Zoek op de website

4. Nadere toelichting bij de tekst

De hertogdommen van het Oostfrankische Rijk in de 10e eeuw De hertogdommen van het Oostfrankische Rijk in de 10e eeuw

Het Duitse Rijk bestond uit vele losse graafschappen en hertogdommen. Graven en hertogen waren weliswaar lager in rang dan de koning of de keizer, maar hun ambities konden gemakkelijk een bedreiging worden voor de eenheid van het Rijksgezag.

In het bijzonder het feit dat hoge ambten erfelijk waren, betekende dat het overheidsgezag in zogenaamde 'heerlijkheden' uiteen kon vallen.

Dat waren gebieden waarin een adellijke familie het overheidsgezag als particulier bezit in handen had en uitoefende.

De keizer probeerde de machtige, zelfs zijn eigen positie bedreigende dynastieën onder controle te houden door stukken wereldlijk gezag in handen te geven van personen die geen erfelijke opvolgers hadden en dus ook geen dynastieën konden stichten: bisschoppen en abten van grote kloosters.

De schenking van de villa Groningen en van de grafelijke rechten in Drenthe aan de kerk van Utrecht past bij het streven van Hendrik III om zijn eigen gezag te versterken. De schenking versterkte tevens de economische basis van de Utrechtse kerk.

Dit niet alleen vanwege de geschonken goederen zelf, maar ook doordat het bezit ervan uitzicht bood op het verwerven van nieuwe inkomsten door de ontginning van woeste gronden en door het uitoefenen van controle over het handelsverkeer. 

Groningen en het Gorecht

Groningen en het Gorecht Groningen en het Gorecht

Het voorwerp van de schenking van 1040 is een landgoed in de villa Groningen en de daarmee verbonden grafelijke rechten. In de tekst van de oorkonde wordt melding gemaakt van ‘nog te verwerven inkomsten’. Dat kan een bewuste verwijzing zijn naar de ontginningen die in die tijd plaatsvonden. 

In Groningen bevond zich een koninklijke hof onder leiding van een villicus. De kern van het gebied waarover hij het gezag uitoefende zal zich bevonden hebben tussen de Drentse A en de Hunze. Deze grotendeels hoog en droog op de Hondsrug gelegen strook is op het plaatje groen gearceerd.  

Wellicht heeft de koninklijke villicus de leiding genomen bij de ontginningen in de buurt van Groningen. Hierbij kan een conflict zijn opgetreden tussen het koninklijke ´foreestrecht´ en het lokale markerecht.

Het foreestrecht hangt samen met de gedachte dat wat van niemand is aan de koning toebehoort (bona vacantia). Voorbeelden van zulke 'vrije goederen' zijn behalve grote bossen ook de wind, zwanen, grote rivieren, landaanwas aan zee etc. Ook de dingen die op het strand aanspoelen behoren niemand in het bijzonder toe en vervallen daarom aan de koning.

Dat kon echter wel tot problemen leiden. In 1588 droeg de Hoofdmannenkamer de redger Johan Arends op om planken in beslag te nemen die afkomstig waren van een schip dat op de Waddenzee was vergaan. 

De stad Groningen verzette zich daartegen met het argument dat het schip niet op het eiland Bosch was gestrand, zoals werd beweerd, maar op een vaarwater waarin vanwege de stad Groningen bebakeningstonnen waren gelegd. ‘Daarom komt het goed niet de koning toe.’ Doordat de stad de vaarroute beveiligde was het betreffende water geen bonum vacans meer.

Dezelfde redenering pasten de Emders toe met betrekking tot de Eems. Volgens hen was de Eems van hen en mochten zij tolgelden heffen van de schippers die van die vaarweg gebruik maakten.

Het markerecht hield in dat landeigenaren gemeenschappelijk gebruik mochten maken van de woeste gronden, die meestal op een wat grotere afstand van hun nederzetting lagen. Ze mochten er vrijelijk jagen, hout halen en turf steken. 

Ontginningen en burchten

Burchten bij Groningen Burchten bij Groningen

Doordat vanuit Groningen ook woeste gronden werden ontgonnen die buiten de natuurlijke grenzen van het Gorecht lagen, zijn ook de daar ontstane kolonies deel gaan uitmaken van het ambtsgebied van de bestuurders in Groningen. De situering van de burchten nabij Groningen kan daarmee samenhangen.

We zagen dat de koning Hendrik III zijn schenking aan de kerk van Utrecht heeft gedaan met de uitdrukkelijke bedoeling om de structuur van het Rijk te versterken. Maar heeft deze schenking ook het beoogde effect gehad?

Bisschop Bernold, degene die in 1040 in Utrecht op de bisschopszetel zat, liet zijn wereldlijke taken in Groningen en Drenthe uitoefenen door zijn villicus in Groningen en een kasteelheer ('kastelein') in Coevorden. De burchten bij Groningen waren de zetels van de ‘borgmannen’ of ridders, die de villicus hielpen en dus tot de kring van 'Utrechtse' getrouwen hoorden. 

De voormalige Sint Walburgkerk te Groningen

De voormalige Sint Walburgkerk te Groningen De voormalige Sint Walburgkerk te Groningen

Bisschop Burchard (1100-1112) was een echte Rijksbisschop. Even ten noorden van de Sint Maartenskerk, de eerste kerk van Groningen, liet hij een soort ´kerkfort´ bouwen.

Deze Sint Walburgkerk was ongetwijfeld bedoeld om de samenhang tussen Groningen en het Rijk te onderstrepen. Desondanks kregen middelpuntvliedende krachten weldra op alle niveaus de overhand.

Burchards opvolger, bisschop Godebold (1112-1128), nam zelf stelling tegen de toenmalige keizer en de Groningers rebelleerden op hun beurt tegen hun bisschop. Een van Godebolds opvolgers, Hartbert van Berum (1139-1150), meende Groningen beter onder controle te kunnen houden door zijn broer Leffard aan te stellen tot prefect.

Deze manoeuvre heeft niet kunnen verhinderen dat de greep van ‘het centrum’ langzaam maar zeker verslapte.

Oudere vermeldingen van Groningen

De schenkingsakte van 1040 is niet de oudste vermelding van Groningen. De oudere vermeldingen die genoemd moeten worden zijn:

• een inscriptie in de Friezenkerk te Rome; deze dateert uit de dertiende eeuw, maar maakt melding van gebeurtenissen uit de achtste-negende eeuw.

• de vermelding van ‘de kerk te Groningen’ in een schenkingsakte uit 1006. De akte is vals, maar dat wil niet zeggen dat er in Groningen geen kerk stond.

• Groningen wordt genoemd in de levensbeschrijving van de heilige Walfridus, die uit de dertiende eeuw dateert.

Burgo San Pietro bij het Vaticaan te Rome

Aan de Burgo San Pietro te Rome, net buiten het Vaticaan, bevindt zich de kerk van de HH. Michaël en Magnus, beter bekend als 'de Kerk van de Friezen'.

In deze kerk bevindt zich een oude gedenksteen waarin het verhaal verteld wordt over drie Friezen, die het lichaam van de Heilige Magnus hebben gevonden en een arm van het lijk als reliek mee mochten nemen naar Friesland. Een van de drie Friezen heette ´Ilderado van Groningen'

Vermelding van Ilderado de Groninga in de Friezenkerk te Rome Vermelding van Ilderado de Groninga in de Friezenkerk te Rome