Zoek op de website

1.3 		Enkele algemene opmerkingen

Eerst nog een paar open deuren…

Alvorens we ons met de afzonderlijke thema’s gaan bezighouden wil ik nog een paar open deuren intrappen. In dit laatste hoofdstuk wijs ik puntsgewijs op enkele algemeenheden die we in het vervolg in onze achterhoofd moeten houden.

Water heeft een Januskop

Net als de God Janus heeft water twee gezichten:

  • Positief: mensen (en dieren) hebben water nodig om te kunnen leven, voor de landbouw, om te vissen, voor hun vervoer; er moet genoeg zijn.
  • Negatief: water kan een bedreiging zijn; teveel water maakt landerijen onbruikbaar, verwoest woningen en stallen, verdrijft mens en dier.
  • Wat goed is voor de een kan erg slecht zijn voor de ander.
  • Geluk en ongeluk liggen dicht bij elkaar.

Toevalligerwijs verschillen waternood en watersnood in het Nederlands maar één letter.

Verschillende belangen

Menselijke gemeenschappen, maar ook afzonderlijke leden van dezelfde gemeenschap kunnen verschillende belangen hebben bij water en watergangen. Die belangen kunnen onderling conflicteren en doen dat ook vaak. Bovendien wegen ze ook niet altijd even zwaar. In de loop van de tijd kunnen er verschuivingen optreden.

We zullen daarvan later concrete voorbeelden zien.

  • Oeverbewoners hebben belang bij viswater (‘visstallen of viskenijen’) en houden daartoe het water op, maar de gebruikers van bovenstrooms en andere hoger gelegen landerijen willen een vlotte waterafvoer waarbij de visstallen een hindernis vormen.
  • Door een ongehinderde waterafvoer kunnen watergangen bij tijden droog komen te staan, zodat het land verdroogt, het vee versmacht en vervoer over water niet mogelijk is.
  • Vlotte afvoer van overtollig water is gunstig voor bovenstrooms gelegen landerijen, maar kan voor overlast zorgen in benedenstroomse streken.

Enzovoort. Ingrepen die gunstig zijn voor de een, kunnen nadelig uitpakken voor de ander. Het simpele principe ‘Wien ’t water deert, die ’t water keert’ leidt er maar al te gemakkelijk toe dat men zijn eigen probleem oplost ten koste van de buren.

Water heb je in soorten

De inwoners en landgebruikers binnen een bepaald gebied – ongeacht de grootte ervan – hebben te maken met drie soorten water:

  1. het hemelwater dat op hun eigen terrein valt (‘eigen water’)
  2. water dat van hoger gelegen streken komt (‘vreemd water’)
  3. zeewater (dat onderhevig is aan eb en vloed)

Het teveel aan hemelwater moet uit het gebied worden afgevoerd, het tweede en derde water moet buiten gehouden worden. Als het toch binnenkomt moet het ook worden geloosd.

Elke maatregel die men neemt, schept een nieuwe situatie, met meestal ook weer nieuwe problemen, die men lang niet altijd kon voorzien.

Drie complicerende factoren

Het is overal lastig om het teveel aan eigen en vreemd water kwijt te raken. Ruzie met de buren heb je zo. Maar in de buurt van Groningen spelen nog enkele andere factoren mee, die de zaak nog moeilijker maken:

  1. Het reliëf en de veranderingen daarin. Ik denk hier in het bijzonder aan de ‘zinkputten’ ter weerszijden van het einde van de Hondsrug. We hebben die al even bekeken. Dat geldt ook voor de verandering van het reliëf als gevolg van het landgebruik (veenontginning, landbouw). Omdat het ons vooral gaat om de oude waterstaat ga ik voorbij aan de gevolgen van de bodemdaling die het gevolg is van de aardgaswinning. Op vele plaatsen in Groningerland heeft men extra-gemalen en -sluizen moeten bouwen om het water overal op het gewenste peil te kunnen houden.
  2. De nabijheid van de zee: eb en vloed compliceren de zaak en stormvloeden vormen een extra bedreiging. Nadere toelichting is hierbij niet nodig.
  3. Het ontbreken van een gemeenschappelijke of overkoepelende staatkundige structuur bemoeilijkt de organisatie van het waterbeheer. Groningen en de omliggende streken behoorden tot verschillende culturele en staatkundige structuren. Dat betekent dat er bij burenruzies geen instantie was die een regeling kon treffen en de naleving ervan afdwingen. De Groningers en hun buren moesten er samen uit proberen te komen.

Complicerende factor 1: de lage bodems ter weerszijden van Groningen Complicerende factor 1: de lage bodems ter weerszijden van Groningen

Zoals gezegd heeft in de lage gebieden in het centrale deel van Groningerland veen gelegen en is de bodem gedaald als gevolg van ontwatering en ontginning. Zolang eb en vloed vrije toegang hadden, heeft opslibbing plaatsgehad in de buurt van de open geulen. Op dit plaatje is dit goed te zien. Ter weerszijden van de Hunze/Reitdiep bevinden zich relatief hoge gronden. De uitdrukking ‘Reitdiepdal’ op de ANWB-borden en in de publicaties van het Groninger Landschap doet dan ook vreemd aan.

Ook Humsterland wordt omringd door hoger gelegen stroken langs de Oude Riet en het Reitdiep. De zee heeft veel sediment achtergelaten in de streek ten oosten van Noordhorn-Zuidhorn (de zogenaamde Pompelanden).

Al deze niveauveranderingen hadden uiteraard gevolgen voor de waterhuishouding.

 Complicerende factor 2: de nabijheid van de zee (c. 1000) Complicerende factor 2: de nabijheid van de zee (c. 1000)

Op verschillende plaatsen drong het zeewater ver het land in. Vanuit de Lauwerszee zijn er de mondingen van Hunze, Kliefsloot en Oude Riet. Verder naar het oosten is er de Fivelboezem.

Er is zeeklei aangetroffen bij werkzaamheden aan de Drentse A in de buurt van het Friescheveen bij Paterswolde. Dit maakt duidelijk dat hoge vloeden tot ver voorbij Groningen het land konden binnendringen.

Eb en vloed hebben niet alleen sediment afgezet, de schurende werking van de getijden heeft ook de kronkels veroorzaakt in enkele kunstmatige watergangen. We hebben dat al gezien bij de Delf en de Deel. Ook het Reitdiep vertoont tussen de stad en Dorkwerd lichte kronkels: dat wijst erop dat de getijden hier een tijdlang vrij spel hebben gehad.

Dat hoge vloeden op zee de waterhuishouding in het binnenland bemoeilijkten, spreekt voor zich. Maar we moeten niet alleen aan stormvloeden denken. Ook het twee keer per etmaal optredende hoogwater belemmerde de afstroom van het binnenwater. Op de meeste plaatsen kon men zijn water alleen kwijt bij eb. Wanneer verschillende gebieden via dezelfde monding moesten lozen, kon er ruzie ontstaan over de vraag wie er ‘recht had op de eb’.

Complicerende factor 3: het ontbreken van een gemeenschappelijke staatkundige structuur Complicerende factor 3: het ontbreken van een gemeenschappelijke staatkundige structuur

Drenthe, Groningen en het Gorecht (ook ‘Gericht van Selwerd’ of ‘Go en Wold’ genoemd) behoorden kerkelijk onder het bisdom Utrecht. Sinds halverwege de elfde eeuw had de bisschop van Utrecht ook het wereldlijke gezag over dit gebied. De bevolking was van Saksische origine.

Van west via noord naar oost werd Groningen omringd door gebieden waar een Friese bevolking woonde: Langewold en Vredewold, Hunsingo en Fivelgo. Nog verder naar het oosten lagen binnen de grenzen van de huidige provincie Groningen nog het eveneens Friese Oldambt en Reiderland.

In kerkelijke zin ressorteerden deze Friese gebieden onder het bisdom Münster. Verder waren hier, op een paar uitzonderingen na, sinds de dertiende eeuw geen graven of andere wereldlijke machthebbers meer. Edelen (nobiles) waren er de baas. Zij zijn de voorgangers van de latere hoofdelingen. Vanaf omstreeks 1200 worden ook de kloosteroversten personen met gezag.

Net zoals in de omringende Friese gebieden stelde ook in de stad Groningen en Drenthe het landsheerlijke gezag weinig voor. Hierdoor komt het dat alle betrokkenen ook ten aanzien van de regeling van waterstaatkundige kwesties zelfstandig met elkaar tot afspraken moesten komen.

De huidige waterschappen: Noorderzijlvest en Hunze en Aa’s De huidige waterschappen: Noorderzijlvest en Hunze en Aa’s

Ooit waren er talloze kleine en grotere organisaties die verantwoordelijk waren voor de waterhuishouding en het dijkbeheer. De lappendeken van toen is in de loop van de eeuwen versimpeld tot een eenvoudig plaatje. Tegenwoordig zijn er nog maar twee instanties die zich met de waterbeheersing in ons gebied bezig houden. Gezien de discussies die zo nu en dan over de rol en betekenis van provincies en de waterschappen worden gevoerd, valt te bezien hoelang de huidige situatie zal blijven bestaan.

Het Noorderzijlvest is in 1995 ontstaan door de samenvoeging van de Drentse waterschappen Noordenveld en Smilde (gedeeltelijk) en de Groningse waterschappen Westerkwartier, Hunsingo, Eemszijlvest (gedeeltelijk) en twee waterschappen met een bijzondere taak: Electra (boezembeheer) en Ommelanderzeedijk (dijkbeheer). In 2000 is het uitgebreid met het gebied van het Eemszijlvest ten noorden van het Eemskanaal (het vroegere waterschap Fivelingo). Ook de taken van het Zuiveringsschap Drenthe en de dienst Zuiveringsbeheer van de provincie Groningen zijn, voor zover ze betrekking hadden op het gebied van het waterschap, aan het nieuwe waterschap overgedragen. Tegelijkertijd is op basis van de stroomgebieden de grens met de Friese waterschappen aangepast.

In het Waterschap Hunze en Aa’s zijn opgegaan de waterschappen Dollardzijlvest, het grootste deel van het Eemszijlvest, Hunze en Aa en het oostelijke beheersgebied van het waterschap Ommelanderzeedijk, alsmede (vanaf 2000) delen van het Zuiveringsbeheer van de provincie Groningen en het Zuiveringsschap Drenthe.