Zoek op de website

7.4 		De gevolgen

Voor het rood gearceerde gebied blijft de Hunze een gevaar Voor het rood gearceerde gebied blijft de Hunze een gevaar

Na de afleiding van de Hunze naar de stad vormde het door die rivier aangevoerde Drentse water geen permanente bedreiging meer voor Engelbert, Middelbert en Noorddijk. Door de verkorting van het tracé stroomde het water ook veel sneller weg. Dat was vooral van belang voor de hoge dorpen van het Gorecht.

Het afleiden van het bovenwater uit de natuurlijke bedding zorgde ervoor dat de daarlangs gelegen lage landen hun eigen water gemakkelijker daarop konden lozen. De oude Hunzebedding werd dus een bergboezem. Dat gold voor Noorddijk, de Stadshamrikken, Redwolde en de ten zuiden daarvan gelegen lage landen, alsmede voor de westelijke delen van de kerspelen Engelbert en Middelbert, waarvan de oostelijke delen sinds 1370 naar het

oosten loosden. Het probleem van de concurrentie tussen het eigen en het Drentse water bleef echter, zij het dat de plaats daarvan was veranderd. Het conflict trad nu op bij de samenvloeiing bij de Borgham, op het kaartje aangegeven met een gele cirkel.

Aangezien het Hunzewater ‘beneden’ de Borgham ook nog over de hoge Paddepoel heen moest, zal het gunstige effect van de omleiding van de Hunze – zeker voor de aangelegen lage landen – beperkt zijn geweest. Het hoeft ons dan ook niet te verbazen dat er enkele jaren later alweer een conflict uitbrak tussen abt en convent van Aduard aan de ene kant en de Acht Zijlvesten anderzijds. De akte waaruit dat blijkt vertelt niet wat er precies aan de hand was, maar we herinneren ons de uitspraak die zes Groninger burgemeesters als arbiters in 1364 hadden gedaan in een conflict tussen dezelfde partijen."33" Eén van de bepalingen in de toen getroffen regeling was dat de Acht Zijlvesten moesten helpen bij het bouwen van een ‘waterscutte sive nortpant, dat in de volkstaal knipe wordt genoemd’ en dat Aduard ‘voor eeuwig’ voor het onderhoud van die Knijpe moest zorgen. We hebben gezien dat het daarbij waarschijnlijk om een waterkering bij Everswolde (bij het huidige Zuidlaarderveen) ging. De veronderstelling ligt voor de hand dat Aduard in de ogen van de Acht Zijlvesten onvoldoende onderhoud aan de Knijpe pleegde en dat het Drentse water daardoor te vaak ongehinderd kon afstromen. In 1402 besloten Aduard en de Acht Zijlvesten hun geschil weer aan een scheidsgerecht voor te leggen, deze keer bestaande uit Bertold Buninge en Johan Everts, pastoors van Sint Maarten en de Akerk, en het college van burgemeesters en raad van Groningen. Tot welke oplossing de arbiters zijn gekomen vertelt het verhaal niet."34"

Naast de oude problemen die waren gebleven, waren er ook nieuwe ontstaan. Dat trof in het bijzonder de landerijen die ingesloten waren geraakt tussen de Hondsrug en het Schuitendiep: Haren, Essen, Helpman. We hebben gezien dat die in de veertiende eeuw bij de Gronenbrug op de Hunze loosden.

Successievelijk zijn alle tussen het Schuitendiep en de oude Hunze gelegen landen ingelaten in het Scharmerzijlvest. Het begon in de vijftiende eeuw met de beide Stadshamrikken. Een eeuw later werden landerijen van Essen ingelaten (1548)."35" Welke dat precies waren blijkt niet uit de tekst van de inlatingsoorkonde, maar het lijkt te gaan om het ‘corpusland’ dat door de kloosterlingen zelf werd bewerkt en dat gelegen was tussen de Hereweg en het Schuitendiep. De omvang daarvan was ongeveer 150 ha. Dit komt aardig overeen met het in de inlatingsoorkonde vermelde aantal grazen – 300 – waarvoor het klooster schot moest betalen aan het Scharmerzijlvest. Het water moet dan door middel van een ‘onderleider’, pomp of sifon onder het Schuitendiep door zijn gevoerd. Uit het betreffende document blijkt verder dat het Esser water via een schotdeur in de ‘Ommerke’ (de Hunzedijk bij Uilkenham) het kerspel Engelbert binnenkwam.

Het feit dat Essen pas zo’n anderhalve eeuw na het graven van het Schuitendiep werd ingelaten, maakt duidelijk dat Essen aanvankelijk zijn water gewoon op dat kanaal kon lozen.

Ik heb niet de hele afwateringsgeschiedenis van dit gebied uitgezocht, maar ik kan nog wel meedelen dat in 1688 een deel van de Meeuwert (een polder die ingesloten lag tussen de Hondsrug en het Schuitendiep) naar het Scharmerzijlvest overging. Het polderwater werd via een pomp of onderleider onder het Schuitendiep doorgeleid. Desondanks bleef het gebied vatbaar voor overstromingen.

Wateroverlast op de Meeuwerderweg (1950)  GrA T1785-9590). De foto is genomen door E. Folkers. Wateroverlast op de Meeuwerderweg (1950) GrA T1785-9590). De foto is genomen door E. Folkers.

Winschoterdiep en Euvelgunnerweg Winschoterdiep en Euvelgunnerweg

Een kromme groenstrook tussen de Gothenburgweg en het Skagerrak, ten zuiden van de Beneluxweg (N7), herinnert aan de loop van de oude Hunze. De smalle weg in de groenstrook is de oude Euvelgunnerweg.

Links zien we de Bornholmstraat en het (nieuwe) Winschoterdiep, linksboven de Finse haven, waar ooit de Gronenburg heeft gestaan.

Halverwege de vorige eeuw vond de gemeenteraad van Groningen – een stad met een eeuwenoude maritieme traditie – dat de stad een zeehaven moest blijven. De nieuwe ‘Hanzehaven’ (gerealiseerd in 1959) was een aardig begin, maar niet voldoende om met de eisen van de tijd mee te kunnen. Daarom viel in 1963 het besluit tot uitbreiding van de havencapaciteit aan het Eemskanaal. Ten zuiden van de ‘Hanzehaven’ werden nog twee havens gegraven: de ‘Zweedse haven’ en de ‘Finse haven’. Via het verbrede Eemskanaal zouden schepen tot 1200 ton naar de stad kunnen varen.

Zoals bekend is de ontwikkeling van ‘Groningen aan zee’ ver achtergebleven bij de verwachtingen.

 ‘Finse haven Harbour’ ‘Finse haven Harbour’

De Euvelgunnerweg in 2013. De bochtige Euvelgunnerweg – nu fietspad – is een vreemd element in deze omgeving van strakke bedrijfsgebouwen. De Euvelgunnerweg in 2013. De bochtige Euvelgunnerweg – nu fietspad – is een vreemd element in deze omgeving van strakke bedrijfsgebouwen.

33.

G&DW 4, Schilligeham, Redwolde en Paddepoel, hoofdstuk 4.4, ‘Zijlen in Redwolde en de Paddepoel’.

34.

OGD II 1110 (GrA T2100-107; 30 april 1402).

35.

GrA T708-75 reg.nr. 62.