Zoek op de website

Groningen

Geschiedenis

Groningen is de hoofdstad van de gelijknamige provincie. De stad is van oudsher voor de wijde omgeving het belangrijkste economische centrum. Ze wist zich deze positie te verwerven doordat ze de stapel van allerlei in de omgeving geproduceerde goederen aan zich wist te trekken. De stad was daarmee een belangrijke markt- en overslagplaats geworden.

De eerste Joden vestigden zich aan het eind van de 16e eeuw in de stad. Ze oefenden het beroep van arts en geldschieter uit. Nadat Groningen in 1594 deel ging uitmaken van de Republiek der Verenigde Nederlanden woonden er geen Joden meer in de stad. Op verzoek van de rabbijn David Cohen de Lara kregen in 1661 Portugese Joden toestemming om in de stad te wonen. Van deze toestemming werd geen gebruik gemaakt.

Vanaf 1689 vestigden zich daadwerkelijk de eerste Joden in de stad. Zij waren hoofdzakelijk afkomstig uit het nabijgelegen Appingedam en als hun 'bestuurder' fungeerde de later naar Leeuwarden vertrokken Levie Jozefs. Rond 1700 woonden er ongeveer 50 Joden in de stad. In 1710 werden de Joden uit de stad verbannen. De reden voor dit besluit was dat ze gestolen goederen opkochten. Ondanks dit besluit bleven toch enkele Joden in de stad wonen.

De hernieuwde verpachting van de Bank van Lening in 1731 is een belangrijke gebeurtenis in de geschiedenis van de Joodse gemeenschap van Groningen. Mozes Goldsmid uit Amsterdam werd pachter. Hij bedong tevens het recht op vrije godsdienstuitoefening. Zijn zaken ter plaatse liet hij aan zijn zoons en schoonzoons over, waaronder een voorvader van de beroemde schilder Jozef Israëls.

In het spoor van de zaakwaarnemers van Mozes Goldsmid vestigden zich meer Joden in de stad. In 1744 telde de stad al zo’n 90 Joden. In datzelfde jaar ontstond binnen de Joodse gemeenschap de behoefte om de onderlinge verhoudingen te regelen. Er werd een reglement opgesteld, dat in 1754 en 1767 werd aangevuld.

In 1776 werden de verouderde statuten in z’n geheel vervangen door een nieuw reglement. In dat laatst genoemde jaar woonden er al ongeveer 260 Joden in de stad. De meeste van hen waren werkzaam als koopman en marskramer. Vanaf 1728 konden Joden overigens het zogenaamde klein burgerrecht en het lidmaatschap van het koopliedengilde verwerven. Op aandrang van het stadsbestuur lieten later in die eeuw andere gilden ook Joden als lid toe.

Joodse koopman met een kar sinaasappelen in de Oude Ebbingestraat, circa 1900 [Tg. 1785 inv. nr. 21272] Joodse koopman met een kar sinaasappelen in de Oude Ebbingestraat, circa 1900 [Tg. 1785 inv. nr. 21272]

In 1796 werd een landelijke wet afgekondigd die de Joden dezelfde rechten verleende als de niet-joodse ingezetenen van het toenmalige Nederland. De stad Groningen telde toen 396 Joodse inwoners. Overigens, aan hun economische situatie veranderde dat niet veel. Na een kort intermezzo gedurende de heerschappij van koning Lodewijk Napoleon, trad in 1813 Willem I aan als koning. Het Koninkrijk der Nederlanden ontstond. Veel zaken werden gecentraliseerd. Ook de positie van de Joden veranderde. Er werd een Nederlands Israëlitisch Kerkgenootschap opgericht, waarvan alle Joden in het Koninkrijk verplicht deel van uitmaakten. Groningen verwierf de status van Hoofdsynagoge, dat wil zeggen dat het toezicht uitoefende op de kleinere Joodse Gemeenten in de provincie. Tevens was de stad de zetel van de opperrabbijn.

Vooral ingrijpend waren de veranderingen op het gebied van onderwijs. Door een gelukkige samenloop van de omstandigheden waren in Groningen de juiste mensen op de juiste plaats en het juiste tijdstip aanwezig. De inspanningen van opperrabbijn Abraham Izak Deen (afstammeling van een familie van beroemde rabbijnen uit Tykocin), de arts dr. Moses Loewe of Löw (die in Berlijn en Praag had gestudeerd), de bevlogen christelijke idealist Theodorus van Swinderen (hoogleraar aan de Groninger universiteit en erg begaan met het lager onderwijs) leidde ertoe dat in 1815 de eerste Joodse school onder de naam Tipereth Bachurim (Sieraad der Jongelingen) kon worden opgericht. De school stond open voor meisjes en jongens, en voor kinderen uit zowel rijke arme als rijke gezinnen. De school, gelegen in de Haddingestraat, was destijds op onderwijsgebied uniek in Nederland. Het was de eerste Joodse school in Nederland waar zowel seculier als godsdienstig onderwijs werd gegeven.

Hoewel het instituut Tipereth Bachurim bedoeld was voor alle sociale bevolkingsgroepen, bleek snel dat dit te vooruitstrevend was. Al in 1818 ontstond in de kelder van het gebouw een gedeelte voor de allerarmste kinderen. In 1824 werd de scheiding tussen arme en rijke kinderen op het instituut definitief bezegeld. Op een korte periode in de begintijd na, was van de hoog gestemde idealen van de oprichters in de praktijk weinig overgebleven. Zowel binnen Joodse als niet-joodse kring was de weerstand tegen dergelijke onderwijsvernieuwingen te groot. Maar hiermee is allerminst gezegd dat het belang van het Instituut beperkt was. Tot ver in de 19e eeuw zou het lesprogramma ten voorbeeld worden gesteld aan andere Joodse scholen.

Locatie op de minuutplan van 1832 waar aan de Haddingestraat oostzijde (sectie I nr. 109) waar het in 1815 gestichte onderwijsinstituut Tipereth Bachurim (sieraad der jongelingen) was gevestigd (Toegang 44 nr. 301).

In 1815 telde de Joodse Gemeente al 754 zielen. In de loop van de 19e eeuw zou dit aantal sterk toenemen: van 1645 in 1869 tot een aantal van 2628 in 1899. Daarna liep het aantal Joodse inwoners geleidelijk terug. De toename van Joodse inwoners had twee oorzaken: een hoog geboortecijfer en een vestigingsoverschot. Vooral in het laatste kwart van de 19e eeuw vestigden zich veel Joden vanuit de rest van de provincie in de stad.

Wat betreft de beroepsuitoefening veranderde er in de 19e en 20ste eigenlijk niet veel. De meeste Joden hadden een beroep dat verbonden was met de handel: zij het als koopman, marskramer, veehandelaar, winkelier of effectenhandelaar. Een gering deel van de Groninger Joden wist door te dringen tot de academische beroepsnivo’s of stichtten bedrijven. Vooral de stedelijke textielindustrie was voor een belangrijk deel in Joodse handen.

Schoolreisje van de leerlingen van de Joodse school te Groningen met achteraan rechts leraars Stern, 1920 [Tg. 818 inv. nr. 4692]
Schoolreisje van de leerlingen van de Joodse school te Groningen met achteraan rechts leraars Stern, 1920 [Tg. 818 inv. nr. 4692]
Leden van een Joodse boksclub te Groningen, circa 1935 [Tg. 818 inv. nr. 23562]
Leden van een Joodse boksclub te Groningen, circa 1935 [Tg. 818 inv. nr. 23562]
Een Joodse boksclub te Groningen in actie, circa 1935 [Tg.818-23563]
Een Joodse boksclub te Groningen in actie, circa 1935 [Tg.818-23563]
Vier leden van de Joodse gymnastiekvereniging Ivria met o.a. Van Coevorden, B. Markus, Bennie van Dam en n.n. , circa 1925 [Tg. 818 inv. nr. 23564]
Vier leden van de Joodse gymnastiekvereniging Ivria met o.a. Van Coevorden, B. Markus, Bennie van Dam en n.n. , circa 1925 [Tg. 818 inv. nr. 23564]
Folkingestraat te Groningen, het hart van de joodse wijk, 1925 [Tg.1785 inv. nr. 1058]
Folkingestraat te Groningen, het hart van de joodse wijk, 1925 [Tg.1785 inv. nr. 1058]
Gymnastiekuitvoering door dames van joodse gymnastiekvereniging Atilla in het Stadspark te Groningen, 1933 [Tg.1785 inv. nr. 13520]
Gymnastiekuitvoering door dames van joodse gymnastiekvereniging Atilla in het Stadspark te Groningen, 1933 [Tg.1785 inv. nr. 13520]
Jubileumsfoto van de joodse gymnastiekvereniging Atilla te Groningen, 1933 [Tg.1785 inv. nr. 15815]
Jubileumsfoto van de joodse gymnastiekvereniging Atilla te Groningen, 1933 [Tg.1785 inv. nr. 15815]

In 1941 telde de Joodse Gemeente Groningen nog 2843 leden, dit was vooral een gevolg van de gedwongen verhuizing uit de plattelandsgemeenten. Op 10 juli 1942 werden de meeste mannen gedeporteerd. In de nacht van vrijdag 2 op 3 oktober 1942 vond er een grote razzia plaats en werden vrijwel alle nog overgeblevenen op transport gesteld. De weinigen die toen nog achterbleven zijn in de loop van 1943 gedeporteerd.

Bij de begraafplaats aan de Iepenhof is een monument geplaatst terherinnering aan de omgekomenen. Aan de Hereweg bij het Sterrebos is eveneens een monument geplaatst ter herinnering aan de gedeporteerden. Aan de muur van het gebouw aan de W.A. Scholtenstraat waar vroeger de kledingfabriek van de gebr. Levie was, bevindt zich een plaquette met de namen van de (voornamelijk joodse) personeelsleden van het bedrijf, die in de oorlog zijn omgekomen. Dergelijke plaquttes zijn ook in andere gebouwen van de stad aanwezig.

Synagoge

De oudste vermelding van een synagoge dateert uit 1691. In dat jaar was het stadbestuur van Groningen ter ore gekomen dat de Joden ter plaatse zonder toestemming gebedsdiensten hielden.

Ze deden dat zonder twijfel in een huissynagoge, waarschijnlijk in een kamer van het huis van de uit Appingedam afkomstige Levie Jozefs. In 1731 pachtte Mozes Goldsmid de Bank van Lening. Deze was gevestigd in een groot pand in de Poelestraat waar tegenwoordig het Concerthuis in is gevestigd. Hierin was tevens een ruimte ingericht als synagoge.
In 1754 liep het pachtcontract af en diende de Joodse Gemeente om te zien naar een andere ruimte. Voorlopig stelde men zich tevreden met een huurhuis in de Steentilstraat. Maar nog in datzelfde jaar kocht men een paar huisjes op de hoek van de Folkingestraat en de Nieuwstad.

Locaties op de minuutplan van 1832 (sectie I) rond de Folkingestraat oostzijde en Nieuwstad noord- en zuidzijde waar het bezit van de Joodse Gemeente was geconcentreerd. Met vanaf het Zuiderdiep een huisje (nr. 291), en een klein huisje daarachter (nr. 294), de uit 1756 daterende synagoge (nr. 290), het rabbinaatshuis op de hoek (nr. 289), daarnaast aan de Nieuwstad twee huisjes (nrs. 193 en 192), een huisje aan het eind van een gang aan de Nieuwstraat noordzijde (nr. 471) en aan de Folkingestraat oostzijde (nr. 276) de voorzangerswoning met een kleine synagoge erachter (Toegang 44 nr. 301).

Deze werden afgebroken en hierop verrees een nieuwe synagoge. Op 20 augustus 1756 werd dit gebouw feestelijk ingewijd. Dit gebouw fungeerde in principe tot het begin van de 20ste eeuw als synagoge. Het gebouw was inmiddels zo bouwvallig geworden dat tot afbraak werd overgegaan. Op de plaats van het oude gebouw verrees een nieuwe synagoge. De inwijding vond plaats op 23 maart 1906.

In 1952 werd het gebouw verkocht en in gebruik genomen als stomerij. Onder druk van een deel van de Groninger bevolking werd het gebouw in de zeventiger jaren van de 19e eeuw gerestaureerd en op 29 november 1981 opnieuw ingewijd. Tot op de dag van vandaag is een deel van dit gebouw in gebruik als synagoge.

In mei 1812 is er sprake van een tweede synagoge (wijk x nr. 34), die voornamelijk diende voor vreemdelingen en armen. Tevens was dit gebouw de woning van de voorzanger Hartog Arons

Midden 19e eeuw scheidde een deel van de Groninger Joden zich af van de Joodse Gemeente en stichtten onder de naam van Teschuath Jisraël (Redding van Israël) een nieuwe Joodse Gemeente. Zij namen op 3 juni 1856 een synagoge in gebruik aan het Zuiderdiep.

De voormalige  synagoge van de Joodse gemeente Teschuat Jisraël en latere dagsynagoge aan het Gedempte Zuiderdiep te Groningen vlak voor de afbraak, 1933 [Tg. 1785 inv. nr. 5048] De voormalige synagoge van de Joodse gemeente Teschuat Jisraël en latere dagsynagoge aan het Gedempte Zuiderdiep te Groningen vlak voor de afbraak, 1933 [Tg. 1785 inv. nr. 5048]

In 1881 werden de meningsverschillen tussen de oude en de nieuwe Joodse Gemeente bijgelegd. De synagoge aan het Zuiderdiep, algemeen bekend onder de naam Tweede sjoel of Kleine sjoel, bleef vervolgens tot 1926 in gebruik als zogenaamde dagsynagoge.
In 1933 werd dit gebouw gesloopt.
Verder beschikte de Joodse Gemeente nog over een zogenaamde jeugd- en dagsynagoge aan de Folkingedwarsstraat. Deze werd op 31 maart 1940 ingewijd. Na de verkoop van de grote synagoge in 1952 hield de Joodse Gemeente in deze synagoge haar diensten.

De in 1754 gebouwde en in 1904 afgebroken synagoge aan de Folkingestraat te Groningen, circa 1900 [1785-8512]
De in 1754 gebouwde en in  1904 afgebroken synagoge aan de Folkingestraat te Groningen, circa 1900 [1785-8512]
Interieur van de in 1754 gebouwde en in 1904 afgebroken synagoge aan de Folkingestraat, circa 1900 [Tg. 1785 inv. nr. 13204]
Interieur van de in 1754 gebouwde en in 1904 afgebroken synagoge aan de Folkingestraat, circa 1900 [Tg. 1785 inv. nr. 13204]
Groningen : Folkingestraat : ontwerp van eene synagoge voor de Israëlitische Gemeente te Groningen [Tg. 818 inv. nr. 5107]
Groningen : Folkingestraat : ontwerp van eene synagoge voor de Israëlitische Gemeente te Groningen  [Tg. 818 inv. nr. 5107]
Foto van een blauwdruk van een ontwerp voor een nieuwe synagoge door de architecten Van der Meer te Groningen en Tj. Kuipers te Amsterdam [Tg. 818 inv. nr. 5109]
Foto van een blauwdruk van een ontwerp voor een nieuwe synagoge door de architecten Van der Meer te Groningen en Tj. Kuipers te Amsterdam [Tg. 818 inv. nr. 5109]
Interieur van de synagoge aan de Folkingestraat naar een schilderij van M. van der Wissel uit 1906 [Tg. 818 inv. nr. 4283]
Interieur van de synagoge aan de Folkingestraat naar een schilderij van M. van der Wissel uit 1906 [Tg. 818 inv. nr. 4283]
De voormalige synagoge van de Joodse gemeente Teschuat Jisraël en latere dagsynagoge aan het Gedempte Zuiderdiep te Groningen, 1933 [Tg. 818 inv. nr. 5745]
De voormalige  synagoge van de Joodse gemeente Teschuat Jisraël en latere dagsynagoge aan het Gedempte Zuiderdiep te Groningen, 1933 [Tg. 818 inv. nr. 5745]
Hoek Folkingestraat – Gedempte Zuiderdiep te Groningen met synagoge, 1928 [Tg. 818 inv. nr. 6361]
Hoek Folkingestraat – Gedempte Zuiderdiep te Groningen met synagoge, 1928 [Tg. 818 inv. nr. 6361]
Interieur van de nieuwe synagoge aan de Folkingestraat te Groningen, 1910 [Tg. 1785 inv. nr. 5186]
Interieur van de nieuwe synagoge aan de Folkingestraat te Groningen, 1910 [Tg. 1785 inv. nr. 5186]
Synagoge aan de Folkingestraat te Groningen gezien vanaf het Zuiderdiep, 1913 [Tg. 1785 inv. nr. 5187]
Synagoge aan de Folkingestraat te Groningen gezien vanaf het Zuiderdiep, 1913 [Tg. 1785 inv. nr. 5187]
Interieur van de voormalige synagoge aan de Folkingestraat te Groningen, in het gebouw is een stomerij gevestigd, 1965-1975 [Tg. 818 inv. nr. 5213]
Interieur van de voormalige synagoge aan de Folkingestraat te Groningen, in het gebouw is een stomerij gevestigd, 1965-1975 [Tg. 818 inv. nr. 5213]
Interieur van de voormalige synagoge aan de Folkingestraat te Groningen, in het gebouw is een stomerij gevestigd, 1965-1975 [Tg. 818 inv. nr. 5212]
Interieur van de voormalige synagoge aan de Folkingestraat te Groningen, in het gebouw is een stomerij gevestigd, 1965-1975 [Tg. 818 inv. nr. 5212]
De voormalige synagoge van de Joodse gemeente Teschuat Jisraël en latere dagsynagoge aan het Gedempte Zuiderdiep te Groningen, circa 1930 [Tg. 1785 inv. nr. 7835]
De voormalige synagoge van de Joodse gemeente Teschuat Jisraël en latere dagsynagoge aan het Gedempte Zuiderdiep te Groningen, circa 1930 [Tg. 1785 inv. nr. 7835]

Begraafplaats

Tot 1747 begroeven de Groninger Joden hun doden in Appingedam, Oude Pekela of Leeuwarden. In datzelfde jaar verkreeg de Joodse Gemeente een stukje grond op een van de verdedigingswerken van de stad. Men legde hier een begraafplaats aan. In 1782 vond er een uitbreiding plaats.

Lokatie op de minuutplan van 1832 van de oudste joodse begraafplaats (sectie F nr. 3) en woning van de doodgraver (sectie F nr. 2) op de zogenaamde Galgendwinger (nu Ebbingedwinger genoemd) (Toegang 44 nr. 297) Lokatie op de minuutplan van 1832 van de oudste joodse begraafplaats (sectie F nr. 3) en woning van de doodgraver (sectie F nr. 2) op de zogenaamde Galgendwinger (nu Ebbingedwinger genoemd) (Toegang 44 nr. 297)

Tegenwoordig staat dit gebied bekend als het Jodenkampje. Deze begraafplaats zou tot 1838 in gebruik blijven. Er stonden ongeveer 54 stenen waarvan de oudste dateert uit 1747. In de jaren 1952/1953 is de begraafplaats geruimd en zijn de stoffelijke resten en graftekens overgebracht naar de Moesstraat.
 

Lokatie op de minuutplan van 1832 van de Noorderbegraafplaats (sectie D2 nr. 257) aan het eind van de huidige Moesstraat, waarvan een deel sinds 1828 door de Joodse Gemeente werd gebruikt. (Toegang 44 nr. 295) Lokatie op de minuutplan van 1832 van de Noorderbegraafplaats (sectie D2 nr. 257) aan het eind van de huidige Moesstraat, waarvan een deel sinds 1828 door de Joodse Gemeente werd gebruikt. (Toegang 44 nr. 295)

Vanaf 1828 beschikte de Joodse Gemeente over een nieuwe begraafplaats buiten de stad aan de Moesstraat. Eind 19e eeuw werd ten behoeve van de Joden een stuk van de Algemene Begraafplaats in Selwerd ingericht als Joodse begraafplaats.

Rabbijnen

De eerste rabbijn van de Joodse Gemeente Groningen was Izaak Jozef Cohen (Jitschak Itsik Kats). Hij was circa 1702 te Hamburg geboren en overleed op 13 december 1788 te Groningen. Vanaf ongeveer 1735 tot zijn dood in 1788 vervulde hij de functie van rabbijn.

Levie Hartog Geloga (Arje Leib b. Zwi Hirsch Jafe) was, zoals zijn naam al aangeeft, oorspronkelijk afkomstig uit het nu Poolse Glogau. Voor zijn benoeming op 18 juli 1790 in Groningen was hij in Amsterdam als rabbijn werkzaam. Hij overleed in 1798 te Groningen. Geloga was de eerste Groninger rabbijn die zich sierde met de titel van opperrabbijn.

Volgens sommige bronnen was de in 1801 overleden Isaak Lemming (Yitzchak Itzik Halevi b. Shlomo Zalman van Lemgau) de opvolger van Geloga. Hij zou in de jaren 1800 en 1801 als rabbijn werkzaam zijn geweest. Maar contemporaine bewijzen hiervoor ontbreken.
Op 4 juli 1802 trad de uit Hannover afkomstige Samuel Berenstein (Samuel b. Berish) aan als rabbijn. Hij vervulde deze functie tot 5 december 1808. Vervolgens vertrok hij naar Leeuwarden.

Zijn opvolger was Abraham Izaks Deen of Tiktin (Ja’akov Abraham b. Itzik Pollak Tiktin), die omstreeks 1760 te Kopenhagen was geboren en in 1811 tot rabbijn werd verkozen. Na de grote brand die Kopenhagen trof, verhuisde hij naar Steinfurt. In deze plaats moet hij zich de bekwaamheid tot rabbijn hebben verworven. Hij vervulde dit ambt tot zijn dood in 1821.

Salomo Benjamins Rosenbach (Sjelomo Zalman Rosenbach), die van 1821 tot 1823 al de functie van Dajan (hulprabbijn) vervulde, was vanaf 1824 tot 1848 de volgende rabbijn. Tussen 1848 en 1851 was de Leeuwarder rabbijn Baruch Bendit Dusnus tevens interimrabbijn van Groningen.

Jakob Rosenberg, voorheen rabbijn te Fulda, werd op 7 september 1852 tot zijn opvolger verkozen. Hij werd eind 1860 door het bestuur (parnassim) van de Joodse Gemeente ontslagen en bleef tot december 1861 in dienst. Voor een In Memoriam zie Der Israelit heft 17 (dl. 9) d.d. 22.4.1868 p. 297. Vanaf 1862 werden de rabbinale functies waar genomen door de Meppelder rabbijn Jirmejahu Hillesum.

Pas op 2 mei 1888 koos Groningen weer een eigen rabbijn in de persoon van Abraham van Loen. Hij bleef in functie tot november 1903. Daarna vertrok hij naar Den Haag. Zijn opvolger Eliëzer Hamburg (Eli’ezer b. Mosje Hamburg) werd op 24 mei 1905 geïnstalleerd. Hij overleed op 3 april 1918. Vanaf 1 juni 1919 werd hij opgevolgd door Abraham Asscher (Abraham b. Eli’ezer Asscher), die tot aan zijn overlijden op 10 mei 1926 deze post waarnam. Vanaf zijn installatie op 18 september 1927 vervulde Bernard Davids de functie van rabbijn.

Davids werd op 2 december 1929 tot opperrabbijn van Rotterdam geïnstalleerd. Hij werd opgevolgd door de op 20 maart 1932 geïnstalleerde Simon Dasberg, die tot in de oorlogsjaren rabbijn van de Joodse Gemeente was. Na de oorlog begon op 20 mei 1949 Aäron Prins met zijn werkzaamheden als rabbijn. Hij was tot 1952 als zodanig werkzaam. Na die tijd zou de Joodse Gemeente Groningen geen eigen rabbijn meer kennen.