Zoek op de website

7.1	Middelbert en Engelbert (1370)

De situatie rond 1365. 1.  Noorddijk 2.  Middelbert 3.  Engelbert De situatie rond 1365. 1. Noorddijk 2. Middelbert 3. Engelbert

We beginnen met een overzicht van de situatie zoals ze omstreeks 1365 moet zijn geweest.

  • Noorddijk, Middelbert en Engelbert liggen ingesloten tussen de Hunze en de Borgwal.
  • De A en de Hunze komen bij elkaar in de Mude ten zuiden van Harssens (sinds c. 1250?).
  • Via het Nieuwe Gat loost een deel van de Acht Zijlvesten op de Hunze (1322).
  • Het Peizerdiep stroomt af via een zijl bij Arbere (1313 en 1335).
  • Sinds kort zijn Lieuwerderwolde en Dorkwerd voor wat betreft hun afwatering niet meer aangewezen op de monding bij Arbere; hun water loopt via een nieuw zijlmaar naar Wierum, waar het in de gezamenlijke bedding van A en Hunze uitmondt (1360).
  • Even beneden Mude zijn bij Harssens zeewerende sluizen gebouwd (1365).

De laatste ingreep was bedoeld om de vloed tegen te houden. Daardoor moest er ruimte komen voor alle bovengelegen streken die voor hun afwatering op Hunze en A aangewezen waren. Alternerend gebruik van de zijlen bij Wierum en de Mude kan ruimte hebben geschapen voor de afwatering van de lage landen tussen A en Peizerdiep.

Hoge opslibbing in de Paddepoel Hoge opslibbing in de Paddepoel

De hoge opslibbing in de Paddepoel belemmerde de afstroming van Hunze en A. Dat was niet alleen het geval bij hoog water op zee, maar altijd.

De AHN hoogtekaart brengt het resultaat van het opslibbingsproces spectaculair in beeld. Het plaatje laat ook enkele aardige details zien, zoals de afgetichelde percelen in de Koningslaagte en de laagten langs de Reitdiepsdijken, waar eeuwenlang zoden gestoken zijn voor het herstel en de verbetering van de dijken.

Voor de waterafvoer uit het zuiden en de lage landen van Drenterwolde waren de gevolgen van de opslibbing desastreus. Al het water moest zich door de smalle rivierbedding persen. Het duurde daardoor steeds langer voordat de genoemde gebieden van hun overtollige water af waren.

Bij de woorden ‘opslibbing in de Paddepoel’ moeten we niet denken dat ook de bodem van de Hunze in dat gebied steeg en dat het uit het zuiden afkomstige water over een soort drempel heen zou moeten. Wat steeg waren de landerijen langs de rivier. Wanneer hoge vloeden op zee het waterpeil ook ver landinwaarts deden rijzen, overspoelde de rivier de lage dijken ter weerszijden en deponeerde elke keer weer een laagje bezinksel op het land. De rivierbedding raakte op deze manier steeds meer opgesloten tussen hoge walkanten.

Zoals ik eerder"1" heb laten zien, zijn die hoge walkanten – het resultaat van een eeuwenlang proces – sinds kort aan het oog onttrokken doordat het Groninger Landschap de waterstand in dit gebied drastisch heeft verhoogd. Maar dat is niet alles. Op den duur zullen de door het water verzadigde walkanten inzakken zodat dit voor dit getijdegebied karakteristieke fenomeen verloren zal gaan.

Het overzichtskaartje van de situatie rond 1365 op pagina 1 laat goed zien welke gebieden de grootste problemen ondervonden: de dorpen Engelbert en Middelbert (2 en 3 op het kaartje). Het maaiveld ligt hier, aan de oostkant van de Hunze, lager dan aan de westkant en ook lager dan in Noorddijk (1). Hierbij moeten natuurlijk wel twee kanttekeningen worden gemaakt:

  • Het hoogtekaartje geeft de huidige toestand weer; hoe de hoogteverschillen halverwege de veertiende eeuw zijn geweest weten we niet. Maar ook al was de bodem in de genoemde kerspelen toen nog niet zo ver gedaald als nu, de landerijen werden bedreigd door het Drentse water en ook de lozing van het eigen water zal problematisch zijn geweest.
  • Het beeld is bovendien enigszins vertekend vanwege de ophoging die heeft plaatsgevonden voor woningbouw in de stadswijken Ulgersmaborg, Lewenborg en Beijum, waarvan het overgrote deel op het grondgebied van het kerspel Noorddijk (1) ligt.

 Drenterwolder dijken. 1.  Beijumerzuidwending 2.  Borg 3.  Wyrkeszuidwending 4.  Olgerweg 5.  Oudedijk en Woortmansdijk. De onderdelen van de oostelijke dijk langs de Hunze worden in oude bronnen aangeduid als ‘Omerke en Edikan’ Drenterwolder dijken. 1. Beijumerzuidwending 2. Borg 3. Wyrkeszuidwending 4. Olgerweg 5. Oudedijk en Woortmansdijk. De onderdelen van de oostelijke dijk langs de Hunze worden in oude bronnen aangeduid als ‘Omerke en Edikan’

Uiteraard hebben de kolonisten in de Drenterwolder kerspelen hun land door middel van een dijk tegen het rivierwater beschermd. We weten niet wanneer de dijk langs de Hunze is gelegd.

Op het plaatje zijn behalve de Beijumerzuidwending nog drie andere zuidwendingen ingetekend. De Wyrkeszuidwending (hierover liep de Hinkemahornsterweg, die later Woldweg werd genoemd) was de grens tussen Noorddijk in het noorden en Middelbert in het zuiden), de Ulgerweg, ook (en tegenwoordig) Olgerweg genaamd, was de grens tussen de kerspelen Middelbert in het noorden en Engelbert in het zuiden, en de Oudedijk en Woortmansdijk is de grens tussen Engelbert en Westerbroek).

Niet alle kronkels die de Hunze ooit gemaakt heeft staan op dit kaartje ingetekend. Weggelaten zijn onder meer de grote lussen die de rivier in het dorpsgebied van Engelbert maakte en die al vroeg – maar we weten niet wanneer – zijn afgesneden door het leggen van de Oudedijk.

In de akte die we vandaag bespreken wordt melding gemaakt van dijken die ‘Omerke’ en ‘Edikan’ worden genoemd. Er wordt verschillend gedacht over de vraag welke keringen met deze namen zijn bedoeld.

De taalkundige Wobbe de Vries dacht dat met ‘Omerke’ de Borgsloot bedoeld wordt en dat dit woord – dat ook in de vorm ‘Ammerick’ voorkomt – via de tussenstap ‘ambtmark’ teruggaat op een door hem veronderstelde oudere vorm ‘ambachtsmark’. Het zou dan zoiets als ‘gebiedsgrens’ betekenen."2" Deze interpretatie past goed bij de Borgsloot, die de grens is tussen het Utrechtse Drenterwolde en het Friese landschap Fivelgo. De taalkundige merites van De Vries’ ingenieuze woordverklaring kan ik niet beoordelen, maar bij zijn idee dat ‘Omerke’ de Borgsloot is – een gedachte die we ook bij Ligtendag vinden"3" – valt wel een kanttekening te plaatsen. In een akte van 28 juni 1548, waarbij het ‘corpusland’ van het klooster Essen wordt ingelaten in het Scharmerzijlvest, lezen we dat het klooster al eerder, maar dan illegaal, via Engelbert naar het zijlvest loosde. Essen moest een schotdeur maken in de ‘Amrycken dyck’ waarna zijn water via de gemeenschappelijke waterlossing moest worden afgevoerd."4" Halverwege de zestiende eeuw loosden Engelbert en Middelbert niet meer via de Borgsloot, maar deden dat via de Engelberter en Euvelgunner Waterlozing, die in het Damsterdiep uitkwam. Hieruit volgt dat de ‘Amrycken dyck’ niet de Borgwal is, maar dat hiermee de oude Hunzedijk langs het dorpsgebied van Engelbert bedoeld moet zijn.

Vrij algemeen wordt aangenomen dat met Edikan ook dijken langs de Hunze worden bedoeld, maar onduidelijk is welke precies.

Wyrkeszuidwending, Olger en Oudedijk waren ´zuidwendingen´ die de Drenterwolder kerspels van elkaar scheidden en het lage land ‘compartimeerden’. De bedoeling ervan was dat een dijkbreuk in het ene kerspel niet onmiddellijk tot wateroverlast in het aangrenzende zou hoeven te leiden. Ook de datering van deze dwarsdijken is ongewis, maar hangt ongetwijfeld samen met de oudste inrichting van deze kolonies.

1370: Middelbert en Engelbert houden de Hunze voor gezien 1370: Middelbert en Engelbert houden de Hunze voor gezien

In hun nood wendden Engelbert en Middelbert zich tot hun oostelijke buren met het verzoek of ze hun overtollige water in oostelijke richting mochten laten lopen. Het resultaat was dat beide kerspelen toestemming kregen en, zoals dat heet, werden ‘ingelaten’ in het Scharmerzijlvest. Dit was het meest westelijke van de drie zijlvestenijen die samen het Zijlvest der Drie Delfzijlen vormden.

Op het plaatje zien we twee exemplaren van de akte die we in dit hoofdstuk bespreken. Beide stukken zijn onderdeel van het archief van het Generale Zijlvest der Drie Delfzijlen. Het gaat om GrA T708-498 (A) en GrA T708-62 (B)."5"

De beschrijving ervan luidt: ‘Akte waarbij de kerspelen Middelbert en Engelbert worden opgenomen in het zijlvest der Drie Delfzijlen’.

Regest 6: ´De rechters “Trium Aqueductuum in Delsilum” verklaren in overleg met de abten van Werum en Bure de kerspelen Midelbergh en Egnebergh in hun zijlvest op te nemen, onder vaststelling van een aantal bepalingen over verschillende waterlopen en dijken, waaronder de waterloop Burgh en de dijken Omerke en Edikan.’

De kopnoot bij OGD I 571 luidt:

‘De rechters van de drie Delfzijlen verklaren de kerspelen Middelbert en Engelbert in hun zijlvest op te nemen.’

Oorkonde A is door de inventarisatoren ingedeeld bij de rubriek ‘inrichting, reglementering en opheffing’ van het ‘generale zijlvest’, oorkonde B bij de overeenkomstige rubriek van het Scharmerzijlvest.

 Grondgebied van de Drie Delfzijlen naar Kooper.  Uitsnede uit de kaart van de ‘Voormalige zylvestenyen en dykrechten in de provincie Groningen’, door J. Kooper. (GrA T817-2148/2) Grondgebied van de Drie Delfzijlen naar Kooper. Uitsnede uit de kaart van de ‘Voormalige zylvestenyen en dykrechten in de provincie Groningen’, door J. Kooper. (GrA T817-2148/2)

Maar eerst kijken we even naar het grondgebied van ‘het Generale Zijlvest der Drie Delfzijlen’. Koopers kaart toont het waterschap zoals het later was. Op de gecompliceerde geschiedenis ervan ga ik hier niet in.

Zoals gezegd was het Scharmerzijlvest het meest zuidwestelijk gelegen deel ervan (het zalmkleurige gebied op het kaartje).

Het origineelste (?) origineel Het origineelste (?) origineel

Van de twee bewaard gebleven exemplaren van de inlatingsoorkonde lijkt deze – in het OGD oorkonde B genoemd – het beste te zijn. Het meest originele origineel dus. Maar de twee stukken zijn wel gelijktijdig, want allebei bezegeld (geweest).

OGD I 571 (1370)"6"

 

De rechters van de drie Delfzijlen verklaren de kerspelen Middelbert en Engelbert in hun zijlvest op te nemen.

[1]

In de naam van God, amen.

[2]

Aan alle Christengelovigen die dit stuk van ons zullen zien of horen willen wij, rechters van de Drie Zijlen in Delfzijl, allen afzonderlijk en samen, zowel religieuzen als leken, getuigenis doen van de waarheid

[3]

dat wij – ofschoon de loop van het water van gene zijde van de dijk die gemeenlijk Burgh wordt genoemd niet vanwege geschreven recht, noch vanwege gepleegde gewoonte door ons land en onze zijlen placht te gaan op de een of andere manier(1) – desondanks, na gemeenschappelijk beraad van de discrete heren abten van Wittewierum en Ten Boer, alsmede andere geestelijken en deskundigen, met het oog op de algemene watersnood waardoor vele vruchten van vele jaren van ons vaderland verloren zijn gegaan, zoals de praktijkervaring als doeltreffend leermeester tot dusver heeft aangetoond en nog duidelijk laat zien, aangezien men naast canonieke sancties steeds bij nieuwe ziekten of oorzaken nieuwe tegenmaatregelen of geneesmiddelen moet toedienen, daarom ten behoeve van de gemeenschappelijke en algemene voorspoed en nuttigheid van alle kloosters van religieuzen, pastoors, hoofdelingen en andere leken, in het bijzonder degenen die onder de dijk wonen, erkennen dat wij twee parochies tot onze zijlen hebben toegelaten, te weten Midelbergh en Egnebergh van het Utrechtse diocees, onder zekere voorwaarden op deze manier: (2)

  1.  Vanuit Drenterwolde stroomde het water dus al – spontaan en illegaal – met een zekere regelmaat Duurswold binnen.
  2.  De grens tussen Münsters en Utrechts (Fries en Saksisch) gebied lijkt vrij strikt te zijn geweest. De Friese Acht Zijlvesten hadden dezelfde problemen als het Utrechtse Drenterwolde, maar samenwerking lijkt er vóór 1370 niet geweest te zijn.

[4]

In de eerste plaats mogen de twee parochies één waterloop of zijl hebben op de plaats die gemeenlijk Burgwalle wordt genoemd, in Stertebolabalka,(1) waarvan de wijdte en hoogte niet groter mogen zijn dan anderhalve voet, gemeenlijk jerdfuth(2) genoemd.

  1.  De locatie van Stertebolabalka kennen we uit het ‘schoolmeestersrapport’ van de onderwijzer van Middelbert, H. Bruininga. Het gaat om een brug over de Borgsloot nabij het huidige gemaal ‘de Borg’ tussen Middelbert en Harkstede.
  2.  Oude lengtemaat. Op een ‘jart’ of ‘jarde’ gaan 12 of 13 ‘jardvoeten’. De lengte zal vergelijkbaar zijn met de latere voet (ruim 29 cm).

[5]

Verder, dat de genoemde parochies naast die zijl aan beide kanten een roede, in de volkstaal enre jerdfal, in de genoemde Burghwalle moeten hoeden.

[6]

Verder, dat de genoemde parochies het kanaal vanaf de genoemde plaats Stertebolabalka tot aan het perceel dat Hoytekamahem(1) genoemd wordt, moeten schoonmaken en schoon houden en vanaf die plaats bij het schoonmaken en opschonen van de genoemde watergang tot aan de watergang die Weterlesne(2) wordt genoemd gelijk moeten zijn aan de anderen die verantwoordelijk zijn voor die watergang, naar huizen en personen.

  1.  Hoytekamaheem is vermoedelijk te identificeren als het steenhuis waarvan onlangs sporen zijn gevonden tussen de Harkstederweg en het Slochterdiep."7"
  2.  Het Friese woord weterlesne betekent eenvoudig ‘waterlossing’. Volgens Driessen is hiermee het Lustigemaar bedoeld, dat uit de omgeving van Woltersum naar het noorden stroomt. Zouden met de in dit artikel bedoelde ’anderen’ de ingezetenen van de Heidenschap zijn bedoeld?

[7]

Verder, opdat niet door verloop van tijd een maatregel die in het algemeen belang geacht wordt te zijn, tot onheil wordt voor de nakomelingen, is speciaal de voorwaarde gemaakt dat die van Egnebergh vanwege het feit dat hun water door het gebied van de andere parochie heengaat, twee speciale zijlen moeten hebben, die de helft kleiner zijn dan die in Stertebolabalka, waarvan ook de waterstroom een derde deel moet zijn in de watergang die Burgh wordt genoemd, maar de andere twee derden van de genoemde waterloop van de Engelberters zullen gaan door de dijk die gemeenlijk Ulgris Sidwendne(1) wordt genoemd, door de watergang die Midelberghera weterlesne(2)  wordt genoemd; en verder dan deze waterlopen zal niemand het wagen een ander te hinderen noch de loop van het water van de ander op enige manier.(3)

  1.  De Olgerweg.
  2.  De latere Euvelgunner Waterlozing?
  3.  Op de betekenis van deze moeilijk te vatten bepaling kom ik in het vervolg terug.

[8]

Opdat dus niet voor zo’n godgevallige en vrome weldaad van inlating ondankbaarheid of vergetelheid, maar vertoon van dankbaarheid moge groeien, is met algemene stemmen besloten, dat de genoemde parochies Midelbergh en Egnabergh hun dijken moeten onderhouden, namelijk Omerke en Edickan, vrij van alle feilen, list of bedrog, beneden en boven, in hoogte en breedte, geheel zonder enig bezwaar.

[9]

Indien degenen die bezittingen, het vruchtgebruik of woningen in de reeds genoemde parochies hebben, door afwezigheid of nalatigheid hun dijken niet laten maken, dan zullen, ongeacht hun afwezigheid of nalatigheid, niettemin de aanwezigen en de inwoners verplicht zijn om de dijken of de genoemde plaatsen Omerka en Edickan te behoeden, maken, herstellen, vernieuwen of in hun geheel te onderhouden.

[10]

Verder als door een schikking van de goddelijke barmhartigheid vanwege een ongelukkig geval, hetzij door slecht weer en storm, of door de inbraak van het overstromende water de genoemde dijken in enig deel ervan bezwijken of breken, in zo’n geval zal de gemeenschap van de twee parochies de beschadigde plek of breuk herstellen en daar niet van wijken, alvorens het defect geheel is gerepareerd, tenzij ongunstig weer, zoals sneeuw, hagel of vorst dit verhindert.

[11]

Verder als iemand door kwaadwilligheid, list of bedrog of macht openlijk of heimelijk de genoemde plaatsen doorsteekt, zal de genoemde gemeenschap van twee parochies de breuk of het gat herstellen, en als de genoemde gemeenschap zelf niet tegen dergelijke [personen] zal kunnen optreden, zal zij de hulp van de Drie Delfzijlen inroepen.

We hebben al vaker gezien dat het waterbeheer tot ernstige conflicten aanleiding gaf en dat men bij het maken van overeenkomsten over nieuwe waterstaatkundige maatregelen ook steeds afspraken maakte over wat er moest gebeuren wanneer derden zich met geweld zouden verzetten. We zullen aanstonds zien dat de Acht Zijlvesten in 1380 en 1385 maatregelen namen om zich te verdedigen tegen ‘hun vijanden in Drenthe en Go’.

[12]

Evenzo zullen de rechters van de Drie Delfzijlen, zo vaak ze dat willen, de genoemde plaatsen Omerke en Edikan schouwen of ze goed en ongeschonden zijn; als ze minder goed gemaakt, gebroken of doorstoken bevonden worden, zullen zij, steeds voor wat betreft de breedte van één voet, die jerdfoth wordt genoemd, van de nalatige 12 oude kronen als boete afnemen.

[13]

Verder zullen de twee genoemde parochies twee rechters hebben, die mettertijd zullen veranderen en aangesteld worden, die onder een eed driemaal in het jaar volgens de tot nu toe geldende gewoonte en de brieven die daarover zijn opgesteld in Delfzijl zullen verschijnen, tenzij de noodzaak der zijlen hen samen met de andere rechters vaker zal dwingen de vergadering te bezoeken, in welk geval zij aan de anderen gelijk zullen zijn in werkzaamheden en kosten.

[14]

Zij zullen allen van de gemeenschap der Drie Delfzijlen op de Ulgira Sidwendene met hun eigen goederen, zowel religieuzen als clerici en leken van beide sexen, zonder enige tol of heffing, mits niemand goederen van anderen voert of begeleidt, toestaan te passeren en in dergelijke vrede, zoveel als hun mogelijk is, zaken en goederen bewaren, welke zij zelf bij ons wensen te genieten, totdat de weg van de Groningers met zijn brug geheel en al is gemaakt

Er wordt blijkbaar gewerkt aan een weg-met-brug die van groot belang is voor het verkeer tussen Groningen en Duurswold. Uit de onderhavige passage kunnen we opmaken dat men gewoon was om vanuit Groningen via de Olgerweg naar Duurswold te reizen. Die route moet gelopen hebben via de Herebure Zuidwending (Buurmandeweg), even ten zuiden van het huidige tracé van het Eemskanaal tussen de stad en Oosterhoogebrug. Vanaf die weg moest men ook de Hunze over – waarschijnlijk via een voorde – om dan langs de Euvelgunnerweg (de oostelijke rivierdijk) naar het zuiden te gaan. Men passeerde dan de Gronenburg en kwam na 2,5 km uit op de plek waar de Olgerweg naar het oosten liep."8"
Bij wijze van tegenprestatie voor de inlating in het Scharmerzijlvest moeten Middelbert en Engelbert de ingezetenen van de Drie Delfzijlen tolvrij gebruik laten maken van de Olgerweg.

[15]

Verder als vanwege noodzaak of reparatie van de zijlen door de rechters schot bijeengebracht wordt, of werkzaamheden daarvoor moeten worden verricht, zal de gemeenschap van de twee genoemde parochies steeds aan de rechters en de gemeenschap van de Drie Delfzijlen voor wat betreft het betalen van schot, het verrichten van arbeid en het maken van kosten, in al deze dingen en al het andere gelijk zijn.

[16]

Verder, als zich daarna dingen voordoen die hier niet beschreven zijn, of gevallen opkomen of gebeuren buiten de goedgekeurde akten van de zijlen, dan zullen die door de gemeenschap van rechters die er op dat moment zijn zonder mankeren worden beslist.

[17]

Daaraan voegen we toe dat elke tweespalt die er is en zal zijn tussen de genoemde twee parochies en de rechters van de Drie Delfzijlen, door twee abten, namelijk de abt van Wittewierum en de abt in Ten Boer, en één van de rechters en één van de genoemde parochies in vriendschap moet worden beslecht; en als zij met z’n vieren niet eendrachtig een uitspraak kunnen doen, zal de zaak door de genoemde twee abten eindelijk worden beslist.

[18]

Verder dat de oude borgen in positie blijven, totdat anderen zijn voorzien.

[19]

Evenzo hebben de rechters van de Drie Delfzijlen tot steun van Omerke en Edikan 32 goede schilden gegeven, waarmee 7,5 grazen zijn aangekocht voor het verbeteren van die dijken.

Een soort startsubsidie?

[20]

Ter bekrachtiging hiervan en getuigenis van de zaak zijn de zegels van de voornoemde abten, van magister Andreas en heer Menoldus, pastoors van de kerk van Sint Martinus, en van de pastoor in Engelbert, en van schout Egbert aan deze oorkonde gehangen

Welke Martinuskerk wordt hier bedoeld? Die in Middelbert of die in Groningen?

[21]

Gegeven in het jaar des Heren 1370.

Na de uitvaardiging van de inlatingsakte van 1370 mocht het water van Middelbert en Engelbert legaal via het systeem van watergangen van het Scharmerzijlvest naar de Eems stromen, iets wat, zo zagen we in het begin van de tekst (onder nummer 3), het voordien soms spontaan en zonder toestemming deed. Welke route het Drenterwolder water precies volgde is niet duidelijk. Driessen dacht dat het via de Borgsloot noordwaarts liep tot aan Hinkemahorn. Die veronderstelling wordt ondersteund door de aanwijzingen die ik al heb genoemd: de door schoolmeester Bruininga aangewezen plaats van de Stertebolabalka en de vondst in 2010 van de sporen van een steenhuis ten zuiden van Ruischerbrug, dat wellicht als Hoytekamahem kan worden geïdentificeerd.

Het woord ‘Stertebolabalka’ in de akte van 1370 Het woord ‘Stertebolabalka’ in de akte van 1370

De locatie van de Stertebolabalka op de polderkaart van C.C. Geertsema De locatie van de Stertebolabalka op de polderkaart van C.C. Geertsema

De witte ring geeft de plaats aan waar zich volgens schoolmeester Bruininga van Middelbert de Stertebolabalka heeft bevonden.

De Oudeweg tussen de Olgerweg en de Borgsloot De Oudeweg tussen de Olgerweg en de Borgsloot

De foto is genomen vanaf de Hoofdweg.
Een rietkraag en bomenrij markeren het tracé van de Oudeweg die vanaf de driesprong Middelberterweg-Engelberterweg-Olgerweg (rechts, verscholen tussen het geboomte) naar de Borgsloot liep. Deze laatste is op de foto niet te zien. De donkere horizontale band is de westelijke kade ervan. Links op de foto zou de brug hebben gelegen die in de akte van 1370 Stertebolabalka heet.

De tochtsloot van Middelbert en Engelbert met het gemaal ‘de Borg’ De tochtsloot van Middelbert en Engelbert met het gemaal ‘de Borg’

Ik vermoed dat de gemeenschappelijke watergang van Middelbert en Engelbert 150 meter ten noorden van en parallel aan de Oudeweg in noordoostelijke richting liep en uitkwam op de plaats waar nu het gemaal de Borg staat.

Ten noorden van het gemaal staat het water in de Borgsloot op Duurswoldpeil: 1,12 onder NAP. Ten zuiden van het gemaal is het peil nog veel lager: 3,70-3,30  onder NAP (winter- resp. zomerpeil).

Borgsloot bij Middelbert (GrA T1785-14316) Borgsloot bij Middelbert (GrA T1785-14316)

Deze foto is omstreeks 1910 genomen vanaf de hoge oostelijke dijk langs de Borgsloot.
We kijken naar het noorden en zien links achter de watermolen aan de Middelberter kant van de Borgsloot nog vaag de korenmolen ‘Koveltimp’. Deze stond bij Ruischerbrug aan de zuidzijde van het Damsterdiep.

In een akte van 9 juni 1258"9" wordt de Borg (‘Burch’) een fossatum (‘gracht’) genoemd, die dan de grens vormt tussen Drenterwolde en Fivelgo, in onze akte wordt de borg aangeduid als een agger (‘dijk’).

De Borgsloot hoort volgens het kadaster bij Harkstede, de westelijke dijk erlangs bij Middelbert. Ofschoon er vroeger op of aan die dijk nooit behuizingen hebben gestaan, hoorde die strook in kerkelijke zin wel bij Duurswold! Des te vreemder is het dat de inwoners van Engelbert en Middelbert blijkens een zestiende-eeuwse bron verplicht waren om de oostelijke dijk langs de Borgsloot te onderhouden."10" Deze rare stand van zaken kan erop wijzen dat sloot-en-dijken een geheel vormden, en dat men later – mede onder invloed van de veranderingen in het landschap en de functies van wal en sloot – niet precies meer heeft begrepen hoe het met de verantwoordelijkheden van de aangelanden zat."11"

In elk geval maakt de akte van 1370 duidelijk, dat de westelijke dijk langs de Borgsloot (de ‘Borgwal’) net als de Borgsloot zelf, onder de zeggenschap van het Scharmerzijlvest viel. Wat zegt dat over de oudste functie van deze kering? Wat ‘borgde’ de Borg eigenlijk? Was het

een grens tussen twee ontginningsgebieden die min of meer tegelijkertijd werden aangepakt? Of is de Borg zijn bestaan begonnen als leidijk die moest voorkomen dat water uit het nog niet aangepakte veen aan de ene kant naar het reeds ontgonnen gebied aan de andere kant ervan lekte? Als dat zo is, doet het feit dat sloot-en-dijk bij het Scharmerzijlvest hoorden, vermoeden dat de ontginning aan de oostzijde ouder is dan die aan de westzijde.

Of zou de Borg van meet af aan zijn aangelegd tegen het Hunzewater? Dat lijkt minder waarschijnlijk, gelet op het feit dat de bodem in Middelbert en Engelbert vóór het begin van de ontginningen aanzienlijk hoger moet hebben gelegen.

En wat betekent het dat Scharmer de plaats is waarnaar het Scharmerzijlvest genoemd is? Wil dat zeggen dat dit de oudste ontginning van dit gebied is? Het Kruisherenklooster daar is jong: het werd pas in 1489 gesticht door Johan Rengers van Scharmer, die reeds in 1470 de parochiekerk van Scharmer aan de kruisheren had aangeboden. Het klooster bezat tot halverwege de zestiende eeuw landerijen in de Heidenschap, dat ooit een echt kerspel is geweest.

De schenking van de kerk van Scharmer – aan de premonstratensers van Wittewierum – in 1231 en het optreden van de edelman Snelger van Scharmer in de tweede helft van de dertiende eeuw maken duidelijk dat hier vóór de stichting van het kruisherenklooster al het een en ander is gebeurd.

Borgwal bij Middelbert Borgwal bij Middelbert

De Borgwal is tegenwoordig echt hoog. Dat is nodig omdat het waterpeil in de Borgsloot veel hoger is dan de maaiveldhoogte in het land ten westen ervan. Dat zal in 1370 nog niet zo zijn geweest. Uit de akte van 1370 begrijpen we dat het water uit Middelbert en Engelbert onder vrij verval door de Borgwal naar de Borgsloot kon stromen. Dat zou nu niet meer mogelijk zijn. Tegenwoordig wordt in de Borgsloot een peil van 1,12 meter onder NAP aangehouden. Het land op de voorgrond van de foto ligt op c. 2 meter –NAP. Aan de oostkant kant van de Borgsloot is het bodempeil nog lager: daar varieert het van 2 tot 2,75 meter –NAP.
We hebben gezien dat de hoge opslibbing in de Paddepoel een belangrijke hindernis moet zijn geweest voor de afvoer van het Drentse water en dus ook de afwatering van Drenterwolde belemmerde. Door de inlating van Middelbert en Engelbert in het Scharmerzijlvest hoefde het water uit deze kerspelen die hobbel niet meer te nemen.

In Delfzijl loopt de eb zo’n halve meter lager af dan in Lauwersoog. Anders gezegd: aan de monding van de Hunze staat het zeewater bij eb hoger dan in de Eemsmond.

Door de inlating in het Scharmerzijlvest konden Middelbert en Engelbert profiteren van de structureel lagere eb aan de Eems.

Het plaatje geeft de astronomische waarden aan, niet die van de werkelijkheid. Afhankelijk van de weersgesteldheid (wind!) kunnen de werkelijke waterhoogten sterk van dit model afwijken.

Getijden in de Noordzee Getijden in de Noordzee

Alleen al het astronomisch getij – dus: zonder rekening te houden met toevallige factoren als het weer – zorgt voor lokale verschillen in getij-amplitude. 

Zo bedraagt in Vlissingen het verschil tussen hoog en laag water bij springtij 4,5 meter, terwijl dat in Den Helder slechts 1,5 meter bedraagt. 

Deze verschillen hebben te maken met het feit dat de zuidelijke Noordzee (dus waar Vlissingen zich bevindt) zich als een soort opvang-trechter gedraagt, waarin het door de vloed opgestuwde water zich ophoopt. Daardoor heb je daar het sterkste getij-effect. In Den Helder daarentegen kan het water wèl gemakkelijk alle kanten op, zodat daar een minder 'heftige' amplitude optreedt. 

Richting Delfzijl wordt de getij-amplitude weer groter doordat de getijgolf daar naar de Duitse Bocht ‘propageert’, en de Duitse Bocht ook als een soort ophoop-punt fungeert.

Voor Lauwersoog en Delfzijl bedraagt het verschil in amplitude bij springtij 0,78 meter.

De afwatering van Duurswold.  1.  Watergang langs de Grasdijk 2.  Kleisloot 3.  Lustigemaar 4.  Bovenloop van de Fivel 5.  Schildmaar en Groeve De afwatering van Duurswold. 1. Watergang langs de Grasdijk 2. Kleisloot 3. Lustigemaar 4. Bovenloop van de Fivel 5. Schildmaar en Groeve

Zojuist wees ik erop dat we niet zeker weten welke route het Drenterwolder water door de watergangen van het Scharmerzijlvest volgde. Ik maakte al wel melding van het vermoeden van Driessen dat de Weterlesne (‘Waterlossing’) van de akte het Lustigemaar is. Opmerkelijk is dat Nicolaas Westendorp, die in 1839 een nieuwe, grootscheeps aangevulde uitgave van Kremers Beknopte beschrijving der provincie Groningen bezorgde, weet mee te delen dat de watergang waardoor het Lustigemaar bij Oosterdijkshorn in het Damsterdiep uitmondde, in zijn tijd ‘Waterlozing’ werd genoemd."12" Dat stemt overeen met een kaartje van het gebied tussen Schaaphok en Ten Post, dat in 1759 door Theodorus Beckeringh is gemaakt. Daarop staat de bedoelde watergang aangegeven als ‘Waterleusing of Woltersumer Schipsloot’."13" De naam ‘Lustigemaar’ (‘Lussingemaar’) reserveert Beckeringh voor de waterloop tussen het nu verdwenen Westermeer (ten noorden van Schaaphok) en Woltersum.

Op het plaatje hierboven laat ik – met het nodige voorbehoud – min of meer schematisch zien hoe (een deel van) het water van het lage land van Duurswold naar de Eems stroomde.

  1. Een watergang langs de Grasdijk (de Damstervaart waarvan sprake is in een akte van 1419?)
  2. Kleisloot
  3. Het Lustigemaar (door Driessen aangewezen als de Weterlesne van de inlatingsakte van 1370)
  4. De bovenloop van de Fivel (Scharmer en Slochter Ae)
  5. Schildmaar en Groeve

De met 1 aangeduide watergang langs de Grasdijk heb ik gedeeltelijk weergegeven met een onderbroken lijn. Het is vooralsnog niet uit te sluiten dat deze waterloop in 1370 nog niet helemaal linea recta doorliep tot het Lustigemaar. Het is mogelijk dat hij ten oosten van Garmerwolde op een natuurlijk waterloopje uitkwam dat zelf een eindje verder oostwaarts samenkwam met de Kleisloot. We zullen dat op een volgend plaatje nog wat duidelijker zien.

Behalve de binnendijken waarmee we al eerder hebben kennisgemaakt, toont dit kaartje ook de Graauwedijk (tussen 3 en 4 enerzijds en 5 anderzijds). Deze dijk is waarschijnlijk aanvankelijk gelegd om de lage landen ten zuiden van het Damsterdiep te beschermen tegen het zure veenwater dat vanuit het toen nog onontgonnen veen naar het noorden stroomde. Later, toen ook ten zuiden van de dijk het veen was verdwenen, veranderde de dijk van functie: toen moest hij voorkomen dat water vanuit het noorden het nog lagere gebied ten noorden van Schildwolde en Hellum binnenkwam."14"

Het Lustigemaar en de Groeve mondden uit in de Delf (de voorloper van het Damsterdiep), die sinds c. 1300 door middel van zeesluizen op de Eems loosde. De zijlen van de Delf worden in 1303 voor het eerst vermeld."15"

 Middelbert en Engelbert op de bodemkaart. De Euvelgunner Waterlossing is aangegeven met een blauwe lijn. Middelbert en Engelbert op de bodemkaart. De Euvelgunner Waterlossing is aangegeven met een blauwe lijn.

Bij de bespreking van de oorkondetekst heb ik aangegeven dat ik zal terugkomen op passage nr. 7. Bepaald wordt dat Engelbert ‘twee speciale zijlen’ in de Olger moest maken die half zo groot zouden zijn als de opening in de Borgwal bij de Stertebolabalka waardoor het water van Middelbert en Engelbert het Scharmerzijlvest binnenkwam. Ik begrijp dit zo, dat deze twee zijltjes extra zijltjes zijn, naast een niet genoemde doorgang die – naar ik vermoed – dichter in de buurt van de Borgwal de grens tussen de beide kerspelen kruiste. Er zouden dus in totaal drie plaatsen zijn waar het Engelberter water het dorpsgebied van Middelbert kon binnenkomen.

Om duidelijk te maken wat ik bedoel geef ik de hoeveelheid water die Engelbert en Middelbert samen via de opening bij Stertebolabalka op het Scharmerzijlvest mochten brengen, aan met de letter W. Aangenomen dat Middelbert en Engelbert daar evenveel water mochten spuien, betekent dit dat Engelbert bij Stertebolabalka ½ W loost. Volgens de onderhavige bepaling moest het kerspel Engelbert in de Olger nog twee openingen maken waarvan de wijdte de helft moest zijn van de opening bij Stertebolabalka. Daardoor zou dan 2 maal ½ W naar Middelbert stromen. Er ging dus maar 1/3 van het Engelberter water bij Stertebolabalka naar de Borgsloot, de overige 2/3 moest via het kerspel Middelbert door de Middelberter Waterlossing (later Euvelgunner Waterlossing genoemd) worden afgevoerd.

Dit moet betekenen (1) dat het grootste deel van het Engelberter water samen met dat van het westelijke deel van Middelbert (Euvelgunne) ook na 1370 nog via de zuidelijke sloot van de Wyrkeszuidwending op de Hunze werd geloosd en (2) dat in 1370 dus alleen de oostelijke delen van de kerspelen Middelbert en Engelbert in het Scharmerzijlvest zijn ingelaten.

Het is geen wonder dat hierover in de bronnen niets naders te vinden is en dat ook geen enkele geschiedvorser aan deze bijzonderheid enige aandacht heeft geschonken: ruim vijftig jaar na de gedeeltelijke inlating van Middelbert en Engelbert in het Scharmerzijlvest ging ook het Oosterstadshamrik van Groningen via de Scharmerzijl uitwateren en werd het Damsterdiep gegraven. Hierdoor ontstond een geheel nieuwe situatie.

De kadasterkaart (hier gecombineerd met de bodemkaart) laat nog een stukje dijk zien aan de oostzijde van de Euvelgunner Waterlossing. Dat duidt erop dat hier inderdaad een waterscheiding is geweest. Het land ten westen ervan heeft een (ingeklonken) klei-op-veenbodem, ten oosten bestaat de bodem uit veen. Tegenwoordig is er van hoogteverschil ter weerszijden van de dijk geen sprake meer.

 Middelbert en Engelbert rond 1370 Middelbert en Engelbert rond 1370

Opmerkelijk is dat ook op de oude topografische kaart nog drie duikers staan aangegeven waardoor Engelberter watergangen de Olger kruisten en Middelbert binnenkwamen. Zou de situatie sinds 1370 op dat punt niet zijn veranderd?

Bij Hinkemahorn sloot de Borgsloot aan op een watergang die, evenwijdig aan de Grasdijk, via de Bolte bij Ten Boer naar het Lustigemaar liep. Gelet op de veranderingen die de bodemhoogten langs dit tracé in de loop der eeuwen moeten hebben ondergaan is het niet duidelijk of deze sloot in 1370 nog helemaal naar het Lustigemaar doorliep. Het oude verkavelingspatroon ter plaatse doet vermoeden dat de sloot langs de Grasdijk even ten oosten van Garmerwolde aansloot op een natuurlijke watergang en dat het water op enig moment via deze sloot oostwaarts is gaan lopen om dan via de Kleisloot in het Lustigemaar (de Weterlesne) uit te komen. Het kaartje op de volgende bladzijde maakt duidelijk wat hier is bedoeld.

De afwatering van Middelbert en Engelbert (1370).  1.  Hoytekamahem 2.  Heidenschap 3.  Westermeer 4.  Oosterdijkshorn 5.  Ten Post De afwatering van Middelbert en Engelbert (1370). 1. Hoytekamahem 2. Heidenschap 3. Westermeer 4. Oosterdijkshorn 5. Ten Post

Zoals gezegd is het Lustigemaar volgens Driessen de Weterlesne van onze akte. Vanaf Oosterdijkshorn liep het water uit het lage land via een kanaal in de richting van Ten Post en verder naar Winneweer, waar de Delf werd bereikt.

Er bestaat een opmerkelijke overeenkomst tussen de situatie van Lieuwerderwolde en Dorkwerd enerzijds en die van Engelbert en Middelbert anderzijds. Deze kerspelen konden voor hun afwatering niet langer gebruik maken van de rivier(en) die door of langs hun gebieden stroomt (stromen), maar moesten hun water elders kwijt. De vorige keer hebben we gezien dat er in 1360 een aparte waterlossing gecreëerd werd voor Lieuwerderwolde en Dorkwerd (door het graven van een nieuw ‘zijlmaar’ naar Wierum), nu, in 1370, worden (delen van) Engelbert en Middelbert ingelaten in het Scharmerzijlvest. Het zijn soortgelijke oplossingen voor soortgelijke problemen.

De gelijktijdigheid ervan zou een indicatie kunnen zijn voor de ontwikkeling van de bodem in het gebied rond Groningen. Het lijkt erop dat rond 1350 een omslagpunt is bereikt: de bodem van de langs de rivieren gelegen gebieden was toen zover gedaald, dat het eigen water ervan niet meer op de rivieren kon worden geloosd, ook bij laag water niet. Het ophouden van de vloed – hetgeen men eerder in de eerste helft van de veertiende eeuw had geprobeerd door het bouwen van zeewerende sluizen – had in de tweede helft van dezelfde eeuw al niet genoeg effect meer. De enige oplossing was nu een lager lozingspunt te zoeken en in verband daarmee aparte afwateringskanalen te graven.

Na de inlating van Middelbert en Engelbert in het Scharmerzijlvest.  De afgebeelde situatie heeft bestaan in de periode 1370-1424. Na de inlating van Middelbert en Engelbert in het Scharmerzijlvest. De afgebeelde situatie heeft bestaan in de periode 1370-1424.

Op het kaartje is de toestand in beeld gebracht zoals die – vermoedelijk – tot stand is gekomen door de inlating van Middelbert en Engelbert in het Scharmerzijlvest.

Aan de Drenterwolder kant zijn de zuidwendingen en rivierdijken ingetekend. We zagen dat Middelbert en Engelbert verplicht waren om deze goed te onderhouden. Dat was niet alleen in hun eigen belang. Omerke en Edikan waren nu de buitengrenzen van het Scharmerzijlvest – en dus ook van het Zijlvest der Drie Delfzijlen – geworden en het onderhoud ervan was in het belang van het hele zijlvest. De zorg daarvoor spreekt uit verschillende bepalingen van de inlatingsakte (de nummers 8-12 en 19).

Uit diezelfde inlatingsakte blijkt dat 2/3 van het Engelberter water via het grondgebied van Middelbert door de Euvelgunner Waterlozing in noordelijke richting werd geloosd. Zoals we zagen vertoont de kadasterkaart uit het begin van de negentiende eeuw sporen van een dijk die aan de oostkant langs de Euvelgunner Waterlozing heeft gelegen. De oranje streepjeslijn laat zien hoe deze kan hebben gelopen.

De status van het westelijke gedeelte van het kerspelgebied van Middelbert, tussen de Hunzedijk en de ‘streepjes-dijk’, is onduidelijk. De Hunzedijk lijkt wel als buitengrens van het Scharmerzijlvest te hebben gegolden, maar het is onduidelijk hoe het staat met de zijl die daarin moet hebben gelegen en waarlangs het West-Middelberter water samen met 2/3 van het Engelberter water op de Hunze werd gespuid.

Waarschijnlijk is later – maar onduidelijk is wanneer – de opening in de Hunzedijk gedicht en zijn Middelbert en Engelbert in hun geheel via het Scharmerzijlvest gaan afwateren. De veronderstelling ligt voor de hand dat deze verandering samenhangt met de aanleg van het Damsterdiep in 1424.

De – gedeeltelijke – inlating van Middelbert en Engelbert in het Scharmerzijlvest bevorderde weliswaar de afwatering van de oostelijke delen van deze kerspelen, maar voor de westelijke – lagere – delen ervan moet de toestand problematisch gebleven zijn. Bovendien werd deze strook nog wel bedreigd door het Drentse water dat door de Hunze werd aangevoerd.

Aan de westzijde van de Hunze heb ik geen dijken getekend, maar die hebben er natuurlijk wel gelegen. De hoogtekaart laat overigens goed zien dat er ook aan die kant van de Hunze gebieden waren die door het Drentse water werden bedreigd. Daartoe behoorden niet alleen de lage delen van de dorpen van Go, maar ook de stadshamrikken. Daar was het bodemniveau lager dan uit dit plaatje blijkt.

Op verschillende plaatsen zijn ‘in het veld’ nog stukjes van de middeleeuwse Hunzedijk te zien.

 Euvelgunnerweg met voormalig tolhuis Euvelgunnerweg met voormalig tolhuis

Voormalige Hunzedijk bij Rodehaan Voormalige Hunzedijk bij Rodehaan

‘Ommerke’ bij Roodehaan ‘Ommerke’ bij Roodehaan

Dijkrestanten langs de voormalige Hunze Dijkrestanten langs de voormalige Hunze

Op de twee met rode stippen gemerkte plaatsen rechtsonder zijn in de jaren vijftig van de vorige eeuw steenovens aangetroffen, die behoord hebben bij het tichelwerk van het Jacobijnerklooster te Groningen."16"

Voor deze afbeelding is de topografische kaart van 1930 gecombineerd met de moderne stadsplattegrond en Google Earth. De meest opvallende elementen daarin zijn het Van Starkenborghkanaal en de Beneluxweg (oostelijke ringweg).

Ook op de Bonnebladen zijn nog vele sporen te zien van de middeleeuwse Hunzedijken. Een voorbeeld daarvan zien we op bovenstaande uitsnede van het gebied tussen Noorderhoogebrug en Oosterhoogebrug. Langs de voormalige Hunzebedding (hier aangegeven als het Selwerderdiepje) zijn oneffenheden getekend. Het gaat hier overigens niet alleen om restanten van dijken. Hier hebben ook steenovens gestaan die in de late middeleeuwen nog in bedrijf waren. De voor de baksteenproductie benodigde klei werd in de aanliggende ‘ticheldobben’ gedolven. De brandstof (turf) werd via de rivier vanuit de venen aangevoerd.

Dijkrestanten langs de voormalige Hunze.  De steenovens lagen ter weerszijden van de huidige busbaan. Dijkrestanten langs de voormalige Hunze. De steenovens lagen ter weerszijden van de huidige busbaan.

Middelbert en Engelbert krijgen hulp van hun Friese buren Middelbert en Engelbert krijgen hulp van hun Friese buren

Ik wees erop dat Middelbert en Engelbert ook na de inlating in het Scharmerzijlvest bedreigd werden door het Drentse water. Maar het water was niet de enige vijand van de Drenterwolders. Ook van hun buren die de hoge gronden van Go bewoonden en in het verleden hun medestanders waren geweest, was gevaar te duchten.

Niet voor niets stond in de inlatingsakte van 1370 een bepaling die ervan getuigt dat men rekening hield met de mogelijkheid van gewapende conflicten naar aanleiding van het waterbeheer. Toen was afgesproken dat Middelbert en Engelbert in geval van nood konden terugvallen op de grote organisatie waarvan ze nu deel uitmaakten.

In het Drents Archief ligt een akte van 29 mei 1380 waaruit duidelijk wordt dat er toen geweld dreigde. In dat jaar riepen de Acht Zijlvesten"17" de hulp in van Reinold Huginge, een tot de Groninger elite behorend man die in de positie was om het bedreigde land en zijn

inwoners onder zijn hoede te nemen. Volgens de voor twee jaar gesloten overeenkomst zou Huginge zich in het gebied van de Acht Zijlvesten vestigen en de leiding hebben over de strijd tegen hun vijanden in Drenthe en Go. Hij zou voor gezamenlijke rekening een strijdbende van 12 of 16 mannen aannemen en onderhouden. De Acht Zijlvesten beloofden hem en zijn huisgezin te zullen beschermen en zijn huis, in geval van belegering, te zullen ontzetten.

Van de eendracht die Go en Wold eertijds in waterstaatszaken hadden getoond was in de jaren 80 van de veertiende eeuw dus niets meer over.

Of de overeenkomst die de Acht Zijlvesten en Reinold Huginge in 1380 met elkaar sloten tot iets heeft geleid weten we niet. Ze heeft in elk geval niet bijgedragen tot beëindiging van de spanning tussen de bewoners van de hoge en lage streken langs de Hunze. Korte tijd later staken de bewoners van de hoge dorpen van Go de dijken van de Drenterwolder kerspelen door. Ze creëerden op die manier misschien wel een effectieve waterberging, maar schonden ook alle normen van goed naberschap.

In 1385 constateerden de rechters van Fivelgo-Westerambt, de zijlrechters van de Acht Zijlvesten en hun collega’s van de Drie Delfzijlen dat de Drenten en de inwoners van Go zich vijandig gedroegen, In een officiële – in het Oudfries opgestelde – verklaring lezen we: ‘Ze laten ons hun water zonder reden en recht op de hals lopen, verderven op die manier de geestelijke en de leek en beroven de levende en de dode van hun troost en recht.’"18" Om die reden gaven ze iedereen vrijheid en verlof om de Drenten en hun helpers schade toe te brengen op elke mogelijke manier, maar wel voor ieders eigen risico. Mochten de Drenten een inval doen en iemand in een dorp of huis te pakken krijgen, dan zou er groot alarm geslagen worden en zou de hele gemeente worden opgeroepen om het geweld te keren. Niemand zou zich met de Drenten mogen verzoenen dan met de instemming van de oorkonders.

Doordat de akte is opgesteld in het Oudfries lijkt de ruzie over het water ook te passen in de traditionele stammenstrijd tussen Friezen en Saksen.

1.

Zie G&DW 5, Tussen Aduard en Drentse A, hoofdstuk 5.3 ‘Eerste ingrepen’.

2.

Wobbe de Vries, ‘Groninger topographica’, in: Nomina Geographica Neerlandica; Geschiedkundig onderzoek der Nederlandsche aardrijkskundige namen, uitgegeven door het Koninklijk Nederlandsch Aardrijkskundig Genootschap X (1936) 97-163, aldaar 100-101.

3.

Ligtendag, De Wolden en het water, 177.

4.

GrA T708-75 reg.nr. 62 (inlating van Essen in het Scharmerzijlvest, 1548).

5.

In het Drents Archief (Collectie Gratama) liggen nog twee exemplaren: T583-140 en 140a.

6.

Een transcriptie van de originele Latijnse tekst van de oorkonde vindt men in het Oorkondenboek van Groningen en Drenthe, in de bijlage bij dit deel en op: http://www.cartago.nl/oorkonde/ogd0571.xml.
Andere vertalingen vindt men bij Driessen, Monumenta Groningana II, 284-289, en in GrA T2043-29 fol. 102v-106v.

7.

Zie J.R. Veldhuis, Een archeologisch inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven (IVO-P) in het plangebied Meerstad, gemeente Groningen (Gr), met een bijdrage van K.L.B. Bosma. ARC-Rapporten 2010-206, Groningen, 2011, ISSN 1574-6887. Ook hierover volgt elders meer.

8.

Meer hierover in het ‘Zijpad Hinkemahorn’       

9.

OGD I 126 (GrA T2100-52).

10.

GrA T2100-442 (6 juli 1531).

11.

Zie ook het ‘Zijpad Hinkemahorn’.

12.

Hs. Kremer, Beknopte aardrijks- en geschiedkundige beschrijving der Provincie Groningen (Groningen 18392) 317 en 323.

13.

GrA T817-1410.

14.

O.S. Knottnerus, Natte voeten, vette klei. Oostelijk Fivelingo en het water. Archeologie in Groningen 3 (Bedum 2008) 55.

15.

OGD I 218 (19 juni 1303).

16.

H. Praamstra, ‘Sporen van laat-middeleeuwse tichelbedrijven aan het Selwerderdiepje bij Groningen’, Groningse Volksalmanak 1958, 127‑144.

17.

Zie G&DW 3, Het Nieuwe Gat, hoofdstuk 3.1 ‘De Acht Zijlvesten’.

18.

OGD II 748 (GrA T708-59 fol. 149, regest 7).