Zoek op de website

4. Een vredesverdrag uit 1258

Het vredesverdrag van 9 juni 1258 Het vredesverdrag van 9 juni 1258

We zijn nu toe aan de behandeling van het vredesverdrag dat Groningen en Fivelgo in 1258 met elkaar sloten. Het is het eerste verdrag dat de Groningers zonder hun prefect met een ‘buitenlandse mogendheid’ sloten.

Achterzijde van de akte van 9 juni 1258

Achterzijde van de akte van 9 juni 1258 Achterzijde van de akte van 9 juni 1258

De keerzijde vertoont een autograaf van Ubbo Emmius:

Aantekening van Ubbo Emmius op de achterkant van de akte

Aantekening van Ubbo Emmius op de achterkant van de akte Aantekening van Ubbo Emmius op de achterkant van de akte

‘Foedus Fyvelgonie ab anno / 1258 et magistratus summus / Groningensibus fuit / Aldermannus et Consules’.

Als ik deze aantekening correct interpreteer meent Emmius dat het stadsbestuur van Groningen in 1258 bestond uit een aldermannus en consules.

Maar dat is een vergissing. De in de akte genoemde aldermanni zijn de burgerlijke autoriteiten in Groningen en de consules zijn de ‘raadsheren’ die in Fivelgo als rechterlijke functionarissen optreden.

Latijnse tekst

In nomine Domini amen.

Anno ejusdem MCCL octavo, quinto idus junii, indictione prima, federa ac pacta pacis perpetue inter nobiles homines terre Fivelgonie ex parte una et cives de Groninge ex parte altera fide media sub hac forma sunt ordinata.

Personas igitur ac res Fivelgonum cives de Groninge suo periculo in hiis recipiunt locis, videlicet ab amne usque ad civitatem et in civitate et extra civitatem in foro lignorum ac in foro equorum venalium, similiter et inter duas vias, quarum una Friemer Sidwendene dicitur, altera Herebure Sidwendene nuncupatur.
Si forte contigerit, quod absit, in predictis locis in personis aut rebus ipsos molestari et sine difficultate ac sumptibus hoc emendare non poterunt cives de Groninge, commune Fivelgonie ipsis opem et operam personis, rebus et armis ministrabunt periculo eorum, qui in hoc facto possint accidere, solos Gronienses respiciente.

Fivelgones vero ab orientali parte amnis cum incolis de Threntawalda usque ad fossatum, quod Burch vocatur, suo periculo Gronienses recipient rebus et personis, deinde Fivelgones in omni terra eorum.
Si vero in jam dictis locis aliquid molestie Groniensibus occurrerit, emendabitur illis a Fivelgonibus secundum formam superius expressam, ubi dictum est de emenda Fivelgonum ipsis a Groniensibus facienda.

Et preter hec in termino Groniensium Fivelgones neminem molestabunt nec in terminis eorum aliquem debent offendere Gronienses.

Si quisquam ergo Fivelgonum a cive Groniensi vel econverso occisus fuerit, quod Deus avertat, decem marcis novorum Angliensium persolvetur occisus et due marce pro pace, una marca consulibus Fivelgonie et altera marca aldermannis Groniensibus. Si reus solvere non poterit, amici ejus, si habent unde solvant, plenarie satisfaciant, alioquin reus comprehensus capite puniatur. Si vero reus evaserit, aldermanni Gronienses vel consules, si in Fivelgonia acciderit, testabuntur, quod amici satisfacere non valebunt.

Verum sit cum cultello vel in domo aliqua preter in taberna occisus fuerit, tercia parte preciosius persolvetur. Si contigerit in civitate, quod notum sit aldermannis, vel in Fivelgonia, quod sit notum consulibus, non permittetur se quisquam excusare. Si autem ipsis notum non fuerit, se manu duodecima expurgabit, quod nec cultello nec in domo homicidium perpetraverit.

Si vero ex sex membris principalibus aliquod fuerit amputatum, precium ejus erit quantitas precii dimidii, quod pro homicidio compensatur. Membra debilitata prorsus vel amputata secundum consuetudinem hactenus habitam persolventur.

Proscriptos hinc inde a se removebunt nec profugos tuebuntur de manifesto scelere perpetrato; contrafaciens duas marcas Anglienses judicibus componat; sin autem sexta manu expurgabit infamatus.

Si cum gladio vel lancea aut alio aliquo factum fuerit, sex libras componat vel sexta manu expurget.
Ictus baculi duabus libris componetur vel secunda manu expurgabitur.
Ictus pugni vel tractio crinium dimidia libra vel secunda manu expurgetur.

Pro spolio marca Groniensis leso componetur; judicibus, in quorum districtu contigerit, decem marce Gronienses, si probatum fuerit. Si autem probari non poterit, pro precio minus dimidia marca Angliensi, tercia manu proximorum consanquineorum expurgabitur infamatus, pro dimidia marca vel ultra sex juramentis, pro marca vel ultra duodecim.

Pro debitis similiter erit expurgacio, nisi quod proximorum expurgacio in eo casu non requiretur. Pro debitis pigneraciones non fiant; pro depositis, si deperdita fuerint vel negata, duobus vicinis fiat expurgacio.

Judex qui detrectraverit leso facere justiciam, duas libras conjudicibus suis componat.

Ne autem que geruntur in tempore labantur cum tempore, decretum est hanc formam pactorum singulis annis Dominica ‘Vocem jocunditatis’ sollempniter recitari.

Pax servetur, pacta custodiantur.
 

Vertaling

In de naam des Heren amen.

In het 1258e jaar van dezelfde, op 9 juni, in de eerste indictie, is een overeenkomst en verdrag van eeuwige vrede bezworen en vastgesteld tussen de edelen van het land Fivelgo enerzijds en de burgers van Groningen anderzijds, en wel op de volgende manier:

De burgers van Groningen nemen, op hun eigen risico, de verantwoordelijkheid voor personen en goederen van Fivelgo op de hierna genoemde plaatsen: vanaf de rivier tot aan de stad en in en buiten de stad op de houtmarkt en paardenmarkt, evenzo ook tussen de twee wegen waarvan de ene Friemre Zuidwending heet en de andere Herebure Zuidwending wordt genoemd.

Als het eens onverhoopt mocht gebeuren dat zij [de Fivelgoërs] op de genoemde plaatsen lastig gevallen worden naar lijf en goed en de Groningers dit niet zonder moeilijkheid en kosten kunnen goedmaken, dan zal de gemeenschap van Fivelgo hun hulp bieden met mensen, goederen en wapens, een en ander voor risico van degenen die hierbij betrokken kunnen zijn, alleen voor zover het de Groningers betreft.

De Fivelgoërs van hun kant zullen, samen met de inwoners van Drenterwolde, verantwoordelijkheid aanvaarden voor personen en goederen van Groningen aan de oostzijde van de rivier tot aan de sloot die Borg wordt genoemd en vervolgens de Fivelgoërs in hun hele land.

Als echter op genoemde plaatsen de Groningers enige schade mochten lijden, dan zal hun die door de Fivelgoërs worden hersteld op de manier die boven is aangegeven, waar gesproken is van het herstel [van de schade] der Fivelgoërs dat hun door de Groningers gegeven moet worden.

En buiten deze gevallen zullen de Fivelgoërs in het gebied van de Groningers niemand lastig vallen en mogen de Groningers in het gebied van hen [de Fivelgoërs] niemand aanvallen.

Als een Fivelgoër door een Groninger burger gedood wordt, of het omgekeerde gebeurt, hetgeen God moge verhoeden, zal het slachtoffer betaald worden met tien nieuwe Engelse marken en twee marken voor de vrede, een voor de raadsheren van Fivelgo en de andere voor de Groningse aldermannen. Als de schuldige niet kan betalen dienen zijn vrienden, als zij over bezittingen beschikken waaruit betaling kan geschieden, volledige genoegdoening te geven, anders moet de schuldige met de dood worden gestraft, tenminste, indien hij is opgepakt. Als de schuldige is ontkomen, zullen de Groningse aldermannen of, indien het voorval zich in Fivelgo heeft voorgedaan, de raadsheren getuigen dat de vrienden niet in staat zijn genoegdoening te geven.

Maar als de doodslag met een mes is gepleegd of in een huis — niet zijnde een herberg — zal een derde meer worden betaald. Indien het gebeurd is in de stad en de aldermannen weten ervan, of in Fivelgo en de raadsheren dragen er kennis van, dan zal het niemand worden toegestaan zich aan de rechtsgang te onttrekken. Als de genoemde functionarissen niet op de hoogte zijn zal [de beklaagde] zich met twaalf handen zuiveren van de aanklacht dat hij de doodslag heeft gepleegd met een mes en in een huis.

Maar als van de zes belangrijkste lichaamsdelen iets wordt afgesneden zal de prijs daarvoor zijn een [overeenkomend] deel van het halve weergeld dat voor manslag wordt vergoed. Ledematen die geheel en al worden verlamd of afgesneden, zullen worden vergoed volgens de tot dusver geldende gewoonte.

Verbannen personen zullen zij wederzijds verjagen en ze zullen ook geen voortvluchtigen in bescherming nemen die verdacht worden van een openlijk begaan misdrijf. De overtreder moet twee Engelse marken aan de rechters betalen, tenzij de beschuldigde zijn onschuld met de hulp van zes getuigen zal kunnen aantonen.

Als de daad gepleegd is met een zwaard, lans of iets anders, zal de dader zes pond betalen of zich met de hulp van zes getuigen vrijpleiten.

Een slag met een stok zal met twee pond worden betaald, tenzij de onschuld met twee getuigen kan worden aangetoond.

Op een vuistslag of het trekken aan de haren staat een half pond, tenzij de dader zijn onschuld met twee getuigen aantoont.

In geval van roof zal aan de benadeelde een Groningse mark worden betaald. Als het feit bewezen is, krijgen de rechters in wier gebied het voorval zich heeft toegedragen, tien Groningse marken. Als het echter niet bewezen kan worden en het over minder dan een halve Engelse mark gaat, zal de beschuldigde zich met het getuigenis van drie van zijn naaste bloedverwanten kunnen vrijpleiten, wanneer het om een halve mark of meer gaat met zes getuigen en voor een mark of meer met twaalf getuigen.

Van schulden zal men zich op dezelfde manier kunnen vrijpleiten, zij het dat het dan niet vereist zal zijn dat het naasten zijn die zullen getuigen. Voor schulden mogen geen panden worden ingevorderd; wanneer in bewaring gegeven goederen zijn verloren gegaan of de bewaarneming wordt ontkend, zal degene die daarop aangesproken wordt zijn aansprakelijkheid kunnen ontgaan met twee naburen als getuigen.

De rechter die zich aan zijn verplichting onttrekt de benadeelde recht te doen, moet zijn mederechters twee ponden betalen.

Opdat de dingen die in de loop der tijd worden verricht niet mettertijd aan het wankelen raken, is besloten dat de tekst van deze overeenkomst jaarlijks op zondag Vocem jocunditatis plechtig wordt voorgelezen.

Moge de vrede worden bewaard en het verdrag bewaakt.

Toelichting

De formele opzet van deze verdragstekst is veel eenvoudiger dan die van de akte van 1040. Hij begint met een invocatio, daarna volgt onmiddellijk de dispositio, waarin meteen al de datum is opgenomen. Het stuk besluit met een eenvoudige promulgatio en een vrome bede.

De datering gaat uit van een datum die met het woord 'Idus' wordt aangeduid. Deze term behoort bij de Romeinse kalender. Het is de naam van de 13e of 15e dag van de maand. In vier maanden van het jaar (maart, mei, juli en oktober) viel de Idus op de 15e, in de acht andere maanden op de 13e. Men telde vanaf de benoemde dag naar voren, waarbij zowel de begin- als de einddatum meetelden. De ‘vijfde Idus’ van juni betekent dus: 9 juni (13 = 1, 12 = 2, 11 = 3, 10 = 4, 9 = 5). De Romeinen kenden naast de Idus nog twee andere vaste data: de Kalendae (de eerste dag van de maand) en de Nonae (de 7e of 5e dag van de maand).

Met het woord 'Indictie' wordt het rangnummer bedoeld van een jaar binnen een periode van 15 jaar. De cyclus begint 3 jaar voor onze jaartelling. Het rangnummer van de 15-jarige periode zelf wordt vrijwel nooit opgegeven. Deze vorm van tijdsaanduiding heeft zijn oorsprong wellicht in het Romeinse belastingstelsel. Ze is door keizer Justinianus (527-565) wettelijk voorgeschreven. In 1257 was de 84e periode van 15 jaar geëindigd en de 85e begonnen. De onderhavige akte is opgemaakt in het eerste jaar van de 85e indictieperiode.

Het noordoostelijke deel van het Gorecht Het noordoostelijke deel van het Gorecht

De verdragspartners in deze overeenkomst zijn de edelen (nobiles homines) aan de kant van Fivelgo en burgers (cives) aan de zijde van Groningen.

Mogelijk wil dat zeggen: anderen dan de prefect en de borgmannen.

De in de akte gegeven plaatsbepaling is niet in alle opzichten duidelijk.

‘Tussen de rivier en de stad én tussen twee met name genoemde wegen.’

Wil dit zeggen dat de grote Hunzekronkel ter plaatse van de huidige Oosterparkbuurt al is afgesneden?

Deze is aangegeven op het volgende plaatje.

De Groninger stadstafel of –hamrikken De Groninger stadstafel of –hamrikken

Aangegeven zijn de rivier (Hunze), de ligging van de Vrymer Zuidwending, Herebure Zuidwending en de Borgsloot, en de onderdelen van het stadshamrik.

Maar waar lagen de in de akte genoemde markten?

Het Oosterhamrik en zijn onderdelen Het Oosterhamrik en zijn onderdelen

In de zinsnede ‘dan zal de gemeenschap van Fivelgo hun hulp bieden’ is het niet duidelijk wie met 'hun’ worden bedoeld.

Het kunnen zowel de gemolesteerde Fivelgoërs zijn als de Groningers die daartegen moeten optreden.

Met Drenterwolde wordt het gebied bedoeld dat ten oosten van de Hunze gelegen is, tussen de rivier en de grens met Fivelgo.

Met betrekking tot de slachtoffers van gewelddaden wordt in deze overeenkomst onderscheid gemaakt tussen het zgn. ‘weergeld’ (boete) voor de nabestaanden van een slachtoffer en de vergoeding voor het ‘breken’ van de vrede (de ‘breuke’ die aan het gerecht moet worden betaald). Het bewaken van de vrede, de zorg voor de veiligheid en rust van de samenleving, is de hoofdtaak van de overheid. Elders valt de ‘breuke’ de graaf toe, in Friesland – en ook in het Ommelander deel daarvan – is er geen graaf: de rechters nemen zijn plaats in. In dit verdrag worden de inkomsten gedeeld tussen de verdragspartners.

Geldbedragen werden in de dertiende eeuw veelal aangegeven in Engelse marken. Een opmerkelijk toeval wil dat de Engelse koning Hendrik III in hetzelfde jaar 1258, dus enkele weken voordat het vredesverdrag tussen Fivelgo en Groningen werd gesloten, een handelsprivilege aan Groningen verleende.

De passage die begint met de woorden ‘Als de schuldige is ontkomen....’ is onduidelijk door zijn beknoptheid. Wanneer de schuldige ontkomen is, zullen de nabestaanden van het slachtoffer zijn vrienden aanspreken. Wanneer zij betalen is er niets aan de hand. Wanneer zij zeggen niet te kunnen betalen, zullen zij van de verplichting daartoe zijn ontslagen wanneer de in de tekst genoemde functionarissen dat officieel hebben geconstateerd en daarvan getuigenis afgelegd.

Met de ‘twaalf handen’ worden de zogenaamde ‘eedhelpers’ bedoeld: personen die zweren dat de beschuldigde onschuldig is.

Zondag Vocem jocunditatis is de vijfde zondag na Pasen. De woorden Vocem jocunditatis zijn de beginwoorden van de Introitus van die dag: Vocem jocunditatis annuntiate, et audiatur, alleluja: annuntiate usque ad extremum terrae: liberavit Dominus populum suum, alleluja, alleluja (naar Jesaja 48:20; in de Statenvertaling luidt deze tekst als volgt: ‘verkondigt met de stemme des gejuichs, doet zulks horen, brengt het uit tot aan het einde der aarde, zegt: De HEERE heeft Zijn knecht Jakob verlost!’).

Kortom

  • De Groninger burgers sluiten voor het eerst zelfstandig een verdrag met een externe partner; ook de Fivelgoërs handelen zelfstandig.
    NB Het voeren van een buitenlands beleid is een prerogatief van van de souverein.
  • Het stuk bevat interessante topografische bijzonderheden.
  • De akte is de eerste van een serie overeenkomsten tussen Groningen en externe partners.