Zoek op de website

3. Latere lotgevallen van het Grote Verbond

Johan Rengers van Ten Post (1542-1626) Johan Rengers van Ten Post (1542-1626)

Johan Rengers van Ten Post (1542-1626) was in zijn tijd een van de belangrijkste tegenstrevers van de stad Groningen. Zijn grootvader, ook een Johan Rengers van Ten Post, had ook al ruzie gehad met Groningen. Die onmin was ontstaan doordat Johan Rengers sr. destijds door het stadsbestuur van Groningen naar de keizer was afgevaardigd, maar in de onderhandelingen met de top van het Rijk vooral zijn persoonlijke belangen als heer van Scharmer had gediend en niet die van de stad Groningen.

Memorie van Johan Rengers sr. Memorie van Johan Rengers sr.

Memorie van Johan Rengers sr.

Johan Rengers sr. nam stelling met een memorie waarin hij zijn eigen gedrag trachtte te rechtvaardigen en zijn pijlen richtte op het in zijn ogen laakbare beleid van het stadsbestuur.

De memorie bevindt zich in een katern, dat in hoofdzaak afschriften bevat van stukken uit de jaren 1473-1480 inzake de relatie tussen Groningen, de Ommelanden en Westerlauwers Friesland enerzijds en de keizer anderzijds, met inbegrip van het zogenaamde privilege van keizer Karel de Grote van 802 (1258), en de verhouding tussen Stad en Lande.

Johan Rengers' verweerschrift begint pas op fol. 8v en heeft de vorm van een puntsgewijze opsomming van de artikelen van het verbond van 1473 waarop volgens Rengers door de stad inbreuk is gemaakt. Hierbij wordt door middel van letters verwezen naar de betreffende artikelen van het verbond.

Detail van de verdragstekst van 1473 Detail van de verdragstekst van 1473

Op 23 december 1482 is het Grote Verbond van 1473 voor veertig jaar verlengd. Dit betekent dat het in 1522 zou aflopen. In dat jaar was de bestuurlijke en politieke situatie van dien aard, dat van een formele verlenging geen sprake kon zijn.

Rond 1500 had de stad Groningen het erg moeilijk gekregen. Het stadsbestuur had zich vertild aan Westerlauwers Friesland en toen de stad in 1506 graaf Edzard van Oost-Friesland als landsheer moest erkennen, raakte ze haar zeggenschap over de Ommelanden kwijt.

De periode-Edzard was echter van korte duur. In 1514 slaagden de Groningers er met de steun van de hertog van Gelre in hun positie ten opzichte van de Ommelanden vrijwel geheel te herstellen. In 1521 achtte men in Arnhem en Groningen de tijd rijp voor de ‘abten, prelaten, hoofdelingen, eigenerfden en gemene onderdanen’ van de Ommelanden om zich aan hertog Karel van Gelre te onderwerpen.

Karel van Gelre stuurde enkele raadsheren naar Groningen die de hulde van de Ommelanders in ontvangst moesten nemen. Dezen werden op het raadhuis ontboden, maar daar bleek dat ze weinig vertrouwen in de Gelderse hertog hadden. Ze twijfelden eraan of de hertog wel in staat zou zijn om hen te beschermen tegen andere grote heren. De Gelderse raadsheren en ook het Groninger stadsbestuur zetten de Ommelanders echter zozeer onder druk, dat dezen zich uiteindelijk toch gewonnen gaven.

De manier waarop deze huldiging tot stand kwam, wijst erop dat de Gelderse regering hiertoe misschien wel het initiatief heeft genomen, maar dat het Groninger stadsbestuur, gedomineerd door degenen die op de loonlijst van de Gelderse hertog stonden, hierbij een belangrijke rol heeft gespeeld.

In normale gevallen werd van een huldiging een akte opgemaakt waarbij de nieuwe onderdanen hun heer erkennen, waarna de heer zijn onderdanen een ‘reversbrief’ geeft, waarin hij de gemaakte afspraken bevestigt. In dit geval is er geen huldigingsakte van de Ommelanders bewaard gebleven en het sterke vermoeden bestaat dat er ook nooit zo’n akte is geweest. Wat er wel is, is een verklaring van 25 mei 1521 van burgemeesters en raad van Groningen dat de Ommelanders hertog Karel van Gelre als hun landsheer hebben gehuldigd en hem trouw hebben gezworen.

Een maand later ratificeerde de Gelderse hertog de afspraken die op 25 mei 1521 met de Ommelanders waren gemaakt. Hij stelde daarbij wel de voorwaarde dat de Ommelander heren hem ook zelf nog een akte zouden geven waarin zij hem als heer erkenden en de artikelen aannamen die ook in het tractaat tussen Groningen en hemzelf waren vastgelegd. Een dergelijke akte is door de Ommelanders nooit afgegeven.

In zijn verklaring van 20 juni 1521 zegde de hertog uitdrukkelijk de handhaving toe van de Ommelander ‘privileges, vrij- en heerlijkheden en oude gewoonten en tradities’, zoals die bedoeld waren in het verbond dat in het verleden tussen de stad Groningen en de Ommelanden was gesloten. Het gaat hier om het ‘Grote Verbond’ dat door Stad en Ommelanden in 1473 was gesloten, in 1482 voor een periode van veertig jaar was verlengd, en de formele grondslag was van de samenwerking tussen Stad en Lande. De looptijd van het verbond zou in 1522 eindigen en het ligt voor de hand dat dit vooruitzicht mede een rol heeft gespeeld bij de opzet om de hertog van Gelre in 1521 ook door de Ommelanders als heer te laten huldigen.

Niet voor niets werd een expliciete verwijzing naar het verbond van 1473 opgenomen in de oorkonde van 20 juni 1521: op deze manier werd de continuïteit in de relaties tussen Stad en Lande hersteld, die door de ontwrichtende gebeurtenissen van de voorbije dertig jaar in gevaar was gekomen.

Hiermee had het stadsbestuur zijn belangrijkste doelen bereikt: Stad en Lande vielen samen onder één heer die het grote verbond van 1473/1482 als fundament van de onderlinge samenwerking erkende, zich bereid verklaard had Groningen en de Ommelanden bij elkaar te houden en zijn onderdanen ook al bij voorbaat van hun eed van trouw ontslagen had wanneer hij zijn positie als beschermheer niet zou kunnen waarmaken.

In de jaren veertig van de zestiende eeuw, dus nadat Groningen en Ommelanden waren ingelijfd bij de Habsburgse Nederlanden, is een serieuze maar vruchteloze poging gedaan om het Verbond van 1473 en 1482 te moderniseren.

Nog weer enkele decennia later, op 17 januari  1575, kwam het tot een regelrechte breuk tussen Stad en Lande: op die datum besloten de ‘Friese Ommelanden tussen Eems en Lauwers’ het ‘grote verbond’ van 1482 met de stad Groningen op te zeggen. Het stadsbestuur ging ervan uit dat deze opzegging uit de koker van een aantal anti-Gronings gezinde Ommelanders kwam en niet door alle Ommelanders werd onderschreven. Het wees deze opzegging dan ook als een ‘nulliteit’ af. Pas in 1594, met het Tractaat van Reductie, kwam er uitzicht op een nieuwe staatkundige structuur.