Zoek op de website

1 De stadskist en het raadhuis

Dit voorjaar was het 35 jaar geleden dat ik begon met de inventarisatie van het Groninger stadsarchief uit de periode vóór 1594. Inmiddels is dit project voltooid. Het resultaat ervan is onder nummer 2100 (T2100) opgenomen in het toegangenapparaat van de Groninger Archieven. Enige ruchtbaarheid is daaraan niet gegeven. Het leek de organisatoren van deze lezingenserie echter wel aardig om, na de presentatie van de nieuwe uitgave van de kroniek van Sicke Benninge, ook enige aandacht aan het oude stadsarchief te schenken.

Ik begin mijn verhaal met de legendarische stadskist.

‘Der stadt kiste’ wordt voor het eerst genoemd in een oorkonde uit het jaar 1416 (GrA T2100-902).

Uitsnede uit de oorkonde van 1416. Uitsnede uit de oorkonde van 1416.

Vermelding van de stadskist door Sicke Benninge (editie Brouërius van Nidek, 1725) Vermelding van de stadskist door Sicke Benninge (editie Brouërius van Nidek, 1725)

Ook de kroniekschrijver Sicke Benninge maakt melding van de stadskist. Hij vertelt dat – onder meer – de ‘Groninger Vrede’ van 1422 (GrA T2100-134) daarin is opgeborgen.

De ‘Groninger Vrede’ van 1422 (GrA T2100-134) De ‘Groninger Vrede’ van 1422 (GrA T2100-134)

Het Stadboek van 1425 (GrA T2100-26.1)

Het Stadboek van 1425 (GrA T2100-26.1) Het Stadboek van 1425 (GrA T2100-26.1)

De tekst van deze codificatie van de in Groningen geldende wetten dateert van 1425, het boek zelf is omstreeks 1520 geschreven en de band met het zilverbeslag is in 1610 gemaakt door de bekende zilversmid Jan Lutma.

Stadboek 1425 Boek I art. 10 Stadboek 1425 Boek I art. 10

Dit artikel bepaalt dat de aftredende burgemeesters daags na Petri ad Cathedram (22 februari) bij zonsopgang de stadskist met de sleutels aan de nieuwe burgemeesters moeten overdragen.

Hetzelfde artikel uit het stadboek, naar de editie van J. de Rhoer (1828) Hetzelfde artikel uit het stadboek, naar de editie van J. de Rhoer (1828)

Het 13e eeuwse stadszegel van Groningen Het 13e eeuwse stadszegel van Groningen

Volgens de tekst van het Stadboek was ook het stadszegel in de stadskist opgeborgen. Het gaat om dit bronzen zegelstempel, dat nu in het Groninger Museum wordt bewaard.
De stadskist bevatte de documenten die voor de stad van het grootste belang waren. Dat waren in de eerste plaats privileges: akten waarin aan de stad zekere voorrechten werden verleend.

Privilege van de Engelse koning Hendrik III voor de Groninger schippers (1258) Privilege van de Engelse koning Hendrik III voor de Groninger schippers (1258)

Het oudste stuk in die categorie dateert uit 1258 (GrA T2100-51); het gaat om voorrechten die door de Engelse koning Hendrik III aan de Groninger scheepvaarders werden verleend.

Tot het jaar 1559 stond de stadskist bij een van de burgemeesters in huis. Er lijkt geen verband te zijn met de gewoonte volgens welke de vier burgemeesters gedurende een kalenderjaar elk een kwartaal het voorzitterschap van de Raad bekleedden. Op grond daarvan zou men verwachten dat de kist om de drie maanden werd verplaatst. Vermoedelijk hield de burgemeester die met het beheer van de stadskist was belast de kist gedurende zijn hele ambtstermijn (2 jaar) in huis.

Volgens de betreffende bepaling in het Stadboek werd de stadskist op 23 februari overgedragen. In december 1559 kreeg de kist een permanente plaats in de Raadkamer in het Raadhuis.

Het stoppen van de traditionele verplaatsing van de Stadskist hangt mogelijk samen met de toenemende politieke spanningen na het midden van de 16e eeuw. Het stadsbestuur en de Ommelander heren kwamen – na een min of meer harmonieuze periode – steeds scherper tegenover elkaar te staan. In 1559 gingen de Ommelanders over tot het aanstellen van een rechtsgeleerde adviseur die hun zaak bij de hogere instanties moest verdedigen. Deze eerste Ommelander syndicus, de Friese Jurist dr. Aggaeus Albada, trad in september 1559 in dienst. Kort daarna dienden de Ommelanders bij koning Filips II een nota in waarin ze stelling namen tegen wat zij zagen als de ‘ongefundeerde pretenties’ van de stad. De stadsbestuurders hadden dus behoefte aan munitie om hun tegenstrevers van repliek te dienen. Ook de stad huurde een Friese jurist, dr Hessel Aysma, in om haar zaak te verdedigen (5 april 1560). Om zijn werk te kunnen doen moest deze toegang hebben tot de stadsarchieven. Om die reden zou het onhandig zijn wanneer de belangrijkste stukken bij een burgemeester thuis lagen. Op Hessel Aysma kom ik later terug.

Hoe de kist eruit zag weten we niet. Waarschijnlijk waren er vier sleutels, voor elke burgemeester één. Zo kon de kist alleen geopend worden wanneer de burgemeesters alle vier present waren, of met opening instemden.

Dit is NIET de stadskist! Dit is NIET de stadskist!

Hier zien we ‘de kist van 1893’, die men bij rondleidingen door het archiefgebouw op de gang van de eerste verdieping kan zien staan. Maar deze kist is oorspronkelijk geen archiefkist, maar een bergmeubel voor kleding.

De kist is in 1893 door J.A. Feith op de zolder van het stadhuis gevonden, toen hij daar op zoek was naar voorwerpen van de opgeheven schutterij.

Feith meldde in het Nederlandsch Archievenblad van 1893/1894 (73 ev) de vondst van een grote kist vol archiefstukken. Het bleken vooral documenten te zijn uit het archief van de familie Van Ewsum. Maar er waren ook stukken bij die bij het stadsarchief hoorden. Prof. H. Brugmans maakte in vijf weken tijd een inventaris met 1300 nummers.

Het bestaan van de stadskist doet de vraag opkomen hoe de administratie van de stad in elkaar heeft gezeten.

Over de manier waarop de aministratie was ingericht weten we weinig. Er is geen directe beschrijving van procedures. We moeten daarom afgaan op vage indicaties. Ik laat me daarbij leiden door de layout van het centrum van de stadsadministratie, het Raadhuis.

Het Groningse raadhuis naar J. Stellingwerf Het Groningse raadhuis naar J. Stellingwerf

Dit plaatje ziet er wel aardig uit, maar is niet echt betrouwbaar. De hierna volgende tekening van Theodorus Beckeringh is veel beter.

Het Groninger raadhuis op een tekening van Theodorus Beckeringh Het Groninger raadhuis op een tekening van Theodorus Beckeringh

Zoals gezegd weten we over de alleroudste tijden zo goed als niets. Er zijn een paar namen bekend van heren – hoogstwaarschijnlijk allen geestelijken – die notarius, stadsschrijver of stadsklerk worden genoemd. Het waren geen simpele schrijvers, maar lieden die verdragen en overeenkomsten in het Latijn konden vertalen.

Het oudste deel van het raadhuis

Het Groningse raadhuis naat T. Beckeringh Het Groningse raadhuis naat T. Beckeringh

Op dit plaatje is het oudste deel van het raadhuis met een rood kleurtje aangegeven.

Op de bovenverdieping bevond zich een grote zaal. Of er aparte vertrekken waren is niet bekend, maar wel waarschijnlijk.

Op de begane grond werd – als het in Groningen net zo ging als in andere steden – handel gedreven. Later bevonden zich hier een woning en dienstruimten. Rechtsonder zat later de Pondkamer, waar de accijnzen werden geïnd.

Naast de allerbelangrijkste stukken die in de stadskist terecht kwamen, moet er ook een meer alledaagse administratie geweest zijn: de beslissingen van het college van Burgemeesters en Raad moesten worden vastgelegd. In de oudste tijd gebeurde dat samen met de schulte en zijn administratie. Het betrof toen in hoofdzaak juridische zaken. Daarbij moeten we niet alleen denken aan moord en doodslag, maar vooral aan kwesties over schulden, betwiste eigendommen, renten, voogdijkwesties enz.

De beslissingen werden in een protocol genoteerd. De schrijver of zijn helper gaf de belanghebbenden afschriften en kreeg daarvoor betaald.

Waar die administratie werd bewaard is niet duidelijk. Het ligt voor de hand dat dit ergens op het raadhuis is geweest, maar of dat werkelijk zo is weten weten we niet. De protocollen waren voor de schrijvers een bron van inkomsten. Zij moesten leven van de afschriften die ze ten behoeve van partijen maakten. Daardoor konden de protocollen ook als particulier bezit worden beschouwd en zou het niet vreemd zijn de schrijvers ze thuis bewaarden.

Verder schreven de schrijvers allerlei kleine kattebelletjes: dagvaardingen, bevelschriften (‘mandaten’) en notificaties (‘wetebrieven’).

Justitie en beleid werden in die tijd nog niet van elkaar onderscheiden.

De uitbreiding van 1443

Het Groningse raadhuis naat T. Beckeringh Het Groningse raadhuis naat T. Beckeringh

In 1443 werd het raadhuis vergroot door de realisatie van een aanbouw aan de noordzijde.

Op de bovenverdieping kwam een nieuwe Raadkamer, daaronder de Schrijfkamer. Die was van buitenaf direct toegankelijk. Dat was gemakkelijk voor de burgerij die iets van de secretarie moesten.

Zou de uitbreiding van het raadhuis iets te maken kunnen hebben met de uitbreiding van het werk als gevolg van de samenwerking met de Ommelanden? De met de Ommelanden gesloten verdragen voorzagen in gemeenschappelijke rechtspraak van stedelijke en plattelandsrechters op het Groninger raadhuis (de ‘warven’ en de ‘hoofdmannenkamer’).

De warven vergaderden in de Raadkamer; hun oordelen en constituties (justitie en politie) werden door de stadsschrijver vastgelegd. Die zorgde ook voor mandaten en beredingen. In 1474 traden de Hoofdmannen zelfstandig op, in 1458 was sprake van een ‘Stad en Lande secreet[zegel]’. Ook hun administratie zal in eerste instantie door stadsfunctionarisseen zijn verzorgd. De samenwerking had gevolgen voor de administratie. Er trad vermenging op van functies en archieven.

Op de begane grond bevonden zich de secretarie (met de klerken) en de ‘cijskamer’, waar de accijnzen werden geïnd.

Aan het eind van de 15e eeuw waren de secretarissen meer diplomaten dan administratieve ambtenaren. Bekende namen zijn die van Rudolf Agricola, Hinricus Stoter, Herman Elderwolt en pastoor Wilhelmus Frederici.

Raad- en wijnhuis volgens de reconstructie door C.H. Peters, met (in geel) de locatie van de Hoofdmannenkamer Raad- en wijnhuis volgens de reconstructie door C.H. Peters, met (in geel) de locatie van de Hoofdmannenkamer

Hier een reconstructie van de noordwand van het oude stadhuis. Het afgebeelde gebouw is in verschillende fasen tot stand gekomen. Links het wijnhuis, dat aanzienlijk groter was dan het Raadhuis.

In het begin van de 16e eeuw werd het complex op de Brede Markt verder uitgebreid. Tussen het wijnhuis en het Raadhuis kwam een ‘nieuwe zaal’. Hier kregen ook de Hoofdmannen – de provinciale rechtbank – een eigen vertrek. Op de bovenverdieping werd de schrijfkamer van Stad en Lande ingericht. Er kwam dus een fysieke scheiding tussen de stedelijke administratie en die van Stad en Lande.

Hindrik Elderwold, vicaris ter A, werkte tot aan zijn dood in 1529 zowel voor de stad en voor ‘Stad en Lande’.

Ook in het begin van de 16e eeuw waren de secretarissen echte stadsadvocaten en diplomaten. Groningen hoorde sinds 1536 bij de Habsburgse Nederlanden. Het stadsbestuur oriënteerde zich sindsdien meer dan tevoren op Holland, waar men al veel langer gewend was aan de gebruiken van het Bourgondische, later Habsburgse hof. De aanstelling van de Hagenaar Johan van den Grave tot stadssecretaris illustreert deze verandering in oriëntatie.

Mensen als hij en zijn opvolger dr. Herman Abbring zullen hun administratie vooral thuis hebben gehad. Het is moeilijk voorstelbaar dat ze steeds voor het raadplegen van de ‘stadssecreten’ naar het huis van de burgemeester moesten die de stadskist beheerde. Ze zullen wel veel met kopieën gewerkt hebben.

Hiëronymus Frederici, zoon van pastoor Wilhelmus Frederici, was stadsrentmeester, maar ook secretaris van de gedeputeerden van Stad en Lande. Dat was in de tijd toen er nog goed werd samengewerkt door het Groninger stadsbestuur en de Ommelander Staten (c. 1545).