Zoek op de website

9.1	‘Twe staddepen’

 De ‘twe staddepen’ met elkaar verbonden (1470) De ‘twe staddepen’ met elkaar verbonden (1470)

We zijn nu toe aan de bespreking van een bijzonder ingrijpende en gevolgenrijke gebeurtenis: de omlegging van het Hunzewater langs de noordzijde van de stad naar het westen. Merkwaardigerwijs vinden we ook van deze ingreep in de archieven geen vermelding. Toch zijn er in de schriftelijke bronnen een paar aanwijzingen die de veronderstelling ondersteunen dat in 1470 of 1471 Hunze en A op de noordwestelijke hoek van de stad bijeen zijn gebracht, en niet in 1522-1523, zoals vaak wordt geschreven.

In de eerste plaats is er de vermelding in een kroniek van ‘twe staddepen’ als de plaats waar een nieuwe toren (de Kranetoren) werd gebouwd."1" Er zijn goede gronden om aan te nemen dat met die twee stadsdiepen het Schuitendiep en het Hoornsediep, ofwel Hunze en Drentse A, zijn bedoeld."2" Ook Ubbo Emmius deed dat in zijn grote geschiedwerk over de geschiedenis van Friese landen."3" Verder is er een akte uit 1473, die doet vermoeden dat het Selwerderdiep een functiewijziging heeft ondergaan."4"

Tot het met elkaar in verbinding brengen van de twee in oorsprong Drentse stromen kunnen militaire, nautische en waterstaatkundige motieven aanleiding hebben gegeven. Of men deze drie verschillende motieven destijds heeft onderkend weten we niet. Maar achteraf zijn ze wel te onderscheiden.

De verschillende fasen in de ontwikkeling van de vesting Groningen De verschillende fasen in de ontwikkeling van de vesting Groningen

  1. Boteringepoort
  2. Ebbingepoort
  3. Poelepoort
  4. Oude Oosterpoort
  5. Oude Herepoort
  6. (Binnen) A-poort
  7. A-poort
  8. Kranepoort
  9. Herepoort
  10. Oosterpoort
  11. Steentilpoort (1517)
  12. Marwixpijpen (1529)
  13. Papenpoortje (ca. 1530)

Het kaartje is afkomstig uit de Historische atlas van de stad Groningen door Meindert Schroor."5"

Op het bovenstaande kaartje staat bij de Ebbingepoort (2) het jaartal 1523. Deze datering is ontleend aan de passage in de kroniek van Sicke Benninge, op grond waarvan velen van mening zijn dat Hunze en A in dat jaar met elkaar in verbinding zijn gebracht."6"

We zien de middeleeuwse muur (de rode lijn) en de bijbehorende gracht (lichtblauw), de wal van 1470 (donkerblauw), het bolwerk uit de Gelderse tijd en de modernisering van halverwege de zestiende eeuw (oranje) met de buitenste stadsgracht (de dikke blauwe lijn). Hierbij moet worden aangetekend dat de middeleeuwse stadsmuur aan de zuidwestzijde zeker heeft doorgelopen tot aan de Brugstraat. Het is niet duidelijk hoe de oostelijke kade eruit gezien heeft tussen de Brugstraat en het stukje muur dat nog in de noordwesthoek te zien is. Het lijkt erop dat daar, aan het tegenwoordige Hoge der A, geen muur heeft gestaan en dat men erop vertrouwde dat vanuit het westen, waar de oever laag was en het aangelegen land drassig, geen gevaar te duchten was."7"

Rond 1470 hadden de oude stadsmuren van Groningen afgedaan. Om het moderne geschut op afstand te houden had een stad geen stenen muren, maar aarden wallen nodig waarin kogels konden ‘smoren’. Die werden in 1470-1471 aangelegd, waarbij de Ommelanders kwamen helpen. Tegelijk werden nieuwe grachten gegraven. Aan de noord- en zuidzijde moest men diepe geulen in het keileem van de Hondsrug graven om water in de gracht te kunnen krijgen. Om de noordelijke gracht van water te voorzien leidde men het door het Schuitendiep aangevoerde Hunzewater door de nieuwe gracht heen.

Aan de westzijde legde men de wal op de westelijke oever van de A, of liever: op het eiland dat gevormd werd door A en Menrediep ter hoogte van de huidige Sledemennerstraat. Hier bevond zich de middeleeuwse haven van de stad. In verband met de fortificatie van het eiland tussen A en Menrediep verplaatsten de havenactiviteiten zich naar de plek waar de ‘twe staddepen’ bij elkaar kwamen (de huidige ‘Hoek van Ameland’). Dat was daarvoor een gunstige plaats, want de constante aanvoer van rivierwater door A en Hunze verhinderde opslibbing.

Bij de noordwesthoek van de nieuwe wal, en wel aan de binnenkant ervan, bouwde men een hoge toren. Die was nodig om over de wal te kunnen kijken. Sicke Benninge noemt deze toren later de Kranetoren, Ubbo Emmius spreekt – waarschijnlijk misleid door latere afbeeldingen, zoals die van Braun en Hogenberg uit 1575 – van een ‘bakstenen bolwerk’ (‘propugnaculum lateritium’)."8"

Overigens was het nog niet zo eenvoudig om de Hunze ten noorden van de stad met de A te verbinden. Hiertoe moest de hoogte van de Hondsrug worden doorgraven. In de jaren negentig van de vorige eeuw is bij het graven van de put voor de parkeergarage op de Ossenmarkt vastgesteld dat de diepte van de gracht buiten het rondeel bijna 7 meter is geweest. De bodem van de gracht lag op -2,70 NAP. Onder in de gracht bevond zich een 1 meter dik pakket van zand- en kleilaagjes, waarschijnlijk als gevolg van getijdenwerking."9"

De nieuwe wal verdringt de haven De nieuwe wal verdringt de haven

Bewerkte uitsnede van de stadsplattegrond van Braun en Hogenberg uit 1575. De weergegeven situatie is die van de late zestiende eeuw.

De gracht en hoge wal links van het Menrediep dateren in eerste aanleg uit de Gelderse tijd (1514-1536). Ze hebben nog ingrijpende veranderingen ondergaan in de jaren 40 en 50 van de zestiende eeuw.

Vermoedelijk dienden de oevers langs A en Menrediep, in feite een eiland tussen de beide watergangen, in de middeleeuwen als losplaatsen. Zoals we zagen werd in de jaren 1470-1471 de nieuwe wal over het eiland heengelegd.

De vereniging van A en Hunze bij de Hoek van Ameland had ook een gunstige uitwerking op de waterstaatkundige situatie rondom de stad Groningen, maar we weten niet of dit effect een bewust nagestreefd doel is geweest. Door de afleiding van het door het Schuitendiep aangevoerde Hunzewater hoefde het vanuit Drenthe afkomstige water in elk geval niet meer over de Hoge Paddepoel heen. Dat was uiteraard gunstig voor de hoge kerspelen, maar evenzeer voor de aan de rivier gelegen lagere gebieden. We zagen dat de Paddepoel juist al heel lang een lelijk obstakel vormde voor een goede waterbeheersing.

In het (onwaarschijnlijke) geval dat de ‘zeesluizen van 1365’ tussen Harssens en de Mude er in 1470 nog zijn geweest, hebben ze door de omlegging van het Schuitendiep hun regulerende functie verloren. Ze zouden na 1470 alleen nog gediend kunnen hebben als uitwateringssluizen voor het Selwerderdiepje, dat vanaf dat tijdstip enkel een lokale rol speelde.

De noordwesthoek van de stad Groningen volgens Braun en Hogenberg (1575) De noordwesthoek van de stad Groningen volgens Braun en Hogenberg (1575)

  1. Reitdiep
  2. Lopendediep (Hunze/Schuitendiep)
  3. Kranetoren
  4. Nieuwebrug
  5. Stadsgracht
  6. Menrediep
  7. Drentse A/Hoornsediep.

Links boven het midden zien we de oude kraan; daarnaast de toren ‘an de twe staddepen’ (3), die door kroniekschrijver Sicke Benninge ‘Cranetooren’ wordt genoemd.

In de kroniek die doorgaans wordt aangeduid als ‘de kroniek van Johan van Lemego’, lezen we dat deze toren in 1471 is gebouwd. Deze was nodig om over het nieuwe bolwerk heen te kunnen kijken. Mede door de omlegging van de Hunze kon men na de aanleg van het bolwerk de nieuwe stadshaven op deze plaats inrichten.

In de jaren 1469-1471 zal de ‘Nije brugge’ over de A duidelijker herkenbaar zijn geweest dan op dit plaatje het geval is. Hier zien we een open ruimte in plaats van een brug. Enkel een schuit doet vermoeden dat onder dit plein een brug schuilgaat.

De twee Kranepoorten op de afbeelding bestonden honderd jaar eerder al wel. Rechts zien we de oude Kranepoort in de middeleeuwse stadsmuur. Deze poort werd ‘Lutke Kranepoort’ genoemd. Links is de nieuwe Kranepoort in het zestiende-eeuwse bolwerk afgebeeld. Die van het jaar 1470 zal wat verder naar het oosten hebben gestaan.

Op de westelijke oever van het Reitdiep, links boven op het plaatje, staat een tweede, nieuwe kraan. Deze is, blijkens de stadsrekeningen van die jaren, in 1569-1570 gebouwd. Tien jaar later, op 10 mei 1580, ging ze in vlammen op, aangestoken door de Staatsgezinde troepen die Groningen belegerden nadat de stad samen met stadhouder Rennenberg de zijde van koning Filips II had gekozen.

Zoals gezegd wordt doorgaans aangenomen dat Hunze en A pas in 1523 met elkaar in verbinding zijn gebracht. Men baseert zich daarbij op de volgende passage in de kroniek van Sicke Benninge: ‘De stadt graft tusschen Botteringe poorte ende Cranen toren wordt in dessen voergenoemden jaer gegraven; ende dat deden sommige karspelen gelegen in Vrieslandt, de eertijts niet voer de stadt gegraven hadden. Ende de stadt leet daer twe nije stenen toren maken int bolwerck, men de worden niet reede in den selven iare.’

‘De stadsgracht tussen de Boteringepoort en de Kranetoren werd in dit jaar uitgegraven. Daaraan werd medewerking verleend door Ommelander kerspelen die eerder geen graafwerk ten behoeve van de stad hadden verricht. Het stadsbestuur liet daar twee nieuwe torens in het bolwerk bouwen, maar die werden in hetzelfde jaar nog niet voltooid.’"10"

Het werkwoord ‘graven’ in de originele tekst kan heel goed ‘uitgraven’ of ‘door graven verbeteren’ betekenen. Ik houd het erop dat Benninge hier bedoelt te zeggen dat men in 1523 een bestaande watergang heeft verbeterd, niet dat men een nieuw kanaal heeft gegraven.

Door de omlegging van de Hunze is er nergens meer een waterkerende sluis die de afstroom van het Drentse water reguleert.

 Hunze en A worden Reitdiep (1470) Hunze en A worden Reitdiep (1470)

Met het verbinden van Hunze en A bij de Hoek van Ameland is een situatie ontstaan die gedurende enkele eeuwen is blijven bestaan. Pas in de tweede helft van de negentiende eeuw is daarin verandering gekomen. Toen, in de jaren 1866-1876 is het Eemskanaal gegraven, dat sindsdien alle water van Hunze en A naar de Eems afvoert.

Veel eerder, in 1673, waren ten noorden van de oude middeleeuwse stad de Grote Spilsluizen gebouwd. Bij de Visserbrug kwamen toen de Kleine Spilsluizen. Deze sluizen functioneerden tot 1877, het jaar waarin het Reitdiep bij Zoutkamp werd afgesloten met een zeewerende sluis.

Het Peizerdiep-gebied bleef via het Aduarderdiep afwateren op de benedenloop van het Reitdiep en het Lauwersmeer.

Afsnijding van de Raken bij Garnwerd (GrA T817-1578) Afsnijding van de Raken bij Garnwerd (GrA T817-1578)

In 1643 of 1644 maakte Jannes Baptista van Regemortes een grote kaart van de landerijen tussen de kronkelende oude bedding van het Reitdiep (‘de Raken’) en het nieuwe kanaal langs Garnwerd.

Het noorden is links.

Al eerder is terloops melding gemaakt van de verbeteringen die in de zeventiende eeuw aan het Reitdiep zijn aangebracht. De belangrijkste zijn:

  • 1624: rechttrekken van de Swalve (ten noorden van Oldehove)
  • 1629: afsnijding van de Garnwerder Raken
  • 1660-1661: afsnijding van het Adorper rak (de rivierkronkel bij Hekkum).
Het Reitdiep vanaf de Wetsingerzijl.  Links op de foto is de kerk van Garnwerd zichtbaar. Het Reitdiep vanaf de Wetsingerzijl. Links op de foto is de kerk van Garnwerd zichtbaar.

Door het graven van het op de foto afgebeelde kanaalvak verloor ook de oude Winsumerzijl zijn functie. Al het water van het Winsumer en Schaphalsterzijlvest moest toen geloosd worden via de in 1459 gebouwde Schaphalsterzijl. Omdat de capaciteit van die ene zijl te gering was, werd ten noorden ervan een nieuwe Winsumerzijl gebouwd (1638).

Behalve de bochten van de Raken had het stadsbestuur van Groningen ook nog twee andere rivierkronkels willen afsnijden, maar de Ommelanders verzetten zich met succes tegen dat plan.

Reitdiepsbocht bij Hekkum Reitdiepsbocht bij Hekkum

Deze bocht – het ´Adorper Rak´, gelegen tussen Wierumerschouw en Oostum – is pas in de jaren 1660-1661 afgesneden."11"

Het onderhoud van het Selwerderdiep geregeld (1473) Het onderhoud van het Selwerderdiep geregeld (1473)

De hierboven afgebeelde, in tweevoud overgeleverde akte bevat een indirecte bevestiging van het feit dat Hunze en A in het kader van de verbetering van de stedelijke verdedigingswerken van de jaren 1470-1471 met elkaar in verbinding zijn gebracht. Tegelijk vormt deze tekst een brug naar een thema dat weliswaar geen Drents water betreft, maar dat ik toch in deze serie wil behandelen. Het gaat om een los eindje dat we bij de bespreking van de inlating van de stadshamrikken hebben laten hangen: de problematiek van de Kleisloot, Nye Graft en Boterdiep.

De akten van 1473 betreffen een overeenkomst die het stadsbestuur van Groningen en de (hoge) kerspelen van Drenterwolde met elkaar hebben getroffen over het onderhoud van het Selwerderdiep. De lage kerspelen van Drenterwolde (Engelbert, Middelbert en Noorddijk) deden niet mee. We hebben gezien dat zij voor hun ontwatering niet meer aangewezen waren op de (omgelegde) Hunze, maar loosden via de Scharmerzijl te Delfzijl en via de Winsumerzijl.

Er zijn niet voor niets twee exemplaren van deze akte: één exemplaar was bezegeld door de Stad en bestemd voor het Gorecht, en één voor de stad Groningen, bezegeld door de pastoors van de belanghebbende dorpen en het convent van Essen. De teksten zijn identiek, mutatis mutandis. Hieronder volgt een hertaling van de tekst die bestemd was voor de Gorechter dorpen.

GrA T2100-219.1 (9 juni 1473)"12"

Akte van overeenkomst tussen de stad Groningen en de kerspelen van het gericht van Selwerd, alsmede het klooster Essen inzake het onderhoud van het Schuitendiep.

[1]

Wij, burgemeesters en raad van de stad Groningen, verklaren en betuigen met deze openbare akte dat wij in vriendschap een overeenkomst gesloten hebben met de gemeenschappen der kerspelen van het Gericht van Selwerd, te weten Westerbroek, Kropswolde, Wolfsbarge, Noordlaren, Onnen, Haren en Helpman, en met het klooster van Essen,(1) over het diep dat van boven zuidwaarts(2) naar beneden komt lopen aan de oostkant voorbij onze stad,

  1. Deze gebieden hebben vanwege hun afwatering belang bij het Selwerderdiep.
  2. Zo staat het in de originele tekst. Aangezien de afspraken in deze akte betrekking hebben op het Schuitendiep/Selwerderdiep moet hier ‘noordwaarts’ zijn bedoeld.

[2]

en wel zo dat de genoemde gemeenschappen met het klooster het diep in goede staat, vrij, diep en ongehinderd houden van boven naar beneden tot aan de Steentil toe, die bij de Damsterweg ligt,(1) zonder medewerking en onkosten van onze stad, onverlet de visstallen(2) in het diep die aan de genoemde gemeenschappen of aan enig ander rechthebbende toebehoren.(3)

  1. Bedoeld is de voorganger van de brug die nog altijd dezelfde naam draagt.
  2. Met andere woorden: de ‘visvijvers’ die van oudsher in de rivier lagen en waren ontstaan door het bouwen van obstakels in het stromende water mochten blijven bestaan. Deze ‘viskenijen’ of piscaturae in de Hunze zijn we eerder tegengekomen in G&DW 2.
  3. Een gedeelte van het door de genoemde dorpen te onderhouden diep door het zuidelijke deel van het Groninger Oosterhamrik.

[3]

En op dezelfde manier zullen wij het genoemde diep vrij, op diepte en ongehinderd houden tot aan het diep dat van onze stad noordwaarts naar Selwerd loopt,(1) zonder medewerking en onkosten van de gemeenschappen en het klooster.

  1. Het Selwerderdiep.

[4]

En het diep zullen de genoemde gemeenschappen vanaf dat punt weer aanpakken waar wij met het onderhoud ophouden, en zullen het voortaan onderhouden zoals ze dat van ouds plegen te doen;(1) deze afspraken zullen beide partijen ten eeuwigen dagen naleven.

  1. De Gorechters moeten ook het stuk van de noordoosthoek van de stad tot aan Selwerd (de Borgham) onderhouden. Het feit dat ze vanouds gewoon waren dit te doen wijst op de oorspronkelijke functie van het Selwerderdiep: waterafvoer. Het doet tegelijkertijd vermoeden dat er iets gebeurd is waardoor de inwoners van het Gorecht van mening waren dat ze met het onderhoud konden ophouden.

[5]

Wanneer iemand binnen de marke van Groningen het door de dorpen te onderhouden diep dempt of de loop van het water belemmert, waardoor zij schade ondervinden, beloven wij al datgene te doen wat in ons vermogen ligt om hun recht te laten wedervaren tegen degene die de hinder veroorzaakt.

[6]

Zonder alle arglist.
Dit beoorkonden wij met het zegel van onze stad.

[7]

Gegeven in het jaar des heren duizend vierhonderd drie en zeventig, op woensdag naar Pinksteren,(1) toen Gosen van Dulk, Herman Koning, Johan Tedema en Johan Koenrades burgemeesters waren van onze stad.

  1. 9 juni 1473.

De regeling van 1473 De regeling van 1473

Het stukje van de omgelegde Hunze dat door de stedelingen moest worden onderhouden is op dit kaartje met een lichtblauwe kleur aangegeven.

De ingezetenen van het Gericht van Selwerd moesten bijna 90% van de totale lengte van het Schuitendiep-Selwerderdiep onderhouden.

De stad Groningen bereikte in de tweede helft van de vijftiende eeuw het toppunt van haar macht en ging zich steeds meer als een landsheer gedragen, niet alleen over de stadsjurisdicties (Gorecht en de beide Oldambten), maar ook over de Ommelanden. In het vorige deel zagen we dat de stad Groningen in 1392 de overheidsrechten over het Gericht van Selwerd (Wold en Go) van het Utrechtse domkapittel had gepacht, maar dat bisschop Frederik van Blankenheim daaraan in 1405 weer een einde had gemaakt."13" In 1460 kreeg de stad de macht over dit gebied opnieuw in handen, nu als gevolg van de geldnood waarin bisschop David van Bourgondië zich bevond. De bisschop gaf het Gorecht aan de stad Groningen in pand voor ƒ1600 ineens en ƒ100 per jaar."14" Vanaf de jaren dertig van de vijftiende eeuw had de stad zich ook een machtspositie verworven in de beide Oldambten."15" En wat de Ommelanden betreft: in 1428 had de Stad al een eerste vérstrekkend verbond gesloten met het landschap Vredewold in het zuidelijk Westerkwartier. In de jaren daarna sloten alle Ommelander landschappen zich daarbij aan. Door dit alles was de stad Groningen het juridische en bestuurlijke centrum van het gewest geworden."16" De Stad had zelfs de ambitie om het door partijtwisten verscheurde Westerlauwers Friesland te pacificeren en het een ‘Pax Groningana’ op te leggen. Slechts enkele maanden na het sluiten van de overeenkomst over het onderhoud van het Schuitendiep-Selwerderdiep, op 6 augustus 1473, werd voor de duur van tien jaar het zogenaamde ‘Grote Verbond’ gesloten tussen de stad Groningen en de Ommelanden, dat in het bijzonder gericht was tegen hertog Karel de Stoute van Bourgondië, die zijn macht wilde uitbreiden over Friesland, de Ommelanden en Groningen. De tekst van dit verbond is vrijwel geheel identiek aan het verdrag van 1428, maar daaraan toegevoegd werden bepalingen die in het bijzonder de Groningse brouwers bevoordeelden. Het stuk zou – tot de formele opzegging door de Ommelander heren in 1575 – de basis zijn voor de staatkundige organisatie van Stad en Lande.

De vraag die we ons nu moeten stellen is welke omstandigheden het in 1473 noodzakelijk kunnen hebben gemaakt om afspraken te maken over het onderhoud van het Schuitendiep en het Selwerderdiep.

Ik vermoed dat we het antwoord moeten zoeken in een (destijds) recente verandering van de functie van het Selwerderdiep. Door die verandering hebben de inwoners van het Gorecht gemeend ontslagen te zijn van het onderhoud. De bedoelde functieverandering moet het gevolg zijn van het feit dat het Hunzewater sinds 1470-1471 niet meer door het Selwerderdiep noordwaarts stroomde, maar langs de noordkant van de stad naar het westen liep. De Gorechters hadden dus alle reden om verdere medewerking aan het onderhoud van het Selwerderdiep vanaf de stad naar de Borgham te weigeren. In het volgende hoofdstuk zullen we zien dat het na 1470-1471 de ingezetenen van Hunsingo waren die het Selwerderdiep gebruikten; niet als afwateringskanaal, maar als scheepvaartroute.

De veronderstelling dat het Selwerderdiep van een afwateringskanaal in een schipsloot is veranderd, wordt bevestigd doordat uit een tekst van 1506 blijkt dat de stenen til bij de Tie (vermeld in de inlatingsakte van het Westerstadshamrik 1434) inmiddels was vervangen door een houten exemplaar. Die heet dan Scharenslijpersbrug.

Wat is er in de tussentijd gebeurd?

1.

F.A.H. van den Hombergh en E.O. van der Werff, Sicke Benninge. Croniken der Vrescher Landen mijtten Zoeven Seelanden ende der stadt Groningen. Geschiedenis van Groningen en Ommelanden tot 1530. 2 dln. (Den Haag 2012) 84-85.

2.

Van den Broek, Een kronkelend verhaal, 165-166.

3.

Ubbo Emmius, Rerum Frisicarum Historia (Leiden 1616) XXVI 400.

4.

GrA T2100-219.1.

5.

Meindert Schroor, Historische atlas van Groningen. Van esdorp tot moderne kennisstad (Amsterdam 2009) 14.

6.

Van den Hombergh en Van der Werff, Sicke Benninge, 463.

7.

Zie ook: Jan van den Broek, Welke Apoort bedoelt u? Aantekeningen over de westelijke toegang tot de stad Groningen (2013) en Bert Tuin, ‘De Middeleeuwse waterpoorten van Groningen’, in: Hervonden Stad 2014, 87-102, aldaar, 91.

8.

Emmius, RFH XXVI 400. Emmius gaat bij het verhaal over de vereniging van A en Hunze uit van de kroniek die ook ik heb aangehaald, maar presenteert zijn interpretatie met meer zekerheid dan hij kan verantwoorden.

9.

Gert Kortekaas, ‘Archeologie in 1998’ in: Hervonden Stad 6 (1999) 6-25, aldaar 12.

10.

Van den Hombergh en Van der Werff, Sicke Benninge, 463.

11.

E.J. Werkman, ‘De doorgraving van het Adorper Rak’ [1660-1661], in: GVA 1939, 168-177.

12.

Een transcriptie van de originele tekst vindt men in Bijlage 1.

13.

G&DW 8, Alle kanten op, 35.

14.

GrA T2100-205.

15.

G&DW 8, Alle kanten op, 57-58.

16.

Van den Broek, Groningen, een stad apart, 58-62.