Zoek op de website

6.1		Een nieuwe zijl bij Arbere (1313)

Aduardersteentil Aduardersteentil

Aan het einde van het vorige deel (hoofdstuk 5.4 ‘Nieuwe werken onder regie van Aduard’) zagen we dat de eind dertiende-eeuwse voorganger van deze brug waarvan in 2009 de paalfundering gevonden is, geslagen zou kunnen zijn over een watergang die deel uitmaakte van een vaarroute tussen Aduard en de Hunze. Het slot van het verhaal was dat de zaak onduidelijk is en blijft en dat die oude brug misschien een lokale stroom overspande.

In een artikel in het Historisch Jaarboek Groningen 2014 heeft Jakob Loer een poging gedaan aan te tonen dat het Aduarderdiep in de periode 1295 en 1313 is gegraven.1 In dat opstel gaat hij voorbij aan alle aanwijzingen die niet stroken met deze stelling. Naast indirect bewijs en allerlei bijzonderheden in het landschap en de bodem gaat het daarbij om een drietal veertiende-eeuwse teksten die Loers conclusie erg onwaarschijnlijk maken.

Vanwege de veel te smalle basis waarop Loers betoog steunt is het niet nodig tot in detail op dit artikel in te gaan. Maar omdat het verschenen is in een overigens respectabel jaarboek zal ik waar dat te pas komt enkele woorden aan dit artikel wijden.

De oudste teksten over de waterstaatkundige toestand ten westen van de Hondsrug worden gedateerd op 1313 en c. 1335. Beide teksten zijn slechts in afschriften overgeleverd. De oudste in een zeventiende-eeuws afschrift, het afschrift van de tweede dateert uit de zestiende eeuw. Er zijn twijfels over de datering van de akte van 1313 en die van c. 1335 heeft helemaal geen datum. De benaderende datering van deze tweede tekst is gebaseerd op het feit dat de daarin optredende personen in 1335 alle in leven en met gezag beklede figuren waren.

De teksten bevatten vele raadselachtige passages en de topografische elementen die erin worden genoemd laten zich niet eenduidig identificeren. De onzekerheid met betrekking tot de datering maakt de zaak nog gecompliceerder.

Een onzekere datering: 1313 of 1342? Een onzekere datering: 1313 of 1342?

We beginnen met het document waarvan men steeds heeft gedacht dat het de oudste schriftelijke bron is over de waterstaatkundige ontwikkeling ten westen van de Hondsrug.2 Zoals gezegd is het origineel ervan niet bewaard gebleven, zodat we het moeten doen met een later afschrift. De in de tekst vermelde datum is ‘zaterdag na Sint Marcus 1313’ (18 april 1313), maar er zijn redenen om aan de betrouwbaarheid van die datering te twijfelen. In Een kronkelend verhaal vond ik een bespreking daarvan niet op zijn plaats en heb ik in mijn exposé de datering ‘omstreeks 1340’ gehanteerd.3 Wat mij betreft is het dispuut nog altijd

onbetwist en is dat een goede reden om de voors en tegens van de argumenten te noemen die op een latere datering zouden kunnen wijzen.

Vruchteloos gepuzzel

Doeke Kloppenburg was van mening dat de datum 28 april 1313 niet juist kon zijn en vermoedde dat het stuk uit 1343 dateert.4 Deze gedachte vloeit voort uit de door hem gereconstrueerde chronologie van de opslibbing en bedijkingen in het Westerkwartier. Daarbij heeft hij zich vooral gebaseerd op zijn waarnemingen in het veld en op kaartstudie. Ik mis de kennis van zaken die nodig is om de betrouwbaarheid van Kloppenburgs reconstructie te beoordelen, maar heb zelf ook aan een latere datering van de betreffende tekst gedacht. Twee aspecten van de overgeleverde tekst zouden in die richting kunnen wijzen.

  • ‘Het stuk van 1313’ lijkt een nadere precisering te zijn van de regeling die omstreeks 1335 is getroffen.
  • De taal van ‘het stuk van 1313’ is het Nederduits, terwijl het gebruik van deze taal bij het opmaken van oorkonden pas veel later in de veertiende eeuw in zwang raakt.

De eerste aanwijzing voor een latere datering is dus gebaseerd op een vergelijking van de inhoud van de akte van 1313 en die van c. 1335. Het eerstgenoemde stuk betreft het onderhoud van waterstaatkundige werken en die van c. 1335 heeft betrekking op de aanleg daarvan. De logica suggereert dat een regeling van het onderhoud ná die van de aanleg komt. De conclusie zou dan moeten zijn dat de ‘akte van 1313’ ná die van c. 1335 moet zijn opgemaakt. Dit is een aantrekkelijke gedachte, want door-rechercherend vanuit dit uitgangspunt is het niet heel moeilijk om een zodanige reconstructie te maken van de ontwikkelingen, dat daarin vrijwel alle bekende feiten een zinvolle plaats krijgen. We moeten ons echter wel realiseren dat deze redenering, die zich laat leiden door de logische volgtijdigheid van aanleg en onderhoud, alleen opgaat wanneer de twee teksten over precies dezelfde objecten gaan. En dat is iets waarvan we niet zeker kunnen zijn. Het omgekeerde is echter ook allerminst zeker, ook al wordt dit met stelligheid beweerd door Siemens en, in diens voetspoor, Schroor. Beiden zijn van mening dat het in de akte van 1313 en in die van c. 1335 over twee verschillende sluizen gaat. Beiden gaan er ook van uit dat het in de tekst zelf opgegeven jaartal – 1313 – correct is.5

De tweede aanwijzing voor een latere datering is de taal van de tekst, het Nederduits. In het begin van de veertiende eeuw werden alle oorkonden in Groningen en Groningerland in het Latijn geschreven. In Drenthe en verder naar het zuiden gelegen delen van het Sticht wint het Nederduits als oorkondetaal veel vroeger terrein dan in de stad Groningen en de Friese Ommelanden. Het oorkondenboek vermeldt wel enkele in de volkstaal gestelde akten uit de eerste decennia van de veertiende eeuw, maar dat zijn latere vertalingen van Latijnse of Oudfriese originelen of teksten uit een Stichtse omgeving. Pas veel later in de veertiende eeuw komen er meer akten in de volkstaal voor. De stad Groningen stapte in de jaren 1358-1370 van het Latijn over op het Nederduits, in de Ommelanden beginnen de volkstaal-

oorkonden pas in 1378. Dit zal ongetwijfeld te maken hebben met het feit dat in de Ommelanden tot vér in de veertiende eeuw Fries werd gesproken.

Ofschoon er een paar overeenkomsten te signaleren zijn tussen de tekst van de ‘akte van 1313’ en enkele uit de omgeving van Deventer stammende bisschoppelijke akten uit de jaren 1310-1311 waarin har (‘heer’) Ludolfus van Gronebeke figureert en we ook rekening moeten houden met de partners uit Drenthe, waar, zoals ik al opmerkte, het Nederduits al eerder begon op te komen (vanaf 1334), lijkt het me toch zo goed als uitgesloten dat de originele akte in 1313 in het Nederduits is opgesteld. Ik houd het erop dat we te maken hebben met een oude (tweede helft veertiende-eeuwse?) vertaling van een in het Latijn opgesteld origineel. Wellicht is ze gemaakt ten behoeve van de opstelling van de ‘zijlbrief’ van het Aduarderzijlvest in 1382. Dat stuk laat vele inhoudelijke overeenkomsten zien met de akte van 1313. Ofschoon de tekst enkele duidelijke frisismen vertoont, ligt het – zeker met het oog op de betrokkenheid van de drie Noord-Drentse kerspelen – voor de hand dat men het oorspronkelijke contract niet in het Oudfries, maar in het Latijn heeft opgemaakt. Op grond van deze redenering zou de datering ‘1313’ vanuit taalkundig gezichtspunt dus geen vragen hoeven op te roepen.

Er is echter nog een bijkomende reden om vraagtekens te zetten bij het jaartal dat de tekst opgeeft. Bij afschriften – en hier hebben we te maken met een afschrift van een oude vertaling – moeten we altijd rekening houden met de mogelijkheid dat bij het overschrijven bewust of onbewust veranderingen ten opzichte van de oorspronkelijke tekst zijn aangebracht. Het is dus best mogelijk dat er in het origineel een andere datum heeft gestaan dan in de kopie die we hebben. De vraag is dan welke datum dat zou kunnen zijn. In het zeventiende-eeuwse afschrift – dat ongetwijfeld gemaakt is in verband met een geschil over de door de Drenten te betalen bijdrage aan het Aduarderzijlvest6 – is de datum aangegeven als ‘xiiic ende xiii des sonavendes na sente Marcus daghe ewangeliste’. Op het eerste gezicht lijkt zo’n datering niet voor misverstand vatbaar. In het jaar 1313 viel de feestdag van Sint Marcus (25 april) op een woensdag. Op zaterdag (‘sonavent’) daarna was het 28 april. De akte is dus op 28 april 1313 opgemaakt. De betrouwbaarheid van een datum als deze wordt echter minder groot wanneer we ons realiseren hoe lastig Romeinse cijfers soms te lezen zijn. Degene die het afschrift maakte of de vertaler van een oorspronkelijk in het Latijn gestelde en in – waarschijnlijk – gotisch schrift opgetekende tekst kan zich gemakkelijk vergist hebben bij het lezen van het origineel, of een andere kopie die hem tot voorbeeld strekte.

De praktijk leert dat een Romeinse l (=50) gelezen kan worden als een enkel streepje (i=1) en dat kopiïsten een v (=5) soms voor twee losse streepjes (ii=2) houden; het is zelfs mogelijk dat een x voor een v of twee streepjes wordt aangezien. Ook het omgekeerde is mogelijk. Wanneer we hiermee rekening houden kan het in het afschrift vermelde getal xiii gelezen zijn voor viii (8), xiii (13), xiv (14), xvi (16), xix (19), xxi (21), xlii (42), xlv (45), lvii (57) en lxii (62). Het jaartal van de akte zou dus 1308, 1313, 1314, 1316, 1319, 1321, 1342, 1345, 1357 en 1362 kunnen zijn.

In dit rijtje ontbreekt het door Kloppenburg gesuggereerde jaar 1343, maar de kleinste – en daardoor meest voor de hand liggende – vergissing is dat xlii gelezen is als xiii. Dat levert een

jaartal op (1342) dat opmerkelijk dicht bij Kloppenburgs 1343 komt. Maar de zorgvuldigheid vereist dat we voor alle jaren nog even nagaan in hoeverre de methode van datering (‘zaterdag na Sint Marcus’) voor de hand ligt. De jaren 1308-1321 vallen af om dezelfde reden waarom we 1313 niet vertrouwen: het Nederduits was in deze periode nog niet als oorkondetaal in zwang. In 1321 viel Sint Marcus (25 april) bovendien op een zaterdag. Een datering ‘zaterdag na Sint Marcus’ was in dat jaar dus niet mogelijk. Over blijven dan 1342, 1345, 1357 en 1362.

In 1342 viel Sint Marcus op donderdag. Een datering ‘zaterdag na Sint Marcus’ zou dan heel goed mogelijk zijn. In 1345 en 1362 viel de feestdag van Sint Marcus op maandag en ligt het meer voor de hand de daarop volgende zaterdag (30 april) te dateren naar de daarop volgende dag: ‘daags voor Sint Walburg’, ‘daags voor Philippus en Jacobus’ (beide op 1 mei) of (in 1345) ‘daags voor Vocem Jucunditatis’ (de vijfde zondag na Pasen) en (in 1362) ‘daags voor Misericordia Domini’ (de tweede zondag na Pasen). Dat geldt ook voor het jaar 1357. Toen viel Sint Marcus op dinsdag. Ook toen zou de zaterdag daarop (29 april) eerder gedateerd zijn naar de daarop volgende dag: ‘daags voor Jubilate’ (de derde zondag na Pasen). Binnen de gezette parameters komen we dus uit op zaterdag 27 april 1342.

Met deze uitkomst zou je, zoekend naar aanwijzingen voor een latere datering, tevreden kunnen zijn, ware het niet dat de oorkondetekst nóg een tweetal mogelijkheden bevat om de datering – bij benadering – vast te stellen. De zorgvuldigheid vereist dat we ook deze even tegen het licht houden. Aan het einde van de tekst wordt gemeld dat de akte is bezegeld door de abt van Aduard, het land Hunsingo, de stad Groningen, het land Drenthe, heer Ludolf van Gronebeke en Egbert van Peize. Aan de eerste vier zegels hebben we voor de datering niets, maar de namen van de twee genoemde individuen kunnen helpen wanneer we een tekst op de tijdlijn willen vastpinnen. Het jammerlijke toeval wil echter dat er in de periode 1313-1342 twee Ludolfen van Gronebeke zijn geweest en ook twee Egberten van Peize. Ludolf I van Gronebeke is omstreeks 1260 geboren en wordt vermeld tussen 1309 en 1323.7 Zijn zoon Ludolf II moet omstreeks 1290 zijn geboren en komt voor tussen 1335 en 1344. Egbert I van Peize kan omstreeks 1285 of eerder zijn geboren en wordt tot 1325 in oude teksten vermeld; zijn zoon Egbert II komt in oorkonden voor in de periode 1352-1372 en moet vóór 30 april 1376 zijn overleden; hij zou in 1342 een akte hebben kunnen bezegelen. De teleurstellende conclusie van deze exercitie kan niet anders zijn dan dat Ludolf en Egbert ons niet kunnen helpen bij het bepalen van de datum van de akte.8

Wellicht zou tenslotte een taalkundige analyse van het ‘stuk van 1313’ nog iets kunnen opleveren voor wat datering ervan betreft. Ik heb de indruk dat het woordgebruik en de spelling overeenkomsten vertonen met veertiende-eeuwse teksten uit Drenthe en andere delen van het Sticht, die een geur van feodaliteit bij zich dragen. Wanneer we ons realiseren dat ‘onze tekst’ blijkens de onderstrepingen in het afschrift in een ‘Lieuwerderwolder context’ heeft dienst gedaan, en dat een deel van het voormalige koninklijke domein –

waarvan Groningen het centrum was – in Lieuwerderwolde heeft gelegen, zou het vermoeden kunnen rijzen dat een Stichtse leenman bij de overeenkomst van 1313 betrokken is geweest. Maar hiermee zijn we al heel ver over de grens van de speculatie.

Dus toch: 28 april 1313

Zolang er geen nieuwe gegevens opduiken die de balans een doorslaggevend zetje kunnen geven, lijkt het mij verstandig de in de tekst vermelde datum van 28 april 1313 te accepteren, maar ondertussen wel in het achterhoofd te houden dat het net zo goed wat anders kan zijn.

Hieronder volgt een ‘hertaling’ van de akte, waarvan de oorspronkelijke tekst te vinden is in het Oorkondenboek van Groningen en Drenthe onder nummer 241, op de website van Cartago9 en als Bijlage 1.

Zoals opgemerkt verraden de onderstrepingen dat het stuk in een ‘Lieuwerderwolder context’ dienst heeft gedaan. Maar het is niet duidelijk of de onderstrepingen behoren bij het gebruik dat in de zeventiende eeuw van deze tekst is gemaakt, of dat ze teruggaan op de oorspronkelijke tekst of de vertaling ervan.

OGD I 241 (28 april 1313)

 

Akte waarbij de abdij te Aduard en de zijlvesten van Lieuwerderwolde en van Peize, Roderwolde en Foxwolde een overeenkomst sluiten over het beheer en onderhoud van een sluis en een daarheen stromende watergang.

 

In de naam Gods amen.

[1]

Wij, abt en convent te Aduard, zijlvesten van Lieuwerderwolde en zijlvesten van Peize, Roden en Foxwolde, maken allen, nu en in de toekomst bekend

[2]

dat wij met advies van wijze lieden een overeenkomst getroffen hebben over de nieuwe zijl, die wij samen gelegd hebben op de plaats die ‘de Arbere’ heet, en over het diep dat naar de zijl loopt, zoals beschreven staat in deze akte.

[3]

In de eerste plaats willen wij dat alle oude akten die opgemaakt zijn over de zijlen en het diep, die bij het Aduarder klooster gelegd zijn, geannuleerd worden.

[4]

Verder zijn wij overeengekomen met betrekking tot de zijl die wij samen in de Arbere hebben gelegd, dat wij die samen in goede staat, sluitend en vast zullen houden en beschermen tegen iedereen; en van de kosten die gemoeid zullen zijn met het beschermen, maken en repareren en alles wat daarbij komt ten behoeve van de zijl, zullen wij, abt en convent te Aduard, een derde deel betalen, wij, zijlvesten van Lieuwerderwolde, het tweede derde deel, en wij, zijlvesten van Peize, Roden en Foxwolde, het derde derde deel, zonder iemands tegenspraak.

[5]

Verder met betrekking tot het diep dat naar de hiervoor genoemde zijl gaat, zullen wij, abt en convent te Aduard, dit diep ruim en lopend houden van de Swachcluse tot de Huchslate.

[6]

Hierbij is echter bepaald dat in het geval dat wij, zijlvesten van Lieuwerderwolde, van Peize, Roden en Foxwolde en van Aduard, de twee bruggen – de ene een kerkbrug en de andere een wagenbrug – die over het bedoelde diep liggen niet zo maakten als aan de Middagsters beloofd werd en waarvoor borgen zijn gezet toen men dit diep in eerste instantie maakte en groef, en wanneer die van Middag om die reden een dam in het diep zouden willen leggen of de loop ervan belemmeren, en ook wanneer zij of anderen op enige plek een dam zouden willen leggen in het diep van de Swachcluse tot aan de zijl of de loop ervan belemmeren, of de bruggen zouden willen afbreken om de een of andere reden, dan zullen wij, zijlvesten van Lieuwerderwolde, van Peize, Roden en Foxwolde en het convent van Aduard dat samen met alle macht afweren; en als daarmee kosten gemoeid zijn zullen wij, abt en convent te Aduard, het ene derde deel, wij, zijlvesten van Lieuwerderwolde, het tweede derde deel, en wij, zijlvesten van Peize, Roder- en Foxwolde, het derde derde deel betalen en bekostigen voor eeuwig.

[7]

Verder van de Huchsloete tot aan de zijl te Arbere zullen wij, abt en convent te Aduard, zijlvesten van Lieuwerderwolde en zijlvesten van Peize, Roden en Foxwolde het diep ruim, lopend en vrij houden van alles wat daarin kan komen, zodat wij, abt en convent te Aduard, het ene derdedeel, wij, zijlvesten van Lieuwerderwolde, het tweede derdedeel en wij, zijlvesten van Peize, Roder- en Foxwolde, het derde derdedeel zullen betalen en beschermen, voor eeuwig.

[8]

Verder is afgesproken dat men de bruggen die hiervoor beschreven staan, die over het diep zullen gaan, zo hoog zal leggen, dat de schepen en de quaeckele van Aduard er met volle last onderdoor kunnen varen.

[9]

Verder zullen wij, abt en convent van Aduard, al onze watergangen van ons klooster en onze landerijen die wij nu bezitten in het diep leiden dat naar de voornoemde zijl gaat, zonder tegenspraak van iemand.

[10]

Verder zal het convent van Aduard over hun kloosterwegen water laten lopen in datzelfde diep.10

[11]

Verder zal iedereen zijn eigen dijk maken langs het diep, daar waar hij verantwoordelijk is voor de bescherming en het onderhoud ervan.

[12]

Wanneer de dijk op enige plaats met geweld wordt doorgraven, dan zullen de zijlvesten dat gezamenlijk afweren.

[13]

Wanneer daaruit kosten voortvloeien zullen wij, drie zijlvesten, daarvan alle een gelijk derdedeel betalen.

[14]

Verder zal ieder boven de Swachcluse het diep schoon en ruim houden langs zijn land; hij die dat niet doet krijgt van ons, de gezamenlijke zijlvesten, een boete opgelegd.

[15]

Verder zullen wij, alle zijlvesten samen, in onderling overleg een verstandige man aanstellen op de zijl, die deze ’s nachts en overdag moet bewaken en ervoor moet zorgen dat er aan de zijl geen schade wordt toegebracht.

[16]

Verder zijn van dit en wat hiervoor beschreven is, drie akten opgemaakt. De ene akte hebben, wij, abt en convent te Aduard, de andere wij, zijlvesten van Lieuwerderwolde, en de derde akte wij, zijlvesten van Peize, Roden en Foxwolde, die alle gelijkluidend zijn van woord tot woord, bezegeld met ons abtszegel van Aduard, [met het zegel] van het land Hunsingo, van heer Ludolf van Gronebeke, van de stad Groningen, van het land Drenthe en van Egbertus van Peize, tot eeuwige bevestiging en oorkonde van alle voorwaarden die hiervoor beschreven zijn.

[17]

Gegeven in het jaar ons Heren xiiic ende xiii, zaterdag na Sint Marcusdag de evangelist.

Deze tekst bevat enkele moeilijk op te lossen raadsels en ook de strekking van de regeling is niet in alle opzichten duidelijk. Het is voor ons doel niet nodig om elke bepaling diepgaand te bespreken, maar er zijn er een paar waarop we verder moeten ingaan. We zullen zometeen aan de hand van een hoogtekaartje zien dat er ook over het doel van de regeling een min of meer plausibel verhaal te vertellen is.

 ‘Pedzie, Rother ende Fokeswold’ ‘Pedzie, Rother ende Fokeswold’

We beginnen met de intitulatio van deze oorkonde, de regel waarin de verdragspartners – in dit geval tegelijk ook de oorkonders – zichzelf noemen (de met 1 aangeduide passage).

Er zijn drie partijen: abt en convent van Aduard, de zijlvesten (ingelanden) van Lieuwerderwolde en die van Peize, Roden en Foxwolde. Dat laatste staat echter niet in de tekst. Daar lezen we: ‘silvestene van Pedzie, Rother ende Fokeswolde’. Het woord ‘Rother‘ is weliswaar zonder afbreekstreepje geschreven, maar in combinatie met het daarop volgende Foxwolde lijkt het erop dat hier Roderwolde bedoeld is. Maar dit moet een vergissing van de kopiist zijn. In de akte van c. 1335 die hierna aan de orde komt, zullen we zien dat Roderwolde daarin niet voorkomt, maar Roden wel. Ook de ‘Zijlbrief’ van het Aduarderzijlvest uit 1382 noemt Peize, Roden en Foxwolde als de Drentse deelnemers aan de organisatie.11 Om die reden heb ik in de hertaling ‘Roden’ geschreven op alle plaatsen waar onze tekst Rother heeft.

Het bij de overeenkomst van 1313 betrokken gebied is geel gearceerd Het bij de overeenkomst van 1313 betrokken gebied is geel gearceerd

De vraag die we naar aanleiding van de intitulatio moeten stellen is: wat is het dat deze drie partners met elkaar verbindt en het begrijpelijk maakt dat ze een overeenkomst met elkaar hebben gesloten? De akte geeft het antwoord: een nieuwe zijl die de partners samen gelegd hebben in een plaats die ‘de Arbere’ heet, en het diep dat naar die zijl loopt (passage 2).

Over de zijl wordt afgesproken dat de deelgenoten deze samen zullen onderhouden en verdedigen tegen degenen die hem willen vernielen, en dat ze de kosten daarvan in drie gelijke delen zullen dragen (nr. 4).

Het Peizerdiep wordt in dit stuk niet met name genoemd, maar er is geen andere watergang die de bij deze regeling betrokken gebieden met elkaar verbindt. Het lijkt er dus op dat de nieuwe sluis en ook het diep dat het water daarheen moest voeren, dienden voor het lozen van het door het Peizerdiep aangevoerde water, aangevuld met dat uit Lieuwerderwolde, dat op de benedenloop van deze rivier, hier ter plaatse Hunsinge genoemd, uitwaterde.

We hebben de vorige keer gezien dat de Hunsinge mogelijk al in de twaalfde eeuw was omgelegd naar de Kliefslootgeul en dat – waarschijnlijk – de monniken van Aduard deze zeearm reeds vroeg (in de dertiende eeuw?) met een dam (de ‘Nienhuisdam’) hadden afgesloten. Door deze ingreep kon de vloed op afstand gehouden worden en werd ‘boven’ de dam een ‘kunstmatige eb’ gecreëerd. Zo konden ook de lage landen van Lieuwerderwolde en de omgeving van Fransum hun water lozen. Het kan dus zijn dat de ‘nieuwe zijl van 1313’ óf (a) de oude zijl in de Nienhuisdam moest vervangen, óf (b) naast de bestaande zijl in de Nienhuisdam moest komen, óf (c) op een andere plek de afstroom van het gecombineerde Drentse en Lieuwerderwolder water moest regelen.

Het is goed om op deze plaats alvast mee te delen dat ‘de nieuwe zijl van 1313’ niet in het huidige Aduarderzijl is gebouwd en dat het Aduarderdiep ook niet al eerder daarheen is geleid, zoals Jakob Loer in het Historisch Jaarboek Groningen 2014 meent te hebben aangetoond. Wanneer ik tegen Loers stelling inbreng dat de door hem bepleite variant niet past bij de algehele lijn van de waterstaatkundige ontwikkeling, zal dit argument op de kritische lezer weinig indruk maken. Maar dat betekent niet dat dit bezwaar onjuist of niet belangrijk zou zijn. Integendeel zelfs: het is het allereerste en allergrootste argument tegen Loers stelling. Veel overtuigender – zeker voor degenen die niet zijn ingevoerd in de finesses van de regionale landschapsgeschiedenis – is echter het feit dat tussen dezelfde contractanten (Aduard, Lieuwerderwolde en de Noorddrentse kerspelen) omstreeks 1335 een regeling getroffen werd over de bekostiging van een sluis in Aduard. Het bestaan van deze akte is zojuist al aangestipt en we zullen de inhoud ervan in het volgende hoofdstuk (6.2 ‘Een nieuwe zijl in Aduard’) bestuderen. Het is ondenkbaar dat de genoemde partijen tegelijkertijd twee kostbare kunstwerken op verschillende, ver van elkaar gelegen plaatsen zouden hebben gebouwd c.q. onderhouden. Daar komt nog bij dat Aduard en Lieuwerderwolde ook in 1360 nog een gezamenlijke oplossing hebben gezocht (en gevonden) voor de ontwatering van het lage land tussen het Peizerdiep/Hunsinge en de benedenloop van de Drentse A/Reitdiep. Dat zou niet nodig zijn geweest wanneer het Aduarderdiep het betreffende water toen reeds naar het huidige Aduarderzijl had afgevoerd. Ook de akte van 1360 komt hierna nog uitgebreid aan de orde (hoofdstuk 6.3 ‘Een nieuwe zijl bij Wierum’). Tenslotte toont ook de ‘zijlbrief’ van het Aduarderzijlvest van 1382 aan, dat ook toen de noordelijke kerspelen van Middag nog niet bij het Aduarderzijlvest hoorden. Dat zou wel het geval zijn geweest wanneer het Aduarderdiep al omstreeks 1300 tot voorbij Feerwerd zou zijn doorgetrokken. We zullen deze punten in het hierna volgende nader beschouwen.

De betrokkenheid van Lieuwerderwolde en de Noorddrentse dorpen maakt duidelijk dat een groot deel van het gebied ten westen van de Drentse A en het Westerdiep – dat deel van de rivier dat later ook Groningerdiep en Reitdiep werd genoemd – via de nieuwe zijl in of bij Aduard moest afwateren. Eelde en Eelderwolde worden in de oorkonde echter niet genoemd. Zoals we in deel 5 al zagen zou de reden hiervan kunnen zijn dat het Eelderdiep al via het Kliefdiep op de Hunsinge uitmondde en dat het Eelder water als Lieuwerderwolder water werd beschouwd.12 Mogelijk is daarover ooit een overeenkomst gesloten, maar een akte over de inlating van Eelde is niet bewaard gebleven en wordt ook nergens vermeld.

Een blik op het kaartje op de vorige bladzijde maakt duidelijk dat de onder de regeling van 1313 begrepen landerijen geen aaneengesloten gebied vormen. Tussen Hoogkerk en Foxwolde ligt Roderwolde, dat niet op het Peizerdiep loosde, maar waarvan het water

steeds in noordelijke richting heeft gelopen. Vanaf de plaats waar zich nu de noordoostelijke kop van het Zultemeer of Leekstermeer bevindt (de ‘Rietboor’), heeft een natuurlijke watergang in noordoostelijke richting – ongeveer langs de oude provinciegrens tussen Groningen en Drenthe – naar de Hunsinge gestroomd. Het tracé van dit stroompje correspondeert met een smeltwaterdal in de pleistocene ondergrond. Door afzetting van zeeklei en inversie moet aan het functioneren van deze watergang een einde zijn gekomen. Mogelijk is dat de oorzaak geweest van het ontstaan van het Zultemeer of Leekstermeer. Later zal het water uit de buurt van Roderwolde via dit meer (door mensenhand geholpen?) langs de oostgrens van Lagemeeden (de Zuidwending) noordwaarts en via de Nutwegstertocht in westelijke richting, naar de Woldgeul, zijn geleid. Op dit thema zal ik later terugkomen.13

Pleistocene smeltwaterdalen en reconstructie van de holocene beken ten noorden van Roderwolde Pleistocene smeltwaterdalen en reconstructie van de holocene beken ten noorden van Roderwolde

Het kaartje is een combinatie van de pleistocene hoogtekaart van Noord-Nederland en de topografische kaart 1:25.000.14

De belangen van de bij de regeling betrokken partijen verschilden sterk van elkaar. Welk voordeel kunnen de Noorddrentse dorpen hebben gehad bij een sluis in of bij Aduard? Zij hoefden alleen hun eigen water kwijt te raken en dat liep ook zonder die zijl wel weg. Een sluis bij Aduard zou voor hen hooguit van belang kunnen zijn doordat deze in droge tijden het water zou kunnen vasthouden dat nodig was om het Peizerdiep ook dan te kunnen bevaren. De belangrijkste reden voor de betrokkenheid van deze dorpen is vermoedelijk geweest dat zij door hun benedenburen zijn aangesproken vanwege de overlast die hun water veroorzaakte. Aduard en ook Lieuwerderwolde moesten niet alleen hun eigen water kwijt zien te raken, maar ook het Drentse water en dat van de zee van zich af houden. Precies zoals het geval was met de kerspelen van Drenterwolde aan de oostzijde van de

Hondsrug zal dit steeds lastiger zijn geworden naarmate het maaiveld daalde. Er waren dijken, zijlen en spuiregelingen nodig. Een zeewerende sluis bij Aduard kon de boezem laag houden, zodat de noordelijke partners hun eigen water daarop konden spuien. Voor de oplossing van dit probleem was ‘grensoverschrijdende samenwerking’ nodig. Maar er was nog meer aan de hand, zoals in het vervolg zal blijken.

Zijl en zijltocht

Reeds de eerste bepaling van de overeenkomst (nr. 3 van de hertaling) verdient onze bijzondere aandacht: ‘In de eerste plaats willen wij dat alle oude akten die opgemaakt zijn over de zijlen en het diep, die bij het Aduarder klooster gelegd zijn, geannuleerd worden.’ Toen de akte van 1313 werd opgemaakt lagen er dus al zijlen (meervoud) en een zijltocht bij het klooster Aduard en daarover waren eerder afspraken gemaakt. In de akte van 1313 verklaren de drie partners dat ze een overeenkomst hebben getroffen over de nieuwe zijl (enkelvoud), die ze samen gelegd hebben ‘in de Arbere’, en over het diep dat naar de zijl loopt. Een eindje verderop wordt gerept over ‘bruggen die over het diep liggen’ en over ‘het moment waarop men dat diep groef’ (nr. 6).

Deze passages maken duidelijk dat de dateringsproblematiek nog veel lastiger is dan we al merkten. Hoeveel tijd moet er verlopen zijn sinds ‘het leggen van de zijl en het diep bij het klooster’ om de akten die in verband daarmee zijn opgemaakt, ‘oud’ te kunnen noemen? Het antwoord op die vraag weet ik niet, maar het zal waarschijnlijk meer zijn dan een paar jaren. Het is in ieder geval niet correct om de zijltocht waarover onze akte gaat, aan te duiden als de ‘zijltocht van 1313’. We doen er dus beter aan deze de ‘zijltocht van c. 1300’ te noemen. Dit geldt niet voor de in het stuk genoemde gemeenschappelijke zijl, want daarvan wordt gemeld dat het een nieuw kunstwerk is (nr. 2). Het lijkt er dus op dat de zijltocht eerder is gegraven en toen is afgesloten met een zijl, en dat men deze eerste zijl in 1313 heeft vervangen door een nieuwe.

Boerderij Arbere met omgeving Boerderij Arbere met omgeving

Niemand wist waar de Arbere was, totdat dokter Rietema in de Groningsche Volksalmanak van 1924 meedeelde dat hij tussen Aduard en Fransum een boerderij had gevonden die blijkens een uit 1817 daterende sluitsteen boven de grote schuurdeur Arbere heette.15

Het plaatje op de vorige bladzijde toont het gebied ten noordwesten van Aduard. De boerderij ‘Arbere’ ligt op de noordelijke oever van de Kliefslootgeul. Een steentje uit 1817 bewijst uiteraard niet dat de betreffende boerderij echt de in de tekst van 1313 bedoelde Arbere is of in de buurt van de toen zo geheten plek ligt, maar het is wel zo opmerkelijk, dat we er goed aan doen wat nader kennis te maken met deze boerderij en zijn omgeving.

 Het ‘kerkje van Harkema’ bij Arbere Het ‘kerkje van Harkema’ bij Arbere

De plek is nu vooral bekend vanwege het minikerkje dat wijlen Albert Harkema op het erf van boerderij Arbere heeft gebouwd.

Oude sluitsteen van boerderij Arbere Oude sluitsteen van boerderij Arbere

Het is natuurlijk vreemd dat een oude naam uit de archieven verdwijnt en in het begin van de negentiende eeuw plotseling opduikt op een sluitsteen. B.W. Siemens was ervan overtuigd dat Arbere bij Aduarderzijl ten noorden van Feerwerd moest liggen. In een noot merkte hij op: ‘De gevelsteen met de naam “Arbere” in een boerderij onder Fransum sticht verwarring. Het steentje is van 1817 en zal daar aangebracht zijn door de toenmalige bewoner Klaas Jans Homan, die waarschijnlijk een historische naam aan zijn boerderij wilde geven maar met de geschiedkundige toestand van de streek allicht niet op de hoogte was.’16

Het is inderdaad de vraag hoe boer Homan op het idee kon komen om zijn boerderij ‘Arbere’ te noemen. Maar we kunnen ons ook afvragen of Siemens zelf wel zo goed op de hoogte was van de oude toestand ter plaatse. Die vraag is temeer gerechtvaardigd omdat hij zelf geen argumentatie geeft voor zijn bewering dat we Arbere ter plaatse van het huidige Aduarderzijl moeten zoeken.

Dat een oude, verloren gewaande naam onverwacht opduikt komt overigens wel vaker voor. Een geval dat ik nog pas onlangs onder ogen kreeg betreft de Stertebolabalka, een naam die voorkomt in een akte uit 1370. Het was wel duidelijk dat het moest gaan om een object aan de Borgsloot in de buurt van Middelbert of Engelbert, maar niemand wist of weet wat het is en waar het zich precies heeft bevonden. Schoolmeester K.H. Bruininga van Middelbert meldt in zijn rapport van 1828 echter doodleuk dat de ‘steerte bolte balka’ een brug over de Borgsloot was die het mogelijk maakte om vanaf de Olgerweg op de weg naar Harkstede te komen. De vraag die in zo’n geval gesteld moet worden is: hoe komt meester Bruininga aan deze wetenschap? Het kan haast niet anders of er moet sprake zijn van een plaatselijke overlevering.17

Het lijkt mij heel goed mogelijk dat er ook zo’n overlevering is geweest over de oude kloosterboerderij die Klaas Jans Homan in het begin van de negentiende bewoonde. Wat pleit er eigenlijk tegen de veronderstelling dat hij deze mondeling overgeleverde naam op een steentje heeft laten beitelen toen hij zijn schuur nieuw liet opmetselen? Het is trouwens evenmin uit te sluiten dat boer Homan de naam heeft opgepikt uit oude zijlvestenijpapieren.

Een vraag die noch Siemens, noch andere onderzoekers zich hebben gesteld, is hoe het komt dat de naam Arbere uit de geschreven bronnen is verdwenen. We treffen deze naam in de archieven niet aan, tenzij in afschriften van de ‘akte van 1313’ en de ‘Aduarder Zijlbrief’ uit 1382-1383 die we nog zullen bespreken. Het meest voor de hand liggende antwoord op deze vraag is: doordat het met deze naam aangeduide object of de zo genoemde plaats zijn functie of belang heeft verloren.

Ook dat komt vaker voor. Voorbeelden zijn de zojuist genoemde Stertebolabalka, de Damsterwal (de dijk langs de noordzijde van het Damsterdiep, waarvan de naam in de zeventiende eeuw is verdwenen doordat deze kering is opgenomen in de Trekweg langs het Damsterdiep, later Rijksweg naar Delfzijl), en de Hinkemahorn (de weg tussen Oosterhoogebrug en Ruischerbrug ten zuiden van het Damsterdiep, die in de loop der eeuwen zijn betekenis als interlokale weg heeft verloren en daarna ‘Woldweg’ is gaan heten). Het feit dat de naam Arbere uit de boeken is verdwenen kan dus juist een aanwijzing zijn voor het feit dat Arbere, anders dan Siemens meende, niet ter plaatse van het huidige Aduarderzijl lag. Had Arbere daar wél gelegen, dan zou de naam veel meer kans hebben gehad om te overleven. De uitwatering op die plek heeft immers zeker vanaf c. 1400 zonder onderbreking gefunctioneerd.

Zolang er niemand met overtuigende argumenten ter bevestiging van Siemens’ opvatting op de proppen komt, lijkt het me geraden het voetspoor van Klaas Jans Homan te volgen en ervan uit te gaan dat zijn boerderij het echte Arbere is.

‘Arbere’ aan de Heereweg 18 in Aduard ‘Arbere’ aan de Heereweg 18 in Aduard

Ook het woonhuis ‘Arbere’ aan de Heereweg 18 in Aduard is een ‘echt Arbere’, maar dan wel op een andere manier. Het huis is in het begin van de dertiger jaren van de vorige eeuw gebouwd door Pieter Gerber en zijn vrouw Gezina Iwema, die eerder op boerderij Arbere hadden gewoond.

De naam Arbere heeft al heel wat taal- en naamkundigen bezig gehouden. Wobbe de Vries dacht bij dit woord aan het Friese earrebarre (‘ooievaar’).18 In het Wurdboek fan de Fryske taal is arrebarre een van de geregistreerde varianten van het woord. Deze naam zou wel

passen bij de ligging van de boerderij: op een 250 meter brede hogere strook land tussen de bedding van de Middagsterriet aan de noordzijde en de Kliefslootgeul aan de zuidkant. Zeker de rijzende en dalende waterspiegel in deze laagten moet er de beestjes hebben doen gedijen waar ooievaars het van moeten hebben. Imposante dieren als ooievaars en kraanvogels hebben ook elders geleid tot naamgeving voor nederzettingen en boerderijen. Om in de buurt te blijven verwijs ik naar Stork (bij Loppersum), Eibersburen (ten noorden van Lutjegast aan het Van Starkenborghkanaal), het Kraanland en Harbargeland (‘ooievaarsland’) bij Groningen.19

W.J. Buma stuitte in de dertiende-eeuwse Oudfriese tekst van het wetboek der Brocmanni, de inwoners van het Oostfriese Brokmerland, op de woorden inare bere, die hij interpreteerde als ‘in de schuur’.20 In een andere publicatie wees hij erop dat we bij arbere moeten denken aan een samenstelling van twee Oudfriese woorden: āra (‘oogst’) en bere (‘schuur’).21 Buma heeft het niet over de klemtoon, maar als ik het goed begrijp zou die, omdat het hier om een samenstelling gaat, op de twee eerste lettergrepen moeten vallen. De opvatting dat arbere ‘korenschuur’ betekent, vindt men ook in de Wikipedia. en in het eerder genoemde artikel van Jakob Loer.

J. Naarding vond de betekenis ‘korenschuur’ niet goed passen bij de locatie tussen Aduard en Fransum. Gelet op de situatie ter plaatse zou je eerder aan veeteelt dan aan landbouw denken. Hij stelde daarom voor om in het ar- van arbere het woord aar ‘stromend water’, ‘rivier’ te zien. Dat woord komt van dezelfde indogermaanse wortel *ar-(n) die we tegenkomen in riviernamen als de Ahr in Duitsland, de Aare in Zwitserland en de Aar (denk aan Ter Aar) in Nederland. Ook Naarding dacht dus aan een samenstelling: aar- of ar- (‘rivier’) en bere (‘schuur’). Wat we ons bij een ‘rivierschuur’ moeten voorstellen maakt Naarding niet duidelijk. Maar als je met hem mee wilt zou je – de boerderij ligt immers vlakbij de ‘Middagsterzijl’ – kunnen denken aan een schuilplaats of hok ten behoeve van de bewaker van de zijl of de bergplaats van materiaal dat met de zijl te maken heeft.

Voor zover ik weet is er echter geen Oudfriese tekst bewaard gebleven waarin het woord arbere echt voorkomt, en moeten we de suggesties van zowel Buma als Naarding zien als geleerde constructies.

Tenslotte zou men ook nog kunnen denken aan verwantschap met het woord herberg, uit proto-germaans *harjaz (‘leger’) en *bergô (‘bescherming’) met de betekenis van ‘schuilplaats’, ‘onderkomen’. In het Engels heeft deze betekenisinhoud van het

oudgermaanse woord geleid tot harbour (‘haven’). Het idee is dan dat Arbere de plaats was waar schepen – natuurlijk die van Aduard – lagen waarmee de kloosterlingen en hun helpers de zee en de binnenwateren bevoeren. Het lijkt me erg speculatief en vermoedelijk ook vanuit taalkundig oogpunt weinig plausibel.

Vooralsnog lijkt me Wobbe de Vries met zijn ooievaars het meest geloofwaardig.

 Waterlopen ten westen van de Hondsrug omstreeks 1300 Waterlopen ten westen van de Hondsrug omstreeks 1300
  1. Peizerdiep/Hunsinge
  2. Eelderdiep
  3. Woldsloot
  4. Kliefdiep
  5. Drentse A (Westerdiep, later Groningerdiep en Reitdiep)
  6. Hunze

Zoals ik opmerkte helpt de hoogtekaart van Arbere en omgeving ons bij het begrijpen van het doel dat men met de sluis bij Arbere dacht te bereiken. Alvorens die nader onder de loep te nemen kijken we nog eens naar het hele gebied ten westen van de Hondsrug.

In de akte van 1313 gaat het om afspraken over het onderhoud van een nieuwe zijl bij de Arbere en de al eerder gegraven watergang die daarheen leidde en waarlangs een groot deel van het gebied ten westen van de Drentse A of het ‘Westerdiep’ zijn uitwatering had. De bedoeling die men bij het bouwen van de sluis heeft gehad, kan niet het weren van de vloed geweest zijn, want dat was al gebeurd door de aanleg van de ‘Nienhuisdam’ in de Kliefslootgeul, mogelijk al in het begin van de dertiende eeuw.22 Omstreeks 1300 moet het zijn gegaan om het scheppen van een mogelijkheid om de waterstand boven de dam te reguleren, zodat de uiteenlopende belangen van verschillende gebieden op het terrein van de waterhuishouding en tegelijk ook die van de scheepvaart konden worden gediend. Het project is, qua datering en doelstelling, enigszins te vergelijken met de al besproken projecten bij Schilligeham ten westen van Winsum, in Redwolde ten zuidoosten van Groningen en in de Paddepoel bij de samenvloeiing van Hunze en A.

Alvorens we verder inzoomen op de hoogtekaart van het gebied bij Arbere benoem ik nog wat losse eindjes.

  • Waar bleef het water van het gebied dat in de vijftiende eeuw ‘Westerdijk’ werd genoemd (het ten westen van het Reitdiep gelegen deel van het Westerstadshamrik, Kostverloren, de Hoenen en Neerwolde tot aan de Eelderdijk of Meerweg)? Het noordelijke deel hiervan lijkt omstreeks 1335 onder de naam De Rijp te worden begrepen onder Lieuwerderwolde. Maar onduidelijk is hoe het met het deel ten westen en ten zuiden van de stad (Tammingeland, de Hoenen en Neerwolde) zat.
  • Dat geldt, zoals reeds is aangestipt, ook voor het aangrenzende Eelderwolde en Eelde. We hebben de vorige keer al gezien dat het water van het Eelderdiep, waarschijnlijk gecombineerd met dat van de Woldsloot en de Hoenen, al vroeg via het Kliefdiep naar de Hunsinge is geleid. Als dit inderdaad de gang van zaken is geweest, kan het Eelder water omstreeks 1300 gewoon als ‘Lieuwerderwolder water’ zijn beschouwd.
  • Hoe raakten de Noorddrentse dorpen, Lieuwerderwolde en Dorkwerd vóór c. 1300 hun water kwijt? Speelden de Drentse A/Westerdiep en/of de benedenloop van de Hunsinge daarbij nog een rol? Of liep alles ook toen al via Aduard naar zee? De eerste bepaling van de tekst van 1313 – we zagen dat al – houdt in dat ‘alle oude akten die opgemaakt zijn over de zijlen en het diep, die bij het Aduarder klooster gelegd zijn, geannuleerd worden’. Al eerder heb ik gezegd dat het hier kan gaan om de afspraken die gemaakt zijn toen omstreeks 1300 een gemeenschappelijk zijldiep werd aangelegd. Maar het valt geenszins uit te sluiten dat Aduard, Lieuwerderwolde en de drie Noord-Drentse kerspelen al vóór 1300 afspraken over de waterlossing via de Kliefslootgeul hadden gemaakt.
Westerdijk Westerdijk

De streek langs de Drentse A/Reitdiep, tussen het Hooihuis in het noorden en de Eelderdijk (nu Meerweg tussen Haren en Eelde) in het zuiden, heette in de vijftiende eeuw ‘Westerdijk’. Aanvankelijk zal dit gebied in oostelijke richting – op de Drentse A – hebben afgewaterd. Nadat het land in exploitatie genomen was, is de bodem waarschijnlijk zozeer gedaald, dat men zich voor de ontwatering naar het westen heeft moeten wenden: naar de Woldsloot, het Eelderdiep en het Peizerdiep (Hunsinge).

Kliefslootgeul en zijltocht bij Arbere.  1.  Kliefslootgeul 2.  Sietse Veldstraweg 3.  Nienhuisdam Kliefslootgeul en zijltocht bij Arbere. 1. Kliefslootgeul 2. Sietse Veldstraweg 3. Nienhuisdam

Zoals aangekondigd buigen we ons nu over de hoogtekaart van de omgeving van Arbere, hier gecombineerd met het satellietbeeld. Deze toont ons een aantal interessante bijzonderheden.

•     Tussen Arbere en Aduard tekent de Kliefslootgeul zich af als een gekromde laagte. Het lage bodemniveau wijst erop dat hier geen opslibbing heeft plaatsgevonden. Daaruit kunnen we opmaken dat deze geul reeds betrekkelijk vroeg door middel van een dijk tegen overstroming is beveiligd.

•     Langs de Sietse Veldstraweg loopt een bedijkte watergang, heel duidelijk tussen Aduard en boerderij Groot Leger. Ik vermoed dat dit een deel is van de zijltocht waarover de akte van 1313 spreekt en die door de drie contracterende partijen (Aduard, Lieuwerderwolde en drie Drentse kerspelen) moest worden onderhouden.

•     Uit het reliëf blijkt dat de nieuwe sluis bij het zuidelijke einde van de Nienhuisdam heeft gelegen. Maar wellicht is het lozingspunt later nog eens naar voren gebracht: ook ten westen van de Nienhuisdam buigt een dijk mee met de Sietse Veldstraweg.

Het feit dat er langs de noordzijde van de watergang langs de Sietse Veldstraweg een dijk is gelegd die deze scheidde van de brede ‘Kliefslootboezem’ tussen Aduard en boerderij Arbere, maakt duidelijk dat het Aduarder, Lieuwerderwolder en Drentse water boven de nieuwe sluis hoger kon staan dan dat in die boezem. Als ik mij niet vergis heeft deze sinds c. 1300 alleen gediend voor het opvangen van het lokale water – daaronder mede begrepen het water van de onder Wierum ressorterende landerijen ten westen van de Gaaikemadijk – en het water van het zuidelijke deel van Middag, dat vanuit de Middagsterriet via een sloot aan de westzijde van het erf van Arbere naar de boezem werd geleid. Eerder was dit water door een sluis in de Middagsterdijk geloosd, maar de hoogtekaart laat overtuigend zien dat de monding daarvan moet zijn dichtgeslibd vóórdat de Nienhuisdam was aangelegd.23 Op de onderling samenhangende ontwikkelingen in de omgeving van Aduard kom ik later nog uitvoerig terug.

Voor dit moment is het van belang vast te houden aan hetgeen de (hoogte)kaart laat zien en dit te combineren met hetgeen we uit de akte van 1313 weten:

  • via de Kliefslootgeul loosden niet alleen Aduard, Lieuwerderwolde en de drie Drentse kerspelen Peize, Roden en Foxwolde, maar ook de aangelegen landerijen en Fransum;
  • de oorkonde gaat echter alleen over het water van Aduard, Lieuwerderwolde en de drie Drentse kerspelen; over het Middagster en andere water wordt niet gerept.

Hieruit kunnen we opmaken dat de waterlozende functie van de Kliefslootgeul op zijn laatst door de ingreep van c. 1300 is gesplitst in twee stromen: één voor Middag en de aangelegen landerijen, en één voor de contracterende partijen. Ik moet me al heel sterk vergissen wanneer de parallel aan de Sietse Veldstraweg lopende dijk niet de scheiding is tussen beide systemen.

De veronderstelde gang van zaken kan het best worden geïllustreerd aan de hand van enkele varianten van het getoonde kaartje.

De Kliefslootgeul tussen Aduard en Arbere.  1.  Peizerdiep of Hunsinge 2.  ‘Meedsterriet’ 3.  ‘Middagsterriet’ De Kliefslootgeul tussen Aduard en Arbere. 1. Peizerdiep of Hunsinge 2. ‘Meedsterriet’ 3. ‘Middagsterriet’

Vóór het leggen van de Nienhuisdam mondden ten noordwesten van Aduard twee watergangen uit in de Kliefslootgeul, die toen al dienst deed als benedenloop van het Peizerdiep of Hunsinge. Van het zuiden kwam de ‘Meedsterriet’ die bij Groot Leger via een zijl in de geul uitmondde, vanuit het noorden stroomde het water van het zuidelijke deel van Middag via de ‘Middagsterriet’ en een zijl ten noordwesten van boerderij Arbere in de Kliefslootgeul uit.

De Kliefslootgeul na de aanleg van de Nienhuisdam.  Het plaatje wijst naar de plek waar eerder de Middagsterriet via een zijl in de Kliefslootgeul uitmondde. De Kliefslootgeul na de aanleg van de Nienhuisdam. Het plaatje wijst naar de plek waar eerder de Middagsterriet via een zijl in de Kliefslootgeul uitmondde.

Rond 1200 of wat later is door kloosterlingen van Aduard (?) de Kliefslootgeul afgedamd. De dam bestaat nog: het is de ree naar boerderij Nienhuis, hier aangegeven met een gele streep. Alvorens het stroomgat helemaal te sluiten had men halverwege de dam, op een redelijk droge plaats, een uitwateringssluis gebouwd. Na het dichten van de oorspronkelijke stroom liep al het lokale water, dat van Middag en het door het Peizerdiep en Hunsinge aangevoerde Noorddrentse en Lieuwerderwolder water samen met dat van Aduard zelf door de sluis.

Zoals op het bovenstaande plaatje goed zichtbaar is, werd hiermee ook meteen een oplossing gerealiseerd voor de dichtgeslibde ‘Middagsterzijl’ bij boerderij Arbere (bij het pijltje). Die zijl was uitermate ongelukkig gesitueerd geweest: in een dode hoek van de geul, waar zoveel slib werd afgezet dat het uitstromende Middagster water de buitengeul niet op diepte kon houden. Na de afsluiting van de Kliefslootgeul werd het Middagster water via een slootje aan de westzijde van het erf van Arbere naar de boezem geleid.

Na enige tijd moeten er problemen zijn opgetreden. We kunnen ons voorstellen dat de Kliefslootgeul boven de Nienhuisdam in het winterhalfjaar en ook in de zomer bij een ruime aanvoer van ‘bovenwater’ blank stond en dat Middag zijn water dan niet meer kwijt kon. Anderzijds zal de Hunsinge, die voor Aduard en ook anderen als vaarweg diende, in droge tijden te weinig water hebben gevoerd om bevaarbaar te zijn. Door de beide watersoorten – het lokale en Middagster water enerzijds en het Aduarder, Lieuwerderwolder en Drentse water anderzijds – van elkaar te scheiden kon men beide problemen in één keer oplossen.

De Kliefslootgeul na 1300 De Kliefslootgeul na 1300

Daartoe groef men – zo veronderstel ik – omstreeks 1300 een kanaaltje parallel aan de dijk die in de eeuw daarvoor tussen Aduard en Den Ham was gelegd en legde evenwijdig daaraan een nieuwe dijk. Via het nieuwe kanaal, dat uiteraard met een zijl was afgesloten, liet men het Drentse, Aduarder en Lieuwerderwolder water naar het open deel van de Kliefslootgeul lopen. De oude boezem liet men voor het Middagster water en dat van de aangelegen landerijen. Daarmee ontstond de situatie die het kaartje hierboven laat zien.

In 1313 hebben de drie partners een nieuwe zijl gebouwd. Het kan zijn dat die op de plaats van de oudere zijl is gezet, even ten oosten van de uitmonding van de Meedsterriet bij Groot Leger, maar het is ook denkbaar dat hij wat verder naar voren is gebracht.

Ook professor Albert Egges van Giffen en Doeke Kloppenburg hebben zich afgevraagd wat de dubbele dijk ten noorden van Aduard te betekenen had. Ze hebben echter geen verband gelegd met de akte van 1313. Dat deden Jan Delvigne en Hans Mol wel.24 Volgens hen is het vooral de scheepvaart geweest die voordeel heeft gehad van dit extra-kanaal aan de zuidzijde van de Kliefslootgeul. Uit hetgeen ik heb verteld zal het duidelijk zijn dat de scheiding van lokale en bovenlokale waterstromen zeker ook vanuit waterhuishoudkundig oogpunt van groot belang moet zijn geweest.

Het kaartje op de volgende bladzijde is een illlustratie uit het boek dat Jan Delvigne in 2008 over Middag-Humsterland publiceerde.25 De twee parallelle dijken waartussen de zijltocht van c. 1300 liep, zijn hier met twee rode lijnen aangegeven. Ik denk dat hier slechts de helft van de zijltocht van c. 1300 is afgebeeld: de andere helft moet aan de oostzijde langs het klooster hebben gelopen.

Overigens zal ik op dit plaatje nog eens terug moeten komen vanwege het feit dat de dubbele rode lijnen hier ook ten westen van de Nienhuisdam zijn getekend.

Kaartje van het gebied ten noordwesten van Aduard Kaartje van het gebied ten noordwesten van Aduard

Doordat de landerijen in de Kliefslootgeul en de wijde omgeving in 1594 aan het convent te Aduard toebehoorden, is het beheer ervan in handen van de provincie Stad Groningen en Ommelanden gekomen. In de achttiende eeuw zijn de landerijen zorgvuldig opgemeten en zijn de resultaten van deze kartering neergelegd in de befaamde Atlas der Provincielanden.

Kloosterlanderijen bij Arbere  (GrA T817-1047-15) Kloosterlanderijen bij Arbere (GrA T817-1047-15)

Kaart door Henricus Teijsinga, 1735.26

Het noorden is linksboven.

De cirkel markeert de plaats van de huidige boerderij Arbere. In de voormalige geulbedding liggen kleine percelen: de ‘Reilantjes’.

 ‘Reilant’ bij Arbere ‘Reilant’ bij Arbere

De tekst die in de serie ´reilantjes´ is geschreven luidt: ‘Reilant is Leeg maar bij eene droge Tijd goet Hooij=lant’.

Het pijltje wijst in de kijkrichting van de volgende foto.

De Middagsterdijk (waarop de Medenerweg) verheft zich ruim 1 meter boven het aangrenzende land.

Op de achtergrond van links naar rechts een deel van boerderij Nienhuis, het ‘kerkje van Harkema’, de hoge schuur van Arbere en de huizen van Mollenöst.

De Kliefslootgeul bij Arbere. De Kliefslootgeul bij Arbere.

We kijken vanaf Arbere naar het zuidoosten, richting Mollenöst.

Arbere en de Kliefslootgeul vanuit het noordwesten

  1. Bedding van de Hunsinge of Peizerdiep
  2. Medenerweg
  3. Sietse Veldstraweg

We kijken naar het zuidoosten.

De bedding waarlangs het Drentse water na de omleiding van de Hunsinge werd afgevoerd tekent zich duidelijk op het bovenstaande Google-plaatje af door de twee parallelle sloten ter weerszijden ervan.

Links zien we de Medenerweg, rechts de Sietse Veldstraweg. Ten noorden (hier links) van die weg is nog vaag een spoor te zien van de bedijkte ‘zijltocht van c. 1300’, waarlangs het Drentse water in tweede instantie zeewaarts stroomde.

De Kliefslootgeul en de Lindt (op de voorgrond) bij Aduard De Kliefslootgeul en de Lindt (op de voorgrond) bij Aduard

Een nieuwe zijltocht bij Arbere.  In de cirkel rechtsonder is de Kliefslootgeul afgesloten. Een nieuwe zijltocht bij Arbere. In de cirkel rechtsonder is de Kliefslootgeul afgesloten.

Naar de topografische en technische details van de besproken waterstaatkundige ingrepen blijft het gissen. Alleen de parallelle dijk ten noorden van Aduard verraadt in alle duidelijkheid het tracé van de nieuwe zijltocht.

Mogelijk heeft men de Kliefslootgeul met een dam afgesloten op de plaats waar de Lindt naar het noordwesten aftakte (op het kaartje aangegeven met een rode cirkel) en dwong men het Drentse water om via de Lindt in noordwestelijke richting te stromen. Overigens moet men dit ‘afsluiten’ niet al te letterlijk nemen. Als we afgaan op berichten uit latere perioden en over andere plaatsen in onze omgeving, ging het ‘winterwater’ gewoon over de binnenkeringen heen. Dat zal ook het geval zijn geweest tijdens natte perioden in de andere jaargetijden.

Vervolgens – zo gaat mijn hypothese verder – leidde men het water vanuit de Lindt, gebruik makend van een bestaande sloot, parallel aan de Kliefslootgeul naar het noordwesten en westen. Daar mondde het dan, via de nieuwe zijl in de Nienhuisdam, in de Kliefslootgeul (d.w.z. open water), uit. Ten noorden van de nieuwe zijl lag in diezelfde dam een oudere zijl, waarlangs nu alleen het Zuid-Middagster en lokale water werd afgevoerd.

Op het plaatje zien we ten oosten van Aduard en ten westen van de bochtige Kliefslootgeul een smalle rug tussen twee sloten. Aan de noordkant loopt de rug dood tegen het perceel Wessel Gansfortstraat 12 (bij het gele vaantje op de kaart). Wanneer je alleen op de kadasterkaart kijkt – en dus de hoogtegegevens mist – lijken de twee sloten de sporen van een watergang te zijn. Het tracé ervan zou ook mooi passen bij de in de akte van 1313 beschreven zijltocht. De hoogte van de rug – zo’n 70 cm boven de aanliggende landerijen en tot anderhalve meter boven de Kliefslootgeul – maakt echter duidelijk dat we hier met een dijk te maken hebben.27 Het verloop van de dijk is zo strak en ligt zo dicht bij het klooster, dat ik hem jonger acht dan de twaalfde-eeuwse Middagsterdijk en liever in verband zou willen brengen met (vroeg) ontginningswerk van de kloosterlingen. Het zou dan een kering kunnen zijn die bedoeld was om, in tijden van groot wateraanbod uit de omgeving en ook vanuit Noord-Drenthe, het water binnen de boezem op te sluiten.28

Oude sloot bij Aduard Oude sloot bij Aduard

Het tracé van de ‘zijltocht van c. 1300’ ten oosten en zuidoosten van Aduard is ongewis. Maar er is wel een aanwijzing. Achter de huizen aan de Nijlandsingel in Aduard bevindt zich een sloot die van de Lindt naar het noorden loopt. De sloot heeft een vreemd profiel. Het lijkt erop dat hij vroeger veel breder is geweest dan nu. De westelijke walkant is blijkbaar in de sloot gezakt. Mogelijk heeft hij deel uitgemaakt van het afwaterings- annex scheepvaartkanaal dat men omstreeks 1300 heeft aangelegd. Uit het feit dat er aan de zuidzijde van de Lindt een identiek georiënteerde sloot loopt, blijkt dat deze watergang ouder is dan de Lindt zelf. En dat zou er dan weer op wijzen dat men bij de omleiding van het Drentse en Lieuwerderwolder water in het begin van de veertiende eeuw gebruik heeft gemaakt van een bestaande watergang.

Wellicht is het wat al te naief om te denken dat het huidige profiel van een sloot een aanwijzing kan zijn voor de functie die hij 700 jaar eerder heeft gehad. Toch kan ik het niet laten om het merkwaardige verschil in profiel te laten zien van de twee sloten die ten noorden en zuiden van de Lindt in elkaars verlengde liggen. Ze hebben samen ooit (d.w.z. vóór het graven van De Lindt) één watergang gevormd, die water vanuit het zuiden afvoerde naar de Kliefslootgeul. De ‘zuidersloot’ heeft een normaal profiel, maar de noordelijke voortzetting ervan moet vroeger veel breder zijn geweest. Het lijkt erop alsof de linker (westelijke) walkant in de sloot is weggezakt. De foto’s op de volgende bladzijde laten zien wat ik bedoel.

Links: de sloot aan de zuidzijde van de Lindt heeft een normaal profiel.
Rechts: de sloot aan de noordzijde is ooit veel breder geweest; op de voorgrond het riet langs de Lindt, die de oudere watergang op dit punt kruist.

Hieronder: dezelfde verzakte slootkant met de zon erbij

Misschien is er een veel prozaïscher verklaring voor het vreemde profiel van deze sloot en gaat mijn verhaal helemaal niet op. Anderzijds blijven we dan wel zitten met de vraag waar de ‘zijltocht van c. 1300’ dan wel kan hebben gelegen. Aan de oostzijde van Aduard zijn geen alternatieve tracé’s te vinden en het kanaal kan – om redenen die we zo meteen zullen zien – ook niet aan de westzijde hebben gelopen.

Voor de goede orde wijs ik nog even op een zwak punt in mijn hypothese over de waterloop tussen de Lindt en het parallel-kanaal ten noorden van Aduard. De kadastrale minuut vertoont geen duidelijke sporen die zouden kunnen wijzen op een aansluiting tussen de ‘verzakte sloot’ ten oosten van Aduard en het ‘parallel-kanaal’ ten noorden van het dorp. Alleen de hoogtekaart laat op een tot nu toe open gebleven perceel een vaag spoor zien dat van een verdwenen watergang zou kunnen zijn. Deze loopt schuin door het perceel op een manier die niet samenhangt met de vorm van dit stuk land, maar wel past bij mijn hypothese. Het bedoelde spoor is op het kaartje op de vorige bladzijde al enigszins zichtbaar, maar kan ik duidelijker laten zien met behulp van de nieuwe AHN-2.

Sporen ten oosten van Aduard op de nieuwe AHN-2

  1. ‘Zuidersloot’ met normaal profiel
  2. ‘Noordersloot’ met afwijkend profiel
  3. Kerk
  4. 'Aduarderdijk’
  5. Kliefslootgeul

Het rode pijltje staat in een c. 1,8 ha groot perceel groenland dat door twee sloten in drie delen lijkt te zijn verdeeld. In werkelijkheid bevinden zich hier geen sloten en zien we op de hoogtekaart alleen de sporen van sloten die hier ooit hebben gelopen. Ook op de kadastrale minuut uit het begin van de negentiende eeuw (waarop dit perceel als bouwland staat vermeld) ontbreken de sloten al.
Het pijltje wijst naar het vage spoor van een dijk die aan de westzijde van een van beide verdwenen sloten heeft gelegen. Kan deze verdwenen sloot onderdeel zijn geweest van ‘de zijltocht van c. 1300’?

De duiding van het op de hoogtekaart zichtbaar gemaakte reliëf blijft vooralsnog onzeker, maar de aanwezigheid van een kade langs de veronderstelde watergang bevestigt eerder mijn veronderstelling dan dat ze die ondergraaft.

Reliëf langs de Sietse Veldstraweg Reliëf langs de Sietse Veldstraweg

Ten noorden van Aduard, langs de Sietse Veldstraweg, zijn de sporen van de ‘zijltocht van c. 1300’ en de flankerende dijken in het veld nog duidelijk zichtbaar, al moet men ze ook echt willen zien. De oneffenheden hebben zelfs de laatste verbetering van de N983 overleefd.

Sporen ten noorden van Aduard op de nieuwe AHN-2. 1.  Nienhuisdam 2.  ´Zijltocht van c. 1300´ Sporen ten noorden van Aduard op de nieuwe AHN-2. 1. Nienhuisdam 2. ´Zijltocht van c. 1300´

Wat in het veld slechts met moeite en goede wil zichtbaar is, krijgt een spectaculaire aanblik wanneer aan de hoogtegegevens een hellingschaduw wordt toegevoegd.

De Lindt. Is de Lindt bij Aduard de Huchslate uit de akte van 1313? De Lindt. Is de Lindt bij Aduard de Huchslate uit de akte van 1313?

Ik vermoed dat de Lindt een oude, door de kloosterlingen van Aduard aangelegde ‘schipsloot’ is en dat deze onderdeel heeft uitgemaakt van de eerste vaarroute tussen Aduard en de benedenloop van de Hunze.

De regeling van 1313
De verschillende panden van de zijltocht zijn met de letters a, b en c aangegeven.

Het bovenste pijltje wijst naar de Huchslate, het onderste naar de Swachcluse.
Gearceerd is het grondgebied dat in 1594 eigendom van Aduard was.

Panden

De in 1313 gemaakte afspraken regelden het onderhoud van de gemeenschappelijke zijltocht. Daartoe werd de watergang verdeeld in een drietal panden. Deze zijn op het bovenstaande kaartje aangegeven met de letters a, b en c.

a.   
Pand a ligt tussen de Huchsloete of Huchslate en de nieuwe zijl in de Nienhuisdam. Voor mijn identificatie van de Huchslate met de Lindt verwijs ik naar het vorige deel.29 Het bovenste rode pijltje wijst naar deze ‘schipsloot’. Het stuk tussen de Lindt en de Nienhuisdam is het deel van het diep dat omstreeks 1300 is gegraven en aan het einde waarvan een zijl is geplaatst. Mogelijk is die zijl in 1313 door een nieuwe vervangen. Afgesproken wordt dat de drie partners – Aduard, Lieuwerderwolde en de drie Drentse kerspelen – dit stuk samen schoon zullen houden en de kosten daarvan in drie gelijke delen zullen verdelen. Dit gedeelte van de zijltocht hebben we zojuist bekeken (bepaling 7 van de akte).

b.   
Het met de letter b gemerkte gedeelte ligt tussen de Huchslate en de Swachcluse. Dit stuk bestond al veel langer – het is de twaalfde-eeuwse (?) omleiding van de Hunsinge – en loopt in zijn geheel door land dat in 1594 eigendom was van het klooster Aduard. Waarschijnlijk gaat het om een gebied dat het klooster kort na zijn stichting heeft verworven. Het ligt daardoor in de rede dat Aduard ook verantwoordelijk was en zou blijven voor het onderhoud en schoonhouden van dit deel van de zijltocht (nummer 5 van de akte).
De Swachcluse (aangegeven met het onderste pijltje) identificeer ik met de ‘Klief’: de plek waar het Kliefdiep – het omgelegde Eelderdiep dat tevens de grens is tussen Leegkerk in het noorden en Hoogkerk in het zuiden – in de Hunsinge uitmondde. Door de Klief loosde niet alleen het Eelderdiep, maar ook het grootste deel van Lieuwerderwolde en Dorkwerd, met inbegrip van de Rijp (ter plaatse van de huidige Groninger stadswijk Vinkhuizen).
Het woord ‘klief’ kan verschillende dingen betekenen: een dam in een watergang, maar ook een eenvoudige zijl of een duiker. Waarschijnlijk was er in het begin van de veertiende eeuw hier al wel een zijl. Later heette het kunstwerk op deze plaats ‘de Grote Klijve’. Aan het eind van de negentiende eeuw stond er een stoomgemaal.
De naam ´Swachcluse´ past bij de plek: we kunnen hem vertalen met ‘Zwaagsluis’. Daarbij moeten we bedenken dat een zwaag (Fr. swaech) een laag gelegen weiland is en dat we in ‘cluse’ (‘kluis’, ‘afsluiting’) het Latijnse werkwoord claudere (‘sluiten’) kunnen herkennen. Het treft dat we het woord ‘Zwaag’ als plaatsaanduiding tegenkomen in een veertiende-eeuwse oorkonde waarin een stukje land onder Leegkerk aan het Heilige Geestgasthuis te Groningen wordt verkocht.30

c.   
Met de letter c is het deel van de Hunsinge/Peizerdiep gemerkt ‘boven’ de Swachcluse. Dit was uiteraard het grootste deel van de waterloop en we zien daarvan op dit kaartje alleen het meest noordelijke stukje. Over het onderhoud van deze watergang wordt afgesproken dat iedere aangelande zelf voor het onderhoud zal zorgen (bepaling nr. 14 van de akte). Dat is de gewone gang van zaken, die zowel voor de natte als de droge waterstaat geldt. Ook al is iedere aangelande zelf verantwoordelijk, als het zo mocht zijn dat iemand zijn plicht verzaakte, dan zal er een boete worden opgelegd namens alle en ten bate van alle partners. Een dergelijke bepaling veronderstelt dat het de bedoeling was een gemeenschappelijke kas te houden.
De belanghebbenden en onderhoudsplichtigen zijn de Noorddrentse kerspelen en Lieuwerderwolde, maar wellicht had ook Aduard in Lagemeeden en onder Hoogkerk nog land liggen op grond waarvan het moest bijdragen tot het onderhoud van dit pand.

De Klief (Swachcluse) bij Hoogkerk De Klief (Swachcluse) bij Hoogkerk

Wie op de juiste plek vanaf de Aduarderdiepsterweg naar het oosten kijkt – en ook lang genoeg is – kan het Kliefdiep zien. Het Kliefdiep voerde niet alleen het lokale water van Lieuwerderwolde af, maar ook dat van de Hoenen bij Groningen, het zuidelijke deel van Westerdijk, Eelderwolde en Eelde. Tegenwoordig is er geen verbinding meer tussen het Kliefdiep en het Aduarderdiep (niet op de foto te zien).

De regeling van 1313 – bruggen.  De pijlen wijzen naar de plekken waar bruggen moeten hebben gelegen. De regeling van 1313 – bruggen. De pijlen wijzen naar de plekken waar bruggen moeten hebben gelegen.

Bruggen

 

De akte van 1313 maakt melding van een tweetal bruggen: een ‘kerckbrucge’ en een ‘waegenbrucge’.31 De betreffende passage (nummer 6 van de akte) is van grote betekenis voor het begrijpen van de algehele strekking van de akte, maar wordt heel verschillend geïnterpreteerd. Al eerder verwees ik ernaar, toen ik meedeelde dat de nieuwe zijltocht niet aan de westzijde van Aduard kon liggen en dat we hem dus aan de oostkant van het dorp moeten zoeken. Ik leid dat af uit de passage over de twee bruggen. Alvorens mijn interpretatie ten beste te geven parafraseer ik de betreffende regels nog eens.

‘Hierbij is het volgende bepaald: wanneer wij, de zijlvesten van Lieuwerderwolde, de drie Drentse dorpen en Aduard, de twee bruggen, een kerkbrug en een wagenbrug, die over het onderwerpelijke diep liggen, niet zo maakten als de ingezetenen van Middag beloofd was – en waarvoor ook borgen gezet zijn toen men het diep in eerste instantie groef – en de Middagsters om die reden een dam in het diep zouden willen leggen, en zij – of anderen – het diep vanaf de Klief tot aan de nieuwe zijl op enige plaats wilden afdammen, blokkeren of om wat voor reden de bruggen afbreken, dan zullen wij, de drie genoemde partners, samen daartegen optreden; en de kosten van die actie zullen wij in drie gelijke delen dragen. Deze regel zal voor altijd gelden’.

Wanneer we deze regels onder het vergrootglas leggen, springen enkele details in het oog die bijzondere aandacht verdienen:

  • ‘het onderwerpelijke diep’: Welk diep is hier bedoeld? Het kan gaan om het stuk tussen de Zwaagsluis en de Huchsloot (het zgn. ‘Aduarderpand’, waarover de bepaling gaat die in de aktetekst aan deze zin vooraf gaat), maar ook over het zijldiep vanaf de Zwaagsluis tot aan de Arbere (de panden van Aduard en van de drie partners samen).
  • ‘de twee bruggen […] die over het onderwerpelijke diep liggen’: de bruggen liggen er al!
  • ‘niet zo maakten’: De Middagsters is beloofd dat de bestaande bruggen zullen worden aangepast of gerepareerd.
  • ‘de ingezetenen van Middag’: Wie zijn hiermee bedoeld? Het ligt voor de hand dat hiermee de bewoners bedoeld worden van aan het diep grenzend land dat niet tot het gebied van de contractpartners behoort.
  • ‘of anderen’: aan de Middagsters zijn beloften gedaan over de bruggen, maar ook anderen kunnen belang hebben bij het dempen of afdammen van de watergang, bijvoorbeeld omdat het water het interlokale landverkeer hindert.

Waar lagen de wagenbrug en de kerkbrug?

Op het nevenstaande plaatje heb ik aangegeven waar de twee bruggen kunnen hebben gelegen. De wagenbrug is het eenvoudigst en met de minste twijfel te lokaliseren, zij het dat met de woorden ‘het onderwerpelijke diep’ dan wel het stuk vanaf de Zwaagsluis (de Klief) tot aan de sluis bij de Arbere moet zijn bedoeld. Als dat inderdaad zo is, zal de wagenbrug ten noorden van het klooster hebben gelegen, daar waar het kanaal de ‘heerweg’ kruiste die

vanuit Groningen en het oostelijke deel van Middag over de Steentil en via Aduard en Zuidhorn naar het westen liep.

Veel minder duidelijk is de plaats van de kerkbrug. Op het kaartje heb ik haar ten westen van Leegkerk getekend, bij het huidige Nieuwbrug. Ze zou dan bedoeld zijn geweest voor de bewoners van de c. 650 meter brede strook ten westen van het ‘oer-Aduarderdiep’ die bij het kerspel Noord-Lieuwerderwolde (Leegkerk) hoorde, en voor de inwoners van Lagemeeden. Die laatsten hoorden ook bij Middag, maar niet bij Lieuwerderwolde. Eerder zagen we al dat een paar boerderijen ten westen van het Aduarderdiep nog omstreeks 1800 onder de parochie Leegkerk vielen, en we weten dat Lagemeeden pas ten tijde van abt Frederik Gaaikema (1329-1350) een kapel heeft gekregen.32

Het kerkhof van Lagemeeden Het kerkhof van Lagemeeden

Deze kunstmatige hoogte verheft zich 1,5 meter boven het maaiveld en is vanaf het tweede kwartaal van de veertiende eeuw de locatie van een kerkgebouw geweest. Misschien hangt de stichting van een kapel op deze plek samen met de omstandigheid dat het ‘oer-Aduarderdiep’ in deze tijd steeds meer als een grens werd ervaren.

Tegen de veronderstelling dat de ‘kerkbrug’ ter plaatse van het huidige Nieuwbrug heeft gelegen pleit de omstandigheid dat in de akte wordt verwezen naar beloften die aan de Middagsters waren gedaan toen men het diep voor het eerst groef. Als het klopt dat het Peizerdiep al vóór de stichting van het klooster te Aduard naar de Kliefslootgeul is geleid, is het wel erg onwaarschijnlijk dat in 1313 gerefereerd kon worden aan beloften die zo’n anderhalve eeuw te voren waren gedaan. Maar het is niet ondenkbaar dat men in 1313 een ‘hergraving’ van de benedenloop van het Peizerdiep/Hunsinge naar de Kliefslootgeul in gedachten heeft gehad, een project dat nog niet zo heel lang daarvoor, omstreeks 1300, was gerealiseerd en ook de aanleg van de paralleldijk tussen Aduard en de Nienhuisdam behelsde. Bij die gelegenheid – waarbij de watergang ook meer geschikt werd gemaakt voor de scheepvaart – kunnen aan de omwonenden toezeggingen zijn gedaan voor wat betreft het kruisende landverkeer.

Links: de kerk van Leegkerk.  Rechts: deur aan de zuidzijde van de kerk Links: de kerk van Leegkerk. Rechts: deur aan de zuidzijde van de kerk

Over de bruggen valt nog wat meer te zeggen. We hebben al gesignaleerd dat ze ten tijde van het sluiten van de overeenkomst al bestonden. De contractpartners hadden de Middagsters daarover beloften gedaan waarvan we de inhoud niet kennen. Het kan zijn dat ze hebben beloofd de bruggen te veranderen, maar het woord ‘maken’ dat in deze bepaling wordt gebruikt, kan ook ‘herstellen’ betekenen. In elk geval hielden de partners er rekening mee dat de Middagsters – en ook anderen – ontevreden zouden kunnen zijn over de toestand van deze bruggen en om die reden dammen zouden willen leggen in het diep. Wanneer zoiets zich voordeed, of wanneer wie dan ook of om welke reden dan ook schade zou toebrengen aan de bruggen zouden de partners samen daartegen optreden en de kosten in drie gelijke delen dragen.

Deze afspraak over de bruggen betreft vooral het landverkeer. Even verderop bevat de tekst een tweede bepaling over de bruggen (bepaling 8). Die heeft betrekking op de scheepvaart, maar is ook van belang voor het landverkeer. Afgesproken wordt dat de twee bruggen zo hoog gelegd zullen worden, dat de schepen en ‘kwakels’ van het klooster er met een volledige last onderdoor kunnen. Dat betekent dat er opritten moesten komen en dat bij het onderhoud ervan bijzondere aandacht moest worden besteed aan het ‘aanaarden’ van de houten constructies.

Etymologen hebben het moeilijk met het woord kwakel. Er wordt gedacht aan het Engelse werkwoord quake (Oud Engels cwacian) dat ‘beven’ betekent. In Holland wordt het woord

kwakel gebruikt voor een brug van het type dat we in Groningerland ‘hoogholtje’ noemen. De naam zou dan afkomstig zijn van het wiebelen van zo’n brug. Een geraadpleegde taalkundige kon zich niet voorstellen dat een woord iets anders zou kunnen betekenen dan in de woordenboeken staat en veronderstelde dat men de tekst altijd verkeerd had gelezen. Maar er staat wel degelijk wat er staat en de betekenis ‘brug’ past echt niet in onze tekst. Uit de context blijkt dat kwakels vaartuigen zijn die lasten vervoeren. Maar is het zo vreemd dat met kwakels platboomde schuitjes bedoeld zijn en dat de naam verwijst naar het gedrag dat ze vertonen wanneer ze worden voortgeboomd: schommelen? Zulke bootjes werden gebruikt voor het vervoer van turf, bakstenen en landbouwproducten over ondiep water. De ‘kwakels’ van onze tekst zouden dan schuiten voor de binnenvaart kunnen zijn, terwijl met het woord ‘schepen’ de vaartuigen bedoeld zijn die geschikt zijn om open water en misschien zelfs de zee te bevaren. Hoe dit ook moge zijn, de bepaling over de hoogte van de bruggen en de last van de schepen maakt duidelijk dat de zijltocht van c. 1300 van belang was voor het vervoer over water.

De overeenkomst bevat nog een tweetal bepalingen (de nummers 9 en 10) over de afwatering van het klooster Aduard en zijn landerijen – waarvan er één door geknoei in de tekst twee tegenovergestelde betekenissen kan hebben –, over de op alle deelgenoten rustende verplichting om de dijken langs het diep te onderhouden en beschermen – waarbij wordt aangetekend dat gewelddadige acties van buitenstaanders gezamenlijk zullen worden gekeerd en dat de kosten daarvan in drie gelijke delen zullen worden verdeeld – en over de permanente bewaking van de zijl.

Elk van de partners kreeg een exemplaar van de overeenkomst, die werd bekrachtigd met zes zegels: dat van de abt van Aduard, het land Hunsingo, heer Ludolf van Gronebeke, de stad Groningen, het land Drenthe en Egbert van Peize. De zegels van de abt, Hunsingo en Drenthe binden het klooster van Aduard, Middag en de drie Noord-Drentse kerspelen. Het feit dat twee leenmannen van de bisschop van Utrecht meezegelen laat zien dat er nog een rest van feodaliteit is overgebleven. Het mee-zegelen van de stad Groningen kan samenhangen met het feit dat Groninger burgers en instellingen (zoals het Heilige-Geestgasthuis) belangen hadden in Lieuwerderwolde, maar kan wellicht ook verklaard worden door de status die het stadsbestuur in deze tijd al had.

Helaas is geen van de drie in het Latijn (?) geschreven originelen van het ‘stuk van 1313’ bewaard gebleven en moeten we het doen met een – waarschijnlijk veertiende-eeuwse – vertaling die alleen in de vorm van een zeventiende-eeuws afschrift is overgeleverd.

Samenvatting van de hoofdpunten

Aduard, Peize, Roden, Foxwolde en Lieuwerderwolde maakten in 1313 afspraken over het onderhoud van de gezamenlijke zijltocht en de nieuwe zijl die ze samen hadden gelegd bij de Arbere, ten noordwesten van Aduard. Ze zullen de kosten van het onderhoud van de zijl en het meest noordelijke deel van de zijltocht in drie gelijke delen verdelen. Het gedeelte van het diep dat gelegen is tussen de Klief bij Hoogkerk en de Lindt wordt alleen door Aduard onderhouden. Vanaf de Klief naar het zuiden is het onderhoud voor rekening van degenen die de aan het diep gelegen landerijen bezitten. De partners zullen er samen voor zorgen dat de twee bruggen over de watergang (een wagenbrug bij het klooster Aduard en een kerkbrug bij Leegkerk), zo gemaakt worden zoals aan de buren van Middag beloofd was. Mochten dezen desondanks dammen in het diep willen leggen, en ook wanneer anderen dat zouden willen doen, dan zullen de partners daartegen gezamenlijk optreden.

1.

Jakob Loer, ‘Wanneer is het Aduarderdiep gegraven?’, in: Historisch Jaarboek Groningen 2014, 16-33).

2.

OGD I 241 (28 april 1313). Het  afschrift bevindt zich in de ‘Collectie Keiser’ (GrA T657-137).

3.

Van den Broek, Een kronkelend verhaal, 90 en 209 (noot 66)

4.

Kloppenburg, ‘Westerkwartier’, 454.

5.

W.B. Siemens, Dijkrechten en zijlvesten (Groningen 1974) 35, Schroor, Wotter, 28 en 30..

6.

Zo’n zaak heeft in 1620 gespeeld (GrA T657-137).

7.

Mogelijk heeft deze Ludolf samen met enkele anderen een akte bezegeld over het leggen van een sluis ‘beneden Harssens en de Mude’. Een datum van die akte is niet bekend, maar zou gezien de inhoud ervan passen in de periode 1323-1332 (Van den Broek, Een kronkelend verhaal, 68-69).

8.

J.W. Schaap, ‘De burggraven van Groningen’, in: De Nederlandsche Leeuw 96 (1979), 71-104, en O.D.J. Roemeling, ‘Enkele adellijke geslachten in Drenthe in de middeleeuwen’, in: De Nederlandsche Leeuw 90 (1973), 190-217 en 238-298.

10.

In de tekst is geknoeid. In plaats van ‘weghen’ in ‘kloosterwegen’ las Driessen ‘negeen’ (‘geen’) (R.K. Driessen, Monumenta Groningana I 72).

11.

OGD II 704 (1 mei 1382).

12.

G&DW 5, Tussen Aduard en Drentse A, hoofdstuk 5.3, ‘Eerste ingrepen’, p. 48.

13.

Zie G&DW 11, Tussen Aduard en Grijpskerk 2, hoofstuk 11.7, ‘Een laatste beetje Drents water’.

14.

Het kaartje is een bewerkte versie van een illustratie in de masterscriptie van Jeroen Zomer, Landschapsgeschiedenis van Roderwolde. Een interdisciplinair onderzoek naar de natuurlijke landschapsgenese van een woldgebied in de Kop van Drenthe en de kolonisatie en ontginning in de late Middeleeuwen en de Nieuwe Tijd (Groningen 2009) p. 38. In G&DW 10 zal ik hieraan meer aandacht besteden.

15.

S.P. Rietema, ‘Het Aduarderdiep en de Aduarderzijl’, in: GVA 1924, 108-120.

16.

Siemens, Dijkrechten en zijlvesten, 65 noot 66.

17.

Meer over dit onderwerp (met de bijbehorende verwijzingen) volgt in een publicatie van mijn aantekeningen ten behoeve van de busexcursie die in het kader van de Dag van de Groninger Geschiedenis 2013 onder de titel ‘Sporen van middeleeuwse ontginningen’ is georganiseerd. Zie voor een eerste versie: zijpad-hinkemahorn.

18.

W. de Vries, Groninger plaatsnamen (Groningen/Batavia 1946) 3.

19.

Het ‘Harbargeland’, het zuidelijke deel van het Oosterstadshamrik (dat mogelijk te identificeren is met het in OGD I 10 voorkomende haribergi), noem ik onder voorbehoud. Ik heb het mogelijke verband van dit toponiem met het Friese earrebarre  eerder besproken in Groningen, een stad apart (220-221). Deze suggestie schijnt echter op taalkundige gronden te moeten worden afgewezen (zie Paul Noomen, ‘Winsum in de vroege Middeleeuwen’, in: Redmer Alma e.a. (red.), Winsum 1057-2007, 65-87, aldaar 74 noot 33). Het is echter onduidelijk hoeveel gewicht we in een geval als dit moeten hechten aan taalkundige overwegingen.

20.

W.J. Buma (ed.), Die Brokmer Rechtshandschriften (‘s-Gravenhage 1949) 160 en 211; W.J. Buma en Wilhelm Ebel (eds.), Das Brokmer Recht (Göttingen 1965) 76-77

21.

W.J. Buma, ‘Twa Fryske Toponymen’, in: it Beaken 12 (1950) 143-148. Zie ook G.A. Nauta, Oudfriesche woordenlijst. Met de vertaling in het Nederlandsch en vergelijking met Nieuwwestfriesche woorden (Haarlem 1926) 3-5.

22.

Zie hiervoor G&DW 5, Tussen Drentse A en Peizerdiep (13e-14e eeuw), de hoofdstukken 5.3 en 5.4, in het bijzonder p. 84.

23.

Zie voor deze observatie ook Mol en Delvigne, 163.

24.

Kloppenburg, ‘Westerkwartier’, 452, Jan Delvigne, Middag-Humsterland. Op het spoor van een eeuwenoud wierdenlandschap (Archeologie in Groningen 4) (Bedum 2008) 84, Mol en Delvigne, ‘Het klooster, het land en het water’ in: Jaap van Moolenbroek en J.A. (Hans) Mol (red.), De abtenkroniek van Aduard. Studies, editie en vertaling (Hilversum-Leeuwarden 2010) 166.

25.

Jan Delvigne, Middag-Humsterland. Op het spoor van een eeuwenoud wierdenladschap (Archeologie in Groningen 4) (Bedum 2008)

26.

GrA T817-1047-15; opgenomen en beschreven Meindert Schroor, Atlas der Provincielanden, kaart 21.

27.

Deze interpretatie ook op de PPD-kaart (‘overzicht archeologische en cultuurhistorische terreinen in de provincie Groningen nr. 1).

28.

Jan Delvigne rangschikt deze dijk bij de oudste waterkeringen en zet hem op één lijn met de Middagsterdijk aan de noord- en oostzijde van de Kliefslootgeul (Jan Delvigne, Middag-Humsterland. Op het spoor van een eeuwenoud wierdenlandschap (Archeologie in Groningen 4) (Bedum 2008) en Mol en Delvigne, Abtenkroniek, kaart 4. Meer over deze dijk (de ‘Aduarderdijk’) volgt in G&DW 10, Tussen Aduard en Grijpskerk 1, in het bijzonder in hoofdstuk 10.1, ‘Aduard en omgeving’.

29.

Zie hiervoor G&DW 5, Tussen Aduard en Drentse A, hoofdstuk 5.3, ‘Eerste ingrepen’ p. 73 ev.

30.

OGD II 839 (21 oktober 1392), GrA T1473-54 reg.nr. 21. In de inventaris van het archief van het Heilige Geestgasthuis is dit stuk abusievelijk onder het Oldambt gerubriceerd.

31.

Een niet zo vaak voorkomende spelling. Meestal schrijft men gh om een g-klank vóór e of i aan te geven. Zonder h zou de g in die positie worden uitgesproken als j (genever=jenever). Hier wordt voor dit doel de lettercombinatie cg gebruikt.

32.

Van Moolenbroek, Abtenkroniek, 276-277.