Zoek op de website

1. Nog eens: de schenking van 1040

In 1040 schonk de koning een landgoed in de villa Gruoninga met bijbehorende grafelijke rechten aan de kerk van Utrecht. Het is niet precies duidelijk waar zich de hof en het landgoed hebben bevonden en hoe groot ze waren.

Behalve het koninklijke praedium was er in Groningen ook een hof van de abdij te Werden en vermoedelijk was er ook vrij boerenbezit. Het ligt voor de hand te veronderstellen dat de koningshof gelegen heeft op een van de noordelijke opduikingen van de Hondsrug.

De hof werd beheerd door een villicus, die aan het hoofd stond van de hofgemeenschap, bestaande uit vrijen en onvrijen. Deze hofgemeenschap vormde een ‘immuniteit’, met andere woorden: de hof was een zelfstandige rechtskring waar het gewone landrecht niet gold.

Het hoofd van de koninklijke hof was, net zoals de hofmeester van Werden en de vrije boeren, grondbezitter in Groningen en als zodanig mede gerechtigd in de marke van Groningen. Vermoedelijk strekte deze zich uit over het laagland ten noorden, westen en oosten van de hoogte, tot aan de A en Hunze.

De hertogdommen van het Oostfrankische Rijk in de 10e eeuw

De hertogdommen van het Oostfrankische Rijk in de 10e eeuw De hertogdommen van het Oostfrankische Rijk in de 10e eeuw

We hebben gezien dat de schenking van Groningen past in de pogingen van de keizer om stabiliteit te brengen in een betrekkelijk afgelegen deel van het Rijk waar de machtsstructuur zwak ontwikkeld was.

Door de onafhankelijkheidszin van zijn hertogen dreigde Lotharingen, eerder onderdeel van het Middenrijk, van het (Oost-Frankische Rijk) los te raken.

De keizers stelden geestelijken aan als rijksambtenaar. Zo kwamen rijksbisdommen en rijksabdijen tot stand.

Dit ‘Rijkskerkensysteem’ was erop gericht het Rijksgezag in Lotharingen te versterken (bisdommen Utrecht, Luik, Toul, Nancy, Metz).

Het geschonken materiële bezit moest dienen als economische basis voor een locale machtsinstantie, waarvan men mocht aannemen dat die loyaal zou zijn aan het hoofd van het Duitse Rijk.

Het overheidsgezag was destijds in handen van de graven.

Groningen en het Gorecht

Groningen en het Gorecht Groningen en het Gorecht

We hebben ook gezien wat het begrip ‘grafelijkheid’ inhoudt. Het behelst vooral de organisatie van de rechtspraak en de bescherming van de bevolking buiten de hof, die zelf een immuniteit was.

De bisschop was, als hoofd van de Utrechtse kerk, degene die met het grafelijk ambt bekleed was. Maar omdat de afstand tussen Utrecht en Groningen veel te groot was, moesten de met de grafelijkheid verbonden werkzaamheden door een plaatsvervanger van de bisschop worden uitgevoerd. In Groningen trad de villicus op van de Utrechtse hof als ‘locatie-manager’ op.

Het bezit van de grafelijke rechten betekende dat de villicus van Groningen de toepassing van het landrecht organiseerde in een gebied dat groter was dan het praedium dat hij beheerde.

In de akte staat niet hoe groot het grafelijke ambtsgebied van de Utrechtse villicus was . Het ligt voor de hand aan te nemen dat het zich uitstrekte over het gehele noordelijke deel van Drenthe, voor zover het althans werd bewoond en gebruikt.

Dat betekent dat er geen ‘harde’ grenzen waren. Aanvankelijk zullen de rivieren A en Hunze als grens hebben gefunctioneerd. Dat waren de grenzen van de marke van Groningen.

Op de kaart van de juridische indeling van Groningerland anno 1750 zien we echter dat het rechtsgebied van Groningen veel groter is. Zowel aan de west- als (vooral) aan de oostzijde strekt het zich uit aan de overzijde van de natuurlijke grenzen. Dit hangt samen met de ontginningen ter plaatse.

Bisschoppelijke munten uit Groningen

Bij de bespreking van de schenkingsakte van 1040 is melding gemaakt van een 'klimaatoptimum', bevolkingsgroei en ontginningen in de tiende en elfde eeuw.
Deze ontwikkelingen hadden een politieke betekenis.

Er was winst te boeken, of, wanneer men zich er niet in mengde en zijn buren hun gang liet gaan, achterstand op te lopen.

De ontginningen openden de mogelijkheid om het rijksgezag te versterken en te handhaven en zelfs te vestigen waar het ontbrak.

Dat kon alleen door het opzetten en onderhouden van een netwerk van vertrouwde medewerkers.

Trouw moest worden gekocht door het doen van schenkingen in combinatie met de overdracht van taken. Dat is de kern van wat men feodaliteit noemt.

De vertrouwelingen van de koning konden het aan hen toevertrouwde gezag en de bijbehorende functies op hun beurt weer doorgeven aan lager geplaatsten. Het machtsapparaat van het Rijk leek daardoor op een pyramide aan de top waarvan de koning of, als hij als zodanig was gekroond, de keizer stond.

Deze onderhield de banden met zijn plaatsvervangers door voortdurend rond te reizen door zijn Rijk.

Groningen moet al vóór de schenking van 1040 een plaats zijn geweest waar gehandeld werd.

Daarop wijst de vermelding in de akte van het bestaan van munt en tol ter plaatse.Tastbare bewijzen uit de tijd van ná de schenking zijn de munten die te Groningen geslagen zijn op naam van bisschop Bernold (1027-1054) en zijn opvolger, bisschop Willem (1054-1076).

De munten zijn vrijwel allemaal gevonden in de landen rond de Oostzee, tot aan de streek bij Ladoga en Onega.