Zoek op de website

6.2 	Een nieuwe zijl in Aduard (c. 1335)

 Enkele losse afschriften in het Groninger stadsarchief Enkele losse afschriften in het Groninger stadsarchief

De partners die in 1313 een overeenkomst met elkaar sloten over een reeds bestaande zijltocht en een nieuwe sluis daarin, kregen enkele tientallen jaren later onenigheid over de kosten van een nieuwe zijl. Scheidsrechters beslechtten de kwestie en legden de door hen getroffen regeling in een akte vast. Helaas is ook die – in het Latijn gestelde – akte niet in originali overgeleverd. Ze is slechts bewaard gebleven in een bundel afschriften in het stadsarchief van Groningen. De afschriften zijn gemaakt in de tweede helft van de zestiende eeuw.

De beschrijving van GrA T2100-33 luidt: ‘Afschriften van oorkonden inzake

  • de beëindiging van partijtwisten in de stad Groningen, 14 september 1427, 
  • de inlating van Noorddijk in het Winsummer zijlvest, 29 september 1408, 
  • de verdeling van de kosten van de aanleg van een sluis te Aduard [c. 1335],
  • de overdracht van de buurmande van Gelkingeland aan het Aduarderzijlvest, 2 augustus 1463.’

Het is niet duidelijk of er een leidende gedachte heeft gezeten achter het bij elkaar brengen van de afschriften in deze bundel en welke dat geweest zou kunnen zijn.

Het afschrift wordt voorafgegaan door een kopje waaruit blijkt dat de originele oorkonde met zeven zegels was bekrachtigd: ‘Dese undengeschreven [sic] brief was mit seven anhangenden segel, thwee segel boven een ander aen einem presel [?] gedruckett, versegelt’. Naast de drie zegels van de twee pastoors van Lieuwerderwolde (Leegkerk en Hoogkerk) en die van Peize mogen we aannemen dat het gaat om de in de tekst aangekondigde zegels van de stad Groningen en de landschappen Drenthe en Hunsingo en het zegel van het klooster Aduard.

Een ongedateerde akte over een zijl te Aduard Een ongedateerde akte over een zijl te Aduard

In het overgeleverde afschrift ontbreekt een datumregel. Op grond van de overweging dat de bij deze rechtshandeling betrokken Groningers (Gerardus Sickinge, Wicher Enens, Wigbold Folkerda en Albertus Folkerda) voorkomen in teksten uit de periode 1304-1357, heeft archivaris J.A. Feith voorgesteld om deze overeenkomst op c. 1335 te dateren."33" Rond 1335 waren alle genoemde personen in leven en met gezag beklede figuren.

De meest opvallende onder hen is Wicher Enens. Deze treedt in deze tekst niet alleen op als raadsheer van Groningen en arbiter in het geschil tussen Aduard enerzijds en de genoemde Hunsingoër en Drentse dorpen anderzijds, maar is ook borg voor de buren van Peize, Roden en Foxwolde. Dit doet vermoeden dat Wicher landerijen bezat in deze Noorddrentse kerspelen. Toen in 1338 scheidsrechters een einde maakten aan de gewelddadige geschillen tussen de stad Groningen en de Ommelander Friezen, was Wicher Enens een van de meest

vooraanstaande Groningers. Hij wordt in de betreffende oorkonde als eerste genoemd van degenen wier versterkte huizen in de stad ingevolge de uitspraak van de arbiters moesten worden ‘ontvest’."34"

OGD II 1231 (c. 1335)"35"

 

Akte waarbij Gerardus Sickinga en vier anderen als arbiters in een geschil tussen het convent van Aduard enerzijds en Peize, Roden, Foxwolde en Lieuwerderwolde anderzijds, een regeling treffen over de verdeling van de kosten van een nieuwe sluis in Aduard."36"

[1]

Wij, Gerard Sickinga, Wiger, zoon van Enno, de gebroeders Allard en Wigbold, en Albert Folkerda, vriendschappelijke arbiters(1) tussen de inwoners van Peize, Roden, Foxwolde en Lieuwerderwolde enerzijds en het convent van Aduard anderzijds, verklaren onder onze zegels dat

  1. De uitvaardigers van de oorkonde zijn ook degenen die als scheidsrechters de regeling tot stand hebben gebracht. Drie van deze personen treden tevens op als borgen voor de betrokken Drentse nederzettingen. Verderop noemen de uitvaardigers van de oorkonde zich ‘raadsheren te Groningen’.

[2]

de genoemde gemeenschap(1) de landerijen die nodig zijn voor de nieuwe zijl(2) die in Aduard zal worden gebouwd, voor twee derde zal aankopen en betalen, waar het nodig zal zijn, en het convent een derde deel;

  1. In het vervolg ga ik ervan uit dat met ‘dicta communitas’ de ‘gemeenschap’ der buren van Lieuwerderwolde en de Noorddrentse dorpen is bedoeld.
  2. In de Latijnse tekst staat het woord ‘aqueductus’ dat zowel ‘zijl’ als ‘zijltocht’ kan betekenen.

[3]

bovendien zal genoemde gemeenschap de plaats waar de sluis gebouwd zal worden, indien iemand dat zou willen verhinderen, versterken(1) en verdedigen voor twee derde, en het convent voor een derde;

  1. De Latijnse tekst heeft ‘commeabit’, maar dit woord levert hier geen zinvolle betekenis op. Waarschijnlijk is bij het maken van het afschrift een fout gemaakt. Men zou hier een woord als communiet (‘zal versterken’) verwachten.

[4]

verder erkennen wij, Wiger, Wigbold en Egbert Fleterbusk, borgen van de buren van Peize, en wij Wiger en Albert Folkerda, borgen van de inwoners van Roden, en ook ik, Wiger, borg van de inwoners van Foxwolde, dat wij verplicht zijn om

[5]

te betalen, voor zover het ieder van ons toekomt, voor de aankoop van hout 45 mark sterling met 4 schellingen op donderdag in de Pinksterweek te Groningen, en voor de bouw van de sluis 24 mark sterling op de dag na het feest van de heilige Jacobus(1), evenzo voor de aankoop van landerijen zoveel als het ieder toekomt;

  1. 25 juli.

[6]

het zegel van het land Drenthe te laten hangen aan de brief die over de nieuwe zijl wordt opgemaakt,(1) samen met het zegel van de stad.(2)

  1. Een dergelijke akte is niet bewaard gebleven.
  2. Groningen.

[7]

Verder heeft heer Duido, pastoor van Zuid-Lieuwerderwolde,(1) zich ten overstaan van ons, raadsheren in Groningen, borg gesteld voor luthera thwedefte(2) van zijn parochie voor de aankoop van hout en de bouw van de sluis en voor de landerijen, wanneer dat nodig zal zijn en voor zover het hun aanbelangt.

  1. Hoogkerk
  2. De betekenis van deze woorden – geen Latijn! – is mij niet bekend.

 

[8]

Evenzo hebben Frederik Albersma, Herbert Renardsma en Elbert op het Hamrik zich borg gesteld voor die van de weiden van Koningskamp,(1) Albert Folkerda voor die van Noord-Lieuwerderwolde,(2) Gerard Sickinga voor die van Dorkwerd, en Hubert en Luido voor Reiner Hiddinga en die van de Rijp,(3) voor de betaling van 23 mark sterling ten behoeve van de bouw van de sluis, voor zo groot ieders aandeel zal zijn, op de dag van de heilige martelaar Vitus(4) en het geld voor het hout, zoveel als over is, moet aan ons van Groningen betaald worden op de dag van de heilige Walburg.(5)

  1. Mogelijk bestaat er verband met de toponiemen ‘Koningspoort’ en Koningsdiep ten zuidwesten van Hoogkerk."37"
  2. Leegkerk.
  3. De Rijp zou een strook land op de westelijke oever van het Westerdiep (het latere Reitdiep) kunnen zijn, een gebied dat mogelijk oudtijds onder Groningen viel."38" Te denken valt aan het gebied van de huidige stadswijk Vinkhuizen. Dorkwerd en De Rijp lijken tot Lieuwerderwolde te worden gerekend.
  4. 15 juni.
  5. 1 mei

[9]

Verder over de landerijen, als het nodig zal zijn, zoveel als ieders aandeel zal zijn.

[10]

De inwoners van Lieuwerderwolde zijn er borg voor dat het zegel van het land Hunsingo [aan het stuk] zal worden gehangen.

[11]

Tot getuigenis van alles zijn de zegels van de heren Herman, Duido en Adolf, pastoors in Lieuwerderwolde en Peize, samen met onze zegels aangehecht.(1)

  1. Mogelijk heeft de originele oorkonde wel een ‘datumregel’ bevat, maar heeft de kopiïst deze niet overgenomen.

Uit passage 1 blijkt dat er onenigheid is geweest tussen het klooster Aduard aan de ene kant en de ingezetenen van het tot Hunsingo behorende Lieuwerderwolde (met daarin de nederzettingen Hoogkerk, Leegkerk, Dorkwerd en De Rijp) samen met de Noorddrentse dorpen Peize, Roden en Foxwolde aan de andere kant. Uit de nummers 2 en 3 blijkt dat er een nieuwe sluis in Aduard gebouwd zou worden en dat het geschil draaide om de verdeling van de kosten die gemaakt moesten worden voor de aankoop van het benodigde land en voor de beveiliging van de bouwlocatie. De bepalingen in de nummers 4, 5, 7-9 gaan over de betalingen voor de aankoop van de benodigde grond, het hout voor de zijl en de bouw van het kunstwerk, maar niet duidelijk is welk verband de hierin genoemde bedragen hebben met de in de nummers 2 en 3 geformuleerde algemene regel, die inhoudt dat Aduard 1/3 van de kosten draagt en de andere partners 2/3.

In het stuk staat niet met zoveel woorden welke positie de verschillende partijen in dit geschil innamen, maar aan de hand van de inhoud valt hierover wel iets te zeggen. Ik zal daar zo meteen een poging toe doen.

Tot zover is eigenlijk alleen duidelijk dat de nieuwe sluis er nog niet was toen de akte werd opgemaakt. Uit de in de tekst vermelde data valt op te maken dat de akte vermoedelijk is opgemaakt in het voorjaar en dat de bouw van de zijl in de daarop volgende zomer zou moeten plaatsvinden.

Voor het overige zijn er vele vragen te stellen die niet met zekerheid beantwoord kunnen worden.

  • Betekent de uitdrukking ‘een nieuwe sluis’ dat er in Aduard al een oude sluis was?
  • Moet de nieuwe sluis de oudere vervangen of blijft die ook bestaan?
  • Wat betekent ‘in Aduard’ precies?
  • Zegt het feit dat er geld betaald moest worden voor de aankoop van de benodigde grond iets over de plaats waar de zijl moest komen?

Net zoals in de akte van 1313 wordt ook in dit stuk het Peizerdiep of de Hunsinge niet met name genoemd, maar er is geen andere watergang die de bij deze regeling betrokken gebieden met elkaar verbindt. Het lijkt er dus op dat de nieuwe sluis toch weer in de zijltocht van c. 1300 moest komen.

Aduard is van oorsprong een wierde"39" en een sluis ‘daarin’ lijkt onzinnig. In de veertiende eeuw kunnen de woorden ‘in Aduard’ uiteraard zoiets als ‘op het terrein van de abdij te Aduard´ betekenen. Te denken valt dan aan een sluis – in de zijltocht van c. 1300 – in de directe nabijheid van het klooster, mogelijk samenhangend met havenwerken. Maar het valt ook niet uit te sluiten dat we de plaatsaanduiding minder precies moeten nemen en dat we mogen denken aan een locatie ‘in de buurt van Aduard’. Dan zou het kunnen gaan om de vervanging van de sluis die de betrokkenen in 1313 samen in de Arbere hadden gelegd. Het feit dat er voor de bouw van de sluis wel grond aangekocht moet worden, maakt echter duidelijk dat de te bouwen sluis niet bedoeld was ter vervanging van die van 1313 op dezelfde locatie. Een al eerder besproken tekening van Jan Delvigne lijkt steun te geven aan de veronderstelling dat de sluis van c. 1335 inderdaad in de buurt van de Arbere gezocht moet worden.

Kaartje van het gebied ten noordwesten van Aduard Kaartje van het gebied ten noordwesten van Aduard

Het kaartje laat zien dat de twee parallelle dijken waartussen de zijltocht van c. 1300 was ingesloten, ook ten westen van de ‘Nienhuisdam’ doorliepen. Zou daar bij Tolhek, waar een watergang uit het zuiden in de Kliefslootgeul uitkomt en ook de Lageweg de Sietse Veldstraweg opdraait, een zijl hebben gelegen? Het lijkt niet onmogelijk. Naar mijn gevoel is van deze plaats echter moeilijk te zeggen dat hij ‘in Aduard’ ligt en is het om die reden niet waarschijnlijk dat de akte van c. 1335 over een sluis op die plek gaat.

Onzekerheid is dus troef. Daarvan had B.W. Siemens geen last. Volgens hem gaat de oorkonde van c. 1335 niet over een zijl in (of bij) Aduard, maar om een sluis ten noorden van Feerwerd, ter plaatse van het huidige Aduarderzijl."40" Daar localiseerde hij – we zagen dat al eerder – ook het legendarische Arbere. Ik begrijp hoe Siemens op dit dwaalspoor kon komen,"41" en het is ook wel duidelijk hoe hij ‘de zijl van c. 1335’ in Aduarderzijl kon plaatsen terwijl de tekst zelf zegt dat hij in Aduard zal worden gebouwd. Siemens kon de Latijnse tekst van de oorkonde niet zelf lezen en is afgegaan op de ‘kopnoot’ die in het Oorkondenboek boven de tekst staat. Die luidt: ‘Gerhardus Sickinga en vier anderen stellen een regeling vast tussen het klooster van Aduard en de ingezetenen van Peize, Roden, Foxwolde en Lieuwerderwolde voor de aanleg en het onderhoud van een sluis’. Deze samenvatting slaat op twee plaatsen de plank mis: (1) door het binnensmokkelen van het begrip ‘onderhoud’; de akte gaat alleen over de aanleg van een nieuwe sluis, niet over het onderhoud ervan, en (2) door het weglaten van de locatie van de te bouwen sluis (‘in Aduard’). Siemens kon dus niet zien dat deze tekst niet paste bij zijn overtuiging dat de gemeenschappelijke uitwatering van de partners zich ter plaatse van het huidige Aduarderzijl bevond."42"

Zoals gezegd draaide het geschil tussen het convent van Aduard enerzijds, en Lieuwerderwolde (met inbegrip van Dorkwerd en De Rijp), en de Noorddrentse dorpen Foxwolde, Peize en Roden anderzijds om de verdeling van de kosten die gemoeid waren met de realisatie van een project. We zagen al dat de arbiters die gevraagd waren om het geschil te beslechten, verschillende regelingen hebben getroffen voor de verschillende kostensoorten die in dit project te onderscheiden zijn. Daarbij namen ze als uitgangspunt de regeling die de partners zelf in 1313 hadden getroffen met betrekking tot een toen nieuwe, gezamenlijk gelegde zijl en een deel van de zijltocht waardoor hun aller water naar de sluis liep. Zoals we zagen werden de kosten toen in drie gelijke delen verdeeld, zodat het klooster 1/3 deel en de andere twee partners 2/3 moesten bijdragen. In de akte van omstreeks 1335 is deze verdeling van toepassing verklaard voor wat betreft de aankoop van de benodigde grond en de kosten van de beveiliging van de bouwlocatie. Voor het overige worden in de akte de bedragen vastgelegd die de borgen van Lieuwerderwolde en de Drentse dorpen moesten betalen. De betreffende passages zijn niet in alle opzichten duidelijk en vreemd is het ook dat in dit deel van de tekst weer gerept wordt over bijdragen voor de aankoop van grond, terwijl de verdeling daarvan toch al door de 1:2 regeling werd gedekt.

In vergelijking met de akte van 1313, die was opgesteld om het beheer en het onderhoud van een zijl en een zijltocht ‘voor eeuwig’ te regelen, is de oorkonde van c. 1335 geen ‘toekomstbestendig’ stuk. Formuleringen als ‘voor zover het ieder van ons toekomt’, ‘voor zover het hun aanbelangt’, en ‘zoveel als ieders aandeel zal zijn’ verwijzen naar de ten tijde van het opmaken van de oorkonde bestaande situatie. Ze passen bij de kortlopende strekking die het stuk heeft gehad en de bedoeling waarmee het is opgemaakt: de verdeling van de kosten voor de aanleg van een zijl, per definitie een project van korte duur. Wanneer de regeling ook betrekking zou hebben gehad op het onderhoud van de sluis – zoals de ‘kopnoot’ in het Oorkondenboek abusievelijk vermeldt – zou men bij de toedeling van de lasten andere formuleringen hebben moeten bezigen.

Ook al is de inhoud van de regeling niet helemaal helder, het feit dat alleen de verplichtingen van Lieuwerderwolde en Noord-Drenthe worden gespecificeerd en die van Aduard niet worden vermeld, maakt iets duidelijk over de aard van het geschil dat door de arbiters is beslecht. Het heeft er alle schijn van dat de regeling getroffen is omdat Lieuwerderwolde en de Noorddrentse dorpen geweigerd hebben mee te betalen aan het project.

Maar waarom zouden ze moeilijk gedaan hebben, terwijl in 1313 zo’n duidelijke afspraken waren gemaakt? De meest voor de hand liggende reden is, dat ze het nut van de nieuwe sluis niet zagen of op zijn minst daaraan twijfelden, maar niet bij machte waren om de ontwikkeling van het project te stoppen. Kan het zijn dat het leggen van een nieuwe sluis een initiatief van het klooster Aduard was, dat het vooral de (Aduarder) scheepvaart diende, dat hij op kloostergrond zou worden gelegd en dat de economus van Aduard van mening was dat het er niet toe deed of de sluis het gezamenlijk belang diende, maar dat de verdragspartners op grond van de afspraken van 1313 gehouden waren 2/3 van de kosten te betalen, inclusief de kosten van de grond die het klooster daarvoor ter beschikking stelde? Als dit zo is lijkt het erop dat de arbiters Aduard zijn zin hebben gegeven.

Doorfantaserend over de scheepvaartbelangen van Aduard kunnen we ons voorstellen dat de waterstand in de omgelegde Hunsinge en de zijltocht naar Arbere ‘s zomers zo gering was, dat zelfs de kwakels van het klooster ondanks hun geringe diepgang niet konden varen. Dit probleem kon worden opgelost door op een daarvoor geschikte plek een sluis met ebdeuren te bouwen waarmee men – lees: het klooster Aduard – het bovenwater kon vasthouden. De inwoners van de Noorddrentse kerspelen zullen ook wel met bootjes het Peizerdiep bevaren hebben, maar hun belang zal op dit punt wel niet zo groot zijn geweest dat ze daarvoor grote uitgaven wilden doen. Tegelijk is duidelijk dat het vasthouden van het bovenwater in of in de directe nabijheid van het klooster tegen de waterstaatkundige belangen van het laaggelegen Lieuwerderwolde indruiste. Dat gebied kon nu zelfs in de zomer zijn water niet meer of in elk geval minder goed kwijt. In deze situatie is het alleszins begrijpelijk dat Peize, Roden, Foxwolde en Lieuwerderwolde niet hebben willen meebetalen en dat er scheidsrechters aan te pas moesten komen om een regeling te treffen.

Ik geef toe dat dit verhaal voor een deel op fantasie is gebaseerd, maar wil daarbij wél onderstrepen dat alle ons bekende feiten daarin een zinvolle plaats hebben gekregen, dat het in zijn geheel past bij de waterstaatkundige situatie die destijds in deze streken heerste, dat het ook rekening houdt met de in 1313 vastgelegde verhoudingen en met de belangen die de verdragspartners bij de zijltocht van c. 1300 hadden, en dat het tenslotte ook recht doet aan de aanduiding van de locatie van de nieuwe zijl: ‘in Aduard’. Dat kan niet worden gezegd van Siemens´ voorstelling van zaken die, zoals we al zagen, de zijl van c. 1335 ten noorden van Feerwerd plaatste.

Zelfs wanneer de hier gegeven interpretatie van de akte van c. 1335 onjuist is, toont dit stuk aan dat de drie Noorddrentse dorpen, Lieuwerderwolde en Aduard in het vierde decennium van de veertiende eeuw nog gezamenlijk ‘in Aduard’ uitwaterden. Zoals ik al eerder opmerkte is het ondenkbaar dat dezelfde partners tegelijkertijd ook over een zijltocht naar Feerwerd beschikten, zoals onlangs is beweerd."43" We zullen in de volgende hoofdstukken zien dat er nog meer documenten bewaard gebleven zijn die de onhoudbaarheid van die stelling aantonen.

33.

OGD II p. 411, noot 1.

34.

GrA T2-9 (OGD I 354) 30 juni 1338; zie Van den Broek, Groningen, een stad apart, 51-52.

35.

Het Latijnse origineel is te vinden als Bijage 2 bij dit deel, in het Oorkondenboek van Groningen en Drenthe en op de website van Cartago.nl: http://www.cartago.nl/oorkonde/ogd1231.xml.

36.

De akte betreft alleen de aanleg van een nieuwe zijl, niet het onderhoud ervan, dit in tegenstelling tot wat de ‘kopnoot’ in het Oorkondenboek meedeelt: ´Gerhardus Sickinga en vier anderen stellen een regeling vast tussen het klooster van Aduard en de ingezetenen van Peize, Roden, Foxwolde en Lieuwerderwolde voor de aanleg en het onderhoud van een sluis.´

37.

Zie W.J. Formsma e.a., Ommelander Borgen en Steenhuizen, Groninger Historische Reeks 2 (Assen/Maastricht 19872) 173-175.

38.

Zie Van den Broek, Groningen, een stad apart, 369 (noot 209).

39.

J.W. Boersma, ‘De opgraving van de abdij Aduard’, in: Jan Arkema e.a. (red.), Eén klooster, drie dorpen: geschiedenis van Aduard, Den Ham en Den Horn, 1192-1992 (Bedum 1992) 37-46, en Jakob Loer, ‘De abtenkroniek en de bouw van de Sint-Bernardusabdij’, in: Jaap van Moolenbroek en J.A. (Hans) Mol (red.), De abtenkroniek van Aduard. Studies, editie en vertaling (Hilversum-Leeuwarden 2010) 107-152, hier 109.

40.

B.W. Siemens, Dijkrechten en zijlvesten, 35 en 65 noot 66. Siemens’ zienswijze is overgenomen door Meindert Schroor, Wotter. Waterstaat en waterschappen in de provincie Groningen, 1850-1995 (Groningen 1995) 30.

41.

Meer daarover bij de behandeling van de Aduarder Zijlbrief van 1382.

42.

Siemens, Dijkrechten en zijlvesten, 35: ‘Omstreeks 1335 is bij Aduarderzijl een tweede zijl aangelegd.’ De auteur van het eerder gesignaleerde artikel in het Historisch Jaarboek Groningen 2014 kent de akte van c. 1335 niet of doet alsof ze niet bestaat.

43.

Zie Loer, ‘Wanneer is het Aduarderdiep gegraven?’ De auteur van dit artikel kent de akte van c. 1335 niet of doet alsof ze niet bestaat.