Zoek op de website

6 Van Provinciaal Archief naar Rijksarchief

West- en noordzijde van het Raad- en Wijhuis West- en noordzijde van het Raad- en Wijhuis

GrA T1536-3138: ‘Het oude Raadt en Wijnhuis te Groningen, gebouwd in den jaare 1443, en afgebrooken in 1774’ getekend door Hs. Numan uit Amsterdam.

Anders dan de beschrijving vermeldt, werd pas op 1 mei 1775 besloten het middeleeuwse raad- en wijnhuis op afbraak te verkopen.

Raad en secretarie vonden tijdelijk onderdak in een oud huis op de hoek van de Oude Boteringestraat en de Rode Weeshuisstraat. Later (1893) verrees daar het gebouw van de Groningse vestiging van de Nederlandsche Bank.

Het nieuwe gebouw van de Nederlandsche Bank op de hoek van de Oude Boteringestraat en de Rode Weeshuisstraat (c. 1895)  De foto is van J.G. Kramer. Het nieuwe gebouw van de Nederlandsche Bank op de hoek van de Oude Boteringestraat en de Rode Weeshuisstraat (c. 1895) De foto is van J.G. Kramer.

Het gebouw is opgetrokken in een rijk versierde, eclectische bouwstijl met kenmerken van de neo-barok naar een ontwerp van de Amsterdamse architect A. Salm.

De westgevel van het nieuwe stadhuis met binnenplaats De westgevel van het nieuwe stadhuis met binnenplaats

Het nieuwe raadhuis draagt het jaartal 1810, maar was toen nog niet echt klaar. We zien hier een aanzicht van de westzijde. Het gebouw was toen nog geen gesloten carré. De noordelijke en de zuidelijke vleugel waren aan de westzijde nog niet met elkaar verbonden. Een halve eeuw later was de ruimtenood zo groot geworden, dat het carré aan de westzijde werd gesloten en slechts een kleine binnenplaats openbleef (1868-1869). Tegenwoordig bevinden zich daar de kamers van de burgemeester en de secretaris.

De noordgevel van het nieuwe stadhuis met binnenplaats De noordgevel van het nieuwe stadhuis met binnenplaats

Op advies van de ‘substituut archivarius des rijks’ werd in 1824 een provinciaal archief in het leven geroepen. Het vond onderdak in het nieuwe stadhuis.

R.K. Driessen, voormalig secretaris van de Ommelanden en – gezien zijn Monumenta – een goed kenner van de gewestelijke geschiedenis, werd ‘archivarius der provincie Groningen’. Zijn werkplek bevond zich op de bovenverdieping van het nieuwe stadhuis, boven de raadzaal.

De drie middelste ramen op de bovenverdieping horen bij de [stedelijke] archievenkamer. Het raam rechts daarvan was van de kamer van het provinciaal archief. De hoekkamer op de noordoosthoek van het gebouw werd ook voor het provinciaal archief gebruikt.

Volgens zijn instructie mocht de provinciale archivaris de oude orde niet verstoren.

Mr. H.O. Feith I (1778-1849) Mr. H.O. Feith I (1778-1849)

Driessen overleed in 1831 en werd het jaar daarop opgevolgd door H.O. Feith, de in 1778 geboren zoon van de Zwolse dichter Rhijnvis Feith. Van 1832 tot 1838 combineerde hij zijn functie van archivaris met die van advocaat te Groningen. Daarna werd hij raadsheer in het provinciaal gerechtshof. In het archief kreeg hij assistentie van zijn zoon H.O. Feith jr.

H.O. Feith sr. bleef archivaris tot zijn dood in 1849.

Ook zijn instructie eiste respect voor de oude orde. Maar Feith gaf daaraan een eigen draai. Hij wilde alle originelen chronologisch ordenen, dat was volgens hem het beste voor de wetenschap. En dat was – nu de administratieve waarde had afgedaan – het enige dat nog telde.

Feith herordende alles en kon dat volgens hemzelf ook doen, doordat hij op alle stukken – met uitzondering van die van de stad – aantekende waar ze vandaan kwamen.

H.O. Feith I noteerde de herkomst van de archiefstukken onder zijn beheer H.O. Feith I noteerde de herkomst van de archiefstukken onder zijn beheer

Om toch enigszins tegemoet te komen aan de eis tot eerbiediging van de oude orde, merkte Feith de stukken met zijn naam en functie, het archief waartoe het stuk behoorde en het jaartal van de registratie.

Hier zien we bij wijze van voorbeeld het Ommelander exemplaar (GrA T2-808) van de inventaris van de ‘stukken in conventie’, die in 1633 door de stad in Den Haag zijn overgelegd.

In veel gevallen beperkte hij zich tot het noteren van een P, S of O voor Provincie, Stad of Ommelanden.

Daarnaast ontfermde H.O. Feith sr. zich over de archieven van niet-overheidsinstellingen, zoals het Heilige Geest Gasthuis (T1473).

Door H.O. Feith sr. gemerkte charters uit het Ommelander Archief Door H.O. Feith sr. gemerkte charters uit het Ommelander Archief

In 1846 was Feith klaar met de chronologische lijst van 1237-1845. Hij had nog wel een probleem met de handschriften, waarin soms zeer veel documenten waren afgeschreven. In tegenstelling tot de afgeschreven documenten was het weinig zinvol de handschriften zelf chronologisch te ordenen (als dat al mogelijk was).

Feith verzamelde allerlei losse stukken en liet ze inbinden. Zo ontstond de zogenaamde ‘Verzameling van Stukken’. In afwijking van zijn stelling dat de chronologie de beste toegang biedt, stelde hij verzamelingen samen op basis van thema’s: relatie met de bisschop, de munt, Scholbalg etc. Later zijn deze ‘dossiers’ opgenomen in de serie Handschriften in folio.

De stadsrekening van 1535-1536 werd in 1832 aangekocht voor ƒ10,50. De stadsrekening van 1535-1536 werd in 1832 aangekocht voor ƒ10,50.

Deze rekening was uit het archief afgedwaald en in de collectie van R.K. Driessen terecht gekomen. De collectie werd in 1832 geveild en H.O. Feith sr. slaagde erin dit belangrijke stuk voor het provinciaal archief aan te kopen voor de prijs van ƒ10,50.

H.O. Feith II (1813-1895) H.O. Feith II (1813-1895)

H.O. Feith jr. (geb. in 1813) volgde in 1849 zijn vader op. Al sinds 1839 hielp hij hem in het archief.

Deze H.O. II is de man die het door zijn vader gestarte en door hem zelf voortgezette chronologisch register publiceerde.

Hij haalde allerlei archiefmateriaal uit de stedelijke administratie en bracht dat over naar het Rijksarchief. Enkele stadsrekeningen nam hij op als delen in de Verzameling van Stukken.

De eerste bladzijde van het Register Feith De eerste bladzijde van het Register Feith

Het eerste deel van het Register Feith verscheen in 1853. Uiteindelijk zou de gedrukte inventaris tot 9 delen uitdijen.

De delen 1-4 (1853-1856) bevatten alleen beschrijvingen in chronologische volgorde. In deel 5 (1857) is dat anders. Na het jongste stuk: ‘1847.1 Bestek en voorwaarden van het nieuw akademiegebouw. 2 maart’ volgt een ‘Lijst der stukken, in het archief gelegd, sedert het drukken van het register’.

Daarmee komt meteen een nadeel van de chronologische methode aan het licht: uitgaande van een jaartal moet je op zijn minst op twee plaatsen kijken. Later, toen er aanvullingen kwamen, moest je er rekening mee houden dat je ook die doorzocht.

Na de vier chronologische delen volgen in deel 5 lijsten van ‘Stukken onder jaar- en dagteekening’, ‘Handschriften in folio’, ‘Handschriften in quarto’ en ‘Handschriften in octavo’.

De serie werd in 1858 afgerond met een 6e deel het ‘Alphabetisch gedeelte’.

Hiermee had de provincie Groningen de eerste gedrukte archiefinventaris in Nederland.

Het ‘rijks-werkexemplaar’ van het Register Feith Het ‘rijks-werkexemplaar’ van het Register Feith

Na de publicatie van deze 6 delen ging het verzamelen en bewerken van archiefmateriaal natuurlijk gewoon door. In 1861 en 1863 werden de grote collecties van J.W. Keiser en A.J. de Sitter voor het provinciaal archief aangekocht. De stukken Keiser waren vooral afkomstig van de Hoge Justitiekamer (de provinciale rechtbank).

In 1865 en 1866 publiceerde H.O. Feith II een ‘Eerste vervolg’ met een bijbehorend alfabetisch deel en in 1877 kwam er zelfs een ‘Tweede vervolg’ (chronologisch geordende beschrijvingen, zjed en handschriften met alfabetische toegang in 1 band).

Op het plaatje zien we de serie doorschoten exemplaren van het Rijksarchief. De rode band rechts is het ‘Geschreven Vervolg’ dat niet meer is gepubliceerd.

In T2176 is deze serie beschreven als ‘tweede serie’ (GrA T2176-20 t/m 30) en abusievelijk aangeduid als het ‘gemeentelijk exemplaar’. In werkelijkheid gaat het om de serie waarin op het Rijksarchief de mutaties werden bijgehouden.

Het Register Feith had voor het onderzoek ontegenzeggelijk grote voordelen. De chronologie maakte het zoeken in vele gevallen gemakkelijk. Het nadeel was echter dat het verband tussen de stukken verbroken was, zodat je verwante stukken niet kon vinden. Daarnaast brachten de vele aanvullingen met zich mee dat men op verschillende plaatsen in het Register moest kijken.

Een bladzijde uit de rubriek Handschriften in folio Een bladzijde uit de rubriek Handschriften in folio

Dat was ook nodig vanwege de manier waarop de Handschriften waren beschreven. Een enkel handschrift bevatte vaak afschriften van tientallen losse stukken. Beschrijvingen daarvan werden alle opgenomen in de volgorde waarin ze in het betreffende handschrift waren afgeschreven.

Het Register Feith bevatte daardoor heel veel en heel gedetailleerde informatie, maar het was onmogelijk deze goudmijn met behulp van een logische zoekstrategie te bevragen.

RF Hs in folio 21 bevatte maar liefst 109 afzonderlijk beschreven onderdelen!

Dat ook H.O. Feith jr bij tijden geen raad wist met de enorme omvang van het archiefmateriaal blijkt uit de beschrijving van Hs in folio 216:

‘Eene groote verzameling van stukken betreffende de geschillen tusschen stad en lande, tusschen de stad en de Oldambten en tusschen de stad en Appingedam van 1541-1763, te zamen 103 deelen.
Aanmerking. Onder deze zijn begrepen 6 deelen in triplo, documenten in conventie en 3 in triplo, documenten in reconventie. De inhoud van ieder stuk, in deze documenten voorkomende, is in het chron. register aangeteekend.‘

Het naar Engeland verkochte doxaal van de Sint Jan in Den Bosch Het naar Engeland verkochte doxaal van de Sint Jan in Den Bosch

Ondertussen waren er in het archiefwezen grote veranderingen op til. In de tweede helft van de 19e eeuw gingen er stemmen op die betoogden dat cultureel erfgoed bij lokale en gewestelijke autoriteiten niet in goede handen was.

Een belangrijk moment was de verkoop van het doxaal van de Sint Jan in Den Bosch.

Een doxaal een hoge scheidingswand in een kerk tussen het koor en het schip, genoemd naar de Lofprijzing (doxologie) die daar werd voorgelezen. Het Renaissance-oxaal van de Sint-Jan werd in 1611 door Coenraad van Norenborgh vervaardigd.

Rond 1870 werd het Bossche doxaal aan het Victoria & Albert Museum in Londen verkocht. Deze transactie was voor jhr. Victor de Stuers aanleiding tot het schrijven van een vlammend protest-pamflet, ‘Holland op zijn smalst’. Daarin laakte hij de afwezigheid van een fatsoenlijk monumenten- en restauratiebeleid.

Jhr. mr. Victor de Stuers (1843-1916) geldt als de grondlegger van de monumentenzorg in Nederland Jhr. mr. Victor de Stuers (1843-1916) geldt als de grondlegger van de monumentenzorg in Nederland

Jhr. mr. Victor de Stuers stelde het geval aan de kaak in een bekend geworden artikel ‘Holland op zijn smalst’, dat in De Gids van november 1873 verscheen.

Een gevolg van deze stellingname was dat De Stuers referendaris werd bij de afdeling Kunsten en Wetenschappen op het ministerie van Binnenlandse Zaken. Zijn idee was dat het beheer van cultuurgoederen een zaak van de Rijksoverheid moest zijn.

In de jaren 70 werd in Den Haag geopperd dat het beter zou zijn dat het Rijk ook in Groningen alle archieven onder zijn hoede zou nemen. De archieven van stad en provincie zouden moeten worden opgenomen in een nieuw brandvrij archiefgebouw, dat door het Rijk zou worden bekostigd. Toen Gedeputeerde Staten in 1879 hierop uitdrukkelijk aandrongen werd het besluit tot de bouw van een Rijksarchief in Groningen genomen.

Op 1 augustus 1882 trad de inmiddels 69-jarige H.O. Feith II in dienst als Rijkarchivaris en in het jaar daarop werd het nieuwe gebouw in gebruik genomen.

Ook in formele zin werd orde op zaken gesteld. De van de stad Groningen afkomstige archieven werden nu formeel aan het Rijk in bewaring gegeven.

Overigens was het grootste deel van de gemeentelijke archieven – en niet alleen de jongere administratie – niet opgenomen in het Provinciaal Archief en bleef gewoon op het stadhuis.

Het nieuwe Rijks-archiefgebouw diende ook als bewaarplaats van de provinciale archieven van na 1813.

Het gebouw van het Rijksarchief op de hoek van de Grote Snor en de Singelstraat Het gebouw van het Rijksarchief op de hoek van de Grote Snor en de Singelstraat

In de jaren 1880-1881 verrees aan de Grote Snor, naast de Sint Maartensschool, het nieuwe ‘brandvrije’ Rijksarchiefgebouw.

Het voormalige Rijks-archiefgebouw in 2012

Gevelsteen boven de voormalige ingangsdeur van het Rijksarchief aan de Grote Snor
Gevelsteen boven de voormalige ingangsdeur van het Rijksarchief aan de Grote Snor

Toen ik in de jaren 1971-1977 bij het Rijksarchief werkte kon je vanuit het Rijksarchief aan de Sint Jansstraat gemakkelijk bij het provinciehuis naar binnen. De deur is nu dichtgezet, maar erboven zit nog altijd de gevelsteen die aangeeft dat dit gebouw zijn bestaan begonnen is als Rijksarchiefbewaarplaats.

In 1887 kreeg H.O. Feith jr – inmiddels 74 jaar oud – assistentie van zijn zoon Johan Adriaan, die in 1885 was gepromoveerd op een proefschrift over het Gericht van Selwerd.

Jhr. mr. J.A. Feith (1858-1913)  - portret door F.H. Bach Jhr. mr. J.A. Feith (1858-1913) - portret door F.H. Bach

In 1892 volgde J.A. Feith zijn vader op als rijksarchivaris in de provincie Groningen. Maar hij was heel anders gaan denken over het archiefbeheer. Het respect de fonds was het nieuwe axioma geworden. Dat wil zeggen dat men bij het ordenen en beschrijven van archiefmateriaal moet uitgaan van de organisatie van de archiefvormer en zeker geen bestanden uit elkaar moet halen of met elkaar vermengen. Het was dus het omgekeerde van wat zijn vader en grootvader hadden gedaan.

De Handleiding van 1898: een onwaarschijnlijke wereldhit De Handleiding van 1898: een onwaarschijnlijke wereldhit

De Nederlandse archivistiek heeft eind 19e eeuw naam gemaakt met de Handleiding, opgesteld door de archivarissen Muller (Utrecht), Feith (Groningen) en Fruin (Middelburg). Fruin was ook hoogleraar in Amsterdam en later – van 1912-1933 – Algemeen Rijksarchivaris.

De nieuwe inzichten noopten tot reconstructie van de oude bestanden die door de eerste twee Feithen uit elkaar waren gehaald en leidden tot het opmaken van ‘moderne’ inventarissen. De moderne methodiek vond toepassing bij de inventarisatie van de archieven van de Zijlvestenijen en Waterschappen in de provincie, de Rechterlijke archieven, het kloosterarchief Essen, het Huisarchief Farmsum en het Familiearchief Ewsum. Ook de Ommelander Archieven werden onder J.A. Feith aangepakt (eerst door P.G. Bos, later door P.A. Meilink).

Onder leiding van Feith werden ook de archieven van de Groningse Parochiekerken en het Heilige Geest Gasthuis geïnventariseerd.

Het algemene kenmerk van de moderne inventarissen was dat men onderscheid aanbracht tussen stukken van algemene aard (resolutieboeken, correspondentie) en stukken over bijzondere onderwerpen. Dit onderscheid vindt men op verschillende niveaus in de inventarissen terug.

Johan Adriaan Feith was wereldberoemd in Groningen.

Dat kwam niet door zijn archivariaat of door de Handleiding, maar door zijn alomtegenwoordigheid wanneer het om de stedelijke en regionale geschiedenis ging. Hij was de Jan Evert Scholten van de Groninger geschiedenis.

Het Feithhuis (Martinikerkhof 10) getekend door Louise Feith Het Feithhuis (Martinikerkhof 10) getekend door Louise Feith

J.A. Feith woonde schuin tegenover zijn werkplek, in het huis aan de zuidzijde van het Martinikerkhof, waar eens de weem van de Sint Maartenskerk was geweest. Op het plaatje zien we ‘Feithhuis’, getekend door J.A.’s dochter Louise Feith, 1910-1914 (GrA T1536-6812).

Het ‘Geschreven Vervolg’ van het Register Feith Het ‘Geschreven Vervolg’ van het Register Feith

Ondanks het nieuwe beleid ging J.A. Feith wel door met het bijhouden van het Geschreven Vervolg. Het werd door hem gebruikt als een soort aanwinstenregister.

De jurist A.S. de Blécourt (1907) bestudeerde het stadsmeierrecht, maar kreeg geen toegang tot de gemeentelijke archieven op het stadhuis. De Raad wees steevast alle verzoeken om raadpleging af en bleef daarin volharden. Dat maakte een benepen indruk, maar was deels terecht: de archieven verkeerden in een chaotische toestand.

De Blécourts stellingname tegen de houding van de Raad leidde tot de ‘Groningse archiefkwestie’.

Uiteindelijk zag de Raad zich genoodzaakt iets te doen en besloot een deskundige aan te trekken die het archief zou moeten inventariseren en ordenen. Zo trad H.P. Coster (geb. 1886) op 1 juli 1910 in dienst van de gemeente. Hij moest zijn werk doen onder toezicht van Feith.

Coster probeerde vast te stellen wat wel en wat niet tot het stadsarchief behoorde en reconstrueerde dossiers uit de stukken uit de Verzameling van Stukken die door de Feithen overal vandaan waren gehaald.

Coster had het ook druk met de omvangrijke archieven betreffende de stadsbezittingen.

H.P. Coster beschreef de stadsarchieven met een kroontjespen H.P. Coster beschreef de stadsarchieven met een kroontjespen

Coster werkte verbluffend snel. Begin 1914 was hij al bijna klaar met de inventarisatie van het archief tot 1594. Hij had niet alleen alle stukken beschreven, maar ook een indelingsschema gemaakt.

Coster wilde wel in Groningen blijven en dacht nog maar een paar jaar nodig te hebben voor het bewerken van het resterend archief tot 1813. Hij wilde dan wel een hoger salaris dan de ƒ1500 die hij per jaar kreeg.

B&W waren ondertussen in onderhandeling met het Rijk over de bouw van een nieuw Rijksarchief en wilden ook het hele gemeentearchief daar onderbrengen. Het stadsbestuur dacht op die manier gemakkelijk van zijn archief af te komen en rekende erop dat er dan geen personeel nodig zou zijn.

Het ‘Toevluchtsoord’ op de hoek van de St Jansstraat en Singelstraat Het ‘Toevluchtsoord’ op de hoek van de St Jansstraat en Singelstraat

Omdat de gemeente geen perspectief bood, nam Coster per 1 augustus 1914 ontslag om commies te worden bij het Rijksarchief in Noord-Brabant. Dat was tegen de zin van rijksarchivaris Joosting, die vond dat de gemeente Groningen een eigen archivaris moest aanstellen.

Het nieuwe Rijksarchiefgebouw aan de verbrede St Jansstraat Het nieuwe Rijksarchiefgebouw aan de verbrede St Jansstraat

Rijk en gemeente wilden al in 1911 een gezamenlijke oplossing voor de oude archieven. Het in 1881 in gebruik genomen archiefgebouw aan de Grote Snor was al vol.

Om een nieuw archiefgebouw neer te kunnen zetten moest het Toevluchtsoord worden afgebroken. Ook de Sint Jansstraat kon dan worden verbreed.

De gemeente kocht de panden aan de Sint Jansstraat, verbreedde de straat en droeg de resterende grond om niet over aan het Rijk. Daar moesten het provinciehuis en het rijksarchief komen, waarin ook plaats zou zijn voor de archieven van de gemeente.

Het provinciehuis was in 1917 klaar, het nieuwe Rijksarchiefgebouw werd pas in 1921-1922 voltooid.