Zoek op de website

4 Gebruik van het archief

Wanneer we over het gebruik van archieven spreken, moeten we onderscheid maken tussen ambtelijk en wetenschappelijk gebruik.

Ambtelijk gebruik van archiefmateriaal

Het spreekt voor zich dat de administratie zelf gebruik maakte van het archief. Grootgebruikers waren ook de syndici (stadsadvocaten), zoals Hessel Aysma, George van Westendorp en Wilhelmus Hammonius.

Hessel Aysma is in 1560 aangesteld als antwoord op de benoeming van Agge van Albada tot syndicus (T2100-958.2; charter met handtekening). Hij fungeerde als juridisch adviseur van het stadsbestuur en als diplomaat. HIj stelde pleitnota’s op en vormde dossiers (bijvoorbeeld inzake de ruzies met Appingedam, het stapelrecht, het onderhoud van de ‘Oosterse Dijken’ etc.)

Om dit werk te kunnen doen moest hij de archieven bestuderen. Hij werkte waarschijnlijk veel met kopieën. In 1566 werd Aysma herbenoemd, maar moest in 1567 – onder druk van Alva – weg omdat hij in het jaar van de Beeldenstorm (1566) sympathie voor de beeldenstormers had getoond.

Voor hun werk stelden de syndici dossiers samen. Dat gebeurde meestal door het nemen van kopieën van originele documenten, maar soms gebruikte men ook de originelen zelf. Binnen de dossiers werden de stukken gemerkt met een letter, nummer of een ‘merkwoord’.

Omdat er herhaaldelijk over dezelfde of bijna dezelfde kwesties werd geprocedeerd, nu eens voor deze, dan weer voor gene rechterlijke instanties, werden de documenten vaak hergebruikt. Het gevolg daarvan is dat we vele stukken zien met verschillende letters, merkwoorden en liasgaatjes. De documenten wandelden als het ware door het archief.

Bovendien werden de stukken in de processen benut voor een ander doel dan ze oorspronkelijk waren opgemaakt. Een eenvoudig warfsoordeel uit 1506, waarin het natuurlijk om de onderwerpelijke zaak ging, kon in de jaren 60 van de 16e eeuw gebruikt worden om er rol van het stadsbestuur binnen de jurisdictie mee aan te tonen.

Inventaris van bijlagen bij een memorie van Hessel Aysma (1561) Inventaris van bijlagen bij een memorie van Hessel Aysma (1561)

T2100-1236.1: Stukken, door de gedeputeerden van de stad Groningen op 18 april 1561 overgelegd aan Margaretha van Parma ter staving van het Groningse standpunt inzake het stapelrecht. 1416-1561. Afschriften. 18 april 1561.

Met concept inventaris van syndicus Hessel Aysma.

Kenwoorden: Pater, noster, qui, es, in, coelis, sanctificetur, nomen, tuum

Aysma werd na zijn gedwongen vertrek opgevolgd door Georgien van Westendorp uit Vollenhove (1569-1575). Na hem bekleedden Johan de Gouda en Wilhelmus Hammonius het ambt van syndicus. De kwesties die zij te behandelen kregen waren steeds dezelfde: de verhouding tussen Stad en Ommelanden, de samenstelling van de Hoofdmannenkamer, het stapelrecht.

Dr. Bernard Alting (1632-1644) is, voor wat het gebruik van de archieven betreft, een grensgeval geweest. Als syndicus handelde hij hetzelfde als zijn voorgangers (denk aan het grote proces tegen de Ommelanden en de daarbij overgelegde ‘Stukken in Conventie en Reconventie’, uitspraak op 24 juli 1640). Het ging om de staatsrechtelijke positie van de stad binnen het gewest Stad en Lande, de préséance (de voorrang van de stad bij het voeren van het woord en het stemmen), de autonomie van Burgemeesters en Raad, de stedelijke zeggenschap in de stadsjurisdicties, het stapelrecht etc.

Na Altings ontslag uit stadsdienst gebruikte hij zijn kennis van de stedelijke archieven als geschiedschrijver en politiek theoreticus.

Een beschadigd deel van de ‘stadsdocumenten in conventie (1633) Een beschadigd deel van de ‘stadsdocumenten in conventie (1633)

In de zomer en het najaar van 1633 werden – onder regie van syndicus Bernard Alting – vele honderden stukken gekopieerd in zoveelvoud. Maar ook originelen werden ingevoegd.

Afgebeeld is het deel T1605-447.1.

Bernard Altings analyse van de Groningse positie (1648) Bernard Altings analyse van de Groningse positie (1648)

Bernard Alting nam een – naar de opvatting van de diehards op het raadhuis – veel te zachtzinnig standpunt in ten opzichte van de Ommelander heren. Alting werd ontslagen, maar verloor niet zijn liefde voor zijn vaderstad.

Daarna zette hij zich aan het schrijven: De Pilaren en Peerlen van Groningen (1648) en ‘Oudt en Nieu Groningen’. Dit laatste – een vergelijking tussen het middeleeuwse Groningen en dat van het begin van de 17e eeuw – is in het manuscript-stadium blijven steken. Het eindigt in de zomer van 1648, toen stadhouder Willem II in Groningen was om het conflict met het Oldambt te beslechten (GrA T835-293.1). Bij het schrijven van deze teksten kon Bernard Alting gebruik maken van de unieke kennis die hij als syndicus had opgedaan over de geschiedenis van Stad en Lande.

Historisch-wetenschappelijk gebruik van archiefmateriaal

Sicke Benninge heeft in zijn kroniek de teksten opgenomen van akten die in de stadskist berustten; aan het einde van de zestiende eeuw maakte Ubbo Emmius onbeperkt gebruik van het Groninger chartofylacium (dit geleerde woord wijst op geheimhouding).

De twee banden van de nieuwe editie van de kroniek van Sicke Benninge De twee banden van de nieuwe editie van de kroniek van Sicke Benninge

Hoe het in het geval van Sicke Benninge is gegaan weten we niet. Heeft hij originelen bekeken of had hij de beschikking over kopieën? Zoals gezegd vermeldt deze kroniekschrijver ook veel stukken die er nu niet meer zijn en die ook Ubbo Emmius niet heeft gezien.

Wat meer weten we over Ubbo Emmius.

Ubbo Emmius en zijn Rerum Frisicarum Historia Ubbo Emmius en zijn Rerum Frisicarum Historia

Emmius kreeg uitdrukkelijk toestemming om onderzoek te doen in het archief. Hij mocht onder toezicht van een burgemeester en enkele raadsheren de stukken lezen en afschriften maken.

Zie Heinrich Reimers, Die Quellen der Rerum Frisicarum Historia des Ubbo Emmius (57): ‘Quae ut recitata a me sunt, ita in vetustis tabulis comprehensa servantur in reip. Groninganae chartophylacio, unde haec, ut plurima alia, cum fide transscripta.’

NB Ik heb de oorspronkelijke plaats in Emmius’ Historia (nog) niet gevonden.

Dorsale notities van Ubbo Emmius
Dorsale notities van Ubbo Emmius
Dorsale notities van Ubbo Emmius
Dorsale notities van Ubbo Emmius

De sporen die Ubbo Emmius – in de vorm van dorsale aantekeningen – in het stadsarchief heeft achtergelaten wijzen op de aard van het gebruik dat hij van de stukken maakte. Hij geeft niet – zoals de inventarisatoren – de inhoud van het betreffende document aan, maar datgene wat hij er bijzonder aan vond.

Eigenhandige opdracht van Ubbo Emmius (1605) Eigenhandige opdracht van Ubbo Emmius (1605)

Ubbo Emmius had een uitstekende relatie met het stadsbestuur. Dat blijkt onder meer uit deze opdracht in zijn boekje ‘De agro Frisiae’ uit 1605 (GrA T1765-3).

Albert Jan de Sitter en de Tegenwoordige Staat Albert Jan de Sitter en de Tegenwoordige Staat

Na Emmius is het lang stil gebleven in het archief. Niemand kreeg toestemming om archiefstukken voor wetenschappelijke doeleinden te gebruiken. Misschien was er ook wel niemand die er belangstelling voor had.

Albert Jan de Sitter stelde aan het eind van de 18e eeuw een handzaam overzicht samen over de geschiedenis van Stad en Lande. Hij volgde daarbij getrouw Emmius’ grote geschiedwerk, maar voegde – zoals we al eerder zagen – ook verwijzingen in naar originele archiefstukken. Een echt ‘moderne’ manier van doen!

Het optreden van De Sitter hing samen met de grote maatschappelijke en politieke veranderingen van die tijd. Het ancien régime liep op zijn einde. Dat wil zeggen: er was een tijd aangebroken waarin men kon terugkijken op een periode die definitief voorbij leek.

Albert Jan de Sitter was een man van de nieuwe tijd en dus een overtuigd patriot; na 1795 ontpopte hij zich als federalist, hetgeen hem op gevangenschap kwam te staan toen Nederland een eenheidsstaat werd. Toch kreeg hij later weer hoge functies.