Zoek op de website

8.3 		De Stadshamrikken

De Groninger stadshamrikken na de omleiding van de Hunze De Groninger stadshamrikken na de omleiding van de Hunze

We zagen dat de Drenterwolder kerspelen opgesloten lagen tussen de oude Hunze en de binnendijken en dat ze om die reden voor hun ontwatering naar elders moesten uitwijken.

Na de omleiding van de Hunze lag het Oosterhamrik tussen het nieuwe Selwerderdiep en de oude Hunzebedding, waarop het vanouds afwaterde. Het water van het hamrik moest bij de Borgham concurreren met dat van het Selwerderdiep. Dat kon niet goed gaan.

Het Westerhamrik en het ten noorden daarvan gelegen Selwerd lagen ingesloten tussen de A in het westen en het Selwerderdiep en de Hunze in het oosten. Oorspronkelijk hebben deze gebieden op A en Hunze afgewaterd, maar ook dat was rond 1400 nauwelijks meer mogelijk.

In 1424 werd het Oosterhamrik in het Scharmerzijlvest ingelaten, onder beding van het graven van een nieuwe watergang van Oosterhoogebrug naar het Lustigemaar. Dit laatste heeft vérstrekkende economische en politieke gevolgen gehad, want het bracht het Eemsgebied binnen het bereik van de Groninger kooplieden. In 1434 volgde het Westerhamrik het voorbeeld van het Oosterhamrik.

Door deze inlatingen is een vreemde situatie ontstaan. Ofschoon de genoemde gebieden direct langs de Hunze liggen, waterden ze niet langer via die rivier af op zee, maar loosden door middel van gegraven watergangen op een relatief afgelegen plaats (Delfzijl) op de Eems.

De Korreweg vanuit het westen. De Korreweg was oorspronkelijk de grens tussen het Westerstadshamrik (links) en het Oosterhamrik (rechts). De Korreweg vanuit het westen. De Korreweg was oorspronkelijk de grens tussen het Westerstadshamrik (links) en het Oosterhamrik (rechts).

Aanvankelijk was de Korreweg – een echte ‘zuidwending’ – de grens tussen de beide stadshamrikken: het Oosterhamrik in het zuiden en het Westerhamrik in het noorden. Dit veranderde als gevolg van de omleiding van de Hunze en het graven van het Selwerderdiep. Vanaf dat moment ging ook het gedeelte tussen de Borgham en de Korreweg deel uitmaken van het Oosterhamrik. Zometeen volgt een kaartje waarop dit beter is te zien.

 De ‘inlatingsakte’ voor het Groninger Oosterhamrik (18 mei 1424) De ‘inlatingsakte’ voor het Groninger Oosterhamrik (18 mei 1424)

De inlating van het Groninger Oosterhamrik in het Scharmerzijlvest was een waterstaatshistorische gebeurtenis van de eerste orde, maar de akte die ervan is opgemaakt ziet er weinig indrukwekkend uit.

De tekst van de ‘inlatingsbrief’ van het Oosterhamrik is door vele onderzoekers van de landschapsgeschiedenis bestudeerd, maar daarbij heeft het accent steeds gelegen op het graven van het Damsterdiep en wat daarmee onmiddellijk samenhangt. Dat met deze tekst niet meer gedaan is komt waarschijnlijk doordat het Nederduitse origineel een aantal passages telt die zich moeilijk laten begrijpen. Hier volgt een hertaling van de complete tekst, waarna ik een poging zal doen ook de meest weerbarstige plekken te interpreteren.

GrA T708-499, regest 11 (18 mei 1424)"16"

 

Overeenkomst tussen Burgemeesters en Raad in Groningen en Abt en convent van Ten Boer en rechters van het Schar­merzijlvest inzake de toelating van Groningen en het Oosterhamrik op de Scharmsterzijl in Delfzijl. Het Oosterstadshamrik moet voldoende bedijkt worden, ‘omme ende omme, van den Grontzyle’.

[1]

Wij burgemeesters en raad en gezamenlijke ingezetenen van Groningen enerzijds en wij, broeder Dyoerd, abt, en gezamenlijke conventualen van Ten Boer, en wij, gezamenlijke rechters en ingezetenen van het Scharmerzijlvest aan de andere zijde,

[2]

verklaren en betuigen met deze openbare akte voor ons en onze nakomelingen dat wij met elkaar een overeenkomst hebben gesloten over de voorwaarden waarop wij van het Scharmerzijlvest aan de stad Groningen en haar Oosterhamrik toestaan een watergang te hebben waarlangs zij via onze zijl te Delfzijl(1) voor eeuwig kunnen uitwateren.

  1. Zoals bekend lagen aan de monding van de Delf in de Eems drie zijlen naast elkaar. De meest zuidelijke was de Scharmerzijl, in het midden lag de zijl van het Slochterzijlvest en de noordelijke zijl was de Dorpsterzijl."17"

[3]

In de eerste plaats moeten die van Groningen hun dijken rondom het Oosterhamrik dicht en hoog genoeg houden, te beginnen vanaf de grondzijl(1) en eindigend bij die grondzijl, tot in eeuwige dagen, zodanig dat de Scharmerzijlvesten er geen hinder of schade van lijden, zonder alle arglist en bedrog.

  1. De ‘onderleiding’ waarlangs het water van het Westerhamrik onder het Selwerderdiep door geleid werd.

[4]

Wanneer het water over deze dijken komt of de dijken breken, zal degene wiens dijk het betreft een breuke betalen van een schilling Groninger munt voor elke voet breedte van de inbraak of overloop, en een halve mark Groninger geld voor elke voet diepte. En de zijlrechters mogen degene die in gebreke was gebieden zijn dijk te maken of laten maken binnen twee etmalen, op straffe van dubbele breuke. En wanneer degene die in gebreke is zijn dijk niet binnen het eerste etmaal(1) herstelt zal hij voor het derde etmaal drievoudige breuke betalen en zal de breuke verder met elke dag hoger worden totdat hij zijn dijk heeft hersteld.

  1. Men verwacht hier zoiets als: ‘de eerste termijn van twee etmalen’.

[5]

De stad Groningen zal in haar dijk van het hamrik een zijl met twee ebdeuren(1) leggen met een wijdte van zestien voet(2).

En wanneer de dijken van de stad Groningen doorbreken zodat de zijlvesten daarvan last ondervinden, zal men de zijl sluiten en niet weer openen tenzij met instemming van de gezamenlijke zijlrechters van het Scharmerzijlvest.

  1. Ebdeuren draaien ‘naar binnen’ en zijn bedoeld om binnenwater vast te houden, meestal ten behoeve van de scheepvaart. In dit geval is het waarschijnlijk ook de bedoeling geweest om te voorkomen dat bij een zeer hoog peil aan de Groninger zijde van de sluis het water ongecontroleerd het lage land van het Scharmerzijlvest zou kunnen binnenstromen. De beoogde zijl zal gelegen hebben in de westelijke Hunzedijk tegenover het latere Oosterhoogebrug.
  2. De wijdte van de deuren (een ruime 4,5 meter) wijst erop dat er niet alleen gerekend werd op de passage van water. Er moesten blijkbaar ook vaartuigen door.

[6]

Die van Groningen zullen met hun macht(1) helpen dat de panden(2) worden geslagen en gehouden en, als de nieuwe bisschop(3) in het land komt, of eerder, daarbij behulpzaam zijn dat degenen die de Ommerke zullen maken hun taak kunnen uitvoeren en aardhaling bij de Ommerke doen, en dat de eigenaren van de af te graven landerijen daarvoor een redelijke vergoeding krijgen.(4)

  1. Het Groninger burgerregiment.
  2. Panden: waarschijnlijk de pendammen en pendingen in Drenthe. Ik kom daarop later terug (Focko Ukenakeuren 1427, en inlating Westerhamrik 1434).
  3. Bisschop Frederik van Blankenheim, officieel landsheer van de stad Groningen en Drenthe, was op 9 oktober 1423 overleden. De meerderheid van het Utrechtse domkapittel wilde Rudolf van Diepholt als zijn opvolger, maar er waren ook andere kandidaten. Omdat de paus een ander benoemde, ging Rudolf van Diepholt in beroep en werd als bisschop gehuldigd door Overijssel. Hij werd pas in 1432 door de paus erkend. Ondertussen trad vanaf 1425 Zweder van Culemborg als bisschop op. Er was dus gedoe.
  4. De strekking van deze passage is niet in alle opzichten duidelijk. Ik kom er hierna op terug.

[7]

Die van Groningen zullen een kanaal graven van Groningen tot in het Lustigemaar(1) en dat schoon houden zonder schade voor de zijlvesten.
En als ze dat via de houten brug(2) willen laten lopen, zullen zij daarvoor toestemming moeten hebben van degenen die het land ter weerszijden bezitten.
En vanaf dit maar zullen die van Groningen de dijken, Mude(3) en Delf(4) onderhouden en graven tot aan Popemahuis(5), gras gras gelijk met de Scharmer zijlvesten.

  1. Het Lustigemaar is de waterlossing van de lage landen Harkstede en Scharmer, die via Woltersum naar Oosterdijkshorn loopt.
  2. Uit deze bepaling blijkt dat het tracé voor het te graven kanaal ten tijde van het sluiten van de overeenkomst nog niet bekend was. Mogelijk gaat het hier om een brug over de ‘Damstervaart’ (de zuidelijke parallelsloot langs de Grasdijk) bij Hinkemahorn.
  3. De Mude (ook: Muda) is de plaats bij Winneweer vanwaar de Fivel via de Delf in oostelijke richting is afgeleid.
  4. Het huidige Damsterdiep vanaf Winneweer naar de Eems.
  5. Ter plaatse van Ekenstein."18"

[8]

Die van Groningen zullen een zijlrechter hebben voor de Scharmerzijl en zullen deze om de drie jaar vervangen, zoals in het Scharmerzijlvest de gewoonte is. De Groninger zijlrechter zal gekozen worden door de abt van Ten Boer samen met de scheppers van het zijlvest.
En de status van deze zijlrechter zal, net als die van de andere zijlrechters, afhankelijk zijn van het door hem vertegenwoordigde aantal grazen.
Ten behoeve van de eerste zijl die gemaakt zal worden, zullen Groningers een voorschot geven van 100 arnhemse guldens.
En de borg van de oude zijlrechter zal blijven totdat de nieuwe rechter is ingezworen en deze een nieuwe borg heeft gesteld.

[9]

Wanneer zich een probleem in het zijlvest voordoet waarover hier niets is bepaald, dan zullen de Groningers zich daarmee niet bemoeien, maar zullen ze de zijlrechters de zaak zelf laten behandelen, tenzij de zaken zo gewichtig waren dat men de Groningers verzoekt daarbij de helpende hand te bieden(1); in dat geval zullen die van Groningen de zijlrechters behulpzaam zijn om hun recht ten uitvoer te brengen met al hun vermogen.

  1. Bedoeld is het inzetten van de ‘sterke arm’. Het Scharmerzijlvest wilde in voorkomend geval graag assistentie krijgen van het Groninger burgerleger, maar alleen wanneer het daaraan zelf behoefte had. Te denken valt aan de bestrijding van externe tegenstanders, maar ook aan het uitvoeren van dwangmaatregelen tegen ingelanden die zich niet naar het gevoerde beleid voegden of zich verzetten tegen opgelegde sancties.

[10]

Wanneer zich onenigheid voordoet tussen de stad en de zijlvesten, dan zal dit langs gerechtelijke weg of via arbitrage beslecht worden door de abt van Ten Boer met de vier scheppers van het zijlvest(1) en de Groninger zijlrechter.
En als deze zes personen het niet eens kunnen worden, dan zal de zaak beslecht worden door de abt en de meerderheid van het college.

  1. Het Scharmerzijlvest telde vier onderdelen of schepperijen: Ten Boer, Woltersum, Grote Harkstede en Scharmer.

[11]

De zijlrechter van de stad Groningen zal een borg stellen die gegoed is in het gebied der zijlvesten(1), zodat hij dezelfde positie heeft als de andere zijlrechters met betrekking tot het houden van vergaderingen, het betalen van schot, het schoonhouden van de watergangen en het werk aan de zijl.
En als de zijlrechter van de stad Groningen in gebreke blijft bij het naleven van de zijlbrief, in strijd met het zijlrecht, dan zullen de Groningers hun borg schadeloos houden, maar de andere zijlrechters zijn gemachtigd om daarover naar zijlrecht te oordelen.

  1.  Zie voor het stellen van een borg buiten het eigen rechtsgebied ook het commentaar bij de akte van 1410 onder nummer 8 (hierboven) en dat bij de akte van 1323 (OGD I 276) onder nummer 6 in G&DW 4."19"

[12]

Die van Groningen en de Scharmer zijlvesten zullen de Ommerke en de Groninger dijken – voor zover de betreffende landen te Delfzijl uitwateren – gezamenlijk schouwen zo vaak ze willen en de breuken opleggen overeenkomstig de zijlrechtsakte.
En de andere twee zijlvesten mogen de Groninger dijken mede schouwen zoals de Scharmer zijlvesten doen.
En wanneer de twee zijlvesten niet wilden schouwen, dan zullen de Scharmer zijlvesten het recht hebben om de dijken samen met de Groninger rechter te schouwen.

[13]

Die van Groningen zullen het water van hun Westerhamrik niet leiden langs de weg voor het Cortinghuis, maar door het Lot naast de grondzijl.
En ze zullen hun water niet laten lopen alvorens het diep tot in het Lustigemaar is gegraven en de ebzijl is geplaatst.

[14]

Wanneer een Groninger nalatig is met betrekking tot zijn dijken van het Groninger hamrik, dan zal de Raad van Groningen de breuke volgens de inhoud van deze akte binnen vijf dagen aan de zijlrechters voldoen en de zijlrechters mogen hun verteringen ten laste van de beklaagde brengen; de kosten daarvan zullen tegelijk met de breuke worden voldaan.

[15]

En als de Raad de breuke niet betaalt zoals hier is bepaald, dan mogen de zijlrechters de dijk in orde brengen.

[16]

En als die van Groningen inbreuk maken op deze artikelen en zich niet daaraan houden, dan mogen de Scharmer zijlvesten de dijk van de Groningers dichtmaken en hun watergang dempen; alle voorwaarden verliezen dan hun geldigheid zonder dat de Groningers dit de Scharmer zijlvesten kwalijk zullen nemen; zonder arglist en spitsvondigheden.

[17]

Tot getuigenis van de waarheid van deze artikelen hebben wij, burgemeesters en raad, het zegel van onze stad, en ik, broeder Dyoerd, abt van Ten Boer, mijn zegel, en, met advies en instemming van onze gezamenlijke broederschap en conventualen, het zegel van ons convent aan deze akte gehangen.
En ter verdere bevestiging hebben wij, rechters en gezamenlijke gemeenschap der Scharmer zijlvesten heer Hugo te Scharmer, heer Johan te Garmerwolde en heer Mello te Woltersum gevraagd om deze brief met hun zegels te bevestigen. En wij, Hugo, Johan en Mello, priesters, hebben op verzoek van de rechters en gemeenschap onze zegels mede aan deze akte gehangen.

[18]

Gegeven in het jaar onzes heren duizend vierhonderd vier en twintig, op donderdag na Jubilate tussen Pasen en Pinksteren.(1)

  1. Zondag Jubilate is de derde zondag na Pasen. Deze viel in 1424 op 14 mei. Op donderdag na Jubilate was het dus 18 mei 1424.

Op de achterkant van de akte staat nog:

Over de twee hamrikken.

Alvorens de topografische en waterstaatshistorische bijzonderheden te bekijken schenken we aandacht aan de passage onder nummer 6. Deze luidt in de originele versie:

‘Item so zullen de van Gronyngen daertoe helpen mit orer macht dat de pande gheslagen worden ende geholden, ende, als de nye Biscop in dat lant comet, off eer, daertoe helpen dat de ghene de de Ammeryck zullen maken, mogen nemen dat evel ende de eerde by der Ammerick daer men de dyke van maken mach, ende dat sie nemen daervan redelick gelt de dat lant oer is.’

Hierboven heb ik dit vertaald als volgt:          

 ‘Die van Groningen zullen met hun macht helpen dat de panden worden geslagen en gehouden en, als de nieuwe bisschop in het land komt, of eerder, daarbij behulpzaam zijn dat degenen die de Ommerke zullen maken hun taak kunnen uitvoeren en aardhaling bij de Ommerke doen, en dat de eigenaren van de af te graven landerijen daarvoor een redelijke vergoeding krijgen.’

Ofschoon de betekenis van deze passage niet meteen helemaal duidelijk is, valt er wel uit op te maken dat het Scharmerzijlvest van de stad Groningen een actieve bijdrage verwachtte bij het in orde houden van de waterkeringen aan de bovenloop van de Hunze en ook bij het onderhoud van de oostelijke Hunzedijk – de Ommerke – die de westgrens van het Drenterwolder kerspel Engelbert vormde.

Sinds Middelbert en Engelbert in het Scharmerzijlvest waren ingelaten (1370) en de oostelijke Hunzedijk de westelijke buitengrens van het zijlvest was geworden, was de bestuurlijke en waterstaatkundige situatie ingrijpend veranderd. De Groningers hadden in 1392 het ‘Gericht van Selwerd´  (ook ´Drenterwolde en Go´ of ´het Gorecht´ genoemd) van het Utrechtse domkapittel gepacht. Van haar nieuwe machtspositie had de Stad gebruik gemaakt om het Schuitendiep te graven om zo het Hunzewater vanaf Uilkenham naar de stad Groningen te leiden. Dit is vermoedelijk kort vóór 1400 gebeurd. In deze periode was het stadsbestuur ook gerechtigd aan de ingelanden van Engelbert en Middelbert aanwijzingen te geven voor het onderhoud van waterstaatkundige werken en kon het ook een afdeling van het Groninger burgerregiment inzetten om onwilligen te dwingen aan hun verplichtingen te voldoen.

Maar lang duurde het stedelijke gezag over het Gorecht niet. Frederik van Blankenheim, die in 1393 bisschop van Utrecht geworden was, nam geen genoegen met het idee alleen in naam heer van Groningen en het Gorecht te zijn. In de jaren 1400 en 1401 belegerde hij de stad met het doel haar te dwingen zich aan hem te onderwerpen. Ofschoon de bisschop er niet in slaagde ‘zijn’ stad in te nemen, zagen de stadsbestuurders zich in 1405 gedwongen vrede met hun landsheer te sluiten. Daarbij droegen ze de overheidsrechten over ‘het Gericht van Selwerd’) die zij in 1392 van het Utrechtse domkapittel hadden gepacht, weer aan de bisschop over. Maar het duurde nog tot 1419 alvorens de Groningers de bisschop als landsheer erkenden en hem trouw zwoeren."20" Enkele jaren later, in 1423, stierf Frederik van Blankenheim en in 1424, toen het Scharmerzijlvest en het stadsbestuur hun akkoord sloten over de inlating van het Oosterhamrik, was er nog geen nieuwe bisschop. De vraag was toen wat een nieuwe bisschop, als hij eenmaal in functie was, met het Gorecht zou gaan doen.

In de inlatingsakte van 1424 komen het stadsbestuur en het Scharmerzijlvest overeen dat de Groningers – ondanks de onzekere bestuurlijke situatie – hun strijdmacht zullen inzetten om ervoor te zorgen dat de vroeger gemaakte afspraken over de waterkeringen buiten het gebied van het zijlvest en dat van de stad Groningen zelf worden nageleefd. We moeten daarbij in concreto denken aan de ‘knijpen’ die in de bovenloop van de Hunze, op Drents grondgebied dus, de toestroom van het Drentse water beteugelden. Uit deze bepaling kunnen we afleiden dat het Scharmerzijlvest in de praktijk machteloos stond tegen de overlast van het Drentse water en behoefte had aan gewapende assistentie.

Uit het vervolg van de bepaling blijkt dat men de kerk wel in het midden wilde laten: de verwijzing naar ‘de komst van bisschop’ – deze was gewoon eens in de vier jaar naar het noorden te komen – doet vermoeden dat men bereid was de zaak netjes met de prelaat te bespreken. Alleen moest dat niet te lang duren: er konden zich noodsituaties voordoen, waarbij onmiddellijke reparatie van de ‘Hamriksdijk’ (Ommerke) nodig was. Dan moest er een instantie zijn die het gezag en de macht had om degenen die daartoe verplicht waren aan het werk te zetten en ook de ‘aardhaling’ te regelen. Dat laatste wil zeggen: aan te wijzen van welke percelen zoden mochten worden gestoken om de dijk te repareren en ervoor te zorgen dat de eigenaren van die grond een redelijke compensatie zouden krijgen. Partijen kwamen overeen dat ook in zo’n geval Groningen de helpende hand zou bieden. 

Het bovenstaande lijkt me een bevredigende interpretatie van de besproken passage. Er blijft echter iets wringen. Dat komt doordat het mij maar niet duidelijk wil worden wat de werkwoordelijke uitdrukking ‘nemen dat evel’ precies betekent. Het Woordenboek der Nederlandsche Taal geeft vele voorbeelden van de uitdrukking ‘euvel nemen’, maar geen ervan past goed bij de context van deze akte. Evel of euvel betekent ‘kwaad’ of ‘slecht’ in brede zin en levert eigenlijk geen probleem op. De moeilijkheid zit meer in het werkwoord nemen. In de kwestieuze zin heeft nemen twee verschillende objecten: (1) dat evel en (2) de eerde by der Ammerick. De bedoeling van de zinsnede ‘de aarde bij de Ommerke nemen’ is niet voor misverstand vatbaar: om de Ommerke te kunnen repareren en verbeteren moet van elders aarde worden gehaald. Er zijn verschillende oude overeenkomsten bewaard gebleven waarin percelen worden aangewezen of aangekocht met het doel om er zoden te steken voor de verbetering van een dijk. Het werkwoord nemen kunnen we in deze uitdrukking dus vertalen met ‘halen’ of ‘wegnemen’. Maar kan nemen in deze concrete betekenis ook verbonden worden met het object het euvel? De betekenis zou dan zijn: ‘het kwaad wegnemen’, waarbij dat evel staat voor het kwaad dat een zwakke dijk voor de ingelanden en andere belanghebbenden is. Naar mijn eigen gevoel wringt deze constructie, en het onbehaaglijke gevoel wordt bevestigd door het ontbreken van passende voorbeelden in de grote woordenboeken. Maar het werkwoord nemen zou hier ook de betekenis van ‘aanvaarden’, ‘accepteren’ kunnen hebben: degenen die verplicht zijn de Ommerke te onderhouden moeten dat evel (in dit verband op te vatten als ‘die last’) ‘aanvaarden’ of ‘op zich nemen’ en doen wat van hen verwacht wordt. Als deze laatste interpretatie juist is – hetgeen ik vermoed – hebben we te maken met een zeugma van het type ‘hij stak de straat over en zijn sleutel in het slot’.

In het vorige deel heb ik erop gewezen dat de taalkundige Wobbe de Vries een verklaring heeft gegeven voor het woord ‘Omerke’ en van mening was dat hiermee de Borgsloot of de dijk daarlangs werd bedoeld. In het artikel waarin De Vries zijn opvatting ten beste gaf, haalt

hij ook de hierboven besproken passage aan."21" Anders dan ik ondervindt hij geen enkel probleem bij de interpretatie ervan. Dat komt doordat het woord ‘evel’ volgens hem ‘teelgrond’ betekent. Het is echter de vraag of hier de wetenschapper Wobbe de Vries aan het woord is of dat we te maken hebben met een al dan niet geleerde gok. Ik heb in geen enkel woordenboek of oude tekst een aanwijzing gevonden die De Vries’ interpretatie van het woord ‘evel’ ondersteunt.

We zullen nu de verschillende waterstaatkundige aspecten van de akte nalopen.

Het Oosterhamrik in 1424 Het Oosterhamrik in 1424

De cirkel geeft de plaats van de grondzijl aan die in de passages 3 en 13 wordt vermeld. De tochtsloot van het Westerhamrik kruiste hier het Selwerderdiep (de omgelegde Hunze). Het Westerhamrik waterde via de sloot langs de Korreweg op de oude Hunzebedding af.

Het gearceerde gebied tussen de Hunze, het Selwerderdiep en de Korreweg hoorde vanouds tot het Westerhamrik. Na de omlegging van de Hunze werd het Selwerderdiep de grens tussen de twee stadshamrikken en werd dit gebied bij het Oosterhamrik gerekend.

De Groningers moesten de dijken rondom hun Oosterhamrik (ze zijn op het kaartje niet ingetekend) op orde brengen en houden. De zuidelijke grens is de Groenedijk (hier aangegeven met een rode lijn).

Er is geen zekerheid over het verloop van de tochtsloten in het Oosterhamrik. Ingetekend zijn de hoofdwatergangen zoals ze in de negentiende eeuw waren. Het vreemde verloop heeft te maken met een oude, reeds vroeg afgesneden Hunzekronkel midden in het Oosterhamrik.

Op de plek waar de tochtsloot van het Oosterhamrik door de Hunzedijk ging (bij het latere Oosterhoogebrug dus) moesten ebdeuren komen (zie de aktetekst onder nr. 5). De sluis moest bij calamiteiten – zoals een doorbraak van de dijk langs het Schuitendiep en Selwerderdiep – worden gesloten om het gebied van het Scharmerzijlvest tegen het Drentse water te beschermen.

Onder nr. 7 werd vastgelegd dat de Groningers een kanaal zouden graven van Groningen tot in het Lustigemaar, dat vanuit de richting Woltersum noordwaarts stroomde en bij Oosterdijkshorn uitkwam. Het door de Groningers gegraven kanaal kennen we nu als (een gedeelte van) het Damsterdiep.

De constructie van het Damsterdiep (1424) De constructie van het Damsterdiep (1424)

Het tracé tussen de oude Hunzebedding en de Borg bij Ruischerbrug – de Borg is op het bovenstaande kaartje aangegeven met een zwart lijntje – volgt de perceleringsstructuur van het zuidelijke deel van Noorddijk (het groene gebied op het kaartje), het stuk tussen de Borg en (Ooster)Dijkshorn past in de kavelstructuur van het Vierendeel (het bruine gebied).

Verrassenderwijs loopt de oriëntatie van deze verkaveling parallel aan een lijn die men kan trekken tussen de Petruskerk te Loppersum (niet op het kaartje) en de Sint Maartenskerk te Groningen. De afstand tussen beide punten bedraagt ruim 17 km. Die afstand is zo groot dat we ons maar moeilijk kunnen voorstellen dat de verkaveling van het bruin gekleurde gebied afgeleid zou kunnen zijn van deze oriëntatielijn. Anderzijds: helemaal uitsluiten kunnen we deze mogelijkheid niet. Wanneer men echt een lijn tussen deze punten van groot sacraal belang – de Sint Maartenskerk en de Petruskerk behoren beide tot de alleroudste christelijke kerken van Groningerland, de eerste was de hoofdkerk van het Gorecht, de tweede had dezelfde status in het dekenaat Loppersum) – heeft willen construeren, waren er wel technische middelen om dit te realiseren. Toch ligt het meer voor de hand dat de kolonisten bij de ontwikkeling van het betrokken gebied zijn uitgegaan van een of meer nederzettingen op de linker oeverwal van de Fivel en dat de door hen aangehouden richting toevallig parallel liep aan de lijn Groningen-Loppersum. Maar een opmerkelijk toeval is het wel.

Ter weerszijden van de knik bij Ruischerbrug (of liever: bij de Rollen) werd het Damsterdiep parallel aan bestaande keringen en watergangen gegraven. Binnen de prefectuur liep het Damsterdiep op een afstand van c. 30 meter ten noorden van de Woldweg (in een akte van 1408 Wyrkeszuidwending genoemd, de grens tussen Noorddijk en Middelbert); op Fivelgoër bodem liep het nieuwe kanaal op een afstand van 200 meter parallel aan de Grasdijk, met aan de zuidzijde daarvan de waterlossing van Heidenschap, Middelbert en Engelbert. 

Ten oosten van de Borg vormde de Stadsweg (hier aangegeven met een dun bruin lijntje) de grens tussen het Vierendeel (het Fivelgoër deel van het door de Wolddijk omsloten gebied dat via de Winsumerzijl uitwaterde) en het Scharmerzijlvest. Deze grens, tevens waterscheiding, liep dwars door de dorpsgebieden van Garmerwolde en Ten Boer, hetgeen erop zou kunnen wijzen dat ze jonger is dan de oudste ontginningsperiode. Daarop duidt ook het feit dat deze kering exact in het verkavelingspatroon past.

Binnen het kerspel Noorddijk volgt de Stadsweg een tracé dat doet vermoeden dat men deze weg doelbewust vanaf de Hunzepassage bij het latere Oosterhoogebrug naar de waterscheiding ten oosten van de Borg heeft geleid. Over de oudste geschiedenis van de Stadsweg hoop ik elders meer te kunnen meedelen.

Damsterdiep vanaf Ruischerbrug Damsterdiep vanaf Ruischerbrug

Het is niet juist om te zeggen dat het Damsterdiep op de Martinitoren is geraaid, al lijkt het er wel op! Het Damsterdiep ligt een kleine 30 meter ten noorden van de kerspelgrens tussen Noorddijk en Engelbert. Die grens – de Wyrkeszuidwending – is wel op de Sint Maartenskerk geraaid.

Het Damsterdiep en de grens tussen Noorddijk en Middelbert Het Damsterdiep en de grens tussen Noorddijk en Middelbert

Op dit kaartje zijn enkele oude wegen ingetekend.

  1. Korreweg
  2. Vrydemaweg
  3. ‘Nieuwe’ weg naar Fivelgo
  4. Harbargeweg of Hereburezuidwending
  5. Groenedijk
  6. Stadsweg
  7. Hinkemahornsterweg, later Woldweg geheten
  8. Euvelgunnerweg
  9. Olgerweg

Het Damsterdiep past in de verkaveling van het zuidelijk deel van Noorddijk en ligt even ten noorden van de grens met Middelbert. Deze grens werd gevormd door een dijk: de Wyrkeszuidwending. Over deze zuidwending liep de weg naar de Hinkemahorn bij Ruischerburg.

Voor de afvoer van het water van het Groninger Oosterhamrik heeft men in Noorddijk de eerste kavelsloot ten noorden van de kerspelgrens benut.

De Woldweg in Ruischerbrug De Woldweg in Ruischerbrug

Deze weg loopt over de op de Sint Maartenskerk georiënteerde oude kerspelgrens tussen Noorddijk en Middelbert.

Bij Ruischerbrug Bij Ruischerbrug

Het Eemskanaal verstoort het oude beeld. Maar ook het bovenstaande – inmiddels alweer achterhaalde – Googleplaatje vertoont nog wel enkele sporen van de oude situatie. Zo is de evenwijdig aan het Damsterdiep lopende Grasdijk herkenbaar. Dat geldt ook voor het noord-zuid georiënteerde stukje Borgsloot ten zuiden van Damsterdiep en Eemskanaal.

Ten oosten van de Harkstederweg ligt een ‘eigen weg’ die hier twee boerderijen ontsluit (ontsloot, want inmiddels is alles opgeruimd in verband met de aanleg van Meerstad), op het stukje Borg, waarop de Grasdijk aansloot.

Dit alles is beter te zien wanneer we wat verder inzoomen.

Sporen bij Ruischerbrug Sporen bij Ruischerbrug

Vage kleurverschillen in het land tonen (bij het rechter pijltje) de loop van de Grasdijk en het oude tracé van de watergang die aan de zuidzijde van deze dijk liep en sinds 1370 het water van de kerspelen Middelbert en Engelbert naar het Lustigemaar afvoerde.

In de vijftiende eeuw komt die watergang in de bronnen voor als ‘Damstervaart’ en ‘Oude Damstermaar’.

Het linker pijltje wijst naar een spoor van de Borgwal en Borgsloot.

‘Eigen weg’ bij Ruischerbrug ‘Eigen weg’ bij Ruischerbrug

Deze weg ligt (lag?) in het verlengde van de Grasdijk. Op het grondgebied van het kerspel Garmerwolde is het Damsterdiep – in de vijftiende eeuw ook wel Groningerdiep genoemd! – gegraven door een bestaande kavelsloot die c. 300 meter ten noorden van en parallel aan de Grasdijk liep.

Bij Hinkemahorn Bij Hinkemahorn

De weg heeft dezelfde oriëntatie als de Grasdijk. We kijken naar het zuidwesten. De huizen staan aan de Harkstederweg.

Ten zuiden van deze weg heeft vermoedelijk het steenhuis Hoytekamahem gestaan waarvan onlangs sporen zijn opgegraven."22"

 ‘Darg’ bij Ruischerbrug (Hinkemahorn) ‘Darg’ bij Ruischerbrug (Hinkemahorn)

In de loop der eeuwen is veel moeite gedaan om de Hinkemahornsterweg in orde te krijgen en te houden. De inwoners van Duurswold moesten met zoden en wilgentenen een fundering voor de weg maken en werden herhaaldelijk opgeroepen om kapot gereden of verzakte stukken weg te repareren. Ook nu nog ligt dit stukje grond, waar de Borg en de Grasdijk op elkaar aansluiten, erg laag en is de grond er moerig.

Tot voor kort herinnerde ten zuiden van het Eemskanaal nog een vaag spoor aan de middeleeuwse Grasdijk, tegenwoordig is ook dat laatste overblijfsel verdwenen. Ten noorden van het Eemskanaal is hij echter nog goed te zien.

Grasdijk en Eemskanaal ten zuiden Garmerwolde Grasdijk en Eemskanaal ten zuiden Garmerwolde

Ten zuiden van Garmerwolde loopt de Geweideweg dood tegen de hoge dijk van het Eemskanaal. We staan op de kanaaldijk en kijken in noordoostelijke richting.
De huizen links op de foto staan aan de noordzijde van de Grasdijk, die ooit de grens vormde tussen twee verschillende verkavelingsblokken en tussen de kerspelen Garmerwolde in het noorden en de Heidenschap in het zuiden. Rechts zien we nog net het Eemskanaal, dat hier schuin door de middeleeuwse verkaveling loopt.

De naam van de dijk leeft voort in de straatnaam Grasdijkweg. De naam van de dijk leeft voort in de straatnaam Grasdijkweg.

We zullen nu de oude situatie ten noordoosten van Ruischerbrug nader bekijken.

Dijken en watergangen Dijken en watergangen

  1. Wyrkeszuidwending
  2. Borgwal
  3. Beijumerzuidwending
  4. Grasdijk met de waterlossing van de Heidenschap, Middelbert en Engelbert (‘Damstervaart’)
  5. Borgwal en Borgsloot bij Hinkemahorn

Klein Harkstede komt in de vijftiende eeuw als parochie voor, maar de bronnen zijn niet eenduidig. Van Heidenschap is minder bekend. De parochie van die naam heet in een register van c. 1450 vacua (‘leeg’) te zijn. Waarschijnlijk was de zielzorg toen al overgenomen door de pastoor van Garmerwolde. De kerk is in 1589 gesloopt. Misschien hebben Klein Harkstede en Heidenschap oorspronkelijk deel uitgemaakt van een veel groter Garmerwolde. Het is ook niet uitgesloten dat ze bij Scharmer hebben gehoord. De naam Scharmerzijlvest wijst in elk geval op de belangrijke positie van dat kerspel. Het kerspel Scharmer bestond in elk geval reeds in 1231. In dat jaar is de kerk in die nederzetting aan Wittewierum geschonken.

Overigens is de loop van de ‘Damstervaart’ (nr. 4 op het plaatje) niet zeker. Zoals in het vorige deel vermeld, is het denkbaar dat deze vaart ten westen van de huidige rioolwaterzuiveringsinstallatie van het Noorderzijlvest bij Garmerwolde aansloot op een bestaande watergang die oostwaarts liep en via de Kleisloot in het Lustigemaar uitkwam."23"

Hinkemahorn: Grasdijk hoek Borg Hinkemahorn: Grasdijk hoek Borg

We kijken naar het noorden. Hier sloten de Grasdijk en de Borg op elkaar aan. Een perceelsgrens met aan weerszijden verschillende gewassen is alles wat tot voor kort van een wellicht 1000 jaar oude grens restte.

Nu – in 2015 – is het laatste spoor van deze grens verdwenen.

 Tussen Noorddijk en Heidenschap Tussen Noorddijk en Heidenschap

Combinatie van het satellietbeeld en de AHN-hoogtekaart maakt allerlei bijzonderheden zichtbaar:

  • de relatieve hoogte van het Eemskanaal (bruin van kleur)
  • de laagte van Duurswold (het gebied op de rechterhelft van het plaatje)
  • sporen van waterlopen uit de tijd dat hier een veenlaag lag (tussen Noorddijk en Garmerwolde)
  • de Damsterwal (de noordelijke dijk langs het Damsterdiep)

De in de vijftiende eeuw aangelegde Damsterwal werd halverwege de zeventiende eeuw verbreed en opgehoogd om te dienen als trekpad langs de trekvaart naar Delfzijl. Sindsdien is de weg verschillende malen verder uitgebouwd. In de negentiende eeuw ging hij als weg nr. 41 deel uitmaken van het Rijkswegennet. Nu is deze weg bekend als N360.

De hoge ligging van het Eemskanaal illustreert de middeleeuwse waterproblematiek. In het Eemskanaal-Noord-Willemskanaal wordt tussen Farmsum en de sluis bij De Punt hetzelfde peil aangehouden (Winschoterpeil, 0,62m +NAP). Bij De Punt ligt het aanliggende land op een hoogte van ruim 2 meter boven NAP; het kanaal ligt daar dus bijna 1,5 meter lager dan het maaiveld. Bij de Grasdijk ligt het maaiveld op 1,25 m onder NAP, dat wil zeggen dat het Eemskanaal daar ruim 1,80 meter boven het peil van de landerijen ligt.

Het natuurlijke niveauverschil tussen De Punt en het lage land bij Garmerwolde bedraagt ongeveer 3,5 meter. Het spreekt voor zich dat de Ommelander Friezen er belang bij hadden om de ‘panden’ in Drenthe te slaan en te houden (zie de oorkondetekst van 1424 onder nr. 6 op p. 32).

Peilverschillen aan de Sluiskade Peilverschillen aan de Sluiskade

Het Winschoterpeil of Eems-Dollardpeil ligt op 0,62m +NAP, het Electrapeil (Reitdiep en Van Starkenborghkanaal) op 0,93m -NAP. Het verschil bedraagt dus een ruime 1,5 meter (bij de Oostersluis, de Sluiskade en de Dorkwerdersluis).
De groene aanslag op het beton van de sluiskolk geeft het peilverschil aan.

Het ‘Nije Diep’ (Damsterdiep) en de belendende kerspelen Het ‘Nije Diep’ (Damsterdiep) en de belendende kerspelen

In 1424 is het Damsterdiep even ten noorden van de Wyrkeszuidwending (de kerspelgrens met Middelbert) gegraven. Aan de oostzijde van Noorddijk kruiste het nieuwe diep de Borgwal en kwam het Fivelgoër kerspel Garmerwolde binnen.

Men had ervoor kunnen kiezen om het Oosterhamrikswater vanaf dit punt naar de watergang langs de Grasdijk te leiden waardoor Engelbert en Middelbert sinds 1370 afwaterden. Uit de akte van 1370 die we in deel 7 (De Hunze omgeleid, p. 7-10) hebben besproken, weten we dat de twee Drenterwolder kerspelen deze watergang samen met anderen moesten onderhouden. Met die anderen zijn wellicht de ingezetenen van het kerspel Heidenschap bedoeld. Niet voor niets vormt de Grasdijk de kerspelscheiding tussen Garmerwolde en Heidenschap. Gekozen werd echter voor een tracé dat zo’n 275 meter ten noorden van en parallel aan de Grasdijk liep, door het kerspelgebied van Garmerwolde en, verderop, Ten Boer.

De scheiding tussen Klein Harkstede en Heidenschap valt vrijwel geheel samen met het uit 1659-1660 daterende Slochterdiep. Alleen een smal gérend streepje land bij de Grasdijk hoort bij het kerspel Heidenschap hoewel het aan de zuidzijde (de ‘Harksteder kant’) van het Slochter- of Rengersdiep ligt.

 De situatie tussen Hinkemahorn en De Rollen op een 19e eeuwse kaart  (GrA T817-3577, bewerkte uitsnede) De situatie tussen Hinkemahorn en De Rollen op een 19e eeuwse kaart (GrA T817-3577, bewerkte uitsnede)

Het pijltje wijst naar een gérend stukje land ten zuiden van het Slochterdiep dat bij het kerspel Heidenschap behoort.

Het perceleringspatroon van het gebied tussen de Grasdijk en het Slochterdiep (de Heidenschap) wijkt hier af van wat de kadasterkaart en de oude topografische kaart laten zien. Daar komen de verkavelingspatronen van de Heidenschap en Klein Harkstede met elkaar overeen, zodat de indruk ontstaat dat deze gebieden oorspronkelijk één ontginning  zijn geweest.

Men zou kunnen denken dat dit gebied ooit bij Garmerwolde heeft gehoord en dat er, na de aanleg van de Grasdijk en de afwatering erlangs, uit praktische overwegingen nieuwe kerspelen zijn gesticht. Een ander scenario is echter meer waarschijnlijk: de kolonisatie van het gebied van Heidenschap en Harkstede staat los van die van Garmerwolde en is begonnen vanaf de waterloopjes in deze buurt. De Grasdijk is dan de waterscheiding en organisatorische grens tussen de verschillende nederzettingen.

De verkleinde dertiende-eeuwse kerk van Garmerwolde De verkleinde dertiende-eeuwse kerk van Garmerwolde

De romano-gotische kerk van Garmerwolde dateert uit het derde kwart van de dertiende eeuw. In de negentiende eeuw wilde men het hele gebouw afbreken. In 1859 ging het schip inderdaad tegen de vlakte. Alleen het transept en het koor bleven gespaard.

Oorspronkelijk was de dertiende-eeuwse kerk van Garmerwolde opmerkelijk groot. Zou deze kerk destijds ‘op de groei’ gebouwd zijn, met het oog op de ontginningen in het gebied dat later Heidenschap werd genoemd? Of is het omgekeerd: herinnert ze aan een tijd van voorspoed die in de dertiende eeuw al op haar einde liep? Mogelijk is er een periode geweest waarin het de parochianen van Garmerwolde zozeer naar den vleze ging dat ze een nieuwe grote kerk wilden waarin ruimte was voor vele altaren die door evenzovele vicarissen werden bediend.

Oude landwegen.  1.  Wyrkeszuidwending 2.  Borgwal 3.  Buursterzuidwending of Stadsweg 4.  Grasdijk  5.  Stadsweg (gemeente Groningen) Oude landwegen. 1. Wyrkeszuidwending 2. Borgwal 3. Buursterzuidwending of Stadsweg 4. Grasdijk 5. Stadsweg (gemeente Groningen)

Voordat het ‘Nije diep’ of ‘Groningerdiep’ (het Damsterdiep) was gegraven, liep de oudste landweg naar de oostelijke gewesten over de Wyrkeszuidwending. Bij de Borg kon men linksaf om via de Buursterzuidwending (nu Stadsweg) naar Ten Boer te gaan of rechtsaf om zich via de Grasdijk oostwaarts of via de Borgwal zuidoostwaarts in de richting van Duurswold te begeven.

Waarschijnlijk dienden de smalle watergangen langs dezelfde route ook als schipsloten. Dat lijkt te volgen uit het feit dat de sloot die aan de zuidzijde langs de Grasdijk liep en die in 1370 benut werd voor de afleiding van het water van Middelbert en Lettelbert, in een oude bron ‘Damstervaart’ wordt genoemd."24"

Ik vermoed dat het tracé van de Stadsweg in het kerspelgebied van Noorddijk kort na de aanleg van het Damsterdiep tot stand is gekomen."25" Voor het verkeer van en naar Duurswold en het Oldambt werd oudtijds vooral de Ulger- of Olgerweg gebruikt (niet op het kaartje). Uit de inlatingsakte van Middelbert en Engelbert van 1370 weten we dat de Groningers toen bezig waren met een andere weg, die ze ‘Hinkemahorn’ noemden. Deze naam zal te maken hebben met de vreemde knik die de Borg hier maakt.

Op dit plaatje is linksonder over de Borgsloot een brug getekend en met een rode stippellijn een hypothetische weg aangegeven. Het is niet helemaal duidelijk hoe de oude situatie hier – bij Hinkemahorn – is geweest en welke veranderingen hier wanneer hebben plaatsgevonden. Het is denkbaar dat de hier getekende ‘Hinkemahornstertil’ de ‘houten brug’ is waarvan in de oorkonde van 1424 onder nummer 7 melding wordt gemaakt. Zoals bij de bespreking van die tekst is aangegeven, was het tracé voor het nieuwe kanaal nog niet vastgesteld toen de afspraken werden gemaakt. Men hield op dat moment wellicht nog rekening met de mogelijkheid dat de sloot ten zuiden van de Wyrkeszuidwending zou worden verbreed en dat men deze bij de Hinkemahorn zou willen aansluiten op de oude ‘Damstervaart’ langs de Grasdijk. In dat geval zou vermelding van de brug over de Borgsloot bij Hinkemahorn zinvol zijn."26"

Hinkemahorn op de oude topografische kaart Hinkemahorn op de oude topografische kaart

De naam ‘Hinkemahorn’ staat op de ‘chromotopografische kaart’ bij het streekje ten zuiden van het Eemskanaal. De voormalige waterlossing van Middelbert en Engelbert is aangegeven als ‘Het Oude Maar’. Goed is te zien dat het Slochterdiep gegraven is vanaf de plek waar het Damsterdiep de Borgsloot kruiste.

Bij Hinkemahorn was de grond ‘dargachtig’ en slap, zodat de weg daar veel onderhoud vergde.

Meerstad in aanleg Meerstad in aanleg

Hoe dargachtig de grond in de Hinkemahorn ook is, in verband met de aanleg van Meerstad gaat de hele zaak op de schop. Daarmee verdwijnen de laatste sporen van de vroegere infrastructuur.

Shovels aan de Borgsloot Shovels aan de Borgsloot

In de ‘oksel’ tussen het Eemskanaal en de Borgsloot werd in de herfst van 2013 druk gegraven.  Op de achtergrond zien we de huizen aan de Harkstederweg te Ruischerbrug. Die weg liep naar de oude Draaibrug nr. 3 over het Eemskanaal, die even ten oosten van de huidige Borgbrug lag.

De watergang op de foto draagt weliswaar de eeuwenoude naam van Borgsloot, maar is pas gegraven in het kader van de verbreding van het Eemskanaal aan het eind van de jaren vijftig van de vorige eeuw. Hij komt enkele tientallen meters ten zuiden van de Slochtersluis in het Slochterdiep uit.

 Damsterdiep en Lustigemaar Damsterdiep en Lustigemaar

  1. Damsterdiep
  2. Waterlossing van Heidenschap, Harkstede, Middelbert en Engelbert (Oude Damstervaart, veronderstelde loop)
  3. Lustigemaar
  4. Westerwijtwerdermaar of Stedumermaar

De voormalige bedding van de Fivel is herkenbaar als een hoge rug, vooral tussen Woltersum en Ten Post.

Volgens P.M. Bos (‘De Fivel en hare verzanding’) liep het Lustigemaar oorspronkelijk verder naar het noordwesten  (Westerwijtwerdermaar). Dat is een interessante gedachte die nadere overweging verdient. Zeker is wel dat men ten behoeve van de afvoer van het door dit maar en het Lustigemaar aangevoerde water een gemeenschappelijke watergang heeft gegraven in de richting van Ten Post. Daarvoor werd gebruik gemaakt van een van de kavelsloten die het land tussen Ten Boer en Ten Post indeelden. Even ten westen van Ten Post sloot het rechte kanaaltje aan op een oude Fivelkronkel. Vanaf die plek volgde het water – met een paar aanpassingen – enkele stukjes oude rivierbedding tot aan de Mude bij Winneweer (de plaats waar de Delf richting Eems aftakte).

Monding van het Lustigemaar in het Damsterdiep: eindpunt van het door de Groningers te graven kanaal Monding van het Lustigemaar in het Damsterdiep: eindpunt van het door de Groningers te graven kanaal

Links de monding van het het Lustigemaar (met camping en kanoverhuurbedrijf ‘De Banjer’), rechts het Damsterdiep. In de verte is het torentje van Woltersum zichtbaar.

Bij het Cortinghuis (1424) Bij het Cortinghuis (1424)

  1. Tochtsloot van het Westerhamrik
  2. Selwerderdiep (omgelegde Hunze)
  3. Kleisloot met de Kleiweg daarlangs
  4. Hunze
  5. Afvoerkanaal voor het Westerhamrik

Het pijltje wijst naar de ‘grondzijl’, waardoor het water van het Westerhamrik onder het Selwerderdiep door naar het Oosterhamrik stroomde.

De Tie is oranje, het Lot geel gearceerd. Het oude Oosterhamrik heeft een vlakke oranje kleur, het gedeelte dat er na de omlegging van de Hunze aan toegevoegd is, heeft een oranje arcering.

Om de zaak niet al te onoverzichtelijk te maken heb ik de kort tevoren gegraven Nye Graft weggelaten.

Toen het Groninger Oosterhamrik in 1424 in het Scharmerzijlvest werd ingelaten, werden strenge eisen gesteld aan de afdichting van deze polder. Er mocht via het Oosterhamrik geen vreemd water het gebied van het Scharmerzijlvest binnenkomen.

In het bijzonder ten noorden van de stad Groningen noopte deze eis tot bijzondere maatregelen. Het water van het Westerhamrik liep sinds de omleiding van de Hunze omstreeks 1400 via een ‘grondzijl’ (duiker met klep; bij het pijltje) onder het Selwerderdiep door naar de Kleisloot en het watergangensysteem van het Oosterhamrik. Na de inlating van het Oosterhamrik in het Scharmerzijlvest mocht dat niet meer. In de akte van 1424 lezen we onder punt 13: ‘Die van Groningen zullen het water van hun Westerhamrik niet leiden langs de weg voor het Cortinghuis (de Kleiweg), maar door het Lot naast de grondzijl.’ Het Scharmerzijlvest was bang dat anders vreemd water (vanuit het Westerhamrik) het eigen gebied binnen kon komen. De doorgang onder de Kleiweg (op het kaartje aangegeven met een rode lijn langs de Kleisloot) moest worden gedicht (het zwarte blokje op het kaartje!) en het water van het Westerhamrik moest vanaf de grondzijl evenwijdig aan het Selwerderdiep naar de Hunzebedding bij het Cortinghuis worden geleid. Het daartoe aangelegde kanaaltje (5) mondde even boven het Selwerderdiep in de oude Hunzebedding uit.

Later in hetzelfde jaar, op 5 december 1424, werd nog een aanvullende overeenkomst gesloten: de prelaten, hoofdelingen en rechters van de Acht Zijlvesten – met uitzondering van Kropswolde – en de buren van het Oosterstadshamrik, verklaarden dat ze zich zouden houden aan de afspraken die in 1343 waren gemaakt over het ‘suderwater, de loedycken, de panden en de Prumesleke’."27" De betreffende akte uit 1343 is niet bewaard gebleven; alleen door deze vermelding weten we dat ze bestaan heeft.

In december 1424 werd afgesproken dat de Acht Zijlvesten in het vervolg de ‘ammerykedycken’ – hier zijn waarschijnlijk de oude Hunzedijken van Engelbert en Middelbert bedoeld – samen zouden schouwen alsmede de dijken van het Groninger Oosterhamrik en de Wolddijk. Er zouden gemeenschappelijke ‘warven’ (bijeenkomsten) worden gehouden in Ten Boer. Deze punten zouden van kracht blijven totdat men Kropswolde en Westerbroek zover zou hebben gebracht dat ze zouden meewerken of dat ze rechtens vrijgesteld zouden worden. Het stuk werd bezegeld door burgemeesters en raad van Groningen, de abt van Ten Boer en Herder Ludynge.

De akte van 5 december 1424 doet denken aan de aantekening op de oorkonde 14 augustus 1317 waarin bepalingen voor het Zijlvest der Drie Delfzijlen werden vastgelegd,"28" en aan een passage in de Focko Ukena-keuren van 25 april 1427"29": ‘Item zo sallen alle lande daerto helpen dat de Drenthen ende anders lude de van oldes schuldich hebben gheweest ende synt noch schuldich de pand van der Ommerik, Drent ende Krepiswolde nederwert to holden, dat zy de holde updat de arme lude binnen dijck ende anders in Vreeslant also yammerlik nicht van horen water worde voerdervet, ende ist noet, zo bidden al Umlant Focken, Hisseke ende Ymelen, hovedelinghe over de Eemze ende hoer vrunden dat ze hem daerto willen helpen.’

De betekenis van deze passage is me niet in alle opzichten duidelijk, maar ik meen erin te lezen dat alle Ommelanders het hunne zullen doen om druk uit te oefenen op de Drenten en de anderen die van oudsher verplicht zijn om de keringen van Ommerke, Drenthe en Kropswolde te onderhouden, opdat de arme mensen binnendijks en elders in de Friese Ommelanden niet jammerlijk door hun water worden verdorven; en als het nodig is moeten de Ommelanders de Oostfriese hoofdelingen Focko Ukena van Leer, proost Hisko Abdena van Emden en Ymele to Grimersum om hulp vragen.

Het Westerstadshamrik, Selwerd en Paddepoel ingesloten Het Westerstadshamrik, Selwerd en Paddepoel ingesloten

Na 1424 waren er nog enkele gebieden die ingesloten waren tussen A en Hunze: het Westerhamrik (op het kaartje oranje gearceerd), Selwerd en de Paddepoel (aangegeven met een gele arcering). Sinds het graven van het rak Dorkwerd-Platvoetshuis"30" zat ook de Hoge Paddepoel, onderdeel van het Hunsingoër kerspel Wierum, in hetzelfde schuitje.

In 1434 volgde het Groninger Westerhamrik het voorbeeld dat het Oosterhamrik tien jaar eerder had gegeven en trad toe tot het Scharmerzijlvest. De inlatingsakte van het Westerstadshamrik is vooral interessant doordat dit stuk allerlei details duidelijk maakt die tot dusver raadselachtig zijn gebleven.

Het kan geen kwaad om op deze plaats nog eens te wijzen op de verwarrende omstandigheid dat er in het verleden sprake is geweest van twee verschillende Westerstadshamrikken."31" Hier hebben we het over het Westerstadshamrik dat ten oosten van het Reitdiep ligt, het andere Westerstadshamrik ligt ten westen van het Reitdiep en hoort onder het Aduarderzijlvest. Het omvatte onder meer het gebied dat in de vijftiende eeuw ‘Westerdijk’ werd genoemd.

De inlating van het Westerhamrik in het Scharmerzijlvest (1434) De inlating van het Westerhamrik in het Scharmerzijlvest (1434)

De watergang die ten behoeve van het Westerhamrik vanaf de Grondzijl parallel aan de Kleiweg naar de Borgham was gegraven (nr. 5 op het kaartje ‘Bij het Cortinghuis’ op p. 50), voldeed niet. Waarschijnlijk ondervond het teveel concurrentie van het Selwerderdiep, dat 125 meter verder naar het westen in de oude Hunzebedding uitmondde. Daardoor kon het Westerhamrik zijn water niet kwijt. Dat moet de reden zijn geweest waarom na korte tijd ook het Westerhamrik tot het Scharmerzijlvest toetrad.

De originele inlatingsakte van het Westerhamrik dateert van 10 november 1434, maar is niet bewaard gebleven. De oudste tekst bevindt zich in een vidimus (een geauthentiseerd afschrift) van 24 februari 1629. Die tekst is daarna ingeschreven in een achttiende-eeuws register.

De ‘fundatiebrieven’ van het Generale Zijlvest der Drie Delfzijlen De ‘fundatiebrieven’ van het Generale Zijlvest der Drie Delfzijlen

De archiefbeschrijving van dit boek luidt: ‘Register van “fundatiebrieven”, akten betreffende het zijlvest der Drie Delfzijlen uit de periode 1285-1751, met inhoudsopgave. Afschrift.’

Dit achttiende-eeuwse register (met het opschrift ‘Het Recht der Drie Delfzylen als Slogter, Scharmer en Dorpster Zyll’) is aangelegd in het kader van de verbetering van de bestuurlijke organisatie van het gewest Stad en Lande, waardoor de Hoge Justitiekamer een controlerende functie kreeg op het terrein van de waterstaatszorg.

Vanwege de grote omvang van de inlatingsakte van het Westerhamrik beperk ik me nu tot het geven van een overzicht van de belangrijkste punten in hedendaags Nederlands.

GrA T708-63 (10 november 1434)"32"

 

Burgemeesters en raad van Groningen en de gezamenlijke buren en ingelanden van het Westerstadshamrik enerzijds en abt Dyurd en het convent van Ten Boer met de gezamenlijke rechters en gemeenschap van Scharmerzijl anderzijds, sluiten een overeenkomst over de voorwaarden waaronder de buren en ingelanden van Groningen met het Westerhamrik door de sluis van het zijlvest in Delfzijl zullen mogen uitwateren.

[1]

Het Westerhamrik zal zijn dijken dicht houden en twee voet verhogen, aan de bovenkant een halve roede breed, om het Westerhamrik heen, van de stad bijlangs het Westerdiep(1) tot aan de Kadijk(2); de Kadijk moet zo hoog en sterk gemaakt worden als de dijk langs het Westerdiep, dan oostwaarts om tot aan de Grondzijl en dan tot aan de Tie bij de Steentil(3), zodat geen vreemd water binnenkomt van het Westerdiep, van de Paddepoel of van het Oosterdiep(4).

  1. Reitdiep
  2. Penningsdijk, de grens tussen de Stadstafel en Selwerd
  3. zie het volgende kaartje
  4. Hunze

[2]

Het Westerhamrik moet een schotdeur maken bij de Grondzijl. Die moet neergelaten worden wanneer de dijken van het Westerhamrik breken.

[3]

De buren en ingelanden van de beide stadshamrikken en die van het Scharmerzijlvest zullen samen de Hamrik- en Groninger dijken(1) schouwen zo vaak zij willen, maar die van het Scharmerzijlvest mogen alle dijken schouwen, ook wanneer de anderen dat niet willen.

  1. Welke dijken zijn hier bedoeld? Dit is een echo van de eerder genoemde akte van 5 december 1424.

[4]

Die van het Westerhamrik zullen de watering die ze hebben van de Grondzijl door het Lot bij het Cortinghuis naar de ‘Olden Ae’(1), dempen en afsluiten. Ze moeten de dam zo sterk en hoog houden, dat er geen vreemd water binnen kan komen.

  1. De Hunze. Het Scharmerzijlvest is nog altijd bevreesd voor water dat via de Hunzebedding binnen zou kunnen komen.

[5]

Het Westerhamrik mag en zal een zijl leggen door de Sint Walfridusweg(1), twee oude muurstenen breed en twee oude muurstenen hoog.

  1. Bedumerweg.

[6]

Het Westerhamrik moet de Scharmerzijlvesten naar vermogen bijstaan, opdat de panden boven in Drenthe(1) geslagen en gehouden worden.

  1. Het slaan en houden van de waterkeringen in Drenthe. Zie daarover ook de eerder genoemde akten van 1343, 1424 en 1427. Het gaat om een gemeenschappelijke verplichting van de Acht Zijlvesten: allen moeten helpen om de Drenten te dwingen hun water binnen de perken te houden.

[7]

De buren en ingelanden van het Westerhamrik moeten meehelpen met het onderhoud van het nieuwe diep(1) dat het Oosterhamrik naar het Lustigemaar heeft gegraven, en dat van de zijl bij Oosterhoogebrug. Verder moeten ze ‘gras gras gelijk’(2) meewerken aan het onderhoud van dijken en mondingen tot aan Popemahuis.(3)

  1. Damsterdiep
  2. Naar rato van de omvang van hun grondbezit
  3. Ekenstein

[8]

Het Westerhamrik en het Oosterhamrik zullen samen een zijlrechter hebben voor de Scharmerzijl, waarbij elke drie jaar wordt gewisseld.

[9]

Wanneer iemand in de toekomst de ‘Ammercke dijcke’(1) of de dijken van de twee Groninger hamrikken, of een van deze met geweld doorgraaft, dan zal dat onheil gezamenlijk worden gekeerd.

  1. Waarschijnlijk de legendarische Ommerke die voor het eerst in de inlatingakte van 1370 wordt genoemd. Uit een akte van 1548 kan men opmaken dat de westelijke dijk van Engelbert bedoeld  wordt."33"

[10]

De akte wordt bezegeld door burgemeesters en raad te Groningen.

[11]

Gedaan op Sint Maartens avond 1434 (10 november 1434).

Het Westerhamrik in 1434 Het Westerhamrik in 1434

  1. Westerdiep (Drentse A)
  2. Kadijk of Penningsdijk, de noordelijke grens van de Stadstafel
  3. Oosterdiep (Hunze)
  4. Hoofdwatergang van het Westerhamrik
  5. Kleisloot en Kleiweg
  6. Korreweg met sloot
  7. Schuitendiep-Selwerderdiep

De Tie is het oranje-gearceerde gebied bij de kop van de Korreweg. Hier bevinden zich op korte afstand van elkaar de in de akte van 1434 genoemde Steentil (Scharenslijpersbrug) en de Grondzijl, de ‘onderleiding’ waardoor het water van het Westerhamrik onder het Selwerderdiep door naar het Oosterhamrik stroomde.

Op het volgende plaatje is dit duidelijker te zien.

Bij het Cortinghuis (1434).  Aangegeven zijn de Tie (met oranje arcering) en ’t Lot (geel gearceerd). Bij het Cortinghuis (1434). Aangegeven zijn de Tie (met oranje arcering) en ’t Lot (geel gearceerd).

Het plaatje laat zien welke wijzigingen bij de inlating van het Westerhamrik in het Scharmerzijlvest werden geëist. De watergang die het Westerhamrik op grond van de inlatingsakte van het Oosterhamrik van 1424 door ’t Lot in de richting van het Cortinghuis had moeten maken is nu afgedamd en op het plaatje weergegeven met een doorzichtige lichtblauwe lijn. De dam die op grond van bepaling 13 van de inlatingsakte van het Oosterhamrik in de tochtsloot van het Westerhamrik had moeten worden gelegd tussen de Grondzijl en de Kleiweg, is uitgegraven. In plaats daarvan is een schotdeur (een zwart blokje) geplaatst die gesloten kon worden wanneer een van de Westerhamriksdijken zou breken en er via de tochtsloot ‘vreemd’ water het Scharmerzijlvest zou kunnen binnenkomen.

Ook de Scharenslijpersbrug of Steentil is ingetekend. Deze brug diende het landverkeer dat vanaf de Tie het Selwerderdiep moest kruisen om op de Kleiweg te komen.

Reitdiep en Damsterdiep op de kaart van Sebastianus Munsterus (1489-1522) Reitdiep en Damsterdiep op de kaart van Sebastianus Munsterus (1489-1522)

We zien Noordwest-Europa op zijn kop. In de cirkel ligt Groningerland. Links van de stad Groningen het Damsterdiep, rechts van de stad het Reitdiep.

Het graven van het Damsterdiep had ingrijpende economische en politieke gevolgen. Het opende voor de Groningers de weg naar de Eemsmond, waar ze stuitten op de Hamburgse invloedssfeer. De grote Hanzestad had zich meester gemaakt van Emden om vanuit dat steunpunt de zeeroverij vanuit Oostfriese havens te bestrijden.

Zegel van de stad Hamburg Zegel van de stad Hamburg

In 1434 sloten Groningen en Hamburg een voorlopige vrede, die weldra definitief werd.

Groningen en de Eemsmond. Aangegeven zijn, behalve het Damsterdiep, de sterkten van Ripperda in Farmsum, Houwerda in Termunten en Gockinga in Zuidbroek. Groningen en de Eemsmond. Aangegeven zijn, behalve het Damsterdiep, de sterkten van Ripperda in Farmsum, Houwerda in Termunten en Gockinga in Zuidbroek.

Door het graven van het Damsterdiep ontstond er een goede vaarverbinding tussen Fivelgo en de stad. Ook het Oldambt, dat tot dusver erg geïsoleerd was geweest en op het oosten was georiënteerd, kwam nu binnen de invloedssfeer van Groningen.

De Groningers wilden hun stapelrecht ook in deze oostelijke streken erkend zien. Ze kwamen daardoor in conflict met de Ripperda’s van Farmsum (Fivelgo), de Houwerda’s in Termunten (Klei-Oldambt) en de Gockinga’s in Zuidbroek (Wold-Oldambt). Ze dwongen de Ripperda’s tot samenwerking en slaagden erin de Oldambtster hoofdelingen uit te schakelen. Zo ontstond de latere ‘stadsjurisdictie’ Oldambt.

16.

Gedrukt: Driessen, Monumenta Groningana II, 271-274; zie voor de originele tekst ook Bijlage 2 en de website van Cartago

17.

RF Hs in folio 13b, 793 (GrA T835-13b).

18.

Formsma e.a., Ommelander borgen en steenhuizen, 391-392.

19.

G&DW 4, Schilligeham, Redwolde en Paddepoel, hoofdstuk 4.2 ´Zijlen bij Schilligeham (1323)’ p. 6.

20.

Van den Broek, Groningen, een stad apart, 26-27.

21.

Wobbe de Vries, ‘Groninger topographica’, in: Nomina Geographica Neerlandica; Geschiedkundig onderzoek der Nederlandsche aardrijkskundige namen, uitgegeven door het Koninklijk Nederlandsch Aardrijkskundig Genootschap X (1936) 97-163, aldaar 100.

22.

Zie J.R. Veldhuis, Een archeologisch inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven (IVO-P) in het plangebied Meerstad, gemeente Groningen (Gr), met een bijdrage van K.L.B. Bosma. ARC-Rapporten 2010-206, Groningen, 2011, ISSN 1574-6887. Zie ook G&DW 7, De Hunze omgeleid.

23.

G&DW 7, De Hunze omgeleid, hoofdstuk 7.1 ‘Middelbert en Engelbert (1370)’.

24.

GrA T1357-559 (30 maart 1419).

25.

Een publicatie over de Stadsweg is in voorbereiding.

26.

Meer over dit alles in het ‘Zijpad Hinkemahorn

27.

GrA T708-59 fol. 46, reg.nr. 12. Zie G&DW 4, Schilligeham, Redwolde en Paddepoel, hoofdstuk 4.5 ‘Tussen Harssens en de Mude’.

28.

OGD I 255.

29.

GrA T2-20 (RF 1427.20).

30.

Zie hierboven onder 8.1: ‘Het Westerdiep naar Wierum’.

31.

Zie hierboven, p. 28.

32.

Een transcriptie van de tekst vindt men als Bijlage 3 bij dit deel, in Driessens Monumenta II, 274-278   en op http://www.cartago.nl/oorkonde/mgd074e.xml.

33.

GrA T708-75 reg.nr. 62 (1548).