Zoek op de website

9.2 		Kleisloot, ‘Nye Graft’ en Boterdiep

 ‘van den lotke to der stad’ ‘van den lotke to der stad’

Aan het einde van het vorige hoofdstuk vroegen we ons af wat er in de loop van de vijftiende eeuw met het Selwerderdiep gebeurd kan zijn. Om die vraag te kunnen beantwoorden moeten we terugkeren naar het begin van de vijftiende eeuw. De Hunze was toen nog niet zo lang tevoren via het Schuitendiep naar de stad Groningen omgelegd en via het nieuw gegraven Selwerderdiep stroomde het aangevoerde water noordwaarts om bij de Borgham weer in de oorspronkelijke rivierbedding uit te komen.

Zoals gezegd zijn er geen schriftelijke bronnen die ons rechtstreeks informeren over de omleiding van de Hunze en de gevolgen die dit had voor de waterhuishouding in de Groninger ‘stadstafel’. Het enige stuk dat we hebben is een akte uit 1422, waarbij aan het Heilige Geest Gasthuis vrijstelling werd verleend van zekere ‘stadsdiensten’ vanwege de financiële bijdrage die het had betaald voor het graven van een ‘nye graft’ ‘van den lotke to der stad’.

GrA T1473-8 regest nr. 76 (10 november 1422)17

 

Het Heilige Geest Gasthuis krijgt vrijstelling van stadsdiensten en van bijdragen voor graafwerk ten behoeve van de stad.

[1]

Wij burgemeesters en raad in Groningen verklaren en betuigen met deze openbare akte dat voor ons gekomen zijn de kluftmeesters(1) van de Gaddingekluft(2) en dat zij verklaarden dat zij de broeders, zusters en armen die nu in het Heilige Geest Gasthuis zijn en in de toekomst zullen zijn, vanaf de datum van deze akte vrijstelling hebben verleend van het betalen van bijdragen voor het verrichten van graafwerk ten behoeve van de stad,(3) maar dat wanneer de kluft zelf graafwerk verricht(4) – waarbij elk huis een persoon daarvoor beschikbaar stelt – de broeders, zusters en armen zullen graven zoals ze dat tot op heden hebben gedaan;

  1. Wijkmeesters.
  2. De stad Groningen telde in deze tijd vier kluften of stadswijken: Ebbingekluft, Gaddingekluft, Akluft en Boteringekluft. De Gaddingekluft omvat het gebied tussen de oostzijde van de Haddingestraat en de westzijde van de Oosterstraat inclusief de genoemde straatzijden. Het Heilige Geest Gasthuis ligt in het westelijke deel van deze kluft.
  3. Bedoeld is graafwerk dat verricht wordt in het belang van de stad als geheel en waarvoor alle huizen gravers moesten leveren of een bedrag betalen voor het laten verrichten van het graafwerk waartoe men verplicht was.
  4. Hier is graafwerk bedoeld binnen de Gaddingekluft, zoals het aan- of verleggen van een waterloop voor de afvoer van hemelwater.

[2]

en dat het huis van heer Herman – die God genadig moge zijn – vrij zal zijn van wachtdienst en andere stadsdiensten, indien men daar slaapgelegenheid biedt waar arme reizigers rusten kunnen.(1)

  1. Te oordelen naar de titel ‘heer’ was Herman een priester. Deze was kort tevoren overleden en het was de bedoeling dat zijn huis een ‘pieuze’ bestemming zou krijgen. Op grond daarvan zou het van wacht- en andere diensten worden vrijgesteld.

[3]

Voor deze vrijstellingen heeft Johan Namelick, provisor van de Heilige Geest, een som gelds betaald ten behoeve van het nieuwe kanaal dat gegraven is van het Lotke(1) naar de stad, tot genoegen van de kluft en waarmee wij [burgemeesters] met de Raad tevreden zijn.

  1. Het Lot is een laaggelegen gebied tussen het noordelijke uiteinde van de Hondsrug en de Hunzekronkel rond de Borgham.

[4]

We willen de genoemde punten tot in eeuwigheid onderhouden, zonder arglist.

[5]

Dit beoorkonden wij met het zegel van onze stad.

[6]

Gegeven in het jaar des Heren veertienhonderd twee en twintich, op de dag vóór Sint Martinus in de winter,(1) toen Reinold Huyinge, Bruen Klinge, Henric ter Brugge en Detmar Rengers burgemeesters waren van onze stad.

  1. 10 november 1422.

Voor ons is natuurlijk vooral de passage van belang die gaat over de aanleg van een nieuw kanaal van het Lot naar de stad. Ik vermoed dat het graven ervan samenhangt met de omleiding van de Hunze langs de oostzijde van de stad. Bovendien denk ik dat deze akte ook licht werpt op enkele details van de zestiende-eeuwse stadsplattegrond van Jacob van Deventer, die tot dusver niet verklaard konden worden.

Achterkant van de oorkonde van 1422 Achterkant van de oorkonde van 1422

Voor de geschiedenis van de stad-Groninger infrastructuur mag deze oorkonde grote betekenis hebben, degene die in de achttiende of negentiende eeuw het archief van het Heilige Geest Gasthuis doornam, oordeelde anders. Die schreef op de achterkant van het stuk dat het stuk van ‘geen belang’ was.

Een gecompliceerde situatie... Een gecompliceerde situatie...

  1. Oude Hunzebedding
  2. Kleisloot
  3. Selwerderdiep
  4. Paddepoelster tochtsloot.

De aanleg van het Selwerderdiep heeft een ingewikkelde situatie doen ontstaan in de buurt van het noordelijke uiteinde van de Hondsrug, in het bijzonder tussen de hoge Tie (oranje) en ‘t lage Lot (geel).

Sinds het graven van de Kleisloot in de veertiende eeuw werden goederen vanuit Hunsingo via dit kanaal per schuit naar de noordelijkste punt van de Hondsrug gebracht. Door de aanleg van het Selwerderdiep was het er voor de schuitenschuivers en menners niet gemakkelijker op geworden, ofschoon er wel een stenen brug over het Selwerderdiep was gelegd. Dat die brug heeft bestaan weten we uit de akte waarbij het Westerhamrik werd ingelaten in het Scharmerzijlvest (1434). Dat stuk hebben we in deel 8 bekeken.

Om het goederentransport te vergemakkelijken heeft men, zo is mijn theorie, rond 1420 een nieuwe watergang gegraven. Dat is het kanaal dat in de akte van 1422 wordt aangeduid als ‘de nye graft van den lotke to der stadt’.

Door het graven van een nye graft wordt de situatie nóg ingewikkelder.  1.  Oude Hunzebedding 2.  Kleisloot 3.  Selwerderdiep  4.  Paddepoelster tochtsloot 5.  ‘Nye Graft’ 6.  ‘Vrydemabrug’ Door het graven van een nye graft wordt de situatie nóg ingewikkelder. 1. Oude Hunzebedding 2. Kleisloot 3. Selwerderdiep 4. Paddepoelster tochtsloot 5. ‘Nye Graft’ 6. ‘Vrydemabrug’

In Een kronkelend verhaal heb ik de woorden Nye Graft met hoofdletters geschreven alsof het hier een naam betreft. Dat is wel heel praktisch, maar strikt genomen niet juist: het gaat hier om een zogenaamd appellativum, een woord waarmee men een object aanduidt door een onderscheidend aspect ervan te benoemen. Nye graft wil niets anders zeggen dan ‘nieuw kanaal’. Een dergelijk appellativum kán in de loop van de tijd een echte naam worden (denk aan ‘Nieuweweg’), maar dat is lang niet altijd zo.

In 1422 had het nieuwe kanaal van den lotke totter stadt nog geen echte naam. Doordat het ten oosten van de Tie aansloot op de oude Kleisloot naar Noorderhoogebrug en daarmee in feite één vaarweg vormde, werd het waarschijnlijk al vrij kort na de aanleg ook ‘Kleisloot’ genoemd. Ik vermoed dat de naam ‘Boterdiep’ – ongetwijfeld verwijzend naar het belangrijkste product dat via deze vaarweg vanuit Hunsingo naar de stad werd getransporteerd – wat jonger is. De vroegste vermelding van de naam Botterdiep dateert van 1521, maar dan wordt niet het nieuwe kanaal van c. 1420 bedoeld, maar de oude Kleisloot.18 Aangezien die vaarweg in 1521 – we zullen dat aanstonds zien – waarschijnlijk nauwelijks meer als schipsloot dienst deed, zou de benaming Boterdiep een herinnering kunnen zijn aan vroeger tijden, toen het kanaal nog wel functioneerde. Dat doet dan weer vermoeden dat de naam ‘Boterdiep’ al in de vijftiende eeuw in zwang moet zijn geraakt.

De nye graft van c. 1420 werd parallel aan het Selwerderdiep en even ten oosten daarvan gegraven. Ze was door niet veel meer dan een dijkje van het Selwerderdiep gescheiden en had hetzelfde waterpeil als de Kleisloot en de andere watergangen van het Oosterhamrik. Dat peil was onafhankelijk van dat in het Selwerderdiep. Goederen die via het Zuidwoldermaar, een stukje Beijumerzuidwending, de overtomen bij het latere Noorderhoogebrug en de Kleisloot werden aangevoerd, konden via het nieuwe kanaal over het water tot vlak bij de Vrydemabrug worden gebracht. Daar werd de lading gelost en op wagens of sleden overgeladen. Via de Vrydemabrug over het Selwerderdiep en door de Ebbingepoort kwamen de producten dan de stad binnen.

Omdat de infrastructurele situatie ten noorden van de stad erg ingewikkeld is en ook in de bronnen verschillende namen voor dezelfde watergangen worden gebruikt, is het nodig om afspraken te maken over wat met wat wordt bedoeld. Wanneer de duidelijkheid het vereist zal ik de volgende namen aanhouden, ook als de bronnen (of latere onderzoekers) proberen verwarring te stichten:

Kleisloot: de oude, waarschijnlijk veertiende-eeuwse vaarweg tussen de Tie en Noorderhoogebrug die later onderdeel is geworden van het Boterdiep en ligt op de plek waar tegenwoordig de Bedumerweg loopt.

Selwerderdiep: de omgelegde Hunze vanaf de noordoosthoek van de stad Groningen tot aan de Borgham.

Boterdiep: de vaarweg tussen de stad Groningen en Hunsingo, bestaande uit (a) een zuidelijk deel (vanaf een punt ten noorden van de ‘Vrydemabrug’ tot aan de huidige Bedumerweg) dat omstreeks 1420 is gegraven en in 1422 werd aangeduid als nye graft, en (b) een noordelijk deel, gevormd door de zoëven genoemde Kleisloot.

Ik zal, net als in Een kronkelend verhaal, de term Nye Graft (met hoofdletters!) blijven gebruiken wanneer het gaat om het omstreeks 1420 gegraven kanaal tussen de Ebbingepoort en de Tie.

Nadat een verbinding is gegraven tussen het Schuitendiep en de Drentse A (bij het pijltje), verliest het Selwerderdiep zijn afwateringsfunctie (1470) Nadat een verbinding is gegraven tussen het Schuitendiep en de Drentse A (bij het pijltje), verliest het Selwerderdiep zijn afwateringsfunctie (1470)

In 1470 veranderde de situatie door de aanleg van het nieuwe aarden bolwerk met bijbehorende grachten en de daarmee samenhangende vereniging van Schuitendiep en Hoornsediep. Het Hunzewater stroomde nu vanaf de noordoosthoek van de stad naar het zuidwesten. Het Selwerderdiep voerde nu geen Drents water meer af en kon voor een ander doel worden gebruikt. Ik denk dat het de functie van de 50 jaar tevoren gegraven Nye Graft heeft overgenomen en dat het vanaf 1470-1471 is gaan dienen als scheepvaartkanaal.

Deze functieverandering biedt een aannemelijke verklaring voor het feit dat de Gorechters zich ontheven achtten van de verplichting om het Selwerderdiep nog langer te onderhouden. Het was destijds gegraven als afvoerkanaal van ‘hun water’, nu het een andere functie had gekregen hadden zij er, zo redeneerden zij, niets meer mee te maken.

Maar niet alleen de functie van het Selwerderdiep, ook de rol en de statuur van de stad Groningen waren sinds het omleggen van de Hunze veranderd. Eerder gaf ik al aan dat Groningen in de tweede helft van de vijftiende eeuw het toppunt van zijn macht bereikte. We weten natuurlijk niet of het simpelweg brute dwingelandij is geweest of dat er ook andere, meer respectabele overwegingen een rol hebben gespeeld, maar feit is dat Groningen in 1473 met de ingezetenen van het Gorecht over het onderhoud van Schuitendiep en Selwerderdiep een overeenkomst heeft kunnen sluiten die wel heel erg in het voordeel van de stad en in het nadeel van de partners was.

Ook al had de Nye Graft haar functie verloren, ze verdween niet helemaal van de kaart. We zien haar – althans de sporen ervan – een eeuw later nog op de stadsplattegrond van Jacob van Deventer, en daarna, verbreed en uitgediept, in de vorm van het Boterdiep, dat pas in het begin van de twintigste eeuw is gedempt.

Selwerderdiep en Nye Graft bij Van Deventer Selwerderdiep en Nye Graft bij Van Deventer

Op deze uitsnede uit de stadsplattegrond van Jacob van Deventer wijzen de pijltjes naar de Scharenslijpersbrug (boven) en de Vrydemabrug (onder), die allebei over het Selwerderdiep lagen.

Jacob van Deventer heeft het Selwerderdiep een lichtblauwe kleur gegeven, net zoals het Lopende Diep en het Schuitendiep. Hij laat wel zien waar de Nye Graft heeft gelopen, maar door het lichtblauw weg te laten heeft hij duidelijk gemaakt dat dit kanaaltje niet meer werd gebruikt. Dat roept vragen op: was er in zijn tijd geen scheepvaartverkeer meer tussen Hunsingo en de stad, of volgde dat een andere route?

Zowel oude als jongere kaarten bevatten aanwijzingen dat het Selwerderdiep na 1470/1471 de rol van de Nye Graft en Kleisloot als vaarroute heeft overgenomen. We bekijken eerst een kaartje dat gemaakt is op basis van de topografische kaart van c. 1900.

Het Boterdiep in de negentiende eeuw.  De pijl wijst naar een sloot die de oostelijke lob van de Borgham afsnijdt. Hier heeft het middeleeuwse Cortinghuis gestaan. Het Boterdiep in de negentiende eeuw. De pijl wijst naar een sloot die de oostelijke lob van de Borgham afsnijdt. Hier heeft het middeleeuwse Cortinghuis gestaan.

Selwerderdiep en Boterdiep op de kaart van Beckeringh Selwerderdiep en Boterdiep op de kaart van Beckeringh

Op de in 1781 uitgegeven provinciekaart van Theodorus Beckeringh wekt de afsnijding ten westen van het kasteelterrein van het Cortinghuis (bij de rode pijl) de (onjuiste) indruk een deel te zijn van de oude Hunzebedding, terwijl de oorspronkelijke rivierkronkel rondom het borgterrein – met heuveltje – niet meer dan een ringsloot lijkt. Ik vermoed echter dat de zaak anders heeft gezeten. Het rechter plaatje maakt dat duidelijk.

Nadat de Nye Graft haar functie als scheepvaartkanaal had verloren, gebeurde hetzelfde met de aloude Kleisloot tussen de Tie en Noorderhoogebrug. Het verkeer over water tussen Hunsingo en de stad maakte nu gebruik van het Selwerderdiep tot aan de Borgham en volgde vandaar een stukje nieuw gegraven watergang en vervolgens de oude bedding van de Hunze.

Deze vaarroute is hier met een lichtblauw kleurtje gemarkeerd.

Ten noorden van de borgstee van het Cortinghuis (door Beckeringh aangegeven met een heuveltje) is een tweede heuveltje getekend. Dit geeft de plaats aan waar in de late middeleeuwen een steenoven heeft gestaan. In een oorkonde uit 1592 werd dit terrein de ‘Ovenvenne’ genoemd.

Het Selwerderdiep als vaarweg Het Selwerderdiep als vaarweg

Bij het huidige Noorderhoogebrug liggen twee overtomen of overtochten, hier aangegeven met rode blokjes.
De Kleisloot is als vaarweg vervallen; zijn functie is overgenomen door het Selwerderdiep en een stuk van de oude Hunzebedding, voor dit doel met elkaar verbonden door een sloot ten westen van de borgstee van het Cortinghuis (bij de pijl).

Vanuit het Zuidwoldermaar/Beijumer Zuidwending kon men door middel van een overtoom de oude bedding van de Hunze bereiken. Men volgde deze tot aan de kronkel rondom het terrein waar het Cortinghuis had gestaan.

Via een sloot die de borgstee aan de westzijde passeerde (de huidige Cortinghlaan volgt hetzelfde tracé), bereikte men de plek waar het Selwerderdiep in de Hunzebedding uitmondde. Daarna volgde men het Selwerderdiep door het Lot en trok of boomde de vrachtschuitjes verder langs de Hondsrug tot vlak bij de oude Ebbingepoort.

Mogelijk hebben de vondsten die men bij archeologisch onderzoek op een terrein tussen Oude Ebbingestraat, Korenstraat, het Boterdiep en de Wipstraat heeft aangetroffen, iets te maken met de aanlanding van goederen die na 1470 via het Selwerderdiep vanuit Hunsingo werden aangevoerd.

Het tracé van de beschreven vaarroute heeft in de stadswijk ‘de Hoogte’ een herkenbaar spoor nagelaten.

Borgham en omgeving.  De sloot die het borgterrein van het Cortinghuis afsneed, ligt op de plaats waar zich nu de Cortinghlaan bevindt. Borgham en omgeving. De sloot die het borgterrein van het Cortinghuis afsneed, ligt op de plaats waar zich nu de Cortinghlaan bevindt.

De Cortinghlaan in 2014 De Cortinghlaan in 2014

De waterweg die op de plaats van de Cortinghlaan heeft gelopen, heeft vermoedelijk langer dan een eeuw (van c. 1473 tot 1589) de Kleisloot vervangen als verbindingsroute tussen de stad Groningen en Hunsingo.

Hunzebedding bij Noorderhoogebrug Hunzebedding bij Noorderhoogebrug

Ook het stukje Hunzebedding dat ten noorden van het Van Starkenborghkanaal zichtbaar is, maakte deel uit van de vaarweg tussen Hunsingo en de stad. De foto is genomen vanaf het fietspad langs de Winsumerweg. Op de achtergrond zien we de huizen aan de Molenstreek en Wolddijk te Noorderhoogebrug.

Nieuwbouw aan het Boterdiep Nieuwbouw aan het Boterdiep

Alvorens men de nieuwe gebouwen aan het Boterdiep 30-34 heeft neergezet, is het betreffende terrein, dat gelegen is tussen Nieuwe Ebbingestraat, Korenstraat, het Boterdiep en de Wipstraat, archeologisch onderzocht.

Resten van een beschoeiing tussen Ebbingestraat en Boterdiep (2005) Resten van een beschoeiing tussen Ebbingestraat en Boterdiep (2005)

Het onderzoek is uitgevoerd in 2005. Daarbij is een stukje sloot aangetroffen waarvan de archeologen aannamen dat het ‘de uit de archieven bekende Cleisloot’ moest zijn.19

Zojuist heb ik aangekondigd de naam ‘Kleisloot’ te willen gebruiken om er het noordelijke stuk van het Boterdiep binnen het Groninger stadsgebied mee aan te duiden, het deel dus tussen de Tie en Noorderhoogebrug. Dat is in elk geval de ‘oudste Kleisloot’.

Overigens hebben de archeologen wel degelijk recht van spreken: in zestiende- en zeventiende-eeuwse bronnen worden de termen Boterdiep en Kleisloot zonder onderscheid gebruikt om ook het kanaalvak tussen de middeleeuwse stad en de Tie – de Nye Graft van c. 1420 – aan te duiden. Maar in het geval van de opgraving tussen Nieuwe Ebbingestraat en Boterdiep zou ik liever spreken over de omgelegde Hunze of Selwerderdiep, die hier in de buurt moet hebben gelopen.

 Het in 2005 onderzochte terrein  Het terrein bevindt zich op de grens van de Hondsrug en het stadshamrik Het in 2005 onderzochte terrein Het terrein bevindt zich op de grens van de Hondsrug en het stadshamrik

Drie werkputten Drie werkputten

In een van de werkputten is een stuk beschoeiing aangetroffen. De bewuste plek bevindt zich ruim 20 meter ten westen van het Boterdiep. Het is moeilijk voorstelbaar dat dit een buining langs het Selwerderdiep is geweest. Waarschijnlijk hebben we hier te maken met een havenkommetje of een aanlegplaats terzijde van het Selwerderdiep.

Een van de aangetroffen palen is dendrochronologisch onderzocht. Men heeft hem gedateerd op 1470, ± 6 jaar. Dit past bij het idee dat het Selwerderdiep na de modernisering van de vestingwerken (1470-1471) zijn functie van afwateringskanaal heeft verloren en in gebruik is genomen als vaarweg. We mogen verwachten dat toen ook aanlegplaatsen en andere havenvoorzieningen zijn aangebracht.

‘Opgraving Selwerderdiep’ (2009) ‘Opgraving Selwerderdiep’ (2009)

Eerder heb ik melding gemaakt van de opgraving die in 2009 is uitgevoerd in samenhang met de bodemsanering van het terrein tussen het Boterdiep, de Jacobijnerweg, Langestraat en Bloemstraat. 20 In Hervonden Stad 2010 is een summier verslag van deze opgraving gepubliceerd.21 Daarin wordt de aangetroffen watergang ‘Selwerderdiep’ genoemd.

Ik wees er al op dat het aangetroffen tracé sterk afwijkt van wat we op grond van de doorgaans accurate zestiende-eeuwse plattegrond van Jacob van Deventer hadden verwacht. Die tekende het Selwerderdiep veel verder naar het westen, ongeveer op de plek waar het huidige Boterdiep loopt.

Opgraving tussen Boterdiep en Langestraat (2009) 1 Opgraving tussen Boterdiep en Langestraat (2009) 1
Opgraving tussen Boterdiep en Langestraat (2009) 2.  De opgravingsfoto’s (gemaakt door Hans Mulder) zijn resp. in oostelijke en zuidelijke richting genomen. Opgraving tussen Boterdiep en Langestraat (2009) 2. De opgravingsfoto’s (gemaakt door Hans Mulder) zijn resp. in oostelijke en zuidelijke richting genomen.

De aangetroffen watergang kan verschillend geïnterpreteerd worden. Te denken valt aan

  1. de bedding van de omgelegde Hunze (die dan wel veel oostelijker heeft gelopen dan we altijd hebben gedacht)
  2. het zuidelijke uiteinde van de Nye Graft (die verder in zuidelijke richting heeft gelopen dan was verondersteld)
  3. de ‘Fraterssloot’ die in de archieven wordt vermeld en in deze buurt moet hebben gelegen, of een andere tot het watergangenstelsel van het Oosterhamrik behorende tochtsloot, waarover we verder niets weten.

Ook de functie van de buining is niet helemaal zeker. Men zou kunnen vermoeden dat hier een laad- en losplaats van schepen is geweest. Het kan echter ook een eenvoudige oeverversterking zijn, bedoeld om te voorkomen dat de slappe kade in de sloot zakte.

De beide eerste interpretaties vallen af vanwege het feit dat het aangetroffen tracé niet te rijmen valt met wat we uit andere bronnen weten. Ik houd het er dus op dat op het terrein tussen het Boterdiep en de Langestraat een tochtsloot is gevonden die water van het Oosterhamrik in zuidelijke richting, naar het Damsterdiep, afvoerde.

Tot de bronnen die ik zojuist noemde behoren behalve de bekende stadsplattegrond van Jacob van Deventer van c. 1565, ook een plattegrond uit c. 1572 die in Austin wordt bewaard,22 en een kaart die doorgaans wordt aangeduid als ‘de plattegrond van een Spanjaard’ en die kort na 1573 door een Italiaanse (geen Spaanse!) ingenieur uit de omgeving Caspar de Robles moet zijn gemaakt. De maker van de kaart zal betrokken zijn geweest bij het ontwerp van het ‘kasteel van Alva’, dat op zijn plattegrond prominent is afgebeeld, maar in werkelijkheid nooit helemaal is voltooid.

Een origineel exemplaar van deze ‘plattegrond van een Spanjaard’ is niet bekend, maar kopieën ervan zijn wel bewaard gebleven. De oudste kopie is in 1778 door de Groninger schoolmeester Mattheus van Olm gemaakt.23 Waarschijnlijk is Van Olms kopie kort daarna opnieuw nagetekend. Het gaat daarbij om een op stokken bevestigd ‘show-exemplaar’ dat eigendom is geweest van raadsheer Harmen Wolthers, die in 1788 is overleden. Na diens dood is deze fraaie plattegrond via de Fraeylemaborg en een of meer andere particuliere eigenaren in 1981 door aankoop in bezit gekomen van het Groninger gemeentearchief.24

Vreemd is wel dat, anders dan op de plattegrond van Jacob van Deventer het geval is, het Selwerderdiep en het parallel daaraan lopende zuidelijke deel van Boterdiep (de Nye Graft van c. 1420) op de twee andere kaarten zijn aangegeven alsof beide watergangen nog gewoon in gebruik zijn. We zullen aanstonds zien dat er reden is om aan te nemen dat Jacob van Deventer op dit punt het meeste vertrouwen verdient.

Het lijkt mij zeker dat het Selwerderdiep op enig moment – na 1470 en vóór 9 juni 1473 – de scheepvaartfunctie van het Boterdiep, bestaande uit de Kleisloot en de Nye Graft, heeft overgenomen. Dat blijkt, behalve uit de plattegrond van Jacob van Deventer, ook uit een project dat in de jaren 1588 en 1589 is uitgevoerd. Dat project beoogde de rehabilitatie van het Boterdiep en de daarnaast gelegen Kleiweg, hetgeen erop wijst dat die routes voordien in onbruik waren geraakt.

Aansluiting Schuitendiep-Selwerderdiep bij Van Deventer Aansluiting Schuitendiep-Selwerderdiep bij Van Deventer

Alvorens de ‘Austin-kaart’ en de ‘plattegrond van een Spanjaard’ te bekijken, werpen we nog een blik op de plattegrond die Jacob van Deventer omstreeks 1565 van Groningen tekende. De situatie buiten de (oude) Ebbingepoort maakt hier een wat rommelige indruk. Dat zal mede het gevolg zijn van de herhaalde vergravingen op deze plek. In de loop van de zestiende eeuw is hier in verschillende fasen gewerkt aan de verbetering van de vestingwerken. Er zijn wallen opgeworpen, grachten gegraven en rondelen aangelegd.

‘Plattegrond van een Spanjaard’ (c. 1572) ‘Plattegrond van een Spanjaard’ (c. 1572)

De afgebeelde plattegrond – het noorden is links – is een luxe-kopie die omstreeks 1780 moet zijn gemaakt van een andere kopie, die kort tevoren door Mattheus van Olm naar een verloren gegaan origineel (?) is getekend. De originele plattegrond is vermoedelijk gemaakt door een Italiaanse ingenieur.

Linksboven zien we het Selwerderdiep en het Boterdiep. Ofschoon deze plattegrond van latere datum is dan die van Van Deventer, lijkt de Nye Graft hier nog in gebruik.

De ‘Austinkaart’ van c. 1572 De ‘Austinkaart’ van c. 1572

De plattegrond die bij de Universiteit van Texas te Austin wordt bewaard, dateert uit dezelfde tijd als de ‘kaart van een Spanjaard’, maar is anders georiënteerd. Ook hier zien we buiten de Ebbingepoort twee waterlopen naast elkaar: het Selwerderdiep en het Boterdiep.

Het is de moeite waard om de situatie buiten de Ebbingepoort van dichterbij te bekijken.

Selwerderdiep en Nye Graft op de kaart van ‘een Spanjaert’ (detail) Selwerderdiep en Nye Graft op de kaart van ‘een Spanjaert’ (detail)
De situatie bij de Ebbingepoort op de Austinkaart De situatie bij de Ebbingepoort op de Austinkaart

Op beide plattegronden zien we dat het zuidelijke uiteinde van de Nye Graft een eindje ten noorden ligt van de plek waar het Selwerderdiep van het Schuitendiep aftakt. Ook de ‘stenen pijp’ (de Vrydemabrug) over het Selwerderdiep is herkenbaar. Sinds 1470/1471 lag er buiten de Ebbingepoort ook nog een brug over het Lopende Diep. Vooral de Austinkaart laat duidelijk zien dat men maar liefst drie Ebbingepoorten en twee bruggen moest passeren om vanuit de stad bij het zuidelijke einde van het Boterdiep te komen. De meest zuidelijke Ebbingepoort hoort bij de dertiende-eeuwse stadsmuur, de middelste bij het ‘bolwerk’ van de jaren 1470-1471 en de buitenste bij het rondeel dat halverwege de zestiende eeuw is aangelegd.

Uit het dagboek van stadssyndicus dr. Wilhelmus Hammonius Uit het dagboek van stadssyndicus dr. Wilhelmus Hammonius

Eerder zagen we dat de archeologen die in 2005 onderzoek deden op een terrein tussen de Nieuwe Ebbingestraat en het Boterdiep, van mening waren dat ze de ‘Cleisloot’ hadden gevonden. Er bestaat in de literatuur een hardnekkige – maar alleszins verklaarbare – verwarring tussen de begrippen Kleisloot, Boterdiep en Selwerderdiep. Die verwarring wordt grotendeels veroorzaakt door de oude bronnen. Vele wegen en watergangen hebben in de loop van de jaren verschillende namen gehad en het komt zelfs voor dat gelijktijdige bronnen één en het zelfde object met verschillende namen aanduiden. Deze omstandigheid maakt het onderzoek naar de oude infrastructuur extra gecompliceerd.

Toen het Groninger stadsbestuur in 1588 het initiatief nam om de vaarweg tussen de stad en Hunsingo te verbeteren, ging het volgens stadssecretaris Egbert Alting om het ‘upgraven van het Botterdiep’, maar syndicus Wilhelmus Hammonius maakt in zijn verbaal of dagboek melding van het besluit dat ‘die Claijsloet solle gegraben’ worden.

De woorden ‘graven’ en ‘upgraven’ kunnen synoniemen zijn voor één en dezelfde actie: het door middel van graafwerk op de vereiste diepte en breedte brengen van een bestaande watergang. Ik vermoed dat het stadsbestuur zich in 1588 genoodzaakt heeft gezien om het Boterdiep, dat sinds 1470/1471 geheel of gedeeltelijk in onbruik was geraakt, in een zodanige staat te brengen dat het weer kon dienen als vaarweg tussen de stad en Hunsingo. Wat de reden daarvan is geweest weten we niet. Het kan zijn dat behalve de Nye Graft inmiddels ook het Selwerderdiep geheel of gedeeltelijk was ‘toegeslijkt’ of dat de oude Hunzebedding tussen de Borgham en Noorderhoogebrug onbruikbaar was geworden.

 

 

In elk geval lijkt het erop dat het Selwerderdiep en het Boterdiep, die op de zojuist bekeken stadsplattegronden van c. 1572 nog als functionerende waterlopen zijn afgebeeld, in 1588 niet of nauwelijks meer gebruikt konden worden.

Voor wat betreft het zuidelijke deel van de vaarweg had men – althans in theorie – de keus uit twee mogelijkheden: men kon het Selwerderdiep uitgraven of de Nye Graft in ere herstellen. Uit het vervolg van de gebeurtenissen blijkt dat men voor de tweede optie heeft gekozen.

In het verbaal of dagboek van Wilhelmus Hammonius lezen we het volgende:

‘Freitag den 16den septembris [1588] ist in gemeiner versamblung der verordenten von Stat und Landen uffm rathausz beschlossen und bei den verordenten veraccordirt — derweiln bei eim erb. Rath für guet eingesehen das die Claijsloet solle gegraben worden, wartzu alberait im Goerrecht auszgeschriben uff kumstigen afftermontag zu erscheinen mit schuffeln und spaden — das alle schiffern in den Omlanden welliche ordinarijs disen fahrt gebrauchen und daruff ir kost gewinnen auch dartzu dreij tag arbeitten sollen.

Daruber ein mandat zu erforderen.’25

In hedendaags Nederlands:

‘Op vrijdag 16 september [1588] is in een gezamenlijke vergadering van de bestuurders van Stad en Lande op het Raadhuis met instemming van de vertegenwoordigers [van de Ommelanden] besloten dat – aangezien de Raad [van Groningen] had besloten dat de Kleisloot moest worden uitgegraven, in verband waarmee de ingezetenen van het Gorecht al waren opgeroepen om op aankomende dinsdag met schoffels en spaden op te komen – alle schippers in de Ommelanden die gewoon zijn van deze vaarweg gebruik te maken en daarvan hun broodwinning hebben, ook drie dagen daaraan zullen werken. Daartoe moet een mandaat worden gevraagd.’

Het stadsbestuur had dus samen met de regeringsgetrouwe Ommelanders besloten om de ‘Kleisloot’ – stadssyndicus Hammonius zag de Kleisloot en de Nye Graft van c. 1420 als één geheel – te laten uitgraven. Daarvoor was al een oproep uitgegaan naar de inwoners van het Gorecht. Om ook de ingezetenen van de Ommelanden aan het werk te zetten (voor het graven van de Kleisloot tussen de Tie en Noorderhoogebrug) was een bevelschrift van Luitenant en Hoofdmannen (het toenmalige provinciebestuur) nodig.

Aantekening van stadssecretaris Egbert Alting, vrijdag 16 september 1588 Aantekening van stadssecretaris Egbert Alting, vrijdag 16 september 1588

Zoals gezegd maakt ook stadssecretaris Egbert Alting melding van het graafproject ten noordoosten van de stad. Op 16 september 1588 noteerde hij in zijn dagboek:

‘Mede bij der Stad en Lande verordenten bewillet het

Botterdiep thelpen upgraven, so doer

schipperen als anderen, de daer met

gedienet ende geryvet moegen worden.

Daertho mandaten tot iii dagen gravens

sonder pręjudicie mit kost, schoeffelen

ende spaeden, oeck oesevaten, man by man

up naesten dinxsdage smorgens int

warck to treden, uuth te schrijven,

woe dan oeck int Ghoerecht gescheen.’

‘De vertegenwoordigers van Stad en Lande hebben ingestemd met het verlenen van hulp bij het uitgraven van het Boterdiep, zowel door schippers als door anderen die daarvan voordeel kunnen hebben. Daartoe moeten [door Luitenant en Hoofdmannen] mandaten uitgeschreven worden waarbij de betrokkenen worden opgeroepen om 3 dagen te komen graven, zonder dat dit later als precedent kan worden gebruikt om hen tot iets dergelijks te verplichten, waarbij iedere man zelf leeftocht en gereedschap als schoffels, spaden en hoosvaten mee moet brengen, te verschijnen op aankomende dinsdagochtend [20 september 1588], zoals ook in het Gorecht is gebeurd.’

Secretaris Alting noteerde dat het uit te graven diep was ingedeeld in 9 panden van elk 46 roeden lang, de roede op 20 voet gerekend, in totaal c. 2485 meter.26 Deze opgave maakt duidelijk dat het graafwerk de hele lengte van het Boterdiep betrof, vanaf het zuidelijke uiteinde buiten de Ebbingepoort tot en met het voormalige stukje van de Hunzebedding te Noorderhoogebrug, precies tot aan de overtoom op de scheiding met de Beijumerzuidwending.

Dat voor het graafwerk de Ommelanders werden opgeroepen die zelf belang hadden bij een bruikbaar Boterdiep is, gezien de manier waarop in die tijd infrastructurele werken werden uitgevoerd, heel begrijpelijk. Maar dat ook de ingezetenen van het Gorecht moesten komen werken is wel vreemd. We zagen dat zij ooit verplicht waren geweest om het Selwerderdiep te onderhouden omdat dat kanaal het ‘Gorechter water’ afvoerde, en we hebben al met enige verbazing gezien dat de stad Groningen de ingezetenen van het Gorecht ook aan die onderhoudsplicht hield toen het Selwerderdiep had opgehouden het Hunzewater af te voeren (1473). Nu, in 1588, blijkt dat het stadsbestuur de onderhoudsplicht van de Gorechters voor het Selwerderdiep van toepassing achtte op een kanaal dat omstreeks 1420 in het belang van de stad en op stadskosten was gegraven: de (voormalige) Nye Graft. Dit is zo vreemd dat we haast zouden denken dat men in 1588 niet het Boterdiep, maar het Selwerderdiep heeft willen laten uitgraven. Die twijfel verdwijnt echter wanneer we zien dat ook nog veel later, in 1639, de ingezetenen van het Gorecht moesten meebetalen aan de kosten van het hergraven van de ‘Kleisloot buiten de Ebbingepoort tot aan de Noorder Hoogebrug’.27

Halverwege de zeventiende eeuw lijkt aan deze vreemde situatie een einde te zijn gekomen. Toen het Boterdiep in 1653 op verschillende plaatsen weer zo was ‘toegeslijkt’ dat er niet meer dan 1 of 1,5 voet water in stond, besloot het stadsbestuur de rentmeester opdracht te geven om op de geldmarkt een lening aan te gaan ter bekostiging van het uitgraven van het kanaal.28 Er wordt dan geen melding meer gemaakt van een door het Gorecht te betalen bijdrage. De werkzaamheden werden in het daarop volgende jaar (1654) uitgevoerd.

Een post uit de stadsrekening van 1588 Een post uit de stadsrekening van 1588

De bedoeling was dat de gravers op dinsdag 20 september 1588 aan het werk zouden gaan. Het weer wilde dat najaar echter niet meewerken: vanwege de constante regen werd enkele dagen na het geplande begin van de werkzaamheden besloten om het ‘opgraven van het Boterdiep’ uit te stellen tot het volgende voorjaar.

Wel heeft de stadsbouwmeester op 22 september en de volgende dagen enkele tientallen mannen ingezet om voorbereidende werkzaamheden uit te voeren, zoals het wegnemen van dammen en het ‘dichten van het gat bij Hoogebrug’. Mogelijk gaat het hierbij onder meer om het afdammen van de Hunzebedding ten westen van Noorderhoogebrug. Ook heeft de bouwmeester met een paar man de uit te graven kanaalvakken (‘panden’) uitgezet.

De stadt bowmester uut bevel eens Erb. Raedes gewonnen

omme te graven dat diep van de Noerder-hoge brugge den

eersten dach xiiii mannen, den anderden xxviii mannen, den

iiien xxxii mannen, den vierden dach (als de dammen uutgeno-

men, dat gat an Hogerbrugge togemaeckt ende de modder van den

wech gesmeten wort) vii mannen; ende des maendages doe men

affpaelde iii mannen, ijder des dages verdient xiiii stuver

betaelt den xxv septembris              xxxix rider – vi st.’

‘De stadsbouwmeester heeft op bevel van de Raad voor het graven van het diep van Noorderhoogebrug op de eerste dag 14 man aangenomen, de tweede dag 28 mannen, de derde dag 32 mannen en de vierde dag (toen de dammen weggehaald werden, het gat bij Noorderhoogebrug gedicht en de modder van de weg geruimd werd) 7 man; en op maandag, toen de panden werden ingedeeld, 3 mannen. Ieder verdiende per dag 14 stuivers. Op 25 september is 39 rijder guldens en 6 stuivers betaald.’

De werkzaamheden van 1588 en 1589.  1.  Overtoom bij Noorderhoogebrug 2.  ‘Grondpomp’ onder de Kleisloot 3.  De ‘Grondzijl’ De werkzaamheden van 1588 en 1589. 1. Overtoom bij Noorderhoogebrug 2. ‘Grondpomp’ onder de Kleisloot 3. De ‘Grondzijl’

Op het bovenstaande kaartje is met een lichtblauwe kleur het kanaal aangegeven waaraan in de jaren 1588 en 1589 is gewerkt. Zoals gezegd hoorde tot de werkzaamheden die in het najaar van 1588 onder regie van de stadsbouwmeester waren uitgevoerd, wellicht het afdammen van de Hunzebedding bij Noorderhoogebrug, even ten westen van de overtoom (bij nr. 1). Deze overtoom vormde de scheiding tussen het peil in het stadshamrik (onderdeel van het Generale Zijlvest der Drie Delfzijlen) en dat van het Winsumer- en Schaphalsterzijlvest.

Het volgende voorjaar, het was inmiddels eind mei 1589, ging de Raad de situatie opnieuw bekijken. Hij besloot dat er in de uit te graven bedding van de Kleisloot een grondpomp gelegd moest worden. Door deze onderleiding (nr. 2) moest het ‘Paddepoelster water’ naar de watergangen van het Oosterhamrik stromen. Deze grondpomp moest even ten oosten komen van de reeds sinds c. 1400 bestaande grondzijl onder het Selwerderdiep (nr. 3).

Uit dit besluit blijkt dat men van plan was in het nieuwe Boterdiep een ander peil aan te houden dan dat van de stadshamrikken. Het was blijkbaar de bedoeling om uiteindelijk de overtoom bij Noorderhoogebrug weg te halen en zodoende een verbinding tot stand te brengen tussen het uit te graven kanaal en het ten noorden van Noorderhoogebrug gelegen deel van het Boterdiep, dat onder het Winsumer en Schaphalsterzijlvest ressorteerde. De Hunsingoër en Groninger delen van het Boterdiep zouden dan hetzelfde peil krijgen.

Dit impliceert ook dat er een dam moest komen om het Schuitendiep en het Boterdiep van elkaar te scheiden (op het kaartje is de plaats daarvan aangegeven met een rode cirkel).

Immers, wanneer zo’n afscheiding ontbrak, zou het Drentse water het gebied van het Winsumer en Schaphalsterzijlvest binnenkomen en dat was natuurlijk niet de bedoeling.

Uit de aantekeningen die secretaris Alting op 12 juni 1589 over het uitgraven van het Boterdiep maakte, lijkt te volgen dat het grootste deel – bijna 2/3 van de totale lengte – zou worden gegraven door lieden die daarvoor niet betaald kregen, hetzij omdat ze daartoe verplicht waren (zoals die van het Gorecht), hetzij omdat ze hun medewerking ‘bedeswijse’ (dat wil zeggen: ‘op verzoek’, maar wel vrijwillig) verleenden. De rest zou ten laste van de stadskas aanbesteed worden voor 5 emder gulden de roede, de roede op 16 voet gerekend. Het stadsbestuur verwachtte dat het project de stad ruim 700 gulden zou gaan kosten.29 Uiteindelijk zouden de kosten voor de stad veel hoger uitkomen. Volgens de stadsrekening over 1589 werd voor het graven van in totaal 394,5 roede van 16 voet uit de stadskas in totaal 1208 rijder guldens en 10 groninger stuivers betaald. Het werk was – tegen betaling – verricht door gravers uit Bedum, Oldenzijl en Uithuizen en door een ploeg arbeiders onder leiding van aannemer Frans van Lingen. Uit deze verantwoording blijkt dat de stad juist het leeuwendeel van het graafwerk had bekostigd (ruim ¾ van de totale afstand).30

In het voorgaande hebben we gezien dat het stadsbestuur rekening hield met toekomstige ontwikkelingen. Men was van plan om te zijner tijd de overtocht bij Noorderhoogebrug weg te halen en een waterscheiding aan te brengen tussen het Schuitendiep en het Selwerderdiep. De grondpomp die de Raad in verband daarmee nodig vond, is in 1589 echter nog niet gelegd. Zolang er nog geen directe verbinding was tussen de Kleisloot en het Boterdiep ten noorden van Noorderhoogebrug, bestond daartoe ook geen noodzaak. Een overeenkomst daartoe werd – we zullen dat later nog zien – pas in 1611 gesloten.

Belegering van Groningen door graaf Willem Lodewijk en prins Maurits, 1594  (GrA T1536-4629) Belegering van Groningen door graaf Willem Lodewijk en prins Maurits, 1594 (GrA T1536-4629)

Voorlopig kon van zulke plannen niets terecht komen. De Friese stadhouder Willem Lodewijk realiseerde stap voor stap zijn plan om de stad Groningen van de buitenwereld af te snijden. Uiteindelijk slaagden hij en prins Maurits er in 1594 in om de stad in te nemen. Daarna brak een chaotische periode aan waarin de oorlogsschade moest worden hersteld en de nieuwe bestuurders van Stad en Ommelanden hun plaats in de nieuwe politieke constellatie moesten zien te vinden. Aandacht en geld voor ingrijpende verbeteringen van de infrastructuur waren er de eerste jaren na 1594 niet.

Eerst in 1600 horen we weer iets over het Selwerderdiep, de vaarweg waarvan we eerder aannamen dat hij in 1588 al min of meer was ‘toegeslijkt’. Op 28 januari 1600 schreef secretaris Johan Julsing in zijn protocol dat ingezetenen van Adorp en Ubbega een rekest bij het stadsbestuur hadden ingediend, waarbij zij verzochten om het herstellen van het Selwerderdiep.31 We kunnen ons voorstellen dat de inwoners van Ubbega inderdaad gebruik hebben gemaakt van de oude Hunzebedding – vanaf Adorp of vanaf de Wilkerbrug bij de Oude Nadorst – om met schuitjes naar de stad te komen. Bij de Borgham, ten zuiden van het voormalige Cortinghuis, kwamen ze de Groninger stadstafel binnen. Het ligt in de rede dat het stadsbestuur sinds het hergraven van het Boterdiep weinig aandacht meer zal hebben besteed aan het deel van het Selwerderdiep dat binnen het stadsgebied lag. Naar aanleiding van het verzoek van de Adorpers besloot de Raad een commissie in te stellen, bestaande uit burgemeester Frederick Moysteen, de raadsheren Johan Krull, Reiner Fricx en Geert Hornekens, die samen met vertegenwoordigers van Ubbega en de stedelijke ‘osseweiders’ moest overleggen wat men het best zou kunnen doen. Wat het resultaat van dit overleg was is niet duidelijk, maar enkele jaren later maakt stadsrentmeester Johan van Diest melding van het graven – in de herfst van 1603 – van het Selwerderdiep ‘van Scheerslijpersbrugge aff tot an de stad an den steenen tijll bij Ebbyngepoerte’, een afstand van 163 roeden à 16 voet.32

De werkzaamheden van 1603 veranderden niets aan de situatie buiten de Ebbingepoort. Nog altijd takte daar het Selwerderdiep noordwaarts van het Schuitendiep af en begon een eindje verderop het Boterdiep. Er was echter wel verandering op til. Het stadsbestuur pleitte in deze tijd bij prins Maurits voor een algehele modernisering van de Groningse vestingwerken en nam twee ingenieurs in dienst om daarvoor plannen te maken, Arent Arens en Salomon Anthoni.33 Zij maakten elk een ontwerp voor de fortificatie aan de noordzijde van de oude stad. Het plan van Anthoni, dat vasthield aan het bestaande stadsareaal en voorzag in de aanleg van een viertal bastions aan de west- en noordzijde van de stad, kreeg niet de nodige goedkeuring. In tegenstelling tot de door Salomon Anthoni gemaakte ontwerptekening is het wél goedgekeurde ontwerp van Arent Arens niet bewaard gebleven, zodat we niet met zekerheid kunnen zeggen hoe het eruit zag. Gezien het verdere verloop van de fortificatiewerken mogen we echter aannemen dat die volgens Arens’ plan zijn gemaakt en dat zijn ontwerp dus ook de enorme uitbreiding – bijna verdubbeling – van het stadsareaal behelsde.

Detail van het plan Salomon Anthoni 1606  (Tresoar, kaart 9959) Het noorden is rechts. Detail van het plan Salomon Anthoni 1606 (Tresoar, kaart 9959) Het noorden is rechts.

Op het plaatje hierboven zien we een uitsnede van de plattegrond die Salomon Anthoni maakte voor de nieuwe vestingwerken.34 Zoals gezegd was dit het ‘conservatieve’ plan waarbij het stadsareaal ongeveer gelijk bleef. Op de tekening zien we de situatie bij de Ebbingepoort accuraat in beeld gebracht, met het Selwerderdiep en de Nye Graft, nu Botterdiep genoemd, naast elkaar.

Door allerlei omstandigheden lag de uitvoering van de fortificatieplannen een aantal jaren stil. Pas in 1614 kwam de aanleg van de noordelijke vestigingwerken weer ter sprake, in het volgende jaar werden de plannen daarvoor definitief goedgekeurd. Alles bij elkaar duurde het tot 1624 alvorens alles klaar was.

Buiten de Ebbingepoort Buiten de Ebbingepoort

In het kader van de stadsuitbreiding was buiten de Ebbingepoort een nieuwe ‘Hereweg’ geprojecteerd. Maar deze straat (de Nieuwe Ebbingestraat) kon alleen een volwaardige straat worden wanneer de percelen aan de oostkant ervan een behoorlijke diepte konden hebben. De daarvoor benodigde ruimte was er echter alleen vlak buiten de Ebbingepoort. Verderop was de strook tussen de weg en het Selwerderdiep zo smal, dat er geen huizen gebouwd zouden kunnen worden. Besloten werd daarom het Selwerderdiep te dempen en het Boterdiep te verbreden. Op de plattegrond van Jacob van Deventer zien we dat de ruimte tussen de latere Nieuwe Ebbingestraat en het Selwerderdiep naar het noorden toe smaller wordt.

Er zijn geen bronnen die rechtstreeks melding maken van het dempen van het Selwerderdiep, maar er zijn wel indirecte aanwijzingen. Zo wordt nog in 1616 van een huis buiten de Ebbingepoort gezegd dat het gelegen was ‘tussen de twee diepen’. Het Selwerderdiep was er toen blijkbaar nog.35 Van de bij het genoemde huis horende grond heet het in 1629 dat het ‘in het Botterdiep begraven’ lag.36 Uit de stadsrekening van 1619 blijkt verder dat er in de maanden april-november van dat jaar hard gewerkt is aan de ‘Kleisloot’.37 Het moet dan gaan om het breder en dieper maken van het Boterdiep, een herhaling dus van de werkzaamheden die in 1588 en vooral 1589 waren uitgevoerd. Een beschrijving van het project is niet overgeleverd, maar het ligt voor de hand dat men voor het dempen van het Selwerderdiep gebruik heeft gemaakt van de bij het uitgraven van het Boterdiep vrijkomende specie. Waarschijnlijk heeft het nog even geduurd voordat de strook tussen de Nieuwe Ebbingestraat en het Boterdiep voldoende geëgaliseerd was en voor bebouwing geschikt geacht werd, want pas in de zomer van 1621 stelde de Raad een commissie in om de percelen (‘huisplaatsen’) ‘an de nieuwe Ebdingestraet ende het [gedempte] Selwerderdiep’ te verdelen en tegen de hoogste prijs te verkopen of verpachten.38

Het ‘Butter Diep’ en Selwerderdiep op de plattegrond van Haubois Het ‘Butter Diep’ en Selwerderdiep op de plattegrond van Haubois

Op deze uitsnede uit de kaart van Haubois (het noorden is links) is met een blauwe lijn het tracé van het Selwerderdiep aangegeven, dat in de jaren na 1619-1620 moet zijn gedempt.

Op de bekende vogelvluchtkaart die Egbert Haubois en Jan Lubberts Langeweerd in 1635 publiceerden, ontbreekt het Selwerderdiep. Overigens is de eerste editie van die plattegrond niet bewaard gebleven, evenmin als de tweede editie van 1643, waarop door een onbeholpen graveur wat aanpassingen zijn ingekrast. De enkele exemplaren die bewaard gebleven zijn, dateren uit de jaren zestig van de zeventiende eeuw. Maar aan de hand van de teken- en graveerstijl is goed vast te stellen wat tot de originele plattegrond behoort en welke de latere wijzigingen zijn. Zo blijkt dat de oostzijde van de Nieuwe Ebbingestraat omstreeks 1630 al vrijwel geheel bebouwd was.

We zullen aanstonds zien dat de verbetering van het Boterdiep samenhangt met een besluit dat in 1611 is genomen.

Buiten de Nieuwe Ebbingepoort Het noorden is links. 1.  Selwerderdiep 2.  Kleisloot 3.  Korreweg Buiten de Nieuwe Ebbingepoort Het noorden is links. 1. Selwerderdiep 2. Kleisloot 3. Korreweg

Op deze uitsnede uit de stadsplattegrond van Egbert Haubois en Jan Lubberts Langeweerd zien we het Selwerderdiep, de Kleisloot en de ‘Currewegh’. De Scharenslijpersbrug bestond in Haubois’ tijd niet meer. Ze was vervangen door een nieuwe brug, even ten zuiden van de plaats waar de oude had gestaan. Deze brug gaf toegang tot de trekweg die aan de zuidzijde van de Kleisloot richting Noorderhoogebrug liep. Tegenover de brug staat de herberg ‘De Groene Weide’.

De woorden ‘Klei sloot’ staan op de plaats van de huidige Rodeweg, langs een stukje Boterdiep dat in het begin van de zeventiende eeuw is gegraven in verband met de aanleg van de nieuwe vestingwerken.
Nadat de nieuwe vestingwerken waren aangelegd, het Boterdiep was verbeterd en het Selwerderdiep binnen de vesting was gedempt, is ook een nieuwe brug over het Boterdiep gebouwd om de toegang tot de Korreweg te verbeteren. Ook deze nieuwe ‘Korretil’ is door Egbert Haubois afgebeeld.

De stadsplattegrond van Groningen die Nicolaes van Geelkercken maakte als illustratie voor Ubbo Emmius’ grote werk over de geschiedenis van de Friezen dat in 1616 bij Elzevier in Leiden verscheen,39 voegt aan ons verhaal niets toe, maar kan wel dienen ter illustratie van de verwarring die met betrekking tot het Selwerderdiep, de Kleisloot en het Boterdiep steeds heeft geheerst.

Plattegrond van Groningen door Nicolaes van Geelkercken (1616): ‘werk in uitvoering’  (GrA T1536-6886) Plattegrond van Groningen door Nicolaes van Geelkercken (1616): ‘werk in uitvoering’ (GrA T1536-6886)

Van Geelkerckens plattegrond is onder meer opmerkelijk, vanwege het feit dat hij de stad Groningen toont ten tijde van de aanleg van de nieuwe vestingwerken. De reeds voltooide bastions zijn in opstand getekend, de geprojecteerde in stippellijntjes. Ook het oude bolwerk rondom de stad en de twee rondelen buiten de Boteringe- en Ebbingepoort die in verband met de nieuwe uitleg werden geslecht, zijn met stippellijntjes aangegeven.

Als we Van Geelkercken mogen geloven was het stratenpatroon in de nieuwe uitleg nog niet ontworpen toen hij zijn plattegrond maakte. In elk geval zien we daar – in vage lijntjes getekend – nog de oude wegen en kavelscheidingen van de ‘Noord-es’.

De noordoosthoek van Groningen volgens Van Geelkercken  Het noorden is links De noordoosthoek van Groningen volgens Van Geelkercken Het noorden is links

Op deze bewerkte uitsnede (het woord ‘Schuitendiep’ staat niet op de originele gravure en is hier toegevoegd) zien we een deel van de oude stad, compleet met de ‘afgetopte’ Martinitoren, waarvan de houten spits in 1577 door brand werd verwoest.

Even ten oosten van het rondeel voor de ‘Oude Ebbinge poort’ tekende Van Geelkercken het naar het noorden (dus naar links) aftakkende Selwerderdiep, maar noemde het ‘t’Botter diep’. Het echte Boterdiep ontbreekt.

De in 1619 uitgevoerde verbetering van het Boterdiep past bij afspraken die al in 1611 zijn gemaakt over de verbetering van de vaarweg tussen de stad Groningen en Hunsingo. We zagen al eerder dat het stadsbestuur reeds in 1588 rekening hield met het weghalen van de waterscheiding tussen het vaarwater ten noorden van Noorderhoogebrug en het binnen het stadsgebied gelegen deel van het Boterdiep.

Een dergelijke ingreep zou grote gevolgen hebben voor de waterhuishouding. Wanneer de overtoom bij Noorderhoogebrug werd weggehaald zou het Boterdiep op Gronings terrein het peil krijgen dat door het Winsumer en Schaphalsterzijlvest werd aangehouden en dat zou kunnen verschillen van dat van het Groninger stadshamrik, dat onder het Scharmerzijlvest ressorteerde. Om die reden zou het nodig zijn om de tochtsloot van het Westerhamrik onder het Boterdiep door te leiden en een waterscheiding te maken tussen het Boterdiep en het Schuitendiep.

 Kleisloot, Beijumerzuidwending en Zuidwoldermaar worden Boterdiep (1611)  (GrA T2041-113) Kleisloot, Beijumerzuidwending en Zuidwoldermaar worden Boterdiep (1611) (GrA T2041-113)

We zullen nu de overeenkomst bekijken die in 1611 is gesloten om deze ingewikkelde kwestie te regelen. De tekst bevat enkele minder duidelijke punten en heeft daardoor aanleiding gegeven tot misverstanden die in de historische literatuur een eigen leven zijn gaan leiden.

Ook in dit geval is de originele versie niet bewaard gebleven. De onderstaande ‘hertaling’ is gemaakt op basis van een zeventiende-eeuws afschrift.

GrA T2041-113 (8 en 15 mei 1611)

 

Overeenkomst tussen burgemeesteren en raad van Groningen en het Winsumerzijlvest, over het graven van de Kleisloot, de overtocht, de brug aldaar en de Paddepoelster pomp

 

Afschrift

[1]

Er heeft overleg plaats gevonden tussen de heren gecommitteerden van de Raad van de stad Groningen met de Hofmeester(1) en enkele scheppers van de Winsumerzijl over het graven van de Kleisloot en het maken van de overtocht en de brug aldaar;

  1. In de periode vóór de Reductie was de hofmeester van de Aduarder voorhof te ‘Rodeschool’ voorzitter van het Winsumer en Schaphalsterzijlvest. Ook na 1594 bleef de voorzitter van de zijlvestenij de titel Hofmeester dragen.

[2]

daarbij is in aanmerking genomen dat peilingen hebben uitgewezen dat de vaste bodem van het grootste deel van de Kleisloot in de richting van de overtocht(1) meer dan een voet dieper ligt dan die van het diep dat aan de noordzijde van de overtocht begint(2), en ook dat, als het nodig is, de Kleisloot dieper kan worden uitgegraven(3), en dat daaruit duidelijk blijkt dat er nu een goede gelegenheid is om de zware last van de overtocht op te heffen

  1. Enkelvoud: bedoeld is de overtoom tussen de voormalige Hunzebedding en de Beijumerzuidwending. De overtoom tussen de Kleisloot en de Hunzebedding is al eerder opgeruimd.
  2. Aan de noordzijde van de overtocht ligt het westelijke uiteinde van de Beijumerzuidwending. Een halve kilometer verder naar het oosten begon het Zuidwoldermaar. Beide watergangen zijn onderdeel geworden van het Boterdiep.
  3. De betrokkenen hebben blijkbaar in de veronderstelling verkeerd dat de vereniging van Kleisloot en de Beijumerzuidwending met Zuidwoldermaar tot Boterdiep de bouw van een verlaat zou vergen. Uit de resultaten van de peilingen bleek dat dit niet nodig was. Terwille van de scheepvaart hoefde alleen de overtoom te worden weggehaald. Bleef over dat de waterstaatkundige risico’s zoveel mogelijk moesten worden uitgesloten.

[3]

onder voorwaarde dat daar ter plaatse de van stadswege beloofde brug(1) wordt gebouwd met een wijdte van zes voet, net zoals de scheve til bij Zuidwolde, en het aanbod dat, indien de een of ander schade mocht lijden door het water, men de brug bij de overtocht bij het olieslagershuis(2) aan de zuidzijde zal laten maken, zoals veertien dagen geleden is overeengekomen;

  1. Door het weghalen van de overtoom wordt de vaste oeververbinding (de oude dijk tussen Beijumerzuidwending en Hunzebedding) tussen de Kleiweg en Beijum verbroken. Om aan dit bezwaar tegemoet te komen moet een brug worden gebouwd. Burgemeesters en Raad van Groningen hebben eerder beloofd die te zullen bouwen.
  2. Kooper dacht dat het huis van de olieslager de Halfwegsmolen was die halverwege de Bedumerweg heeft gestaan. Dat was inderdaad een olie- en pelmolen. Het gaat hier echter om de plaats van de (voormalige) overtoom over de zuidelijke dijk langs de oude Hunzebedding.

[4]

tot ondersteuning van hetgeen hier is geschreven, zullen Burgemeesters en Raad

  • voorzien in het leggen van de Paddepoelsterpomp onder de Kleisloot door, om daarlangs het Paddepoelster water(1) in de tochtsloot van het Stadshamrik ten zuiden van de Kleisloot te laten stromen;
  • ervoor zorgen dat ook de andere duikers die nu in de Kleisloot uitkomen, volgens aanwijzingen van Hofmeester en scheppers, in het bijzonder die van de lage landen(2), worden afgedamd en gedicht, zodat daardoor geen water kan lopen, tenzij wanneer de lagelandster scheppers dat graag willen, en anders niet.
  • beloven ook een goede pendam, goed voorzien van palen en planken, in de tochtsloot bij de klapbrug van de Korreweg,(3) naar genoegen [van Hofmeester en scheppers] te leggen en onderhouden;
  • ook de garantie te geven dat door de Kleisloot niet meer water dan erin regent in het Winsumerzijlvest zal komen, tenzij de scheppers van de lage landen zelf in droge perioden graag wat water in hun zijlvest zouden willen laten lopen door de duiker bij de Korretil te openen.
  1. De woorden ‘Paddepoelsterpomp’ en ‘Paddepoelster water’ hebben verwarring gesticht. Ik kom hierop nog even terug.
  2. Bedoeld zijn in het bijzonder de scheppers van het laag gelegen Innersdijk. Hun belangen verschilden al sinds halverwege de vijftiende eeuw vaak van die van de andere gebieden in het Winsumer en Schaphalsterzijlvest.
  3. 'Korendijck’. De klapbrug daar is de Korretil.

[5]

Dit alles heeft de instemming van ons, Burgemeesters en Raad van de stad Groningen, en ons, ondergetekende Jonkers, Hoofdelingen en Eigenerfden in de lage landen [van het ] Winsumerzijlvest, en wordt door ons aangenomen en geratificeerd

[6]

Gedaan te Groningen, 8 mei 1611.

         Ter ordonnantie der heren Burgemeesters en Raad voornoemd,

         Kempo Adriani, secr.

 

Volgen de namen van ingelanden van het Winsumer- en Schaphalsterzijlvest:(1)

Sirp Eelama
Reijner Frickx
Rempt van Isselmuiden
Ernst van Mellingha
Everhardt de Mepsche voor mij zelf en ook als voormond voor Agnes Uffkens
Roleff Wijffrijng
Weduwe Jarges
Popco Everhardij
Sijcke Sijsing
Geert Lewe
Johan Lewe wegens onze heerd op Ter Laan
Tammo Conders voor mij particulier, en als mede-collator van de kerk te Noordwolde, vanwege onze landen
J. Clandt
Wathko Itens te Bedum
G. Verrutius
C. van Isselmuiden als schepper van Innersdijk verleen mijn instemming als particulier
Eggerick Egge Phebens vanwege het Sint Geertruidsgasthuis
J. Sicking voor mij als particulier, en als voormond voor de kinderen van mijn overleden oom Harmen Sickinghe, en als mede-collator te Zuidwolde, Bedum en anders.
Claes Writzers
Menolt Jansen vanwege mijn heerd te Bedum, uitgezonderd mijn landerijen in de Paddepoel

  1. Het aantal Groninger burgers onder de ‘lagelandsters’ is opmerkelijk groot!

Kantmelding

Hofmeester en scheppers van de Winsumer en Schaphalsterzijlen stemmen in en aanvaarden het schriftelijke en ondertekende bestek van heren Burgemeesters en Raad van de stad Groningen met de goedkeuring van de lagelandster eigenerfden, getoond door de edele heren Tammo Coenders, burgemeester, en Jan Drewes, raadsheer, om gerealiseerd en uitgevoerd te worden, onder het voorbehoud dat, wanneer enige schepperij in het algemeen of in het bijzonder door wateroverlast of anderszins blijkt benadeeld te worden, het bestek weer aangepast zal worden, opdat het geen aanleiding geeft tot klachten, waarvan wij om een bezegelde akte van non-prejudicie verzoeken. Gedaan te Winsum, 15 mei 1611.

Daaronder stond

Osbrant Clant, hofmeester

Ter ordonnantie van de heren hofmeester en scheppers voornoemd.

Wig. Radingius.(1)

Gedaan als boven.

  1. In het gebruikte afschrift staat abusievelijk ‘Kadingius’. Het afschrift in het ‘Zijlvesterboek’ van het Winsumer en Schaphalsterzijlvest geeft zijn volledige naam: Wigboldus Radingius.40

Op 7 maart 1616 hebben Burgemeesters en Raad van Groningen en de gezamenlijke scheppers van de Winsumer en Schaphalsterzijlen een oorkonde opgesteld waarin ze verklaren dat zij deze overeenkomst op 15 mei 1611 hebben gesloten en daarbij de bepalingen van de overeenkomst van de tekst van 8 mei 1611 nog eens woordelijk herhalen.41

Door het wegnemen van de overtoom in Noorderhoogebrug kreeg het hele Boterdiep vanaf de oude Ebbingepoort noordwaarts hetzelfde peil. Aangezien het Groninger stadshamrik via het Scharmerzijlvest uitwaterde ontstond nu de vreemde situatie dat op het territorium

waar het Groninger stadsbestuur de baas was de polders onder de Drie Delfzijlen ressorteerden en daarbinnen een van zijn omgeving afgescheiden kanaal liep dat onder het Winsumer en Schaphalsterzijlvest viel.

In ‘Groningen en het Drentse water’ 8 Alle kanten op heb ik – in verband met de inlating van Selwerd en de Paddepoel in het Aduarderzijlvest – al gewezen op de verwarring die met betrekking tot het ‘Paddepoelster water’ bestaat. In de inleiding op de inventaris van het archief van het Aduarderzijlvest42 lezen we na de mededeling over de inlating van Selwerd en de Paddepoel in 1435, dat dit gebied in 1611 de band met het Aduarderzijlvest verbrak en vanaf dat jaar gedeeltelijk afwaterde op het zijlvest der Drie Delfzijlen. Dit is niet juist. Het Paddepoelster water waarvan in 1611 wordt bepaald dat het door de ‘Paddepoelsterpomp’ moest stromen, is niet afkomstig van dat deel van de Paddepoel (de Hoge Paddepoel) dat in 1435 toetrad tot het Aduarderzijlvest, maar van de Lage Paddepoel, dat zo ongeveer samenviel met het Westerstadshamrik. Het ging in 1611 dus om dat deel van de Paddepoel dat gelegen was ten zuiden van de Penningsdijk en sinds 1434 deel uitmaakte van het Scharmerzijlvest en als zodanig via het Damsterdiep naar de Eems loosde.

Wieringa maakte het in zijn boek over het Aduarderzijlvest nog erger.43 Hij laat ons weten dat de Paddepoel zich in maart 1611 van het Aduarderzijlvest heeft losgemaakt en ging uitwateren op het Winsumer- en Schaphalsterzijlvest. Hij beroept zich daarvoor op een oorkonde van maart 1611, maar vergist zich in de datering. Hij bedoelt de hierboven genoemde bevestigingsakte van 7 maart 1616 waarin de op 8 en 15 mei 1611 afgesproken punten werden herhaald. Daarin gaat het echter niet, zoals hij meent, over de inlating van het Paddepoelster water in het Winsumer en Schaphalsterzijlvest, maar juist om het tegenovergestelde: het weren van datzelfde water uit het zijlvest, in het bijzonder door het leggen van een grondpomp onder de Kleisloot door.

 

Noorderhoogebrug vóór 1611 Noorderhoogebrug vóór 1611

  1. Het Nieuwe Gat van 1321-1322
  2. Wolddijk
  3. Noordzeeweg (N370)
  4. Het westelijke einde van de Beijumerzuidwending, later deel van het Boterdiep
  5. Zuidwoldermaar, later deel van het Boterdiep
  6. Oude bedding van de Hunze
  7. Boterdiep
  8. Kleiweg met Kleisloot (later Bedumerweg en deel van het Boterdiep)
  9. Van Starkenborghkanaal

We bekijken nu enkele punten uit de overeenkomst van mei 1611 nog wat nader. We beginnen met passage over de brug (nr. 3). Het voornaamste doel van de overeenkomst van 1611 was het wegnemen van de overtocht bij Noorderhoogebrug, die uiteraard een lastige hindernis was voor het scheepvaartverkeer tussen Groningen en Hunsingo. De overtoom is op dit plaatje aangegeven met een geel blokje.

Door de overtoom te verwijderen ontstond er een probleem voor het landverkeer dat vanaf de Kleiweg of Wolddijk via de weg langs de zuidzijde van de Beijumerzuidwending naar Beijum wilde. Zoals we zagen had de stad Groningen beloofd om dit bezwaar weg te nemen door op die plaats een brug te bouwen. Dat is in zoverre opmerkelijk, dat de locatie van deze brug zich buiten het Groninger stadsgebied bevindt.

 Noorderhoogebrug na 1611 Noorderhoogebrug na 1611

De brug die Groningen op de plaats van de weggehaalde overtocht bouwde, was in feite de tweede ‘Noorderhoogebrug’. We zullen in het volgende hoofdstuk zien waar de eerste ‘Hoogebrug’ waarschijnlijk heeft gelegen.

Onder punt 3 was bepaald dat, wanneer iemand schade zou ondervinden van de bouw van de brug, men haar eventueel bij de (voormalige) zuidelijke overtoom zou plaatsen. Deze plek moeten we zoeken op de plek waar vroeger de Kleisloot op de zuidelijke Hunzedijk doodliep en waar het kanaal, na het weggraven daarvan, een bijna haakse knik vertoonde.

Twee ‘onderleidingen’ buiten de Ebbingepoort, ingetekend op de oude kadasterkaart Twee ‘onderleidingen’ buiten de Ebbingepoort, ingetekend op de oude kadasterkaart

Het linker rondje geeft de plaats aan waar sinds de omleiding van de Hunze omstreeks 1400 de tochtsloot van het Westerstadshamrik via een ‘grondzijl’ onder het Selwerderdiep doorliep, het rechter rondje beduidt de plek van de ‘grondpomp’ waarlangs volgens de overeenkomst van 1611 het water van dezelfde tochtsloot de Kleisloot, later Boterdiep, moest kruisen.

De uitsnede van de kadasterkaart van de vorige afbeelding betreft het omkaderde stukje van de stad Groningen. De uitsnede van de kadasterkaart van de vorige afbeelding betreft het omkaderde stukje van de stad Groningen.

Om te voorkomen dat water vanuit de (Lage) Paddepoel in de Kleisloot/Boterdiep terecht zou komen, wilde het Winsumer- en Schaphalsterzijlvest dat er een ‘grondpomp’ onder de Kleisloot door zou worden gelegd (punt 4 van de overeenkomst). We hebben gezien dat het stadsbestuur reeds in 1589 had vastgesteld dat zo’n kunstwerk nodig zou zijn.

De nieuwe grondpomp, die niet alleen onder de Kleisloot doorging, maar ook onder de Kleiweg en de ten oosten van de Kleisloot gelegen trekweg, lag op korte afstand van de oude grondzijl onder het Selwerderdiep.

Op oude kadasterkaarten zijn de plaatsen van de onderleidingen onder het Selwerderdiep en het Boterdiep met Kleiweg en trekweg nog wel herkenbaar.

De ‘Paddepoelster tochtsloot’ op de moderne stadsplattegrond De ‘Paddepoelster tochtsloot’ op de moderne stadsplattegrond

  1. ‘Paddepoelster tochtsloot’
  2. Selwerderdiep
  3. Kleisloot, later Boterdiep
  4. Boterdiep

Op dit plaatje is de moderne stadsplattegrond gecombineerd met het minuutplan van het kadaster uit het begin van de negentiende eeuw.

De cirkel geeft de plaats aan van herberg ‘De Groene Weide’.

De Paddepoelstertocht kruiste met behulp van grondpompen het Selwerderdiep en de Kleisloot/Boterdiep. In verband met de aanleg van de nieuwe vestingwerken heeft men het Boterdiep een eindje naar het oosten verlegd. Zo is het tracé van de Rodeweg (ter plaatse van nummer 4) tot stand gekomen.

Oorspronkelijk lag herberg De Groene Weide ten oosten van het Selwerderdiep, even ten zuiden van de Scharenslijpersbrug. Na de omlegging liep het water langs de achterkant van de herberg.

Boterdiep met Rodeweg (c. 1925)  Boterdiep met Rodeweg (c. 1925)

De foto is gemaakt door L. Houttuin.  (GrA T1785-0870) De huizen aan de linkerzijde van de foto staan met hun voorkanten aan de Nieuwe Ebbingestraat, die de loop van het voormalige Selwerderdiep volgde.

Herberg De Groene Weide in de 17e eeuw Herberg De Groene Weide in de 17e eeuw

Aanvankelijk had het Selwerderdiep voorlangs de herberg gelopen. Haubois tekende de situatie die was ontstaan door het omleggen van het diep langs de huidige Rodeweg, achter langs de Groene Weide.
Een brug achter de herberg geeft toegang tot de trekweg die aan de oostzijde van de Kleisloot/Boterdiep liep.
Het wagenspan rijdt op de plaats waar zich eerder het tracé van het Selwerderdiep bevond.
Het water op de voorgrond is de gracht rond de Boteringedwinger.

De Groene Weide in 1954  (GrA T1785-28866) De Groene Weide in 1954 (GrA T1785-28866)

Tegenwoordig schrijft de uitbater van dit etablissement het woord ‘weide’ met een sjieke ‘y’.

Het zuidelijke uiteinde van het Boterdiep  (GrA T1785-18210) Het zuidelijke uiteinde van het Boterdiep (GrA T1785-18210)

De foto dateert van vlak vóór de demping (1912). De rails voor de kiepkarretjes liggen al klaar.

17.

Een transcriptie van de originele oorkonde vindt men in Bijlage 2.

18.

GrA T1539-62 reg.nr. 671 (9 februari 1521).

19.

M.C. Blom e.a., De laatmiddeleeuwse Cleisloot blootgelegd. Een archeologische opgraving aan het Boterdiep te Groningen, gemeente Groningen (Gr.) ARC-Publicaties 153 (Groningen 2007). Aan dit rapport zijn ook de twee volgende illustraties ontleend.

20.

G&DW 7, De Hunze omgelegd, hoofdstuk 7.2 ‘Schuitendiep en Selwerderdiep’.

21.

Froukje Veenman en Bert Tuin, ‘Verslag archeologie in 2009’ in: Hervonden Stad 15 (2010) 6-32, aldaar 13-15.

22.

University of Texas, Austin: collectie The Harry Ransom Humani­ties Research Center. Zie Meindert Schroor en Charles van den Heuvel, De Robles atlassen. Vestingbouwkundige plattegronden uit de Nederlanden en een verslag van een veldtocht in Friesland in 1572 (Leeuwarden 1998) 100; kaart 50.

23.

GrA T1536-5238.

24.

GrA T1536-5225.

25.

Ofschoon Wilhelmus Hammonius een geboren Ommelander was (hij heette eigenlijk Willem Zandt), schreef hij gedurende de eerste jaren van zijn ambtsperiode als syndicus van Groningen in de Hoogduitse taal. Dat komt doordat hij alvorens syndicus van de stad Groningen te worden secretaris was van de graaf van Öttingen in Beieren (zie het Ten Geleide in: Jan van den Broek (transcriptie en annotatie), Het verbaal van dr. Wilhelmus Hammonius, syndicus van de stad Groningen, I. 1587-1589 (Groningen 2008).

26.

DA 740. Een ongebruikelijk lange roede. Meestal wordt gerekend met roeden van 16 voet.

27.

Resoluties B&R 26 januari 1639 (GrA T1605-314.7, 455). Zelfs Noorddijk moet nu meebetalen, terwijl dat kerspel bij de regeling van 1473 nog werd ontzien.

28.

GrA T2041-113 (20 april 1653).

29.

DA 740.

30.

GrA T2100-48 (1589) fol. 356, 360, 362 en 365.

31.

GrA T1534-240 (28 januari 1600).

32.

Dit komt neer op 785 meter: exact de afstand tussen het begin van de Bedumerweg en de Turfsingel. Met de ‘stenen til’ is de brug bedoeld die ik eerder Vrydemabrug heb genoemd. Zie GrA T1605-332 (1603) fol. 336.

33.

Gea van Essen, Bouwheer en bouwmeester. Bouwkunst in Groningen, Stad en Lande (1594-1795). Groninger Historische Reeks 38 (Assen 2010) 74-76.

34.

Ik dank Bert Tuin voor het feit dat hij mij op het bestaan van deze tekening opmerkzaam maakte. Zijn artikel ‘Kapel en kerkhof bij de Brunne’ (Hervonden Stad 2012, 133-146) was voor mij aanleiding om nog eens opnieuw naar de kwestie van Kleisloot, Selwerderdiep en Boterdiep te kijken.

35.

GrA T1534-296 fol. 17 (11 juni 1616).   

36.

GrA T2241-393 (2 december 1629).

37.

GrA T1605-332 (1619).

38.

GrA T1605-314.3 (1 augustus 1621).

39.

Ubbo Emmius, Rerum Frisicarum Historia (Leiden 1616). De afgebeelde plattegrond heeft de signatuur GrA T1536-6886.

40.

GrA T2778-1 76-80.

41.

GrA T136-2499 fol. 123-124 en GrA T2778-1 pp. 88-89; GrA T2778-19 fol. 83-84.

42.

GrA T708.

43.

W.J. Wieringa, Het Aduarderzijlvest in het Ommelander waterschapswezen (Groningen 1946) 30.