Zoek op de website

1. De achtergrond

Het vredesverdrag van 9 juni 1258 Het vredesverdrag van 9 juni 1258

Vrijheid

Bij de behandeling van de vrede tussen Groningen en Fivelgo hebben we gezien dat er in Groningen en Groningerland geen landsheer was die de gang van zaken bepaalde. Halverwege de dertiende eeuw blijkt de stad Groningen zelfstandig ‘buitenlandse politiek’ te bedrijven (vrede met Fivelgo, 1258). Dat gebeurde nadat de Ommelander Friezen, in het bijzonder de Hunsingoërs en Fivelgoërs, de handen ineen hadden geslagen om Groningen te bedwingen.

Tegen wie ze zich richtten, weten we niet precies. Maar er zijn wel aanwijzingen dat een gedeelte van de Groninger bevolking aan de kant van de Ommelanders stond. Verondersteld wordt dat het in het bijzonder de met de prefect gelieerde groepen waren, die de woede van de Ommelanders hadden opgewekt. Als vertegenwoordigers van de landsheer (de bisschop van Utrecht) hadden de prefect en zijn mannen maatregelen moeten nemen om de handel te bevorderen, maar hadden juist het omgekeerde gedaan. Er is sprake van het misbruik maken van de schaarste aan graan en het verstoren van de handel. Dat er in de overeenkomst met Fivelgo uit 1258 sprake is van een houtmarkt en paardenmarkt bij Groningen duidt erop dat de Fivelgoërs daarbij groot belang hadden.

Bovendien, zo hebben we gezien, kan de vijandschap tussen de Ommelander Friezen en de prefectenpartij gevoed zijn door het feit dat de ‘Utrechters’ claims legden op ontginningsgebied dat door de buren gezien werd als een deel van hun Friese land.

Een eigen zegel: blijk van zelfstandigheid (‘S[IGILLVM] CIVITATIS GRONIENSIS’) Een eigen zegel: blijk van zelfstandigheid (‘S[IGILLVM] CIVITATIS GRONIENSIS’)

Een duidelijk blijk van de zelfstandigheid van de Groninger burgers is het gebruik van een eigen zegel.

Veiligheid

Nadat de Ommelanders hadden afgerekend met de prefect en zijn helpers, konden de andere Groningers zelfstandig afspraken maken met hun buren. Het verdrag van 1258 met Fivelgo is het oudste dat bewaard gebleven is. Er moet ook een overeenkomst met Hunsingo zijn geweest, maar een dergelijke akte is er niet meer.

De stad is daarna systematisch voortgegaan op deze weg. Het absolute hoogtepunt was het sluiten van het ‘Grote Verbond’ tussen de stad en de Ommelanden. Deze overeenkomst kwam in 1473 tot stand en zou een looptijd hebben van tien jaar. In 1482 werd ze voor veertig jaar verlengd.

De inhoud van deze overeenkomst heeft een lange voorgeschiedenis. De tekst is voor een groot deel gelijkluidend met die van het verbond dat Groningen in 1428 met de verschillende onderdelen van het Westerkwartier sloot. Delen van Hunsingo en Fivelgo sloten zich in de jaren dertig daarbij aan.

De landschappen in Groningerland

De landschappen in Groningerland De landschappen in Groningerland

Het sluiten van dit soort verdragen was een dwingende noodzaak. Al eerder is erop gewezen dat de verscheidenheid aan rechtskringen in het noordelijk kustgebied voor grote problemen zorgde.

Het recht functioneert slechts binnen een bepaalde, geografisch zeer beperkte kring. Dat was vroeger zo, en het is nu nog altijd niet anders, al zijn de kringen tegenwoordig zo groot dat we het zicht op hun begrensdheid verliezen. Alleen binnen een rechtskring heerst de door het gewoonterecht beveiligde landvrede. Wie zich daarbuiten waagt heeft te maken met een in principe vijandige en op zijn best neutrale buitenwereld. Wie zich ‘thuis’ heeft schuldig gemaakt aan een vergrijp en weet dat hij daarvoor zal moeten boeten, kan zijn heil elders zoeken. Maar als hij door de benadeelde of zijn vrienden gevonden wordt, kunnen dezen bij de buren verhaal komen halen, hetgeen kan leiden tot langdurige wraakacties over en weer (vetecultuur).

Probleemoplossing op z’n Middeleeuws

Probleemoplossing op z’n Middeleeuws Probleemoplossing op z’n Middeleeuws

Evenzeer dreigden problemen voor personen die zich met handelswaar buiten hun gebied waagden. Kooplieden onderweg waren een gemakkelijke prooi voor overvallers en, als ze niet aangevallen en beroofd werden, liepen ze de kans dat ze geen betaling kregen voor hun waren of anderszins bedrogen werden.

Om deze redenen was er dringend behoefte aan afspraken tussen de verschillende rechtskringen.

Kerkelijke organisatie

Ook op kerkelijk gebied heerste verscheidenheid.

De Friese Zeelanden die in 1361 het Verbond van de Upstalboom hernieuwden

De Friese Zeelanden die in 1361 het Verbond van de Upstalboom hernieuwden De Friese Zeelanden die in 1361 het Verbond van de Upstalboom hernieuwden

De stad Groningen was een belangrijke machtsfactor in de Friese kustgebieden. Een groot aantal Friese landschappen hernieuwde in 1361 het legendarische Verbond van de Upstalboom. Besloten werd om jaarlijks in Groningen bijeen te komen.

Het Klei-Oldambt (Mentene) en het Wold-Oldambt (Menterwolde) sluiten verdragen met Groningen (1283 en 1287)

Aanvankelijk was het in de verdragen vooral gegaan om het beveiligen van het handelsverkeer en het voorkomen van beslagleggingen en wraaknemingen over en weer. Dat was het geval in de besproken overeenkomst met Fivelgo (1258) en ook in de verdragen die de stad later sloot met het Klei-Oldambt (1283), het Wold-Oldambt (1287), Dokkum, Leeuwarden en Oostergo.

De verdragen werden gesloten met het hele landschap, niet met slechts enkele heren daar. Er lijkt gelijkwaardigheid te hebben bestaan tussen de verdragspartners.

Partijstrijd

Het eiland Humsterland Het eiland Humsterland

Daarna ging het meer en meer om het beteugelen van de partijstrijd die de heerloze Friese gebieden teisterde. Binnen de Friese ‘landgemeenten’ streden rivaliserende hoofdelingen om de macht. Deze vetes waren niet alleen een bedreiging voor de rust in de Ommelanden, ook de welvaart van de stad en haar burgers kwam erdoor in gevaar.

De stad mengde zich daarom in de ruzies en sloot verdragen met enkele heren in de betrokken landschappen die bereid waren om met Groningen samen te werken. Groningen werd dus ook zelf speler in deze partijstrijd. Het eerste verdrag van deze aard dateert van 1366. Op het plaatje zien we het voormalige eiland Humsterland, aan de oostzijde begrensd door de Oude Tocht, aan de zuidkant door de Oude Riet.

Aan het verdrag dat de stad Groningen in 1366 met enkele Humsterlandse heren sloot, hangt het landszegel van Humsterland, alsof er binnen die ‘landgemeente’ geen strijd om de macht gaande was.

Verdrag tussen Groningen en een aantal heren in Humsterland (1366)

Verdrag tussen Groningen en een aantal heren in Humsterland (1366) Verdrag tussen Groningen en een aantal heren in Humsterland (1366)

De partijstrijd is erg onoverzichtelijk. Tot voor kort had men het altijd over de strijd tussen de Schieringers en Vetkopers, maar tegenwoordig worden ook Heekerens en Bronkhorsten genoemd.

Het zegel van Humsterland

Het zegel van Humsterland Het zegel van Humsterland

De Humsterlandse hoofdelingen die in 1366 met Groningen pacteerden konden blijkbaar over het landszegel beschikken.

Groningens rol in de Friese partijstrijd begint kort na het midden van de veertiende eeuw, nadat de stad eerder in die eeuw opnieuw in conflict geraakt was met haar buren en opnieuw het hoofd had moeten buigen. Op grond van het in 1338 gesloten vredesverdrag moesten de Groningers onder meer de stenen muur tussen de Boteringe- en Ebbingepoort afbreken en vervangen door een houten palissade.

De Groningers moeten hun stenen muur afbreken en vervangen door een houten palissade (1338)

Ook al had Groningen een stevige veer moeten laten, de stad was en bleef een belangrijke partner voor Ommelander heren die met hun concurrenten een appeltje te schillen hadden. Dat kwam niet alleen door haar strategische ligging, maar ook doordat ze met haar burgerleger over een verhoudingsgewijs grote militaire macht beschikte. Bovendien was deze min of meer direct inzetbaar.

Maar de stedelingen kwamen hun bondgenoten niet bij het minste of geringste te hulp. Ze wilden eerst kijken of er door bemiddeling wat te bereiken viel (zie Groningen, een stad apart, 54). Geschillen moesten daarom eerst worden voorgelegd aan de burgemeesters van Groningen. Pas wanneer de vijand van de bondgenoten de uitspraak van de Groninger bestuurders niet wilde accepteren, waren de Groningers bereid hun burgerleger in te zetten om de tegenstander aan te pakken. Zo kreeg de stad een rechterlijke, bestuurlijke en politionele rol in de Ommelanden. Dat gebeurde voor het eerst in het verdrag dat Groningen in 1366 met Humsterlandster heren sloot. Er is dan geen gelijkwaardigheid meer tussen de verdragspartners.

Verbondsakte van 1378 met Hunsingo, met latere akten van toetreding

15 Verbondsakte van 1378 met Hunsingo, met latere akten van toetreding 15 Verbondsakte van 1378 met Hunsingo, met latere akten van toetreding

Op 21 april 1378 sloot de stad Groningen een verdrag met het landschap Hunsingo om de veiligheid in dat gebied te verzekeren, de partijtwisten te beteugelen en de onderlinge bijstand te regelen. Later werden aan dit stuk drie akten van toetreding toegevoegd, respectievelijk van het convent van Aduard, enkele kerspelen van Middag en de ingezetenen van Lieuwerderwolde, en het landschap Fivelgo.

Dreiging van buiten

Tot nu toe was regeling van de onderlinge verhoudingen het belangrijkste motief om tot onderlinge afspraken te komen. In de loop van de veertiende eeuw werd ook de verdediging tegen ‘buitenlanders’ van belang. Dat lijkt ook reeds in 1338 het geval geweest te zijn, toen de Ommelanders wilden dat de noordelijke verdedigingswerken van de stad zouden worden vervangen door een houten palissade. De zuidzijde van de stad lieten ze onaangetast. Die kon niet gemist worden bij de verdediging van de Friese vrijheid.

De dreiging van buitenaf stond overigens niet los van de onderlinge partijstrijd in de Friese landen: de ruziënde hoofdelingen zochten steun bij buitenlandse machthebbers, die op hun beurt een slaatje probeerden te slaan uit de ordeloze toestand in Friesland.

Albrecht van Beieren (1336-1404)

Albrecht van Beieren was hertog van Beieren-Straubing en werd in 1352 aangewezen tot opvolger van zijn broer, graaf Willem V van Holland en Zeeland, wanneer die kinderloos zou komen te overlijden. Toen zijn broer krankzinnig werd, werd Albrecht in 1358 erkend als 'ruwaard' en kreeg tot taak de partijstrijd tussen Hoeken en Kabeljauwen tot bedaren te brengen, hetgeen hem aanvankelijk ook lukte. In mei 1372 erkende de keizer hem als graaf, maar de inhuldiging vond pas plaats nadat Willem V was overleden (1389).

In 1396 besloten Albrecht en zijn zoon, Willem VI, ten strijde te trekken om Friesland te onderwerpen. Ze zagen deze onderneming als een soort beschavingsoorlog, zoals tegen de Litauers, de Turken of de Moren. Ze steunden de Vetkoperse partij. Hoofdelingen uit die partij huldigenden Albrecht als landsheer (1398): Ailco Ferhildema of Onsta en Reyner Eysinga voor Hunsingo, Omeko Snelgers en Hayo Wiben voor Fivelgo, Tammo Gockinga en Menno Houwerda voor het Oldambt, Widzel Ockens ten Broke en Volmar Allens voor het land tussen Eems en Jade.

Leaver dea as slaef

Al eerder hadden graven van Holland geprobeerd Friesland te onderwerpen. Bekend is de poging van de Albrechts vóórvoorganger Willem IV van Holland (1345).

Binnen het Heilige Roomse Rijk hadden de Friese gebieden een sterke ontwikkeling doorgemaakt naar autonomie, de zogenaamde 'Friese Vrijheid'. Deze ontwikkeling was het sterkst ten oosten van de Lauwers. In de tegenwoordige provincie Friesland was nog tot ver in de 13e eeuw een vorm van grafelijke heerlijkheid uitgeoefend door de bisschop van Utrecht en de graaf van Holland. De Hollandse graven in die tijd waren uit op meer macht en wilden hun oppergezag claimen door invoering van belastingheffing en algehele controle op de rechtspraak.

De legendarische 'Slag bij Warns' was een treffen tussen graaf Willem IV van Holland en de Friezen dat op 26 september 1345 plaatsvond. De Hollanders werden verslagen en ook de graaf kwam om. Slechts een handjevol Hollanders wist zich te redden.

Frisia

Frisia Frisia

Albrecht van Beieren kreeg in 1398 steun van verschillende (Vetkoperse) heren in Westerlauwers Friesland, de Ommelanden en zelfs Oost-Friesland. Deze regionale groten hoopten hogerop te kunnen komen wanneer zij goede vrienden werden met de machtige graaf van over het Vlie.

De zes met name genoemde Ommelander heren (Ailco Ferhildema, Reyner Eysinga, Omeko Snelgers, Hayo Wiben, Tammo Gockinga en Menno Houwerda) voelden zich in hun ambities gedwarsboomd door de stad Groningen. Ze droegen hun eigendommen op aan de graaf en kregen die in leen terug. Zo werden ze van gewone Friese hoofdelingen echte feodale edellieden, compleet met een officiële positie in de overheidsorganisatie.

Alleen moest de graaf van Holland nog wel even de baas worden in Friesland. Hij ondernam daartoe wel enkele militaire expedities, maar ondanks de steun van zijn nieuwbakken leenmannen liepen deze pogingen op niets uit. Een typisch geval van overstretch.

Ocko tom Broke en Focko Ukena

Ocko tom Broke en Focko Ukena Ocko tom Broke en Focko Ukena

Albrecht had in het geheim samengewerkt met bisschop Frederik van Blankenheim. Deze wilde de zeggenschap over Groningen terugwinnen, die door zijn voorgangers was verkwanseld.

Ook al waren pogingen als die van Albrecht mislukt, ze hadden zowel de stedelingen als de Ommelanders duidelijk gemaakt dat hun zelfstandigheid gevaar liep en dat het van het grootste belang was om zich samen tegen de ‘zuderse heren’ te verdedigen.

In het eerste kwartaal van de vijftiende eeuw was er overigens niet alleen gevaar te duchten vanuit het zuiden (de ‘zuderse heren’). Ook uit het oosten dreigde onheil. De Oostfriese heren Keno to Broke, Focko Ukena en Keno’s zoon Ocko to Broke (de ‘Dudesche’ heren) probeerden hun invloed uit te breiden en beproefden hun geluk ook in de omgeving van Groningen. Toen dat gebeurde meldde ook de Hollandse graaf zich weer in Friesland.

Verbondsakte van 1428 met latere akten van toetreding

Verbondsakte van 1428 met latere akten van toetreding Verbondsakte van 1428 met latere akten van toetreding

De stad Groningen en de vier onderdelen van het Westerkwartier (Vredewold, Langewold, Humsterland en Middag) zetten zich tegen deze dreiging schrap door een onderling verdrag te sluiten waarin ze afspraken vastlegden over onderlinge bijstand en de handhaving en bevordering van de rechtszekerheid (4 augustus 1428). Later traden het Hunsingoër Halfambt, het Westerambt van Fivelgo, Duurswold en Appingedam toe (5 september 1434), de Marne (16 augustus 1436) en het Oosterambt van Hunsingo (12 november 1436).

Het oorspronkelijke verdrag is een omvangrijk stuk: het meet 50x40 cm.

De pogingen van buitenlandse machthebbers om zich met de hulp steun van enkele hun welgezinde Ommelander heren meester te maken van het land tussen Lauwers en Eems waren weinig succesvol. Dat was mede het gevolg van het feit dat de stad Groningen erin slaagde het verzet tegen de vreemde heren effectief te organiseren en ook verder de leiding nam in de Ommelander zaken.

Het gaat hier om een stapsgewijs proces. Met het verbond van 4 augustus 1428 is een nieuwe fase in de samenwerking tussen de stad en haar omgeving aangebroken. De tekst van dit verdrag is veel uitgebreider dan die van de eerdere overeenkomsten en bevat vele bijzonderheden die het vermelden waard zijn.

Dat de verdediging van de eigen gewoonten en vrijheid tegen buitenlandse machthebbers een van de hoogste prioriteiten was, blijkt uit het feit dat dit punt als een van de eerste wordt vermeld.

De verdragspartners beloofden elkaar te zullen bijstaan om alle ‘Dudesche’ en ‘Zudersche’ heren1 buiten te houden, zich niet in afzonderlijke gewapende conflicten te zullen storten en ook geen buitenlandse heren te hulp te zullen roepen.

Ter bestrijding van de gezamenlijk te maken kosten zou een gemeenschappelijke kas worden ingesteld. Om deze te vullen zou geen belasting worden geheven, maar alle boeten die zouden worden opgelegd wegens overtreding van de overeengekomen rechtsregels zouden in de kas worden gestort. Men moet zich deze kas voorstellen als een kist met evenzoveel sloten als er verdragspartners waren. De kist kon alleen geopend worden wanneer alle partners hiervoor met hun eigen sleutel aantraden. Niet bepaald is waar de kist kwam te staan, maar het ligt voor de hand te denken dat dit Groningen was.

Over het algemeen ademt de verdragstekst een sfeer van gelijkwaardigheid van de partners, maar voor wat het militaire element betreft bedong het stadsbestuur toch weer de nodige garantie. Afgesproken werd dat de Ommelander partners in het geval van gewapende conflicten gijzelaars zouden stellen en dat het stadsbestuur die vervolgens te Groningen in ‘een nette herberg’ zou onderbrengen.

1 Met ‘Duitse heren’ worden de Oostfriezen bedoeld, onder ‘Zuidelijken’ moeten de graven van Holland en de bisschoppen van Utrecht worden verstaan. ‘Suderse’ heren worden reeds in 1355 genoemd. Toen ging het (mede) om de hertog van Gelre.

Ook ten aanzien van de rechtspleging werd een nieuwe stap gezet: men sprak af dat Ommelanders die hun recht niet bij plaatselijke rechters konden halen, een beroep zouden kunnen doen op de landswarf in de stad. Viermaal per jaar zouden dergelijke gezamenlijke zittingen van Ommelander rechters en Groninger magistraten worden gehouden. Om praktische redenen – Groningerland was in de wintertijd zo goed als onbegaanbaar – zouden de warven alleen in het zomerhalfjaar, van Midvasten tot Sint Maarten in de Winter (11 november), plaatsvinden.

We komen hier voor het eerst in een verdragstekst de ‘Hoofdmannen’ tegen die namens de stad op deze warven zouden optreden en samen met de Ommelander rechters de agenda voor deze bijeenkomsten zouden opstellen. Uit andere bronnen weten we dat deze functionarissen – het waren meest oud-raadsheren of oud-burgemeesters van de stad – al eerder samen met het stadsbestuur en de Ommelander rechters oordelen velden in Ommelander zaken.

Later gingen de Hoofdmannen een afzonderlijk college vormen: de ‘Hoofdmannenkamer’. Dit lichaam hield het hele jaar door zitting en sprak dus ook recht buiten de warven om. Het beperkte zich tot beroepszaken van min of meer routinematige aard, zoals kleine geldvorderingen.

Daarnaast behandelde dit college kwesties tussen stedelingen en Ommelanders en ook wel puur Ommelander zaken, wanneer de betrokken partijen zich aan zijn competentie onderwierpen. De bevoegdheden van de Hoofdmannenkamer namen in de loop van de jaren geleidelijk toe naar aard en omvang.

Het verbond van 1428 met de onderdelen van het Westerkwartier was in feite een uitbreiding van een twaalf jaar eerder – in 1416 – gesloten overeenkomst, waarin behalve de Oosterlauwerse landschappen Humsterland, Langewold en Vredewold (het Westerkwartier), ook het Westerlauwerse Achtkarspelen met de stad afspraken had gemaakt ter verzekering van vrede en vrijheid. Deze voor een periode van tien jaar gesloten overeenkomst was in haar soort de eerste die Groningen met een Westerlauwerse partner aanging.

Het verdrag van 1428 is een groot succes geweest. Op 5 september 1434 traden Fivelgo en een deel van Hunsingo (het Halfambt) toe, en in 1436 volgden de andere ‘ambten’ van Hunsingo (de Marne op 16 augustus en Oosterambt op 12 november).

Een vrije Rijksstad

Een gothisch koor voor de Sint Maartenskerk c. 1430 Een gothisch koor voor de Sint Maartenskerk c. 1430

De stad Groningen was in de praktijk onafhankelijk van haar landsheer in het verre Utrecht. Daardoor kon ze zich als een soort ‘substituut-landsheer’ gedragen in het Friese kustgebied.

Keizer Sigismund (1368-1437) bevestigde de stad in deze status.

Dat het Groningen in deze jaren goed ging kan men aflezen uit de bouwactiviteiten die toen plaatsvonden. De oude, romaanse Sint Maartenskerk, werd uitgebreid met een hoog, in gotische stijl opgetrokken koor.

Akerk Akerk

Ook de oude Akerk werd in gotische stijl herbouwd.

De oudste afbeelding van het Groninger stadswapen in de Martinikerk

De oudste afbeelding van het Groninger stadswapen in de Martinikerk De oudste afbeelding van het Groninger stadswapen in de Martinikerk

Dat Groningen zich heel wat voelde blijkt ook uit een van de gewelfschotels die in het nieuwe gotische koor van de Sint Maartenskerk werden aangebracht.

De stedelingen hadden al eerder het wapenschild en de kleuren overgenomen van de prefectenfamilie, in wier rechten ze waren getreden.

Op de bewuste gewelfschotel lieten ze het stadswapen afbeelden met de rijksadelaar, zoals die door de Duitse keizers werd gevoerd. Het is een gewone, éénkoppige adelaar en niet de tweekoppige die we van latere afbeeldingen kennen.

Keizer Sigismund van Luxemburg (1368-1437)

Keizer Sigismund van Luxemburg (1368-1437) Keizer Sigismund van Luxemburg (1368-1437)

Het toeval wil dat het juist de genoemde keizer Sigismund was, die – mogelijk op esthetische gronden – de eenkoppige rijksadelaar verving door een tweekoppige.

Dat gebeurde in 1433. Op grond hiervan mogen we aannemen dat het gotische koor van de Sint Maartenskerk vóór c. 1430 is voltooid.

Karel de Stoute naar een portret in het paleis van de hertogen van Bourgondië in Dijon Karel de Stoute naar een portret in het paleis van de hertogen van Bourgondië in Dijon

In de tweede helft van de vijftiende eeuw nam de dreiging van buitenaf toe, vooral van de kant van de Bourgondische hertogen (Karel de Stoute).

De Bourgondische landen

De Bourgondische landen De Bourgondische landen

In het bijzonder deze druk van buitenaf is voor de Ommelander landschappen een belangrijk motief geweest zijn om zich nog eens nader met de stad te verbinden.

De stedelijke vestingwerken werden versterkt. Daarbij hielpen de Ommelanders mee, niet omdat ze daartoe verplicht werden, maar omdat ze dat voor hun eigen veiligheid belangrijk vonden.

Ommelanders werken mee aan de Groningse vestingwerken (1470-1471)

Ommelanders werken mee aan de Groningse vestingwerken (1470-1471) Ommelanders werken mee aan de Groningse vestingwerken (1470-1471)

In de tweede helft van de vijftiende eeuw nam de dreiging van buitenaf toe, vooral van de kant van de Bourgondische hertogen.

In het bijzonder deze druk van buitenaf is voor de Ommelander landschappen een belangrijk motief geweest zijn om zich nog eens nader met de stad te verbinden.

De stedelijke vestingwerken werden versterkt. Daarbij hielpen de Ommelanders mee, niet omdat ze dat verplicht waren, maar omdat ze dat ook voor hun eigen veiligheid belangrijk vonden.