Zoek op de website

2. De situatie in de omgeving van Groningen

Het noordelijke kustgebied rond 800 en de ligging van ‘Cruoninga’ Het noordelijke kustgebied rond 800 en de ligging van ‘Cruoninga’

Op een kaartje dat te zien was op de tentoonstelling over professor Van Giffen die in 2005 en 2006 in het Groninger Museum werd gehouden, is de situatie van rond 800 weergegeven.

Tussen het kleigebied in het noorden en het pleistoceen ligt een uitgestrekte zone van veen (bruin op het plaatje). Van west naar oost zien we de Friese Wouden, de Nienoordse venen, het Woldland ten noorden van de stad Groningen, Duurswold, het Wold-Oldambt en het Woldland van Reiderland.

 

Aan de zuidoostkant van de pasgevormde Lauwerszee reiken enkele kreken tot voorbij de hoogte van Noord- en Zuidhorn. Op dit kaartje is Humsterland (Oldehove, Niehove en Saaksum) een echt eiland; Middag (met Ezinge, Feerwerd, Garnwerd en Oostum) is een schiereiland.

In het noordoosten van de huidige provincie zien we de wijde boezem van de Fivel.

Johan Rengers van Ten Post (1542-1626)

Johan Rengers van Ten Post (1542-1626) Johan Rengers van Ten Post (1542-1626)

De zestiende-eeuwse Ommelander jonker Johan Rengers van Ten Post was een uitgesproken vijand van het ‘Saksische’ Groningen en overtuigd van de superioriteit van de ‘Friese’ Ommelanden.

Hij meende dat de veenzone tussen klei en zand (Rengers had het over ‘darg’) in het verre verleden een effectieve barrière was geweest tussen het gebied van de Friezen in het noorden en de Saksen in het zuiden.

Groningen ligt op een ‘stert van Drentlant’

Groningen ligt op een ‘stert van Drentlant’ Groningen ligt op een ‘stert van Drentlant’

Johan Rengers schreef dat de stad Groningen op ‘een stert van Drentlant’ ligt.

Dat klopt ook: de stad is gelegen op het noordelijke uiteinde van de Hondsrug, die hier als een soort kaap vanuit Drenthe ver naar het noorden reikt.

Doordat ter weerszijden van de Hondsrug ondoordringbare venen lagen, moest alle contact tussen de Ommelanden en Drenthe via Groningen lopen.

Maar de Friezen hadden volgens Rengers genoeg aan zichzelf en waren niet erg gesteld op vreemdelingen.

´Urbar´ van de abdij van Fulda

Wat daar ook van waar is, er zijn al heel vroeg verschillende verbindingswegen geweest tussen de noordpunt van de Hondsrug en de Friese streken.

Daarvan werd onder meer gebruik gemaakt door de vertegenwoordigers van ver weg gelegen abdijen, zoals die te Werden en Fulda, die recht hadden op inkomsten uit de Friese streken.

In de administratie van deze abdijen bevonden zich lijsten waarin hun bezittingen waren opgetekend. In deze Urbare worden vele plaatsen in Groningerland vermeld.

We mogen aannemen dat de genoemde wegen ook benut werden wanneer kerkelijke visitaties in de Ommelanden moesten worden gemaakt.

Er zijn ook koningsgoederen in dit deel van Friesland geweest. Mogelijk hebben delen van de opbrengst daarvan al vroeg hun weg naar Groningen gevonden om vandaar verder te worden getransporteerd.

Het Groninger kleigebied besloeg rond 900 ongeveer 600 km2. Ter vergelijking: het netto landoppervlak van de provincie Groningen bedraagt nu 2.345 km2 (een viervoud dus).

Hier leefden naar schatting 10.000 mensen. Ervan uitgaande dat een doorsnee familiebedrijf, waarvan 5-6 personen moesten leven, een gemiddelde omvang van 35 ha had, betekent dit dat er op de klei geen ruimte was voor een groeiende bevolking. Het was daarom noodzakelijk over te gaan tot het ontginnen van woeste grond.

Onderzoek heeft uitgewezen dat er in de 10e en 11e eeuw sprake is geweest van een klimaatoptimum, met relatief hoge temperaturen en een geringe activiteit van de zee. Het was een goede tijd voor het ontginnen van woeste gronden. Dit had uiteraard politieke betekenis. Er was winst te boeken, of, wanneer men de boot miste, achterstand op te lopen.