Zoek op de website

Vooraf

Bodemkaart van Groningen naar gegevens van de Stichting voor Bodemkartering (Stiboka), tegenwoordig Alterra Bodemkaart van Groningen naar gegevens van de Stichting voor Bodemkartering (Stiboka), tegenwoordig Alterra

Teksten lezen

Na de afronding van het manuscript voor mijn boek over de Hunze dat in het najaar van 2011 verscheen,1ben ik doorgegaan met mijn pogingen de middeleeuwse teksten over het Groninger waterstaatswezen te interpreteren. Het is soms erg moeilijk daarop grip te krijgen. Dat heeft verschillende oorzaken, waarvan ik er hier enkele noem.

In de eerste plaats is daar het betrekkelijk kleine aantal van de bronnen dat is overgeleverd. Die schaarste maakt dat vele teksten op zichzelf staan zodat de lezer geen steun kan vinden in (ongeveer) gelijktijdige bronnen over dezelfde of verwante aangelegenheden. In de periode vóór 1594 speelden de grote kloosteroversten een hoofdrol in de zijlvestenij- of waterschapsorganisatie. Daardoor komt het dat de administratie van de middeleeuwse zijlvestenijen in de kloosters werd bewaard. Zoals bekend hebben de kloosterbibliotheken en –archieven in de oorlogsjaren vóór 1594 zwaar geleden. Daarmee is ook de oude waterstaatsadministratie verloren gegaan. Het is dan ook geen wonder dat een flink aantal van de originele stukken die wél bewaard gebleven zijn, zich bevinden in het enige overheidsarchief dat vanaf de middeleeuwen continu doorloopt tot nu toe: dat van de stad Groningen.

Dat we desondanks toch heel wat teksten uit de middeleeuwse tijd kennen, komt doordat er van de originelen tijdig afschriften en uittreksels zijn gemaakt. Veelal werden die vervaardigd ten behoeve van de niet-geestelijken die zitting hadden in een zijlvestenijbestuur of om andere redenen veel belang hadden bij waterstaatsaangelegenheden. Het zal geen verwondering wekken dat hoofdelingen en andere grootgrondbezitters kopieboeken lieten aanleggen waarin de regels en besluiten waren afgeschreven die ze nodig hadden bij het beheer van hun landerijen.

Een probleem daarbij is wel, dat de meest zestiende-eeuwse secretarissen of andere schrijvers die de afschriften en uittreksels maakten, vaak zelf niet begrepen wat ze aan het overschrijven waren. Zo kan het voorkomen dat er van één en dezelfde tekst in verschillende archiefbestanden wel 20 of 30 versies voorkomen, waarvan er niet een gelijk is aan de andere. Over kleine verschillen hoeven we ons niet druk te maken, maar soms zijn ze zo groot dat er geen touw aan vast te knopen is en je je moet afvragen wat op het origineel teruggaat en wat niet.

Het is overigens niet verwonderlijk dat men ook in de zestiende eeuw vaak al niet meer wist waarover de documenten gingen die men afschreef. De problemen en twisten waaraan deze akten een einde moesten maken, hoorden toen al lang tot het verleden en de sporen ervan waren misschien al voorgoed uit het landschap (en het collectieve geheugen) verdwenen. Ook juridische termen en de namen waarmee waterlopen en andere landschapselementen werden aangeduid, waren allang door nieuwere verdrongen of gewoon vergeten. Met andere woorden: de originele documenten behoorden tot een wereld die allang niet meer bestond en voor de zestiende-eeuwer volkomen vreemd was.

Hoe veel vreemder nog, zou je zeggen, moet die wereld dan voor ons, twintigste- en eenentwintigste-eeuwers zijn? Maar dat valt mee. Het onderzoek naar de samenstelling van de bodem, naar de sporen die onze voorgangers daarin achterlieten, naar de achtergrond van topografische namen, naar de verkavelingsstructuren, kortom naar de geschiedenis van onze streken in haar ruimste zin, heeft alles bij elkaar een inzicht opgeleverd dat qua gedetailleerdheid en samenhang veel nauwkeuriger is dan het beeld dat de zestiende-eeuwse schrijvers van het verleden hadden.

Nieuw onderzoek en kritiek

Het is dus zinnig om die oude stukken, zowel de originelen als de afschriften, opnieuw onder de loep te nemen. Dat heeft niet alleen te maken met het feit dat het onderzoek niet heeft stil gestaan en dat we de oude documenten dus kunnen – en moeten – interpreteren in het licht van het moderne onderzoek. Daar komt nog bij dat degenen die zich met landschapsgeschiedenis hebben bezig gehouden niet altijd gebruik hebben gemaakt van de oude teksten zelf. In heel veel gevallen hebben onderzoekers alleen de beschrijvingen en samenvattingen bestudeerd die archivarissen van de bronnen hebben gemaakt. Wie de tijd heeft om de bronnen zelf te lezen zal merken dat de kwaliteit van de archiefbeschrijvingen sterk wisselt. In feite kunnen serieuze onderzoekers ze hooguit als richtingwijzers gebruiken.

Een betrekkelijk nieuw fenomeen is de beschikbaarheid van elektronische hulpmiddelen. Iedereen kan tegenwoordig gebruik maken van digitale hoogte- en bodemkaarten, gegevens- en afbeeldingsbanken, scans en transcripties van oude teksten enz. Het behoeft geen betoog dat het voorhanden zijn van deze digitale schatten ook de onderzoeker van de landschapsgeschiedenis nieuwe mogelijkheden geeft die hij niet mag laten liggen.

In dit verband is het goed om erop te wijzen dat ik in de voetnoten, en soms ook in de tekst, herhaaldelijk afstand neem van auteurs die een andere opvatting huldigen of huldigden dan ik. Dat is weliswaar heel gewoon, maar het gebeurt zo vaak dat het ook een verkeerde indruk kan wekken. Met name B.W. Siemens en mijn goede vriend Meindert Schroor moeten het ontgelden. Ik hecht eraan om in dit ‘Vooraf’ uitdrukkelijk mijn respect en zelfs bewondering uit te drukken voor beide onderzoekers, die – allebei op hun eigen manier –een uiterst belangrijke rol hebben gespeeld (spelen) in het onderzoek naar de geschiedenis van Groningerland en in het verbreiden van de kennis daarover. Siemens vanwege zijn onverdroten en noeste arbeid in het Rijksarchief in Groningen waar hij massa’s seriële archiefstukken doorploegde, Schroor vanwege zijn enorme belezenheid, grote parate kennis van de geschiedenis en geografie van heel Noord-Nederland en zijn neiging om, als het even kan, terug te gaan tot de bronnen.

Dat het toch nodig is om soms uitvoerig in te gaan op de punten waar zij het naar mijn idee mis hebben, heeft te maken met het feit dat beide auteurs zovaak geciteerd worden. Vrijwel alle archeologen en onderzoekers van het landschap maken gebruik van de publicaties van Siemens en Schroor, waarbij de laatste ook zelf zich weer vaak baseert op Siemens. Laatstgenoemde gebruikte voor zijn onderzoek vooral achttiende-eeuwse afschriften in het archief van de Hoge Justitiekamer, geen originele teksten. Afgezien van het feit dat hij de originele stukken niet kon lezen, zou hij ook nooit zijn provincie-dekkende overzichten hebben kunnen produceren wanneer hij ‘alles’ bij zijn onderzoek had betrokken. Het gevolg is echter wel dat Siemens’ producten een minder kanonieke status toekomt dan de praktijk suggereert. Voor Schroor geldt iets anders. Zijn werken zijn steeds in opdracht geschreven en dat betekent dat hij altijd met deadlines heeft geworsteld en gewoon geen tijd had om dieper op de stof in te gaan. Dat hij er toch geregeld in slaagde om oorspronkelijk onderzoek in zijn publicaties te verwerken is dan ook een prestatie van formaat.

Van cursus tot publicatie

Mijn onderzoek in de archiefbronnen bracht aardige ‘nieuwigheden’ aan het licht die ik – tot mijn eigen verwondering – in een aantal gevallen zodanig met elkaar in verbinding kon brengen, dat er een samenhangend verhaal verteld kon worden. Omdat ik deze verhalen graag wilde delen met anderen die in de geschiedenis van het Groninger landschap geïnteresseerd zijn, heb ik de stof uitgewerkt tot een tiental, later zelfs elftal ‘colleges’ die ik gedurende vier seizoenen heb gegeven voor de Seniorenacademie Groningen-Drenthe.

Echte ‘colleges’ waren het uiteraard niet, want colleges en cursussen geeft men doorgaans om kennis over te dragen. Je zou daarom beter het woord ‘college’ kunnen vervangen door ‘voordracht’ of ‘presentatie’. Uiteindelijk is het voorzichtige woord ‘verkenningen’ terecht gekomen in de subtitel van de serie ‘Groningen en het Drentse water’. Dit woord brengt het beste tot uitdrukking dat het hier gaat om pogingen om vanuit één invalshoek, die van de archivaris, een complex onderzoeksterrein in kaart te brengen. Het landschap kennen we allemaal, we wonen er, reizen er doorheen, gebruiken het en veranderen het naar believen, maar wie het echt wil leren kennen en doorgronden moet een duizendpoot zijn. De landschapshistoricus moet én bodemkundige, én archeoloog, én geograaf, én historicus en – niet te vergeten – ook archivaris of bronnencriticus zijn om het voorwerp van zijn studie te kunnen lezen. Het meeste daarvan ben ik niet, zodat mij niets anders overblijft dan het doen van verkenningen op voor mij grotendeels onbekend terrein.

Wat ik in het navolgende kan aanbieden is geen kennis, maar een aantal samenhangende hypotheses. Als er toch iets van op te steken valt is dat maar heel weinig:

  • dat er nog heel wat oude schriftelijke bronnen voor de landschapsgeschiedenis zijn die onvoldoende zijn bestudeerd
  • dat het Groninger landschap nog interessanter is dan menigeen al dacht
  • dat ditzelfde landschap uiterst kwetsbaar is, dat de bijzondere kenmerken ervan in de laatste decennia in sneltreinvaart worden opgeruimd
  • dat veel van wat in de boeken en op websites staat lang niet zo zeker is als je zou denken.

De behandeling van de stof blijft heel dicht bij mijn manier van onderzoek doen. Daarin is de interpretatie van oude teksten het uitgangspunt. Het gaat daarbij steeds om dezelfde vragen: wat hebben we hier voor document? met welk doel is het geschreven? wat is de waarde ervan? wat staat er nu precies en hoe moeten we het begrijpen? Soms komt er dan een aardig verhaal voor de dag, maar dat is beslist niet steeds het geval. Ik ben mij ervan bewust dat door deze manier van werken de stof moeilijker te volgen is dan wanneer ik een verhaal zou vertellen dat begint met een keurige vraagstelling en vervolgens uitlegt hoe het zit.

Doordat alles met alles samenhangt – dat geldt ook en zelfs in hoge mate voor de landschapsgeschiedenis – heb ik niet kunnen voorkomen dat sommige onderwerpen meer dan eens worden besproken. Een verschijnsel kan nu eenmaal een rol spelen in verschillende verhalen. In theorie zou je bij het beschrijven van een thema kunnen volstaan met verwijzingen naar de bespreking van details in een andere context, maar in de praktijk blijkt dat een onbegaanbare weg. Het verhaal verliest dan zijn inwendige samenhang en wordt onbegrijpelijk.

Omdat ik tijdens mijn voordrachten voor de Seniorenacademie lang niet alles heb kunnen bespreken wat ik de moeite waard vind en – ondanks de volle zalen – ook maar betrekkelijk weinig geïnteresseerden heb kunnen bereiken, heb ik gemeend er goed aan te doen mijn cursusmateriaal tot een traditionele, papieren, publicatie om te werken. Ik dacht aan een soort ‘waterprentenboek’, waarin ik – in de stijl van de ‘colleges’ – de stof in de vorm van ‘praatjes bij plaatjes’ zou kunnen presenteren. De onuitvoerbaarheid van dat idee was echter al gauw duidelijk. Om het materiaal tot een publiceerbaar boek om te werken zou ik heel veel plaatjes, in het bijzonder foto’s, moeten schrappen. Maar het laten zien van doodgewone dingen zoals slootjes en weggetjes, dijken, bultjes en laagten beschouw ik juist als een van de belangrijkste onderdelen van dit project. Achter al die simpele landschapselementen gaan eeuwenoude verhalen (of raadsels) schuil waar vrijwel niemand weet van heeft. Wanneer mijn plaatjes ertoe bijdragen dat belangstellenden met nóg meer interesse naar ons landschap kijken dan ze al deden, heb ik een van mijn belangrijkste doelstellingen bereikt.

Ik ben daarom erg blij dat dit product op de website van de Groninger Archieven kan worden gepresenteerd. Door deze vorm van publiceren voel ik me ook wat vrijer met betrekking tot de presentatie. Deze heb ik, zowel voor wat betreft de inhoud als ten aanzien van de stijl, wat losser gelaten dan in een traditionele publicatie gewoon is.

Het is de bedoeling dat de elf delen van ‘Groningen en het Drentse water’ in duplo zullen worden gepresenteerd:

  • een webpublicatie met annotatie en illustraties die naar believen kunnen worden aangeklikt en vergroot
  • een te downloaden PDF-versie van het cursusmateriaal met (een keuze uit) de plaatjes die ik tijdens de ‘colleges’ liet zien.

Een kronkelend verhaal

Uit de aard der zaak worden in ‘Groningen en het Drentse water’ onderwerpen behandeld die ook in Een kronkelend verhaal zijn besproken. In enkele gevallen hebben het verschijnen van nieuwe onderzoeksverslagen en mijn eigen voortgezette naspeuringen in de archieven geleid tot verandering van inzicht. Het gaat daarbij gelukkig nooit om de grote lijn, enkel om details van ondergeschikte betekenis. Thema’s waarvan ik vond dat ze in Een kronkelend verhaal voldoende behandeld zijn, heb ik hier wat beknopter besproken, maar zijn soms wel wat ruimer geïllustreerd. Uitgebreid en gedetailleerd ben ik ingegaan op onderwerpen die in het boek niet of slechts summier aan bod zijn gekomen. In het bijzonder in die gevallen heb ik nogal wat ‘oud nieuws’ te melden dat nog niet eerder is gepubliceerd. Helemaal nieuw zijn de delen over het conflict tussen Aduard en Drenterwolde over een obstakel in de Hunze dat in 1285 speelde, over de ‘inlating’ van Middelbert en Engelbert in het Scharmerzijlvest in 1370 en over de ontwikkelingen in het gebied ten westen van de Hondsrug, tot aan de omgeving van Grijpskerk toe.

Jan van den Broek

Groningen, voorjaar 2015

1.

Jan van den Broek, Een kronkelend verhaal. Nieuw licht op de oude Hunze (Assen 2011).