Zoek op de website

1. De achtergrond

Edzard Cirksena, graaf in Oost-Friesland (1462-1528) Edzard Cirksena, graaf in Oost-Friesland (1462-1528)

Graaf Edzard van Oost-Friesland werd in het jaar 1506 door de stad als landsheer werd aanvaard.

Het was voor het eerst sinds lange tijd, dat de trotse stad zich voor een landsheer boog.

Ze deed dat omdat ze geen andere uitweg uit de miserie zag.

Graaf Edzard had zich laten huldigen als officiële vertegenwoordiger van het Rijk.

Hertog Georg van Saksen (1471-1539)

Hertog Georg van Saksen (1471-1539) Hertog Georg van Saksen (1471-1539)

Graaf Edzard kon dat doen op basis van de afspraak die hij hierover gemaakt had met hertog Georg van Saksen.

De Oostfriese graaf zou als stadhouder namens Georg over Groningen regeren.

Beide heren dachten hieruit voordeel te kunnen trekken.

De Groningers voelden er niets voor om zich te onderwerpen aan een vreemde vorst als de Saksische hertog, maar de Oostfriese buurman was voor hen wel acceptabel.

Op die manier kon Georg de baas worden over Groningen zonder dat zijn nieuwe onderdanen zich tegen hem zouden verzetten.

Achter Karel van Gelre staat koning Frans I

Achter Karel van Gelre staat koning Frans I Achter Karel van Gelre staat koning Frans I

Edzard Cirksena is slechts kort de baas is geweest in Stad en Lande. De graaf voer een zelfstandige koers, en dat was niet naar de zin van de hertog van Saksen, die overigens niet meer dan in naam zijn chef was.

Het kwam zelfs tot een gewapend conflict tussen de Saksers enerzijds en de Oostfriese graaf en het met hem verbonden Groningen anderzijds.

Edzard bracht dus niet de rust waarnaar de Groningers al zo lang verlangden.

Omdat ze zagen dat graaf Edzard niet tegen de Saksische overmacht zou zijn opgewassen, zochten ze in 1514 steun bij Karel van Gelre, een tegenstander van de Bourgondisch-Habsburgse macht, die als zodanig een natuurlijke bondgenoot van de koning van Frankrijk was.

Het Grote Verbond van 1473

Het Grote Verbond van 1473 Het Grote Verbond van 1473

Enkele jaren later zagen ook de Ommelander heren dat er geen andere uitweg was en erkenden de Gelderse hertog (1521).

In de akten die hierover werden opgemaakt, werd een verwijzing opgenomen naar het Grote Verbond van 1473/1482: dat zou de basis blijven van de samenwerking tussen Groningen en de Ommelanden, en Stad en Lande zouden niet van elkaar worden gescheiden. ‘De Ommelanden zouden geen andere landsheer hebben dan de stad (heeft).’

Zoals sommigen al hadden gevreesd, slaagde ook Karel van Gelre er niet in voor de zo nodige veiligheid en stabiliteit te zorgen.

In Westerlauwers Friesland moest de hertog weldra wijken voor de druk van de Bourgondiërs.

De Saksers hadden in 1515 genoeg van de kostbare strijd in het verre Friesland, die het Saksische kernland had uitgemergeld en geen enkel voordeel had gebracht (‘Friesland – Fressland’). Daarom had de hertog van Saksen zijn rechten op Friesland verkocht aan Karel van Bourgondië. Maar om de macht in Friesland werkelijk in handen te krijgen moest deze nog wel zijn grote rivaal, Karel van Gelre, uitschakelen.

George Schenck van Toutenburg

George Schenck van Toutenburg George Schenck van Toutenburg

Dat lukte pas een kleine tien jaar later.

In 1524 erkende Westerlauwers Friesland Karel V als landsheer.

De Bourgondische veldheer Jurgen Schenck van Toutenburg drong toen zelfs op tot in Groningerland en bracht enkele grote anti-Gronings gezinde Ommelander heren ertoe om ‘Karel van Bourgondië’ (de Habsburger Karel V), als heer te huldigen.

Ofschoon de eenheid tussen Stad en Lande dus na twee jaar alweer verbroken was, bleven de Ommelanden kerspelsgewijs aan de Gelderse hertog de belasting betalen die hem beloofd was.

Karel van Bourgondië

Karel V Karel V

Ook in Utrecht waren veranderingen op til. Toen in 1524 een nieuwe bisschop gekozen moest worden, probeerden de kanunniken een neutrale koers te varen.

Ze wilden voorkomen dat het Sticht in het Bourgondische of het Gelderse kamp terecht zou komen.

Ze kozen Hendrik van Beieren tot bisschop, maar deze kon zich niet handhaven.

Het probleem werd opgelost door het tot stand komen van het ‘Verdrag van Gorinchem’ (1528).

Het wereldlijk gezag over het Sticht werd overgedragen aan Karel V en hertog Karel van Gelre erkende de keizer als erfgenaam van zijn landen.

Hiermee kwam een einde aan het prinsbisdom Utrecht, dat in de middeleeuwen in het kader van de rijkskerkenpolitiek was ontstaan.

De overeenkomst zou in twee etappes worden uitgevoerd. Het Nedersticht, de IJsselsteden en het land van Overijssel gingen meteen over naar Karel van Bourgondië, maar de Gelderse hertog zou Groningen met de Ommelanden, Coevorden en Drenthe zolang mogen behouden.

Maar nog voordat het op grond van de bepalingen van deze overeenkomst zover was – Karel van Gelre stierf in 1538 – , kwam er voor Groningen een eind aan de ‘Gelderse periode’. In 1536 had de Gelderse hertog zich zo onmogelijk gemaakt, dat Stad en Ommelanden zich genoodzaakt zagen zijn tegenstrever en beoogde opvolger Karel V als landsheer te huldigen.

Landvoogdes Maria van Hongarije

Maria van Hongarije Maria van Hongarije

Voor Groningen was de maat vol geweest toen de hertog, tegen de afspraken in, een kasteel in de stad eiste.

Dit was voor de Groningers ten enenmale onaanvaardbaar.

In hun ogen moest de stad Groningen de enige sterkte in de regio zijn en blijven en was het de burgerij zelf die er de baas over moest zijn.

Ze zagen de militaire kracht van Groningen als de enige betrouwbare garantie voor het voortbestaan en de welvaart van de stad die als 'Burcht van Friesland' ook voor de Friese Ommelanden onmisbaar was.

Het toelaten van een vreemde strijdmacht binnen de stadsmuren betekende voor de Groningers het einde van hun autonomie en het begin van de ondergang van stad en lande.

Wat dat betreft hadden ze in 1506 aan graaf Edzard veel meer moeten toestaan dan hun lief geweest was. Het stadsbestuur belegde daarom een vergadering met enkele Ommelander heren, die het krijgsgewoel ten plattelande waren ontvlucht en in Groningen een goed heenkomen hadden gezocht.

De gemoederen waren verhit geweest en iedereen had geroepen dat men van ‘de Geldersman’ af moest en steun moest zoeken bij ‘Karel van Bourgondië’.

Stadjers en Ommelanders schreven daarop gezamenlijk een brief aan Maria van Hongarije, het hoofd van de Bourgondisch-Habsburgse regering te Brussel. Daarin vroegen ze haar of ze bereid zou zijn om Stad en Lande in bescherming te nemen voor hetzelfde bedrag dat dezen aan de hertog van Gelre plachten te betalen.

Het Hof te Brussel

Het Hof te Brussel Het Hof te Brussel

De regering van Karel V nam tegenover Groningen dezelfde houding aan als tegenover Overijssel, acht jaren tevoren. Toen had zij de privileges van de ridderschap, steden en landen aldaar erkend en beloofd deze te zullen beschermen.

In 1536 mochten ook Stad en Lande al hun rechten en vrijheden behouden, hun werd bescherming beloofd en er hoefde ook geen burcht te komen binnen de muren van Groningen. Zelfs een garnizoen in de stad werd niet geëist. Karel kwam de Groningers zelfs nog verder tegemoet: hij zou geen sterkten in de omgeving laten bouwen zonder instemming van het stadsbestuur en de forten die er waren, zou hij laten afbreken.

Tegenover dit alles stond eigenlijk niet meer dan dat er een passende residentie voor de landsheer zou komen in de stad Groningen en dat Stad en Lande hun vorst jaarlijks ƒ12.000 zouden betalen ter dekking van de kosten die hij zou moeten maken voor de bescherming van zijn onderdanen en hun rechten.

Het in 1536 gesloten tractaat tussen Groningen met de Ommelander heren enerzijds en Karel V anderzijds ontzegde – althans in de Groninger interpretatie – de Bourgondisch-Habsburgse regering te Brussel elk recht op inmenging in de interne aangelegenheden van Stad en Lande.

Dat Karel V de Groningers zowat op alle punten hun zin gaf, geeft aan dat zijn regering Groningen heel graag wilde bemachtigen. George Schenck van Toutenburg had 'Brussel' laten weten: ‘Hap toe, want dit is een prachtige gelegenheid om zo’n sterke stad als bondgenoot te krijgen. Ze bieden zichzelf aan, zodat het ons weinig of niets kost. Ook al hebben we er in de praktijk misschien weinig te vertellen, als we de Groningers tevreden houden is onze noordflank in elk geval gedekt en hebben we een mooie basis voor de uitbreiding van onze invloed in noordelijke richting.’

Dat Karel niet tegenover al zijn onderdanen zo lankmoedig was, bewijst zijn optreden tegen de stad Utrecht (1528) en zijn geboortestad Gent (1540).

De Vredenburg te Utrecht

De Vredenburg te Utrecht De Vredenburg te Utrecht

In Utrecht maakte hij korte metten met de invloed van het stadsvolk en voerde er een op Hollandse leest geschoeid bestuursmodel in. Dat hield in dat de functionarissen van de stedelijke overheid van bovenaf werden benoemd.

Omdat de Utrechters, wier stad als de ‘meest democratische stad van de Nederlanden’ te boek staat, zich niet zomaar gewonnen gaven, liet Karel binnen de muren een dwangburcht bouwen: de Vredenburg.

De Groningers vertoonden de neiging te ‘vergeten’ dat ze Karel hadden gehuldigd in zijn kwaliteit van ‘hertog van Brabant, graaf van Holland en erfheer van Friesland en Overijssel’ – kortom als landsheer, en niet als keizer.

Dat laatste was voor hen veel aantrekkelijker, want de keizer was niet meer dan een soort symbolisch hoofd van het Duitse Rijk van wie in de praktijk weinig gevaar voor de stedelijke autonomie te duchten zou zijn.

Op die manier was er, in het bewustzijn van de Groningers, continuïteit tussen de bestaande situatie en de grandeur en onafhankelijkheid die de stad in de 15e eeuw had bezeten. Groningen zou een ‘vrije Rijksstad’ zijn.

Dezelfde gedachtengang had in 1528 ook de IJsselsteden ertoe gebracht een poging te doen om Karel van Habsburg als keizer te huldigen en niet als graaf van Vlaanderen en hertog van Brabant.