Zoek op de website

6.3 	Een nieuwe zijl bij Wierum (1360)

Dorkwerd helt naar het zuiden af Dorkwerd helt naar het zuiden af

Ik heb al eerder opgemerkt dat de aanleg van de Nienhuisdam in de ‘Kliefslootgeul’ ten noordwesten van Aduard gunstig was voor de ontwatering van Lieuwerderwolde en Dorkwerd. De dam hield de vloed tegen, zodat het waterpeil ‘boven’ de dam laag kon blijven. Maar wanneer er vanuit Drenthe veel water kwam, bleven deze gebieden, die via het Brundekemaar"44"en het Kliefdiep door de Klief (de Swachcluse) op de Hunsinge loosden, problemen houden. Daarbij kwam dan ook nog de bodemdaling als gevolg van de inklinking van het veen onder het gewicht van het jongere kleidek.

De hoogtekaart – de rode lijnen geven de kerspelgrenzen aan – laat zien dat het dorpsgebied van Dorkwerd naar het zuiden afhelt. Nadat het veen van Lieuwerderwolde (de finke) was verdwenen, liep het Dorkwerder water vanzelf die kant op.

De zuidelijke kerspelgrens van Dorkwerd wordt gevormd door de Woltgraf (langs de huidige Leegeweg). Die heeft later geen afwateringsfunctie meer, maar is – gelet op de naam – wel als zodanig aangelegd. Het water van de Woltgraf werd afgevoerd via het Kliefdiep, de hoofdwatergang van Hoogkerk en tevens de grens tussen de kerspelen Hoog- en Leegkerk.

We zagen al dat het Kliefdiep niet alleen lokaal water afvoerde, maar dat het – in elk geval tijdelijk – ook heeft gediend om het door het Eelderdiep en de Woldsloot aangevoerde water naar de Hunsinge te leiden.

De oude afwatering van Lieuwerderwolde en Dorkwerd.  1.  Brundekemaar 2.  Woltgraf 3.  Kliefdiep De oude afwatering van Lieuwerderwolde en Dorkwerd. 1. Brundekemaar 2. Woltgraf 3. Kliefdiep

‘Dat tilken ten Clijve’ met het Kliefdiep ten westen van de Kerkstraat in Hoogkerk ‘Dat tilken ten Clijve’ met het Kliefdiep ten westen van de Kerkstraat in Hoogkerk

Dat Dorkwerd via de Klief heeft geloosd kan blijken uit een akte van 1506."45" Toen eisten de Hoogkerksters van de Dorkwerders dat ze hen zouden helpen bij het herstel van ‘dat tilken ter Clijve’. Dorkwerd (met assistentie van het klooster Selwerd dat in het kerspel Dorkwerd veel grond bezat) verweerde zich tegen die eis door erop te wijzen dat het zelf ook een brug moest onderhouden. De kwestie werd opgelost door middel van een minnelijke schikking. Afgesproken werd dat ieder in het vervolg voor het onderhoud van zijn eigen brug zou zorgen.

De claim van de Hoogkerksters is ongetwijfeld gebaseerd op de oude situatie, toen Hoogkerk, Leegkerk en Dorkwerd voor hun waterlossing aangewezen waren op het Kliefdiep en de Klief. In een latere fase heeft Dorkwerd – en sinds 1435 ook Selwerd – een eigen uitwatering via Slaperstil gekregen. Dat ook de ten oosten van het Reitdiep gelegen kloosterlanden van Selwerd via het watergangenstelsel van Dorkwerd bij Slaperstil op het ‘oer-Aduarderdiep’ mochten lozen, heeft alles te maken met het succes van het Aduarderdiep. Rond 1400 is besloten om het water van Noord-Drenthe en Lieuwerderwolde niet meer via de Kliefslootgeul te lozen, maar naar een nieuw lozingspunt ten noorden van Feerwerd te leiden. Met dat doel heeft men het ‘oer-Aduarderdiep’ in noordelijke richting doorgetrokken, daarbij op verschillende plaatsen gebruik makend van bestaande watergangen. Meer daarover volgt in het laatste hoofdstuk van dit deel.

Lieuwerderwolde en Dorkwerd in 1506.  1.  Jonge-Heldtocht, eerder Brundekemaar geheten 2.  Hoogeweg 3.  Leegeweg 4.  Zijlvesterweg Lieuwerderwolde en Dorkwerd in 1506. 1. Jonge-Heldtocht, eerder Brundekemaar geheten 2. Hoogeweg 3. Leegeweg 4. Zijlvesterweg

Om de zaak duidelijk te maken laat ik hier de situatie zien zoals die in 1506 ten tijde van het geschil tussen Hoogkerk en Dorkwerd was. Het is ongeveer hetzelfde plaatje als dat ik zojuist liet zien, maar nu is ook de Dorkwerder waterlossing (tegenwoordig ‘Jonge-Heldtocht’ geheten) bij Slaperstil ingetekend, alsmede de wegen en tillen in dit gebied.

De op het kaartje ingetekende wegen zijn de Hoogeweg, Leegeweg, en de Zijlvesterweg. Tillen liggen ten westen van Leegkerk (de ‘kerkbrug van 1313’ over de omgeleide Hunsinge, later vervangen door de Nieuwbrug), de Slaperstil over de Dorkwerder waterlossing in de Zijlvesterweg, de Woltil over het Brundekemaar in de Leegeweg, en de Klieftil over het Kliefdiep ten noorden van Hoogkerk.

In een uit de tweede helft van de zestiende eeuw daterende tekst lezen we dat het oostelijke deel van de ‘Hoogkerkster zijleed’ destijds twee watergangen had waarlangs het op de Hunsinge loosde: het Kliefdiep dat naar de ‘klijve’ liep, en het Brundekemaar (in deze tekst ‘Bruungemaer’ genoemd), dat bij ‘Lucas’ huijs’ in de Hunsinge uitkwam."46"  In het tweede geval was sprake van medegebruik, want deze watergang was in feite de zojuist genoemde ‘Dorkwerder waterlossing’. Het ‘huis van Lucas’ staat er niet meer, maar op de oude topografische kaart staat het nog wel en uit de kadastergegevens weten we dat in 1832 hier Pieter Klaassens de Boer woonde. Tegenwoordig mondt hier, 340 meter ten zuiden van Nieuwklap, de ‘Jonge-Heldtocht’ in het Aduarderdiep uit.

De plaats waar de Jonge-Heldtocht (eerder Brundekemaar geheten) in het Aduarderdiep (voorgrond) uitkomt

Aan de zuidzijde (rechts) van de monding stond ‘Lucas’huijs’.
Links op de achtergrond poldermolen ‘de Jonge Held’, rechts van het midden de flatgebouwen van Vinkhuizen.

Ik vermoed dat de naam ‘Brundekemaar’ aanvankelijk alleen werd gebruikt voor de watergang die vanaf Kleiwerd in een vrijwel rechte lijn zuidwaarts liep en het water van Dorkwerd naar het Kliefdiep en de Hunsinge bracht. Later (het is niet bekend wanneer), toen men vanaf de plek waar het Brundekemaar de huidige Friesestraatweg kruist"47" een afleiding in westelijke richting had gegraven (De huidige Jonge-Heldtocht), ging men ook deze tochtsloot ‘Brundekemaar’ noemen.

Met de brug die de Dorkwerders moesten onderhouden is vermoedelijk de Woltil bedoeld. De Hoogkerksters zorgden voor het onderhoud van de brug in de Kerkstraat over de Klief (Klieftil), de Leegkerksters voor de Slaperstil. Wellicht gold voor de Nieuwebrug (Nieuwbrug) een aparte regeling.

Van de vier genoemde bruggen hebben we er zojuist één gezien, de brug over het Kliefdiep in de Hoogkerkster Kerkstraat. De plek waar de Woltil heeft gelegen is tegenwoordig nauwelijks meer te herkennen, maar de Slaperstil doet nog gewoon dienst.

 Het Brundekemaar op de Coenderskaart Het Brundekemaar op de Coenderskaart

Het gebied tussen het Aduarderdiep en het Reitdiep is op de Coenderskaart niet erg accuraat weergegeven."48" Maar de oude loop van het Brundekemaar, die ook het water van Dorkwerd in zuidelijke richting afvoerde, staat er wel op (zie het pijltje). Ook de latere zijtak, die het Dorkwerder water ten zuiden van het huidige Nieuwklap in het Aduarderdiep bracht, is ingetekend. Ten noorden van Hoogkerk is het Kliefdiep, dat voordien het water van het Brundekemaar naar de Hunsinge of Aduarderdiep afvoerde, abusievelijk aangegeven alsof het een weg was.

De plaats van de Woltil. De foto is vanaf de Leegeweg in zuidelijke richting genomen. De plaats van de Woltil. De foto is vanaf de Leegeweg in zuidelijke richting genomen.

De Woltil bestaat allang niet meer, maar de plaats waar hij lag is nog wel aan te wijzen. De brug lag in de Leegeweg over het Oude Maar of Retmaar, dat in oude akten ook voorkomt als Brundekemaar. Tegenwoordig ligt er een duiker. De watergang is omgedoopt tot ‘Sprikkenburgtocht’.

 Slaperstil Slaperstil

De Slaperstil ligt in de Zijlvesterweg en overspant een watergang die in de zestiende eeuw ook Brundekemaar genoemd werd en tegenwoordig ten oosten van de brug (op de voorgrond) ‘Coenderstocht’ heet en aan de westzijde (hier niet zichtbaar) ‘Jonge-Heldtocht’ wordt genoemd. Beide watergangen maken deel uit van de Dorkwerder waterlossing die op een onbekend tijdstip naar het ‘oer-Aduarderdiep’ is gegraven.

Tichelwerkbrug over het Aduarderdiep Tichelwerkbrug over het Aduarderdiep

Deze in 2009 in gebruik genomen brug vervult wel de functie van de kerkbrug van 1313 en de latere Nieuwbrug, maar ligt zo’n 200 meter ten oosten van de oude brug.

Lieuwerderwolde en Dorkwerd rond 1360 Lieuwerderwolde en Dorkwerd rond 1360

Het is niet waarschijnlijk dat Dorkwerd in 1360 al beschikte over een eigen waterlossing ten westen van Slaperstil. Vanuit het noorden liep het water naar het laagste punt in de buurt van de Woltil en stroomde via het Kliefdiep naar de Hunsinge, waarin het via de Klief (de Swachcluse) uitkwam. Die plaats is hier met een pijltje aangegeven.

Ook al kon men bij Arbere de vloed tegenhouden en op die manier de waterstand boven de sluis laag houden, in Lieuwerderwolde daalde de bodem en door de toevloed van Drents water kon het lage land zijn eigen water steeds moeilijker kwijt. Daarbij komt wellicht nog het nadelige effect dat de omstreeks 1335 in Aduard geplaatste ebdeuren op de waterlossing van Lieuwerderwolde moeten hebben gehad. Om die reden moest een nieuwe uitweg worden gevonden. Het is hetzelfde verhaal als we aan de oostkant van de Hondsrug zagen.

In dit geval heeft men de oplossing gevonden door ten westen van Dorkwerd een nieuwe zijltocht in noordelijke richting te maken. Hierdoor kon het lage land op de benedenloop van de Hunze lozen. Een akte over het graven van deze watergang is er niet, maar er is wel een in het Latijn gestelde overeenkomst bewaard gebleven waaruit blijkt dat dit de oplossing is die men omstreeks 1360 voor de problematiek van Dorkwerd en Lieuwerderwolde heeft gevonden.

Het stuk gaat over het besluit om twee tot de Groninger Stadstafel behorende polders, de Hoenen ten westen van de Apoort, toe te laten tot een nieuwe uitwatering bij Wierum (1360).

We zullen zien dat de inhoud van de betreffende akte past bij een van de sporen die we de vorige keer bij Dorkwerd signaleerden.

Afschrift van een akte van 25 augustus 1360 Afschrift van een akte van 25 augustus 1360

Ook in dit geval is de tekst van deze akte alleen bewaard gebleven dank zij een zeventiende-eeuws afschrift. We vinden het op de pagina’s 110-113 van een kopieboek dat afkomstig is van de Ripperdaborg te Farmsum.

De archiefbeschrijving van het betreffende inventarisnummer luidt (Huisarchief Farmsum inv.nr. 89):

‘Copiarium bevattende afschriften van allerlei stukken en brieven betreffende de staat, de regering, de vrijheden en gerechtigheden der zijlvesten in de Ommelanden tussen Eems en Lauwers, 1633’.

In het bij deze tekst behorende regest (T619-89, regest 11) lezen we:

‘Syabbo, abt van het klooster in Adewerth, Outgherus, abt van het klooster in Zelewerth, met hunne kloosterlingen, benevens de overheden van Groningen en Hunsgonia verklaren dat de inwoners van Tammingheland, Liuwerderwolde en van de Suithoen en Northoen eene overeenkomst hebben getroffen betreffende punten van dijkrecht.

Datum anno Domini millesimo trecentesimo sexagesimo in crastino beati Bartholmei apostoli (25 augustus 1360).’

Hier volgt een vertaling:

OGD II 1234 (25 augustus 1360)"49"

 

De abten en kloosterlingen van Aduard en Selwerd met de overheden van Groningen en Hunsingo verklaren dat de ingezetenen van Tammingheland, Lieuwerderwolde en van de Zuider- en Noorderhoen bij overeenkomst enige punten betreffende het dijkrecht hebben vastgesteld.

[1]

Aan allen die dit nu en in de toekomst zullen zien willen wij,

  •          Syabbo, van Gods genade abt van het Sint Bernhardusklooster van de Cisterciënser orde te Aduard, en het hele convent,
  •          Outhgerus, door dezelfde genade abt van het klooster van Sint Benedictus te        Selwerd, en het hele convent,
  •          de raadsheren in Groningen
  •          en de rechters van het land Hunsingo,

[2]

dat bekend is dat de buren van Tammingeland en de buren van Lieuwerderwolde allen een overeenkomst hebben gesloten met de buren van Zuidhoen en Noordhoen over de hierna volgende afzonderlijke punten op deze manier:

[3]

dat alle buren van Tammingeland [en] Lieuwerderwolde met algemene instemming aan de buren van Zuidhoen en Noordhoen voor altijd en eeuwig een vrije afloop van hun wateren hebben gegeven, ter breedte van 4 voeten voor de Noordhoen en 4 voeten voor de Zuidhoen, en dat zij die zonder iemands tegenwerking in de toekomst zullen hebben voorbij Tammingeland en Lieuwerderwolde tot aan Wierum door de zijl ter plaatse, voor een zekere som gelds, die aan de buren van Tammingeland en Lieuwerderwolde in haar geheel is betaald.

[4]

Daaraan is toegevoegd dat de buren van Zuidhoen en Noordhoen hun zijlen, ter wijdte van 4 voeten, op eigen kosten en met eigen inspanning in goede staat moeten houden.

[5]

Bovendien, wanneer – hetgeen moge uitblijven – de genoemde zijl bij Wierum, nadat hij zal zijn gebouwd, gedeeltelijk of geheel teniet gaat of verwoest wordt zodat reparatie nodig is, dan zullen de buren van Zuidhoen en Noordhoen samen met de buren van Tammingeland en Lieuwerderwolde naar gelang van de omvang van hun landerijen daaraan bijdragen.

[6]

Evenzo wanneer het gebeurt dat de buren van Tammingeland zelf een nieuwe waterloop nodig hebben, dan zullen de buren van Zuidhoen en Noordhoen met de buren van Tammingeland gehouden zijn om gelijkelijk naar rato van hun landerijen mee te werken aan het maken of verwerven van een dergelijke watergang.

[7]

Evenzo wanneer iemand – hetgeen achterwege moge blijven – de gemeenschappelijke waterloop van de voornoemde buren, te weten het kanaal dat ‘Zijlmaar’ genoemd wordt, tot aan de voornoemde zijl verhindert of belemmert, of de dijk aan beide zijden van het kanaal vernielt of vergraaft, of de zijl zelf met geweld in zijn geheel of ten dele met geweld vernielt, dan zullen de buren van Tammingeland, Lieuwerderwolde en de twee Hoenen dit gezamenderhand verhinderen en verdedigen met gemeenschappelijke inspanningen en kosten.

[8]

Bovendien moeten de buren van Zuidhoen samen met de buren van Tammingeland, en de buren van Noordhoen samen met de buren van Lieuwerderwolde hun dijken schouwen en ze moeten ten tijde van de schouw die vrede genieten, die de buren van Tammingeland en Lieuwerderwolde plegen te genieten; op deze manier dat, als de schouwers ten tijde van de inspectie onder elkaar slaags raken of een van hen anderen en hun metgezellen met een stok aanvalt, met een steen of met de vuist, of aan de haren trekt of op een andere manier schendt of verwondt, dan zal de schuldige dit alles met een viervoudige boete moeten goedmaken volgens de rechten en wetten van de stad Groningen, en een even hoge som voor het breken van de vrede aan de genoemde buren.

[9]

Ook voor doodslag en het afsnijden van een van de zes belangrijkste ledematen zal een viervoudige boete worden gegeven. Overeenkomstig het in de stad geldende recht zullen 40 marken sterling worden gegeven aan elke buurgemeenschap voor de geschonden vrede.

[10]

Voor gevangenschap over en weer zal 40 mark sterling vanwege de geschonden vrede worden betaald aan de genoemde buren. De gevangene zal ongeschonden in vrijheid worden gesteld en krijgt 10 mark sterling als schadevergoeding.

[11]

Evenzo wanneer ze ten tijde van de schouw en de wapenstilstand door buitenstaanders worden aangevallen, dan zullen alle buren dat gezamenderhand verhinderen en verdedigen en naar gelang de omvang van de landerijen zal de schade, wanneer die mocht zijn ontstaan, worden vergoed.

[12]

Tot getuigenis van deze zaak zijn onze zegels aan deze akte gehangen.

[13]

Gegeven in het jaar des Heren 1360, daags na de heilige Bartholomeus apostel."50"

Analyse en commentaar

We beginnen met een puntsgewijze bespreking van de tekst met wat commentaar, daarna volgt een poging tot interpretatie.

  • De oorkonders zijn de abten van Aduard en Selwerd, de Raad van Groningen en de rechters van Hunsingo (1). Ze verklaren dat de buren van Tammingeland en de buren van Lieuwerderwolde een overeenkomst hebben gesloten met de buren van Zuidhoen en Noordhoen (2).

De Noord- en Zuidhoen zijn polders ten westen van de Groninger Apoort. Tammingeland ligt ten westen van deze polders. De genoemde gebieden maken deel uit van de Groninger Stadstafel."51"

De overeenkomst houdt in dat de ingelanden van Tammingeland en Lieuwerderwolde tegen de betaling van een som gelds toestemming verlenen aan de ingelanden van de Hoenen om hun water voor altijd vrij te laten lopen voorbij Tammingeland en Lieuwerderwolde tot aan de zijl bij Wierum (3).

Dit suggereert dat het water van de Hoenen voorbij Lieuwerderwolde door andermans land zal stromen. Uit de akte blijkt niet van wie dat land is en wie de eigenaar is van de watergang. Volgens Siemens – die de situatie van 1594 weergeeft – bezaten de kloosters van Selwerd en Aduard daar toen grond, maar een groot deel was in handen van anderen. Zouden de beide conventen en de andere landeigenaren in Lieuwerderwolde de voor de zijltocht benodigde grond hebben gekocht en dus de eigenaren van de watergang zijn?
Deze passage toont ook aan dat de Hoenen vóór 1360 naar elders hebben afgewaterd. Gezien de situatie ter plaatse kan dat niet anders dan in oostelijke richting, naar de Drentse A zijn geweest. Hier ligt de oorsprong van de Hoensloot, die de hoofdwatergang van deze polders was. Het latere Hoendiep is de westelijke voortzetting van deze sloot.
Tevens blijkt dat Tammingeland al eerder naar het westen afwaterde en waterstaatkundig reeds deel uitmaakte van Lieuwerderwolde.

Het water van de Hoenen zal via twee zijltjes van vier voet breedte Tammingeland binnenkomen. De Hoenen moeten hun eigen zijltjes onderhouden (4).

De zijl bij Wierum moet nog worden gebouwd; maar wanneer in de toekomst reparatie nodig zal zijn moeten de Hoenen meebetalen (5).

Het project is – op initiatief van de kloosters (?) en Lieuwerderwolde – al opgestart, de Hoenen ‘haken aan’.

Als Tammingeland in de toekomst een nieuwe uitwatering nodig heeft, moeten de Hoenen daaraan meewerken (6).

De Hoenen worden dus met Tammingeland als een waterstaatkundig samenhangend gebied beschouwd.
Welke alternatieven kan Tammingeland in 1360 hebben gehad? Het gebied waterde, met de rest van Lieuwerderwolde, via de Klief af op de omgelegde Hunsinge. Wijst deze bepaling erop dat men al rekening hield met de mogelijkheid om het ‘oer-Aduarderdiep’ tussen Nieuwbrug en Nieuwklap naar het noorden door te trekken, waardoor voor alle betrokkenen een nieuwe situatie zou ontstaan?

Aan acties ter verdediging van het Zijlmaar naar Wierum moeten de Hoenen samen met Tammingeland en Lieuwerderwolde meedoen (7).

De Zuidhoen en Tammingeland schouwen samen hun eigen dijken, de Noordhoen doet dat samen met Lieuwerderwolde. De Hoenen genieten daarbij de vrede die Lieuwerderwolde en Tammingeland al kennen (8-11).

De details zijn uit rechtshistorisch oogpunt belangwekkend, maar voor ons doel niet zo relevant.
Deze passage maakt duidelijk dat er al een ‘proto-Aduarderzijlvest’ bestaat, dat Lieuwerderwolde en Tammingeland daarvan deel uitmaakten en dat de functionarissen en hun werkzaamheden ten behoeve van de waterbeheersing door middel van een bijzondere ‘vrede’ werden beschermd. De regels van deze oude organisatie zijn niet bekend. De oudste zijlbrief van het Aduarderzijlvest dateert uit 1382.

Interpretatie

De interpretatie van de tekst levert nu weinig problemen meer op. Uit de akte van 1313 weten we dat Lieuwerderwolde via het Kliefdiep en de Klief op het ‘oer-Aduarderdiep’ loosde en dat het Lieuwerderwolder water samen met dat van Noord-Drenthe en Aduard via de Kliefslootgeul naar zee stroomde. Ook het tot de Stadstafel behorende Tammingeland had al vóór 1360 in waterstaatkundige zin aansluiting gevonden bij Lieuwerderwolde en loosde via het Kliefdiep.

Deze waterlossing werkte niet (goed) meer. De reden zal gelegen zijn in een combinatie van factoren: bodemdaling in Lieuwerderwolde waar de bodem uit klei-op-veen bestaat, en opslibbing in de Kliefslootgeul beneden de Nienhuisdam. Indien er – zoals ik hierboven heb geopperd – omstreeks 1335 te Aduard inderdaad ook nog eens ebdeuren zijn geïnstalleerd, zal dit de problematiek alleen maar hebben verscherpt. De nood zal tegen 1360 zo zijn gestegen dat een alternatief bedacht moest worden. De conventen van Aduard en Selwerd, die grote belangen hadden in dit gebied, zullen het voortouw hebben genomen. Zij zullen een plan hebben gemaakt voor de ontwatering van Lieuwerderwolde naar Wierum. Daartoe is een nieuwe zijltocht gegraven, deels door landerijen van derden. Uit de akte blijkt dat Tammingeland – weliswaar onderdeel van de Stadstafel, maar in waterstaatkundig opzicht al deel uitmakend van Lieuwerderwolde – waarschijnlijk van meet af aan bij dit plan betrokken is geweest.

In 1360 besloten ook de ingelanden van de Hoenen met Lieuwerderwolde mee te gaan doen. Over de reden wordt niet gerept, maar we kunnen vermoeden dat ook hun uitwatering (op de Drentse A) niet langer naar behoren functioneerde. Doordat de Hoenen zich bij hun westelijke buren aansluiten wordt de stroomrichting in de Hoensloot omgedraaid: in plaats van naar het oosten gaat het water daarin nu naar het westen stromen.

Over de bouw van de sluis bij Wierum en het graven van het ‘Zijlmaar’ daarheen zijn geen schriftelijke aanwijzingen overgeleverd, maar duidelijk is – nogmaals – dat de Hoenen op een rijdende trein stapten. Het gaat echter wel om een echte ‘inlating’. Vanaf dit moment zijn de landeigenaren van deze polders mede verantwoordelijk voor het hele project en moeten ze gewoon meebetalen, ook voor de toekomst.

Selwerd en Aduard hadden zelf grote belangen in Lieuwerderwolde en daardoor ook bij het Zijlmaar ‘voorbij’ Lieuwerderwolde. Zoals gezegd zijn zij waarschijnlijk de initiatiefnemers van het project geweest en zijn zij ook uit dien hoofde als mede-oorkonders opgetreden. De Groninger Raad verleende zijn medewerking als ‘overheid’ voor de Hoenen en Tammingeland, de rechters van Hunsingo deden dit als ‘overkoepelende overheid’ voor Lieuwerderwolde en Wierum, het kerspel waarin een groot deel van het nieuwe Zijlmaar was gelegen.

Een nieuw zijlmaar naar Wierum Een nieuw zijlmaar naar Wierum

De kloostergoederen zijn met verschillende kleuren aangegeven;

geel:        Selwerd
oker:       Aduard
oranje:    Olde Convent

De rode lijnen zijn kerspelgrenzen.

De hier getekende watergangen in de Hoenen, Tammingeland en Zuid-Lieuwerderwolde zijn niet meer dan suggesties. Het is mij niet bekend hoe het water daar gelopen heeft.

De Hoenen (donkergroen op het plaatje) sloten zich in 1360 aan bij hun westelijke buren, de ingelanden van Tammingeland (lichter groen). Tammingeland had al eerder aansluiting gevonden bij Lieuwerderwolde, en waterde samen met Hoogkerk, Leegkerk en Dorkwerd via het Kliefdiep af op het ‘oer-Aduarderdiep’ (de omgelegde Hunsinge). Toen deze afwatering niet meer functioneerde hebben de landeigenaren in dit gebied, de conventen van Aduard en Selwerd voorop, besloten het eigen water via een een nieuwe zijltocht bij Wierum op de benedenloop van de Hunze te brengen.
Overigens bezaten naast anderen ook Aduard en het Olde Convent landerijen in Tammingeland. Het ligt voor de hand dat het Aduarder grondbezit ertoe heeft bijgedragen dat Aduard bij de ontwatering van dit gebied betrokken was.

Conclusies

Nog eens de belangrijkste conclusies op een rijtje:

  • Lieuwerderwolde en Tammingeland wateren tot 1360 uit via de Kliefslootgeul, maar dat gaat niet langer goed.
  • Er is een nieuw zijlmaar vanuit Lieuwerderwolde gegraven naar de gezamenlijke benedenloop van Hunze en A bij Wierum.
  • De zijl bij Wierum zal in het najaar van 1360 of in de zomer van 1361 zijn gebouwd.
  • De Hoenen hebben nog tot 1360 op de Drentse A geloosd.
  • Vanaf de ingebruikneming van de zijl bij Wierum stroomt via de ‘zijltocht van c. 1300’ langs de Kliefslootgeul alleen nog het door het Peizerdiep vanuit Noord-Drenthe aangevoerde water en dat van Aduard zelf.

En ten overvloede:

  • Het Aduarderdiep is in 1360 nog niet doorgetrokken tot voorbij Feerwerd. Ware dat wel zo, dan was een nieuw zijlmaar naar Wierum niet nodig geweest. "52"
Het nieuwe zijlmaar nader bekeken.  De witte cirkel geeft de plaats van de Mude aan. Het nieuwe zijlmaar nader bekeken. De witte cirkel geeft de plaats van de Mude aan.

Wat in het veld nauwelijks meer valt te zien, is duidelijk zichtbaar op de oude kadasterkaart: het nieuwe zijlmaar – nu deel van het Reitdiep – doorsnijdt het oude kavelpatroon ten zuiden van de dorpswierde van Wierum. Datzelfde geldt voor het stukje Zijlmaar ten westen van Dorkwerd, nu Oude Woltgraft geheten. Ook dat past niet in de verkaveling.

Het rechte kanaal tussen Dorkwerd en Wierum is dus jonger dan de verkaveling van dit gebied. Dat past bij de veronderstelling dat dit het Zijlmaar is dat in 1360 werd gegraven ten behoeve van Dorkwerd, Lieuwerderwolde en het restant van het Groninger Westerhamrik ten westen van het Reitdiep.

Het nieuwe lozingspunt van Lieuwerderwolde en Dorkwerd bij Wierum lag benedenstrooms van de Mude, de plek in de Paddepoel waar Hunze en A bij elkaar kwamen. De zijl bij Wierum zal overigens alleen bij eb hebben gefunctioneerd en dan ook nog concurrentie hebben ondervonden van het gecombineerde water van Hunze en A. Enkele jaren later zou – nadat het stadsbestuur van Groningen een eind had weten te maken aan een geschil tussen Aduard enerzijds en de Acht Zijlvesten, Drenterwolde en Go anderzijds – ook daar een nieuwe zijl worden gelegd."53"

Het nieuwe zijlmaar op de Hottingerkaart (1794).  Het noorden is links. Het nieuwe zijlmaar op de Hottingerkaart (1794). Het noorden is links.

In het vorige deel liet ik een plaatje zien van een ‘Ommelander plaats’, waarop de nu verdwenen sloot tussen Dorkwerd en boerderij Kolde Ovent zichtbaar was."54" In de Hottinger-atlas uit 1773-1794 bevindt zich een kaart waarop nog veel mooier te zien is dat de bewuste sloot in het verlengde ligt van het Reitdiepvak Platvoetshuis-Wierum.

Voor de duidelijkheid laat ik de huidige situatie bij Dorkwerd nogmaals zien.

Nog eens de sporen bij Dorkwerd (1) Nog eens de sporen bij Dorkwerd (1)

De verkaveling rond Dorkwerd maakt een wat rommelige indruk.

De blauwe lijn zou, zo zagen we, enige tijd gefunctioneerd kunnen hebben als verbindingsroute voor vervoer over water van de Hunze naar Aduard. De ouderdom van deze gegraven watergang wordt bevestigd door het feit dat hij de kerspelgrens was tussen Wierum (noord) en Dorkwerd (zuid).

 

 

Nog eens de sporen bij Dorkwerd (2 en 3) Nog eens de sporen bij Dorkwerd (2 en 3)

De rode lijn is de kerspelgrens tussen Wierum (noord) en Dorkwerd (zuid)
Het rare puntje in de kerspelgrens tussen Wierum en Dorkwerd ten noordwesten van de wierde van Dorkwerd herinnert aan de twee watergangen die hier – in verschillende perioden – hebben gekruist.

We mogen aannemen dat het verbindingskanaal tussen de Hunsinge en de Hunze vanwege de voortschrijdende opslibbing niet lang heeft gefunctioneerd. Mogelijk heeft men om die reden voor de Aduarder scheepjes die turf aanvoerden vanuit Everswolde, lager op de Hunze een mogelijkheid gezocht (en gevonden!) om naar Aduard te komen. Die alternatieve route is de vorige keer besproken.

In het voorgaande zagen we dat men rond 1360 ten behoeve van de lage landen tussen de Hunsinge en het Reitdiep een nieuw afvoerkanaal heeft gegraven naar Wierum. Het begin ervan ligt even ten westen van Dorkwerd, bij de Zijlvesterweg. Men groef het nieuwe zijlmaar schuin door de bestaande verkaveling.

Het ‘driehoekje’ bij Dorkwerd Het ‘driehoekje’ bij Dorkwerd

De foto is genomen vanaf de E.H. Woltersweg; we kijken in zuidelijke richting.
Het rechterslootje is het uiteinde van het Zijlmaar van 1360, nu de Oude Woltgraft.

Links: de Oude Woldgraft ten zuiden van de Zijlvesterweg bij Dorkwerd
De naam ‘Oude Woltgraft’ is nieuw. Ofschoon het hier om een van de belangrijkste tochtsloten onder Dorkwerd gaat, is een oude naam mij niet bekend.

Rechts: Het zijlmaar ten westen van Dorkwerd, gezien vanaf de Zijlvesterweg
We kijken in noordelijke richting. Het gemaal bij de Dorkwerder sluis is te zien.
Ook deze watergang heet tegenwoordig ‘Oude Woldgraft’.

Het Reitdiep tussen de Platvoetbrug en Wierum Het Reitdiep tussen de Platvoetbrug en Wierum

We kijken vanaf de Platvoetbrug naar het noorden.
De bosschages aan de horizon zijn die van Wierum.
Als mijn interpretatie van de akte van 1360 juist is, heeft dit c. 1250 m. lange deel van het Reitdiep oorspronkelijk dienst gedaan als ‘Zijlmaar’ van Lieuwerderwolde.

Het Reitdiep tussen Wierum en Dorkwerd Het Reitdiep tussen Wierum en Dorkwerd

De foto is genomen vanaf de brug te Wierumerschouw en we kijken naar het zuiden.

Het nieuwe zijlmaar naar Wierum kruiste bij het Platvoetshuis (in de rode cirkel) een oude weg die de Paddepoelsterweg verbond met de Hogeweg naar Aduard. Het nieuwe zijlmaar naar Wierum kruiste bij het Platvoetshuis (in de rode cirkel) een oude weg die de Paddepoelsterweg verbond met de Hogeweg naar Aduard.

Uit veel latere tijd zijn er berichten over een veer over het Reitdiep bij het Platvoetshuis. Tegenwoordig loopt de weg vanaf de Paddepoelsterweg naar het voormalige veer dood.
De huisstede van het Platvoetshuis is verdwenen onder de weg bij de huidige Dorkwerdersluis.

 De weg naar het Platvoetshuis De weg naar het Platvoetshuis

Een van de conclusies uit de tekst van 1360 luidde dat er in dat jaar al een ‘proto-Aduarderzijlvest’ moet zijn geweest en dat we de binnen die organisatie geldende regels niet kennen. Het oudst-bekende reglement van het Aduarderzijlvest (de zijlbrief) dateert uit 1382. Deze zullen we in het volgende hoofdstuk bekijken.

44.

Zie G&DW 5, Tussen Drentse A en Peizerdiep (13e-14e eeuw), hoofdstuk 5.1 ‘Sporen’.

45.

GrA Archief Aduarderzijlvest, T705-71, fol. 104r (reg.nr. 26).

46.

GrA T835-21 fol. 153v.

47.

GPS 53.239966, 6.503853.

48.

GrA T1536-1480: ‘Prov. Groningae et Omlandiae tabula: Geographische beschrivinge van de Pr. stadt Gron. en Oml.: vervattende in sich alle heerlijckheden, fortressen, dorpen, adelycke ende considerabele huijsen: met de wapens van de voornaemste ende gequalificeerste adeldom der opgemelte provincie. Naet leven afgeteeckent door de gebroederen W. en F. Conders van Helpen; Cornelius Appeus sculpsit.’ (1675-1680).

49.

De Latijnse tekst is te vinden in het Oorkondenboek, als Bijlage 3 bij dit deel en op de website van Cartago.nl: http://www.cartago.nl/oorkonde/ogd1234.xml.

50.

St. Bartholomeus is op 24 augustus 1360. De tekst bevat enkele grammaticale ‘rotte plekken’ die geen problemen opleveren voor het begrip ervan, maar wel aantonen dat de kopiïst niet alles goed heeft begrepen.

51.

Zie het kaartje van Westerdijk op p. 19 en verder Van den Broek, Groningen, een stad apart, 234, 244-245, 247 en elders.

52.

In het eerder gesignaleerde artikel over het graven van het Aduarderdiep dat in het Historisch Jaarboek Groningen 2014 is gepubliceerd, ontbreekt een bespreking van de akte van 1360.

53.

Zie de gebeurtenissen van 1364 en 1365, beschreven in G&DW 4, Schilligeham, Redwolde en Paddepoel (1325-1365).

54.

G&DW 5, Tussen Aduard en Drentse A, hoofdstuk 5.1 ‘Sporen’, p. 20-21