kaart 3.

54.

C.C. Geertsema, De zeeweringen, waterschappen en polders in de provincie Groningen (Groningen 1910) 136-137, 147.