Zoek op de website

8.2 		Noorddijk, Wetsingerzijl en Westerdijk

Na het graven van het Schuitendiep en Selwerderdiep

  1. Wolddijk
  2. Beijumerzuidwending
  3. Oosterdiepsdijk (dijk langs de oude bedding van de Hunze)
  4. Wyrkeszuidwending (grens tussen Noorddijk en Middelbert)
  5. Borgwal
  6. Buursterzuidwending (later Stadsweg genoemd)

De rode dijken zijn de buitengrenzen van het Winsumerzijlvest vóór de inlating van Noorddijk: de Wolddijk, de Beijumerzuidwending, een stukje van de Borgwal en de Buursterzuidwending.
Groen is het gebied van het Winsumerzijlvest, paars dat van het Scharmerzijlvest.
Het rood gearceerde gebied liggen ingesloten tussen de oude Hunzebedding en het nieuwe kanaal.

Noorddijk

Het bovenstaande kaartje laat de situatie zien zoals ze was in de periode tussen de aanleg van het Schuitendiep/Selwerderdiep (c. 1400) en de inlating van Noorddijk in het Winsumerzijlvest.

Het peil in het nieuwe Schuitendiep zal vaak hoger zijn geweest dan dat van de aanliggende landerijen.

De Stadshamrikken en een deel van Redwolde (het rood gearceerde gebied) lagen ingesloten tussen de oude Hunze en het Schuitendiep/Selwerderdiep. Zij waren voor hun ontwatering aangewezen op de Hunzebedding tussen Uilkenham in het zuiden en de Borgham in het noorden. Deze bedding functioneerde sinds de omlegging van de rivier als een bergboezem. De lozing bij de Borgham zal echter moeizaam zijn geweest als gevolg van de concurrentie met het Drentse water en de blokkade die de Paddepoel door zijn hoogte vormde.

Na de inlating van Middelbert en Engelbert in het Scharmerzijlvest (1370) konden deze dorpen weliswaar een deel van hun eigen water beter kwijt, maar de ontwatering van de westelijke, lage delen van deze kerspelen bleef problematisch, ook nadat de omlegging van de Hunze (c. 1400) de ergste druk van het Drentse water op de Drenterwolder dijken had weggenomen.

Anders dan Middelbert en Engelbert was Noorddijk voor zijn afwatering nog volledig aangewezen op de Hunzebedding. In 1408 kwam aan die situatie een einde. In dat jaar stond het Winsumerzijlvest het kerspel Noorddijk toe om via zijn watergangen af te wateren.

Noorddijk wijkt uit naar Winsum Noorddijk wijkt uit naar Winsum

Bij de inlating van Noorddijk in het Winsumerzijlvest werd bepaald dat de Noorddijksters twee zijlen mochten maken, één door de Borgwal bij het Abbemaar en één door de Beijumerzuidwending bij de sloot die in de betreffende akte ‘Zuydtwoldema’ werd genoemd. Daarmee werd het latere Boterdiep bedoeld. De ene helft van het Noorddijkster water liep sindsdien via het Kardingermaar naar de Kardingerzijl, de andere helft via het Zuidwoldermaar of Boterdiep naar de Bedumerzijl.

We zagen in het vorige deel dat Engelbert en Middelbert in 1370, toen zij in het Scharmerzijlvest werden ingelaten, verplicht werden hun Edikan en Ommerke in orde te brengen en goed te onderhouden. Iets dergelijks gebeurde ook nu. Ofschoon de Hunze al was omgelegd en geen directe bedreiging meer vormde, beschouwden de Winsumer zijlvesten de ‘Oosterdiepsdijk’ (de dijk langs de oude Hunzebedding, op het kaartje aangegeven met een kronkelende bruine lijn) toch als een risico. Ze wilden er zeker van zijn dat het Drentse water niet hun gebied zou kunnen binnendringen. Daarom werd Noorddijk verplicht om die oostelijke Hunzedijk in goede staat te houden, alsook de kerspelscheiding met Middelbert, de Wyrkeszuidwending (de latere Hinkemahornsterweg, nog later Woldweg geheten; hier aangegeven met een rechte bruine lijn).

Abbemaar Abbemaar

De foto is genomen vanaf de Borgwal; we kijken naar het oosten.
Rechts (niet op de foto) bevindt zich een gemaaltje dat water vanuit het Abbemaar opmaalt naar de Borgsloot-boven-de-Rollen: een situatie die precies tegengesteld is aan die van 1408. Het opmalen van water uit het Abbemaar heeft tot doel het natuur- en recreatiegebied Kardinge nat te houden.

Het Abbemaar wordt op oudere topografische kaarten ook wel als ‘Het Geweijde’ aangeduid.

Borgsloot-boven-de-Rollen met Noordermolen Borgsloot-boven-de-Rollen met Noordermolen

Via het zijltje in de Borgwal kwam het water van Noorddijk in dat stuk van de oude Borgsloot terecht, dat tegenwoordig ‘Borgsloot-boven-de-Rollen’ heet. Ook deze watergang is in de loop der tijden met allerlei verschillende namen aangeduid. Hij werd onder meer ‘Thesingermaar’ en ‘Kardingermaar’ genoemd.

De huidige naam van de Borgsloot-boven-de-Rollen is ontleend aan de ‘overtocht’ die gelegen heeft op de plaats waar het in 1424 gegraven Damsterdiep de Borgsloot kruiste. De noordelijke dijk langs het Damsterdiep – de ‘Damsterwal’ – is eeuwenlang een belangrijke waterkering geweest. Omdat men voor het leggen van een verlaat een gat in de dijk moest maken en zo’n kunstwerk altijd een zwakke plek in de kering zou zijn, heeft men op deze plaats lange tijd gebruik gemaakt van een ‘overtocht’, in Holland doorgaans ‘overtoom’ genoemd.

Overtoom bij Nieuwersluis.  Bij gebrek aan een plaatje uit Groningerland moeten we het doen met deze oude foto van een overtoom bij Nieuwersluis. Overtoom bij Nieuwersluis. Bij gebrek aan een plaatje uit Groningerland moeten we het doen met deze oude foto van een overtoom bij Nieuwersluis.

Met behulp van een lier werden de platboomde vaartuigen vanuit de Borgsloot naar het Damsterdiep of omgekeerd getrokken, waarbij horizontaal geplaatste rondhouten (de ‘rollen’) de verplaatsing vergemakkelijkten. Later, toen de waterkerende functie van de Damsterwal van minder belang was geworden, is de overtocht toch vervangen door een verlaat. Dat heeft dienst gedaan tot 1938, toen het moest wijken voor de verbreding van Rijksweg 41, nu provinciale weg N360.6

De Rollen op de topografische kaart De Rollen op de topografische kaart

Op de eerste in kleur uitgegeven topografische kaart staan nog de schutsluizen bij de Rollen, die in 1938 zijn opgeruimd. ‘Rollen’ is nu een straatnaam te Ruischerbrug in de smalle strook tussen het Damsterdiep en het Eemskanaal.

Noorddijk in tweeën gedeeld (1428) Noorddijk in tweeën gedeeld (1428)

In 1428 horen we van een conflict tussen Zuidwolde en Beijum enerzijds en de ingezetenen van Noorddijk anderzijds.7 Uit de tekst van de uitspraak die de zijlrechters van Winsumerzijl in deze zaak deden, kunnen we opmaken dat het Noorddijkster water in hoofdzaak via de grondzijl bij Noorderhoogebrug stroomde. Dat wil zeggen dat de Hunsingoër kerspelen Zuidwolde en Beijum bij tijden onevenredig veel last kregen van het water van hun zuiderburen, terwijl het Fivelgoër Vierendeel daarvan grotendeels verschoond bleef.

De arbiters van het Winsumerzijlvest oordeelden dat de Noorddijksters hun kerspel in tweeën moesten delen. Het westelijke deel mocht via de grondzijl en het Boterdiep afwateren, het oostelijke deel moest zijn water via het Abbemaar en het Kardingermaar laten lopen. De beide kerspelhelften moesten zorgvuldig van elkaar worden gescheiden en de ingelanden waren voortaan verplicht hun gerechte aandeel in arbeid en financiële bijdragen te leveren aan respectievelijk het Hunsingoër Innersdijk en het Fivelgoër Vierendeel. De akte is bezegeld door de pastoors van Middelstum (Hunsingo) en Stedum (Fivelgo).

De Noorddijkster Dwarsdijk op de oude topografische kaart De Noorddijkster Dwarsdijk op de oude topografische kaart

Om het kerspelgebied van Noorddijk in tweeën te delen is de Dwarsdijk gelegd. Later onderging de waterstaatkundige situatie van Noorddijk ingrijpende wijzigingen doordat watermolens en gemalen werden gebouwd die het water op het Damsterdiep uitsloegen. Voor ons verhaal doen de ingewikkelde details van dit proces er niet toe, zodat we die laten rusten.

De Noorddijkster Dwarsdijk De Noorddijkster Dwarsdijk

Tegenwoordig bestaat een deel van de Dwarsdijk nog. De officiële straatnaam van dit verbindingspad tussen de stadswijken Beijum en Lewenborg is nu ´Dwarsdijkje´.

Het pad takt van de Stuurboordswal af en loopt dan noordwaarts door tot de Beijumerzuidwending.

Een nieuwe afwatering voor het lage land tussen Ubbega en de Wolddijk (1410)  (GrA T708-522 reg.nr. 9) Een nieuwe afwatering voor het lage land tussen Ubbega en de Wolddijk (1410) (GrA T708-522 reg.nr. 9)

Kort nadat voor Noorddijk een oplossing werd gevonden, kreeg ook het lage land dat opgesloten lag tussen Ubbega en de Wolddijk, een nieuwe uitwatering. Dat blijkt uit een akte van 19 juni 1410 over de bouw van de Wetsingerzijl.8

Het gaat bij de Wetsingerzijl niet om Drents water, noch over landerijen die door het Drentse water werden bedreigd. Ik bespreek het stuk toch, omdat het ook hier gaat om een gebied dat opgesloten is geraakt en omdat de Acht Zijlvesten, de oude partners in de strijd tegen het Drentse water, tot de belanghebbenden behoorden. Daarbij komt dat dit project de veranderde positie van de stad Groningen illustreert.

Degenen die het fietspad langs het Reitdiep kennen, weten dat de Wetsingerzijl onlangs is herbouwd. Het rare is dat die Wetsingerzijl niet bij Wetsinge ligt, maar bij Sauwerd! Het verhaal dat dit vreemde feit verklaart begint in 1410 met de hierboven afgebeelde overeenkomst.

GrA T708-522 regest nr. 9 (1410)9

 

Burgemeesters en raad van Gronyghen sluiten een overeenkomst met de Achte Zijlvesten en met het Dorpmanne Zijlvesten over de aanleg en het onderhoud van een sluis in het Gronygherdepe, buiten de Wynsemerzijle bij Aldynghehusen.

[1]

Wij burgemeesters en raad in Groningen maken allen met deze openbare akte bekend dat wij terwille van het algemene nut van onze stad en de landen die bij ons liggen een overeenkomst hebben gesloten met de Acht Zijlvesten(1) en het Dorpmanszijlvest(2) over het plaatsen van een zijl op ons Groningerdiep(3) buiten de Winsumerzijl,

  1. Acht Zijlvesten: de acht Hunsingoër en Fivelgoër kerspelen die zich verbonden hadden voor de strijd tegen het Drentse water. De organisatie blijkt in 1410 nog te bestaan, ofschoon de betrokken kerspelen voor hun afwatering aansluiting hebben gevonden bij verschillende zijlvestenijen. Bedum, Noord- en Zuidwolde, Beijum en het noordelijke deel van Garmerwolde wateren af via het Winsumerzijlvest, de andere (het zuidelijke deel van Garmerwolde, Scharmer, Slochteren, Schildwolde en Siddeburen) via Delfzijl. De kerspelen Bedum, Noord- en Zuidwolde en Beijum liggen gedeeltelijk ten westen van de Wolddijk.
  2. de dorpen van Ubbega (Adorp, Sauwerd, Wetsinge).
  3. de Groningers doen net alsof de benedenloop van Hunze en A van hen is. Dit hangt waarschijnlijk samen met de veranderde machtspositie van de stad, het graven van het rak Dorkwerd-Wierum, het gebruik dat de stedelingen van de rivier maakten en de beheershandelingen die ze in verband daarmee stelden.

[2]

op zodanige manier dat wij, in overleg met de genoemde zijlvesten, een zijl zullen plaatsen aan gene zijde van Alinghuizen, die wij zelf ten eeuwigen dage zullen onderhouden zonder schade of last voor de zijlvesten.  

[3]

En wij hebben beloofd en beloven de genoemde zijlvesten dat wij hen willen helpen en in rechtszaken ondersteunen wanneer zij hun positie kunnen staven met akten of oude gewoonten die ze in vroegere tijden hebben gehad met betrekking tot Drenthe, Go en Wold.(1)

  1. Deze bepaling verwijst naar de oude akten van 1285, 1343 en 1364-1365. De lage landen hebben er recht op dat het Drentse water bovenstrooms goed wordt beheerd. We zullen daarover nog meer horen.

[4]

En hiervoor hebben wij van de genoemde zijlvesten 850 gulden ontvangen. We zullen de zijlvesten op geen enkel moment meer vragen om de betaling van schot of het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van de genoemde zijl.

[5]

En wij zullen de zijl in stand houden op onze kosten en met onze arbeid, zonder arglist.

[6]

Maar als iemand van hen voor zijn afwatering mede gebruik zou willen maken van het diep, dan zal hij een bijdrage moeten betalen.

[7]

Hieraan is toegevoegd dat, ingeval iemand ons(1) met geweld of met onrecht wilde hinderen in de verwezenlijking van dit project, in die zin dat wij de genoemde zijl niet konden plaatsen, dan zullen wij, de genoemde zijlvesten, helpen bij het afweren daarvan.

  1. De Groningers

[8]

En wanneer zij(1) en wij(2) zozeer gehinderd worden dat wij en zij het samen niet zouden kunnen afweren, of wanneer wij de zijl niet plaatsten in het jaar tussen Sint Michiel(3) aanstaande en Sint Michiel in het volgende jaar, dan zullen wij, de borgen die wij(2) hebben gezet, aan de zijlvesten het genoemde geld teruggeven en de zijlvesten en de borgen zullen ons onze akte weer teruggeven en de borgen zullen dan schadeloos zijn.

  1. De zijlvesten
  2. De Groningers hebben voor deze transactie borgen aangewezen die ingezetenen zijn van het rechtsgebied van het Dorpmanszijlvest en de Acht Zijlvesten. Dit om de zijlvesten in de gelegenheid te stellen om, in geval van in gebreke blijven van de Groningers, de schade op deze borgen te kunnen verhalen.
  3. 29 september

[9]

Ter oorkonde bezegeld met ons stedelijk geheimzegel.

[10]

Gegegeven in het jaar ons Heren 1410, op donderdag na Sint Vitusdag.(1)

  1. 15 juni

Deze akte berust in het archief van de Drie Delfzijlen. Dit doet vermoeden dat we hier te maken hebben met het ten behoeve van de Acht Zijlvesten opgemaakte exemplaar en dat het archief van deze organisatie geheel of gedeeltelijk is opgenomen in dat van het latere Generale Zijlvest der Drie Delfzijlen.

Tussen Harssens in het zuiden en Winsum in het noorden ligt op de oeverwal langs de benedenloop van de Hunze een rij wierden. De bewoners van dit gebied, Upgo of Ubbega geheten, werkten voor het waterbeheer samen in een organisatie die blijkens de bovenstaande akte van 1410 ‘Dorpmanszijlvest’ heette. Tussen de wierdenrij en de Wolddijk (op het volgende kaartje aangegeven met een rode lijn) liggen weide- en hooilanden. Dit (hoogte)kaartje maakt duidelijk dat deze landerijen in waterstaatkundige zin opgesloten lagen tussen de hoge oeverwal links en de Wolddijk rechts. Ook aan de zuidzijde is er geen opening: daar bevindt zich eveneens een hoge oeverwal. Het water uit dit gebied is al vroeg – maar we weten niet wanneer – via een strak geconstrueerde tochtsloot noordwaarts afgevoerd naar de Deel. Dit was de hoofdwatergang van het Winsumerzijlvest, dat zijn uitwatering had ten zuidwesten van Winsum.10

De afwatering van het laagland tussen Ubbega en Wolddijk vóór 1410.  1.  Oude Ae (Olde Ae of Tolnij); het meest       zuidelijke deel heet Nieuwe Ae 2.  Deel of Delf, nu Winsumerdiep De afwatering van het laagland tussen Ubbega en Wolddijk vóór 1410. 1. Oude Ae (Olde Ae of Tolnij); het meest zuidelijke deel heet Nieuwe Ae 2. Deel of Delf, nu Winsumerdiep

Naarmate de bodemdaling in het Centrale Woldland en ook in het voormalige veengebied ten noorden van de Deel voortschreed, zal het steeds lastiger zijn geweest om al het overtollige water uit deze verschillende streken via die ene zijl bij Winsum kwijt te raken. De oplossing die in 1410 werd gevonden bestond daarin, dat men het water van het Dorpmanszijlvest een eind ‘boven’ de Winsumerzijl op de benedenloop van de Hunze wilde brengen. Daarvoor moest wel de oeverwal van Ubbega doorgraven worden en was een aparte zijl nodig.

Het gebied tussen Winsum en Beijum. Kerspelgrenzen zijn aangegeven met brede gele lijnen. Het gebied tussen Winsum en Beijum. Kerspelgrenzen zijn aangegeven met brede gele lijnen.

De kerspelen Bedum, Noord- en Zuidwolde en Beijum maakten deel uit van de organisatie der Acht Zijlvesten. Hun dorpsgebieden strekten zich in westelijke richting uit tot over de Wolddijk. Met uitzondering van Beijum reikten ze tot de Oude en Nieuwe Ae (hier aangegeven met een strakke blauwe lijn). De ontwatering van het lage land tussen de wierden van Ubbega en de Wolddijk was dus een zaak van het Dorpmanszijlvest en de Acht Zijlvesten samen.

De rode lijn tussen Adorp en Noordwolde is (een deel van) de Munnikeweg die de verbinding vormde tussen het klooster Aduard en het voorwerk te Rodeschool. Ten noorden van de Munnikeweg heet de hier besproken tochtsloot Oude Ae (‘Oldenee’), tussen de Munnikeweg en de Koningslaagte heet hij Nieuwe Ae (‘Nijenee’).

Ten westen van de Nieuwe en Oude Ae liggen (van zuid naar noord) Harssens, Adorp, Sauwerd, Wetsinge, Bellingeweer en Winsum. Aan de oostzijde liggen Zuidwolde, Noordwolde, Bedum, Westerdijkshorn en Onderwierum.

Over de aanleg van de Oude en Nieuwe Ae en in het bijzonder de oriëntatie ervan valt het een en ander op te merken, maar dat valt buiten het bestek van deze cyclus.11

De afwatering van het laagland tussen Ubbega en Wolddijk na 1410 De afwatering van het laagland tussen Ubbega en Wolddijk na 1410

Zoals gezegd was het wateraanbod in de Deel zo groot, dat het lage land  tussen de Wolddijk en Ubbega zijn water niet meer langs die weg kwijt kon.

Het stadsbestuur van Groningen bood uitkomst door het plaatsen van een zijl naar de gemeenschappelijke benedenloop van Hunze en A. Deze rivier werd door de heren van Groningen in deze akte voor het eerst als ‘hun diep’ aangeduid. Van een strikt ‘eigendom’ kon weliswaar geen sprake zijn, maar de Groningers hebben in de loop van deze rivier wel zodanige veranderingen aangebracht dat niet alleen zijzelf, maar waarschijnlijk ook anderen hem betitelden als het ‘Groningerdiep’. De stroom vormde de verbinding tussen de stad en de zee en de Groningers zorgden voor de beveiliging van het vaarwater, tot op het eiland Schiermonnikoog aan toe.

Door het leggen van een nieuwe zijl op het Groningerdiep hoefden de lage delen van de Ubbegaër dorpen en ook de ten westen van de Wolddijk gelegen delen van de kerspelen van Innersdijk niet langer gebruik te maken van de Winsumerzijl. Dit is het begin geweest van de Wetsingerzijl. Het water uit de lage landen tussen Ubbega en de Wolddijk bereikte de nieuwe zijl via het Wetsingermaar. Dit maar vormt de noordgrens van het kerspel Wetsinge en ligt op een lijn die geraaid lijkt te zijn op de wierde van Garnwerd. Om deze grenssloot geschikt te maken voor zijn afwateringstaak zal hij in 1410 zijn verwijd en uitgediept.

Begin van het Wetsingermaar Begin van het Wetsingermaar

We kijken in westelijke richting met de richting van het Wetsingermaar mee. Op de voorgrond zien we de Oude Ae. Het land ten zuiden van het maar (links op de foto) hoort bij het kerspel Wetsinge, het land ten noorden ervan (rechts) bij Bellingeweer.

We zullen aan het einde van dit deel zien dat halverwege de vijftiende eeuw ook de Borgham – het ten zuiden van het Nieuwe Gat en tussen Selwerd en Noorderhoogebrug gelegen gebied – via de Wetsingerzijl is gaan afwateren.

Nadat in 1629 het rechte stuk van het Reitdiep bij Garnwerd was gegraven en daarmee de grote rivierkronkels ten oosten van Garnwerd (‘de Raken’) werden afgesneden, hield de oude bedding van de Hunze op rivierwater te voeren en verloor de middeleeuwse Wetsingerzijl zijn functie. Om het water van het oostelijke deel van Ubbega toch op het Reitdiep te kunnen afvoeren, werd het buiten langs de afgesneden meanders van de Hunze naar het Sauwerdermaar geleid, dat uitkwam op de plek waar het nieuw gegraven rechte gedeelte van het Reitdiep begon.

Oude en nieuwe Wetsingerzijl Oude en nieuwe Wetsingerzijl

De situering van de middeleeuwse Wetsingerzijl (bovenste cirkel) en die van de sluis die tegenwoordig als de Wetsingerzijl bekend staat (onderste cirkel).

Met een lichtblauwe lijn is de route gemarkeerd waarlangs het water van het Wetsingerzijlvest vanaf het begin van de zeventiende eeuw het Reitdiep bereikte.
De afgesneden Hunzemeanders zijn herkenbaar.

De oude Wetsingerzijl op de kaart van Coucheron De oude Wetsingerzijl op de kaart van Coucheron

Detail van de ‘kaart van de landen van het karspel Garnwerd, in 1603 getekend door ingenieur Antoni Coucheron.

(GrA T817-1243).

Het noorden is links.
De plek van de Wetsingerzijl van 1410 bevindt zich midden boven. De boerderij midden onder is de voormalige kloosterboerderij van Alinghuizen.

‘Olde Nee’ en Wetsingermaar op de Coenderskaart.  Uitsnede uit de ‘Coenderskaart’ van c. 1675. ‘Olde Nee’ en Wetsingermaar op de Coenderskaart. Uitsnede uit de ‘Coenderskaart’ van c. 1675.

GrA T1536-1480: ‘Prov. Groningae et Omlandiae tabula: Geographische beschrivinge van de Pr. stadt Gron. en Oml.: vervattende in sich alle heerlijckheden, fortressen, dorpen, adelycke ende considerabele huijsen: met de wapens van de voornaemste ende gequalificeerste adeldom der opgemelte provincie. Naet leven afgeteeckent door de gebroederen W. en F. Conders van Helpen; Cornelius Appeus sculpsit.’ (1675-1680).

Op deze kaart is het gekanaliseerde stuk van het Reitdiep ten oosten van Garnwerd aangeduid als Nije diep en zijn de afgesneden rivierkronkels (‘de Raken’) met stippellijnen ingetekend.
De nieuwe monding van het Wetsingermaar ontbreekt echter.

De plek waar in 1410 de eerste Wetsingerzijl is gebouwd. De plek waar in 1410 de eerste Wetsingerzijl is gebouwd.

De foto is genomen in noordwestelijke richting.
We zien het westelijke uiteinde van het Wetsingermaar.
Op de plaats van de middeleeuwse sluis ligt nu een keerdam.
De oude bedding van de Hunze, met enige goede wil te herkennen achter de hekken in het midden van de foto, is grotendeels geëgaliseerd.

 

Nadat de Hunzekronkels ten oosten van Garnwerd waren afgesneden, werd het water van het Wetsingermaar naar het zuiden afgevoerd via een watergang waarvan de aanzet links op de foto te zien is.

Bij de Raken Bij de Raken

Links zien we het Wetsingermaar, In het  midden de voormalige oostelijke dijk van de Hunze (de ‘schoordijk’) en rechts, tussen twee parallelle sloten, de ongeveer 30 meter brede oude bedding van de Hunze

De Wetsingerzijl in 2010 De Wetsingerzijl in 2010
De Wetsingerzijl in juni 2012 De Wetsingerzijl in juni 2012

In 2010 verkeerde de Wetsingerzijl nog in een deplorabele staat. Twee jaar later is hij grondig gerestaureerd. Alvorens men daarmee aan de gang kon moest de kolk uiteraard worden drooggelegd. Daarbij kwamen de doorgaans aan het oog onttrokken details van de constructie aan het licht.

De Wetsingerzijl in juni 2012  Zichtbaar is wat anders nooit te zien is: de buitendrempel met de aanslagen voor de vloed- en ebdeuren. De Wetsingerzijl in juni 2012 Zichtbaar is wat anders nooit te zien is: de buitendrempel met de aanslagen voor de vloed- en ebdeuren.
De Wetsingerzijl na de restauratie (februari 2013) De Wetsingerzijl na de restauratie (februari 2013)
Reitdiep vanaf de Wetsingerzijl.  Het in 1629 gegraven rechte stuk van het Reitdiep, gezien vanaf de uitmonding van de Wetsingerzijl. Reitdiep vanaf de Wetsingerzijl. Het in 1629 gegraven rechte stuk van het Reitdiep, gezien vanaf de uitmonding van de Wetsingerzijl.

Westerdijk

Onder de kopjes ‘Noorddijk’ en ‘Wetsingerzijl’ ging het over de afwatering van landerijen die in de loop van de tijd ingesloten waren geraakt. We keren nu terug naar de omgeving van de stad Groningen en naar de gevolgen die de maatregelen ter afleiding van het Drentse water voor de aangelegen lage landen heeft gehad.

Het Gorecht na de omlegging van de Hunze. Westerdijk – het ten westen van de Drentse A gelegen deel van het Gorecht – is aangegeven met een arcering. Het Gorecht na de omlegging van de Hunze. Westerdijk – het ten westen van de Drentse A gelegen deel van het Gorecht – is aangegeven met een arcering.

Van oorsprong heeft ook het land ten westen van de Drentse A gewoon op die rivier afgewaterd. Maar we hebben al gezien dat Lieuwerderwolde en Dorkwerd zich naar het westen hadden gewend en dat in 1360 ook de Hoenen – deel van het Groninger stadsgebied, gelegen buiten de Apoort – toestemming kregen om gebruik te maken van de watergangen van Lieuwerderwolde en Dorkwerd.

Wat het Drentse water betreft had het Aduarderzijlvest de handen vol aan het Peizerdiep en wilde het uiteraard verstoken blijven van wateroverlast vanuit de Drentse A, alias Hoornsediep, Westerdiep of Groningerdiep. De goede staat van de westelijke Reitdiepsdijk was daarom ook voor die organisatie van het grootste belang.

In 1422 horen we voor het eerst van een regeling voor het schouwen en het onderhoud van de Reitdiepsdijk. Het betreffende stuk bevat regels voor de dijkrechters van Lieuwerderwolde, de schouw tussen het Hooihuis en de Pishorn, de Laan en Paterswolde tot de Zandweg.

Volgens de bepalingen in dit stuk moest de dijk vanaf het Hooihuis in het noorden tot aan de Pishorn in het zuiden onderaan acht voet breed zijn en boven vier voet. Als hij ergens een voet smaller was, al was het ook maar over de afstand van een halve roede, dan zou de dijkplichtige een schelling (= vijftien groninger stuivers) boete per voet moeten betalen.

De ‘zijlbrief’ van Groningen en Lieuwerderwolde (1422) (GrA T705-32 reg.nr. 6) De ‘zijlbrief’ van Groningen en Lieuwerderwolde (1422) (GrA T705-32 reg.nr. 6)

Er zijn verschillende afschriften van deze akte bewaard gebleven. Een van de kopieën heeft als opschrift:

‘Hijr begint die stadtbreeff ende rolle van de dijckrechters in die stadt, van Potterwoldedijck die begint van den Hoyhuse, die dijck langes nae Doengehorne an die Pishorne, die dijck voert umme den horne an den steen die toe Potterwolde licht.’ 12

Merkwaardigerwijs wordt in dit stuk niet gerept over Neerwolde, het moerassige gebied ten zuidwesten van Groningen. Het viel buiten de Groninger stadstafel en behoorde tot de marken van Helpman en Haren.13 Wellicht was de streek onbruikbaar geworden als gevolg van bodemdaling en vernatting, veroorzaakt door eerdere exploitatie. Enkele decennia na het tot stand komen van deze regeling lijkt de situatie echter te zijn veranderd. In een akte van 1441 wordt een nieuwe overeenkomst gesloten over de schouw van de dijk van Potterwolde voert neder tot Hayhuserland (‘vanaf Paterswolde stroomafwaarts tot Hooihuisterland’). Er zijn dan ‘buren’ in de Middel- en Zuiderbuurschap van Neerwolde. Als deelnemende partners worden de buren van Lieuwerderwolde genoemd, die van Gelkingeland en de Middel- en Zuiderbuurschap van Neerwolde.14

Het Hooihuis aan de Friesestraatweg Het Hooihuis aan de Friesestraatweg

Deze oude boerderij gold als het noordelijke grenspunt van Westerdijk. Op de foto is te zien dat de boerderij schuin op de weg staat. Het is overigens juister om het om te draaien: de Friesestraatweg is omstreeks 1840 schuin door de middeleeuwse verkaveling – waarin het Hooihuis past – gelegd.

Westerdijk en zijn onderdelen Westerdijk en zijn onderdelen

Over een formele toetreding van Westerdijk tot het Aduarderzijlvest weten we niets, maar het lijkt erop dat het in 1422 al geruime tijd bij het zijlvest hoorde. Het water uit dit lage gebied – dat waarschijnlijk in het begin van de vijftiende eeuw verder in zuidelijke richting tot ontwikkeling is gebracht – kon alleen via Lieuwerderwolde en het Aduarderdiep uitwateren. Dat gebeurde via waterlopen zoals de ‘Wegsloot’ en ‘Woldsloot’, die we in latere bronnen tegenkomen.

In 1441 werd afgesproken dat alle betrokkenen jaarlijks op het Akerkhof te Groningen bijeen moesten komen op Sint Petersdag ad Cathedram (22 februari), ’s middags bij het luiden van de grote klok, op straffe van een kan wijn. De Lieuwerderwolders zouden een rechter uit hun eigen midden kiezen en een rechter uit Gelkingeland (Groningen), de Lieuwerderwolders en Gelkingelanders moesten samen twee dijkrechters uit Neerwolde kiezen, waarvan er één uit de Middelbuurschap moest komen en één uit de Zuiderbuurschap.

Later maakt Westerdijk deel uit van de uit twee schepperijen bestaande waterstaatkundige eenheid die Westerstadshamrik heette en, anders dan de naam doet vermoeden, slechts ten dele onder de jurisdictie van het Groninger stadsbestuur viel.15

6.

GrA T2778-1023-1024 (1934-1938).

7.

GrA T1032-204.

8.

GrA T708-522 regest nr. 9.

9.

Een transcriptie van de originele akte vindt men bij Driessen, Monumenta Groningana inedita, 384, als Bijlage 1 bij dit deel en op de website van Cartago.

10.

Zie hiervoor G&DW 4, Schilligeham, Redwolde en Paddepoel (1323-1365).

11.

Zie mijn Raadsels rond Bedum, hoofdstuk 5, ‘Oude Ae en Wetsingermaar’  

12.

GrA T835-21 fol. 146 (oud Hs. in folio 21).

13.

Van den Broek, Groningen, een stad apart, 234.

14.

GrA T2100-171. Zie Van den Broek, a.w. 234-238.

15.

Zie het kaartje en de kadertekst ‘Twee Westerstadshamrikken’ in Jan van den Broek, Groningen, een stad apart, 254-255. Overigens zijn de onderdelen van het Oosterhamrik daar niet correct aangegeven. Van noord naar zuid heten de delen Vrydemahamrik, Heyngeland en Harbargebuurschap.