Zoek op de website

1. De achtergrond

Het ‘Grote Verbond’ van 1473 Het ‘Grote Verbond’ van 1473

Bij de bespreking van het Grote Verbond van 1473 (1482) hebben we gezien dat dit verdrag voorzag in samenwerking op allerlei terrein. Het Grote Verbond, in 1473 voor 10 jaar gesloten en in 1482 voor 40 jaar verlengd, is tot stand gekomen onder externe druk. De Bourgondische hertog Karel de Stoute dreigde een einde te maken aan de 'Friese Vrijheid'.

De verdragstekst eindigt met een drietal verbodsbepalingen. Ze betreffen de export van inlands graan, het tappen van ander dan Gronings bier in de Ommelanden en het brouwen van bier in die gebieden.

De inhoud van deze artikelen wijkt af van de rest van het verdrag. Het lijkt hier te gaan om een uitbreiding van het reeds lang bestaande 'stapelrecht' van de stad Groningen. Of kunnen we in plaats van 'recht' hier beter over 'gewoonte' spreken?

Karel de Stoute, hertog van Bourgondië

Karel de Stoute, hertog van Bourgondië Karel de Stoute, hertog van Bourgondië

Het Groninger stapelrecht bestond al sinds mensenheugenis en dankte zijn ontstaan aan de natuurlijke gesteldheid van ons gebied. Deze maakte de stad Groningen de meest voor de hand liggende handelsplaats van de wijde omgeving.

In het laatste kwart van de vijftiende eeuw bereikte de stad Groningen de top van haar macht, maar het einde van die hegemonie was toen al nabij. De stad vertilde zich aan Westerlauwers Friesland en haar machtsaspiraties pasten niet bij de loop van de grote politiek. Daarin gaven ambitieuze heren als Karel de Stoute de toon aan.

De Bourgondische landen: een lappendeken

De Bourgondische landen: een lappendeken De Bourgondische landen: een lappendeken

De Bourgondische hertog was landsheer over vele en rijke, maar wel wat verspreid liggende landen en wilde graag door de keizer als koning worden erkend. Hij beschikte nog niet over Friesland, maar dat land hoorde er, wat hem betreft, zeker bij. Dit leek de keizer een goed idee, maar deze vond wel dat het Bourgondische koninkrijk onderdeel moest zijn van het Duitse Rijk.

Dit was niet naar de zin van de hertog, zodat het plan niet doorging en Karel gewoon hertog bleef. Desondanks ging Karel de Stoute door met zijn plannen om van zijn verspreid liggende landen een samenhangend geheel te maken. Ook de Rijksbisdommen in Noordoost-Frankrijk (Toul, Metz en Nancy) hoorden er wat hem betreft bij.

In 1477 sneuvelde Karel de Stoute bij de belegering van Nancy. Daarmee was het gevaar voor Stad en Lande even geweken.

5 januari 1477: Karel de Stoute sneuvelt voor Nancy

5 januari 1477: Karel de Stoute sneuvelt voor Nancy 5 januari 1477: Karel de Stoute sneuvelt voor Nancy

Toen Karel de Stoute voor Nancy was gesneuveld, bedacht men in de top van het Duitse Rijk dat er toch een oplossing gevonden moest worden voor de wanorde in Friesland. Nu er geen krachtige Bourgondische pretendent meer was, leek de stad Groningen een goede kandidaat voor de heerschappij over Friesland.

Verbond met Oostergo en Westergo (1477)

Verbond met Oostergo en Westergo (1477) Verbond met Oostergo en Westergo (1477)

Nu er geen machtige pretendent voor Friesland meer was, zag Groningen zijn kans schoon. De stad sloot een verdrag met Oostergo en Westergo samen (1477). De looptijd ervan bedroeg tien jaar. Deze overeenkomst was een poging om de vrede veilig te stellen en was bedoeld als een hernieuwing van de ‘Groninger vrede’ van 1422, die een eind had gemaakt aan de partijstrijd tussen Vetkopers en Schieringers.

In 1479 kwam een keizerlijk gezantschap naar Groningen om te onderzoeken of de stad van Rijkswege met de heerschappij over Friesland zou kunnen worden belast. Al gauw werd duidelijk dat Groningen, om officieel het gezag over Westerlauwers Friesland te kunnen uitoefenen, jaarlijks een bedrag van 10.000 goudgulden aan de keizerlijke schatkist zou moeten betalen.

Maar voor dat enorme bedrag had het eigenlijk nog helemaal niets. Om daadwerkelijk het bestuur over Friesland te kunnen inrichten en uitvoeren, zou de stad de Friese landschappen eerst goedschiks of kwaadschiks moeten onderwerpen. Dat was een verre van aanlokkelijk vooruitzicht en het stadsbestuur besloot dan ook geen gebruik te maken van de geboden mogelijkheid.

Frisia

Frisia Frisia

Nadat in 1487 de in het verdrag met Oostergo en Westergo afgesproken periode van tien jaar was verstreken, liet Groningen zich opnieuw verleiden tot inmenging in de Friese partijstrijd.

Het stadsbestuur deed dit op het dringende verzoek van – vooral – de grote kloosters in het noorden van Oostergo. De heren hadden echter de nodige aarzelingen moeten overwinnen alvorens ‘ja’ te zeggen tegen de Vetkoperse Oostergoërs.

In de eerste plaats was inmenging in de Friese zaken op grond van het ‘Grote Verbond’ van 1473/1482 alleen mogelijk, wanneer ook de Ommelander verbondspartners zich daarin konden vinden. Bovendien waren velen van mening dat de ongebreidelde partijstrijd ten westen van de Lauwers Friesland tot een wespennest maakte waarin men zich beter niet kon steken. Wie dat toch deed, zou het tumult daar alleen maar doen toenemen en dat zou weer de aandacht van machtige heren trekken. Dat nu was precies het omgekeerde van wat altijd in het voordeel van Groningen was geweest. Juist doordat Groningen en zijn omgeving buiten of op het randje van de reikwijdte en belangstellingssfeer der grote heren lagen, hadden ze hun vrijheid kunnen behouden en was Groningen uitgegroeid tot het onbetwiste centrum van het land tussen Eems en Lauwers. In economische zin was de stad zelfs de enige plaats van betekenis tussen het wad en de Reest, de grensrivier tussen Drenthe en Overijssel.

Na rijp beraad – het duurde acht maanden alvorens men tot een beslissing kwam – besloten burgemeesters en raad toch tot interventie over te gaan.

Zo kwam op 17 september 1491 een verdrag tot stand tussen de stad Groningen enerzijds en Dokkum met een aantal Vetkoperse kloosters, hoofdelingen en dorpen in Oostergo anderzijds. De Groningers benoemden hun medeburger Sibrand Ulferts tot hun ‘kastelein’ en bevelhebber te Dokkum. Vele andere Vetkoperse kloosters, geestelijken, hoofdelingen en steden in Oostergo, Westergo en Zevenwouden sloten zich bij de overeenkomst aan, waaronder ook de stad Leeuwarden.

Ofschoon het aantal overeenkomsten van deze soort groot is – er zijn ongeveer 150 akten bewaard gebleven – is het van belang zich te realiseren dat het bij deze Groningsgezinde Friezen steeds om leden van één partij ging, de Vetkoperse. De tegenpartij, die van de Schieringers, wierp zich nu op als verdedigster der aloude Friese vrijheid en zette zich schrap tegen het Sassche Grins (het ‘Saksische Groningen’) en zijn Pax Groningana.

Groningse garnizoenen lagen in Harlingen, Workum, Sloten, Leeuwarden en Dokkum.

In de praktijk steunde de ‘Groninger vrede’ in Westerlauwers Friesland vooral op het bezit van een aantal sterkten daar. Er is een lijstje bewaard gebleven van de slotvoogden (‘kasteleins’) die Groningen in Westerlauwers Friesland heeft gehad:

  • Coert van Bremen in Sloten
  • Hendrick Ulger in Workum
  • These Potter in Harlingen
  • Lambert Freriks in Leeuwarden
  • Hendrick Korenpoorting in Dokkum.

Cornelius Kempius

Cornelius Kempius, De origine, situ, qualitate et quantitate Frisiae, et rebus a Frisiis olim praeclare gestis libri tres (Keulen 1588) Cornelius Kempius, De origine, situ, qualitate et quantitate Frisiae, et rebus a Frisiis olim praeclare gestis libri tres (Keulen 1588)

Een eeuw later bejubelde de Spaansgezinde jurist Cornelius Kempius de heilzame, op vrede gerichte inmenging van Groningen in de Friese warboel.

Keizer Maximiliaan

Keizer Maximiliaan Keizer Maximiliaan

Zowel de stad Groningen als haar tegenstanders zochten steun bij machtige heren: Groningen bij keizer Maximiliaan en de in het nauw gebrachte Schieringers bij hertog Albrecht van Saksen, de stadhouder van Holland.

Zo gebeurde precies datgene waarvoor oud-burgemeester Johan Thema en andere tegenstanders van Groningens Friesland-politiek hadden gewaarschuwd. De interventie in Friesland had slapende honden wakker gemaakt en nu zou men ‘met keiser, coeninghen, hartoegen end graven to doene hebben’.

Met Maximiliaan hadden de Groningers weliswaar de baas van het Duitse Rijk aan hun zijde, maar die was sinds 1482 ook regent van de Bourgondische landen en als zodanig de directe chef van Albrecht van Saksen. En in plaats van deze zonder meer te kunnen commanderen, stond Maximiliaan dik in het krijt bij de Saksische hertog.

Mede hierdoor pakte de keuze voor de keizer voor Groningen slecht uit.

Maria van Bourgondië (1457-1482)

Maria van Bourgondië (1457-1482) Maria van Bourgondië (1457-1482)

Keizer Maximiliaan was in 1477 getrouwd met Maria van Bourgondië, erfdochter van Karel de Stoute. In 1482 viel ze van haar paard en stierf. Maximiliaan werd voogd voor haar zoontje Filips de Schone en dus ook beheerder van de Bourgondische erfenis, inclusief de nog niet waargemaakte aspiraties van het Bourgondische huis.

Later (1496) trouwde Filips de Schone met Johanna van Aragon (Johanne de Waanzinnige), uit welk huwelijk onder meer Karel V werd geboren (1500).

Als keizer kon Maximiliaan zijn veldheer Albrecht van Saksen genoegdoening geven voor de diensten die deze hem bewezen had, en tegelijk ook de aspiraties waarmaken die hij als beheerder van de Bourgondische erfenis had overgenomen: de onderwerping en pacificatie van Friesland, het laatste stukje ‘staatkundige wildernis’ in Europa.

Maximiliaan benoemde zijn veldheer in 1498 tot potestaat van Friesland, met inbegrip van Groningen en Groningerland. De gelukkige moest zijn land wel zelf veroveren. Hierdoor kwam de hertog tegenover Groningen te staan.

Hertog Albrecht van Saksen

Albrecht van Saksen (1443-1500) Albrecht van Saksen (1443-1500)

Ook voor een ‘buitenlander’ als Albrecht van Saksen was Friesland geen hapklare brok. Wie zich met dat gebied wilde bemoeien, zou ook met Groningen moeten afrekenen. Want – zo zei men – ‘an Groningen hanget geheel Frieslant’. Er volgde een strijd die enkele jaren duurde en in hoofdzaak in Westerlauwers Friesland werd uitgevochten.

Albrecht van Saksen (1443-1500) was ‘algemeen stadhouder’ van de Bourgondische hertog Filips de Schone en trad op als veldheer van Maximiliaan van Habsburg (1459-1519, keizer 1493-1519).

Nu een sterke man als Albrecht van Saksen op het toneel was verschenen en Groningens macht ten westen van de Lauwers was ingestort, zagen enkele grote Ommelander heren hun kans schoon. Zij droegen hun privé-bezittingen op aan de hertog om ze als leengoederen terug te krijgen en op die manier een officiële plaats in de landsheerlijke hiërarchie te verwerven. Dit lijkt als twee druppels water op hetgeen omstreeks 1400 was gebeurd, toen Albrecht van Beieren vanuit Holland de Friese landen had willen onderwerpen. De manoeuvre van de Saksischgezinde hoofdelingen was in strijd met de bepalingen van het ‘Grote Verbond’ van 1473, dat in 1482 voor 40 jaar was verlengd. Daarin was afgesproken dat men niet buiten elkaar om zou pacteren met buitenlandse machthebbers. De Groningers ondernamen daarom strafexpedities waarbij de steenhuizen van de ontrouwe hoofdelingen in vlammen opgingen.

Albrecht van Saksen belegert Groningen (1500)

Maar eerder was het Groningen zelf geweest, dat achter de rug van zijn Ommelander partners om afspraken had gemaakt met Westerlauwerse hoofdelingen!

In 1500 sloeg Albrecht van Saksen tevergeefs het beleg voor Groningen. Bij die gelegenheid bewezen de in de jaren 1469-1471 ingrijpend versterkte en gemoderniseerde verdedigingswerken van de stad hun waarde. Het lukte Albrecht niet de stad in handen te krijgen. Hij raakte gewond en stierf in Emden.

Hertog Georg van Saksen (1471-1539)

Hertog Georg van Saksen (1471-1539) Hertog Georg van Saksen (1471-1539)

Albrecht werd opgevolgd door zijn zoon George van Saksen (1471-1539). Deze sloeg in 1505 samen met graaf Edzard van Oost-Friesland opnieuw het beleg voor de stad Groningen.

De stad redde zich uit deze noodsituatie door graaf Edzard als landsheer aan te nemen (24 april 1506; zie Groningen, een stad apart, 119-120).

Edzard Cirksena, graaf in Oost-Friesland (1462-1528)

Edzard Cirksena, graaf in Oost-Friesland (1462-1528) Edzard Cirksena, graaf in Oost-Friesland (1462-1528)

Edzard Cirksena was een zoon van Ulrich Cirksena, de hoofdeling van het Oostfriese Norden (c. 1408-1466), die in 1464 door keizer Frederik III tot graaf in Oost-Friesland was verheven.

Edzard was een ambitieus man, die zijn invloed graag ook ten westen van de Eems wilde vestigen. Als zodanig was hij dus een concurrent van Georg van Saksen. Maar een confrontatie met deze machtige heer beloofde weinig goeds voor hem. De graaf dacht zijn plannen veel beter te kunnen realiseren door samenwerking met de Saksische hertog te zoeken. Nadat Edzard in april 1506 de stad Groningen zover had gekregen dat ze hem als landsheer erkende, sloot hij op 5 augustus 1506 te Harlingen een overeenkomst met Georg van Saksen, waarin hij de status van stadhouder van de Saksische hertog aannam.

Edzard was een inspirerend voorbeeld voor adellijke families in de Ommelander adel, zoals de Ewsums, Manninga’s, Tamminga’s en Ripperda’s.

Emden naar Braun en Hogenberg (1575)

Emden naar Braun en Hogenberg (1575) Emden naar Braun en Hogenberg (1575)

De stad Emden heeft vooral in de zestiende eeuw een indrukwekkende groei doorgemaakt. De plattegrond die Braun en Hogenberg in 1575 publiceerden legt daarvan getuigenis af.