Zoek op de website

De brug

De Abrug vanuit het zuiden (maart 2013). De Abrug vanuit het zuiden (maart 2013).

De aanleiding tot het doen van archeologisch onderzoek aan het westelijke einde van de Brugstraat was de noodzaak tot renovatie van de Abrug. Het komt in dat opzicht mooi uit dat ik dit verhaal kan beginnen met een archiefstuk waarin die Abrug een prominente rol speelt. Het gaat om een akte van 14 februari 1263, uit de periode dus waaruit ook de bij de Abrug gevonden stenen dateren. De akte betreft de verkoop door het stadsbestuur van twee stukken grond aan een tweetal burgers, Sibrand Umelop en Otto Buninc. De percelen maakten deel uit van het gemeenschappelijke grondbezit van de Groningers en gingen door deze verkoop in particuliere hand over. Eén van de verkochte percelen was, aldus de tekst, ‘gelegen op de oever van de rivier, bij de brug’, het andere aan de ‘andere kant van de rivier’.

Rivier en brug worden in de akte niet met een specifieke naam aangeduid, maar dat was destijds ook niet nodig. Er was in Groningen immers maar één rivier: de (Drentse) A. Ooit had dit riviertje een bocht gemaakt door het gebied onmiddellijk ten zuiden van de huidige Akerk, maar in de dertiende eeuw hadden de Groningers de bedding al een eindje in zuidwestelijke richting verlegd. Het liep toen ongeveer langs de huidige Reitemakersrijge om bij het Kleine der A de huidige loop te bereiken.

Er was destijds ook maar één brug en die lag op precies dezelfde plaats als zijn pas gerenoveerde opvolger: de Abrug. Toen aan het einde van de vijftiende eeuw in de noordwesthoek van de stad, aan het einde van de Visserstraat, een tweede brug over de A werd geslagen, werd deze simpelweg ‘Nieuwebrug’ genoemd.

De Abrug was voor de bewoners van het middeleeuwse Groningen om twee redenen van grote betekenis. In de eerste plaats gaf ze toegang tot de oever van de A, de enige waterweg die Groningen met de zee verbond. Hier, vlak buiten de poort, konden vaartuigen worden geladen en gelost. Ongetwijfeld werden via dit riviertje ook goederen uit Noord-Drenthe aangevoerd. We kunnen daarbij onder meer denken aan turf.

In de tweede plaats was de Abrug een belangrijke schakel in de landweg naar Noord- Drenthe en de streek ten westen en noordwesten van de stad. Het is bekend dat Groningen tot een stad kon uitgroeien door zijn bijzondere ligging op het noordelijke uiteinde van de Hondsrug. Hier bevonden zich koninklijke (later bisschoppelijke) en andere hoven, die als centrum dienden voor een wijde omgeving. Verschillende landwegen verbonden Groningen met de Friese landen in het westen, noorden en oosten. Aan de zuidzijde zorgde de Heerweg over de Hondsrug voor de verbinding met Drenthe dat, net zoals Groningen, sinds de elfde eeuw onder de bisschop van Utrecht ressorteerde. De Utrechtse kerk bezat daar vele goederen en de belangrijkste inwoners van het gebied onderhielden een feodale relatie met de bisschop. Ook voor hen was Groningen een belangrijk centrum.

De weg over de Hondsrug lag hoog en droog en was het hele jaar door te gebruiken. Dat kon niet gezegd worden van de tweede weg tussen Groningen en Drenthe, de route die bij de Abrug begon. Het gebied tussen Groningen en Peizerwold lag uitgesproken laag en stond gedurende het natte seizoen grotendeels onder water. Nog in de negentiende eeuw was dat de gewone situatie. Maar wie in de zomer vanuit Groningen naar Noord-Drenthe wilde, kon via de Abrug de Drentse A oversteken en de Hoenen- of Hoensloot in westelijke richting volgen. Dat was de sloot waarlangs de ten westen van de A gelegen weilanden, Noord- en Zuidhoen genaamd, op de A afwaterden. Even verderop moest men dan linksaf in de richting van de Hoornsedijk. Enkele honderden meters verder begon een ‘zuidwending’ (een dwars op een rivier – in dit geval de Drentse A of Hoornsediep – gelegde dijk), die op grond van zijn functie als verbindingsweg met Drenthe ‘Drentselaan’ werd genoemd. We kennen die weg nu als Peizerweg.3 Waarschijnlijk is deze weg ook gedurende enige tijd de beste verbindingsroute geweest tussen Groningen en Lieuwerderwolde (het gebied van Hoogkerk en Leegkerk). Vanaf de Hoensloot kon men ook naar het noorden. De Hogeweg leidde langs de westelijke dijk van het Reitdiep in de richting van Dorkwerd en Aduard.

Het grote belang van de Abrug is vermoedelijk ook de achtergrond geweest voor het ontstaan van de familienaam Ter Brugge. Het is aannemelijk dat de familie Ter Brugge, waarvan enkele leden dienst deden als schulte in Groningen en dus in relatie stonden met de landsheerlijke overheid, haar naam ontleent aan de brug over de A. Wanneer dit juist is, geeft dit weer aanleiding tot het vermoeden dat deze brug vanwege de bisschop of zijn prefect gecontroleerd moest worden, dat de Ter Bruggens daarbij betrokken waren en wellicht in de buurt van de brug hun ‘stamslot’ hebben gehad. In elk geval stond het huis van een zekere ‘Heino’ bij het perceel dat in 1263 werd verkocht. Op zichzelf zegt de naam ‘Heino’ niet veel, maar als ik erbij vertel dat een Heyno ter Brugge in de vijftiende eeuw genoemd wordt als zoon van de schulte in Groningen, er ook uit de zestiende eeuw enkele vermeldingen zijn van een Heyno ter Brugge, en we ons tegelijk realiseren dat het een belangrijk man moet zijn geweest die in 1263 met zijn voornaam voldoende was aangeduid, dan ligt het vermoeden voor de hand dat de Heino van 1263 een Ter Brugge is geweest.

3.

Zie over de Drentselaan/Peizerweg: Van den Broek 2007, 231.