Zoek op de website

Diplomatiek, het verzamelen, bestuderen en ontsluiten van historische bronnen

Jean Mabillon OSB (1632-1707) Jean Mabillon OSB (1632-1707)

Diplomatiek of oorkondenleer is de tak van wetenschap die zich bezig houdt met de studie van de formele aspecten van schriftelijke bronnen, in het bijzonder oude akten.

De ‘aartsvader’ van de diplomatiek is de Franse benedictijner monnik Jean Mabillon (1632-1707). Hij heeft gewerkt aan een methode om echte en valse stukken van elkaar te onderscheiden.

Hij was een van de uitgevers van de Actes de l'Ordre de Saint-Benoît (Acta Ordinis Sancti Benedicti), waarvan het eerste deel in 1703 verscheen.

Titelpagina van Mabillons De re diplomatica met als motto: ‘Veri justique scientia vindex’ Titelpagina van Mabillons De re diplomatica met als motto: ‘Veri justique scientia vindex’

In 1681 had hij al een verhandeling geschreven De re diplomatica ('Over de diplomatiek'). Op het titelblad van dit werk stond als motto: veri justique scientia vindex (wetenschap staat borg voor waarheid en recht). Daarin ging het over de echtheid van enkele akten van de abdij van Saint-Denis, die in twijfel werd getrokken door de Nederlandse jezuiet Daniel van Papenbroeck. Dit werk wordt gezien als het begin van de ‘diplomatiek’.

In opdracht van minister Jean-Baptiste Colbert maakte Dom Mabillon studiereizen naar Bourgondië (1682), Zwitserland en Duitsland (1683). Hij moest daar stukken verzamelen en op hun echtheid controleren, die van belang waren voor de geschiedenis van de Franse kroon en de kerk in Frankrijk.

De koning stuurde hem in 1685 naar Italië om boeken en manuscripten te verzamelen voor de Bibliothèque Nationale.

Hoe onderscheid je echt en namaak ?

Monogram van Hendrik IV Monogram van Hendrik IV

Uit het besef dat men echt en onecht van elkaar moet onderscheiden (discrimen veri ac falsi) spreekt de kritische houding van de intellectueel, die kenmerkend is voor het tijdperk van de Verlichting.

Ter beantwoording van de vraag of een historische bron echt is, moet men op een aantal verschillende criteria letten.

Deze betreffen zowel de uiterlijke, min of meer technische aspecten van een bron, als ook de inhoud ervan.

Voorbeelden van technische aspecten zijn de zogenaamde validatie-kenmerken: zegels, merktekens, het handschrift, formules, namen van autoriteiten.

Dezelfde of soortgelijke kenmerken worden nu gebruikt ter beveiliging van paspoorten en andere documenten.

Formele kenmerken zijn tegenwoordig vrij gemakkelijk te vervalsen. Denk maar aan gekopieerde bankbiljetten en valse websites. Toch zijn en blijven opmaak en vormgeving onmisbare middelen om vertrouwen te wekken. Dat was in de 11e eeuw niet anders.

Het precies namaken van een oude bron is natuurlijk een moeizaam werkje. Een veel gemakkelijker manier van vervalsen is het maken van afschriften waarin stukken van een oorspronkelijke tekst zijn veranderd, dingen zijn ingevoegd of weggelaten. Dat was zeker het geval vóór de introductie van mechanische kopieermethoden.

Kopie van de Aduarder zijlbrief van 1382 Kopie van de Aduarder zijlbrief van 1382

Maar ook aan de hand van de inhoud van een tekst kan men soms vaststellen of hij echt of vals is. Om echt te zijn behoort een tekst te passen in de context waarin hij pretendeert tot stand te zijn gekomen. Wie de echtheid van een tekst wil vaststellen moet dus een gedegen kennis van de geschiedenis hebben.

Voorbeelden van valse teksten die niet passen bij de situatie van die tijd zijn de akte van het Aduarderzijlvest van 1382 (1383), waarin de namen van de kerspelen Feerwerd en Garnwerd zijn geïnterpoleerd, en de keizerlijke oorkonde van 1454 waarbij Ulrich Cirksena tot graaf van Oost-Friesland werd verheven. In dat stuk worden ook Esens, Jever, Friedeburg en andere plaatsen tot het Oostfriese graafschap gerekend, ofschoon het Oostfriese gravenhuis daarop pas later aanspraak maakte.

De ontdekking dat de betrouwbaarheid van indrukwekkende stukken en oude overleveringen niet voetstoots kan worden aangenomen, past bij de kritische geest die in het begin van de Nieuwe Tijd de kop op stak: het begin van de Verlichting.

Men ontdekte de historiciteit van historische bronnen. Dat lijkt een open deur, maar dat is het niet. Historische bronnen zijn niet gemaakt om ons wat te leren over het verleden, ze hebben een eigen doel gehad en hun functie is in de loop van de tijd veranderd. Ze hebben een eigen geschiedenis.

Pas in de negentiende eeuw kwam de historische tekstkritiek tot volledige ontplooiing. Ook de wetenschappelijke Bijbelkritiek past in deze ontwikkeling.

Albert Johan de Sitter (1748-1814)

Albert Johan de Sitter Albert Johan de Sitter

In Stad en Lande begon Albert Johan de Sitter met het systematisch verzamelen van historische bronnen.

A.J. de Sitter was rentmeester van de venen, raadsheer, drost der beide Oldambten, stadssyndicus, afgevaardigde voor Stad en Ommelanden ter Staten- Generaal, lid van de 1e en 2e nationale vergadering en vrederechter in het kanton Veendam.

Hij publiceerde in 1789 een ‘Voorlopig register van charters, privilegien, placaaten, ordonnantien enz. Stad en Lande betreffende, en kunnende dienen tot het opmaaken van derzelver Groot Placaat en Charter-boek, loopende tot aan de reductie, of het jaar 1594’.

Voorloopig Register van De Sitter Voorloopig Register van De Sitter

De term ‘Groot Placaat en Charter-boek’ was ontleend aan een Fries voorbeeld: Het Groot placaat en charter-boek van Vriesland, uitgegeven door G.F. thoe Schwartzenberg en Hohenlansberg (Leeuwarden 1768-1793; 5 delen).

Monumenta Groningana

De eerste echte provinciale archivaris was R.K. Driessen.

Hij is de auteur van de Monumenta Groningana veteris aevi inedita of verzameling van onuitgegevene oude charters en stukken betreffende de provincie Groningen, aanvang nemende met de vroegste tijden en eindigende met het laatste van de veertiende eeuw (Groningen, J. Oomkens, 1822-1830) 4 stukken in 4 banden.

Robertus Keuchenius Driessen (1759-1831) was advocaat, secretaris van de Ommelanden, plaatsvervangend rechter in het provinciale Hof van Justitie en sinds 1824 archivarius van de provincie.

De term ‘monumenta’ doet denken aan de veel bekendere Monumenta Germaniae Historica, de serie bronnenpublicaties voor de geschiedenis der Duitse landen, waarvan het eerste deel in 1826 verscheen.

Mr. H.O. Feith I (1778-1849)

Mr. H.O. Feith I Mr. H.O. Feith I

De jurist H.O. Feith (1778-1849), advocaat te Groningen, volgde in 1832 R.K. Driessen op als archivaris van de provincie en was vanaf 1839 raadsheer in het provinciale Hof van Justitie.

De eerste Groningse studie over de schenkingsakte van 1040

Samen met professor Ypey schreef H.O. Feith I een studie over de oudste geschiedenis van Groningen en directe omgeving:

A. Ypey en H.O. Feith, Oudheden van het Gooregt en Groningen, ontleend uit den giftbrief van Hendrik III aan de St. Martenskerk van Utrecht van den jare 1040 (Groningen 1836).

Mr. H.O. Feith II (1813-1895)

Mr. H.O. Feith II Mr. H.O. Feith II

Zijn zoon, H.O. Feith jr (1813-1895), begon in 1853 met een chronologisch ingerichte inventaris van de Groninger archieven: het zogenaamde Register Feith.

De schenkingsakte in het Register Feith De schenkingsakte in het Register Feith

In het Register Feith werden geen integrale teksten opgenomen, maar uittreksels die in archiefkringen ‘regesten’ worden genoemd.

Het was dezelfde opzet die al door De Sitter was gebruikt.

Jhr. mr. J.A. Feith (1858-1913)

Jhr. mr. J.A. Feith Jhr. mr. J.A. Feith

H.O. Feith II werd opgevolgd door een derde lid van de Feith-dynastie, jhr. mr. J.A. Feith.

Johan Adriaan Feith, onder meer bekend als grondlegger van het Groninger Museum van Oudheden, gaf samen met enkele anderen het Oorkondenboek van Groningen en Drente (1896-1899) uit.

Dit is een wetenschappelijk-kritische publicatie van de bronnen, waarin elke tekst wordt voorafgegaan door een zogenaamde ‘kopnoot’.

‘Kopnoot’ en begin van de tekst van de schenkingsakte van 1040 in het Oorkondenboek van Groningen en Drente ‘Kopnoot’ en begin van de tekst van de schenkingsakte van 1040 in het Oorkondenboek van Groningen en Drente