Zoek op de website

De oorkonde van 1263 nader bekeken

De raadsheren in Groningen verkopen stukken grond aan Sibrandus Umelop en Otto Buninge, 14 februari 1263

De raadsheren in Groningen wensen allen die deze oorkonde zullen zien, heil in de waarlijk Heilzame.1

Met dit document verklaren wij dat wij aan onze dierbare medeburgers Sibrandus Umelop en Otto Buninge een perceel hebben verkocht uit het gemeenschappelijke grondbezit van de burgers. Het is gelegen op de oever van de rivier bij de brug, begint vanaf het oosten van de toren, is net zo breed als het perceel van Alard Swaneke, en loopt in de lengte tot aan het einde van het perceel waarop het huis van Heino is gelegen. Het perceel heeft een opening door de muur van de toren en aan de westzijde een weg die even breed is als die van Alard aan de andere kant van de brug.

We zullen ervoor zorgen dat niemand aan de west- en noordkant van dit perceel op enigerlei wijze zal bouwen.

Bovendien hebben we hun aan de andere kant van de rivier de dijk met de oever verkocht.

Derhalve hebben we, ten bewijze van de waarheid, dit geschrift aan hen gegeven, dat we bekrachtigd hebben door er het zegel van de burgers aan te hangen.

Gegeven in het jaar des heren 1262 op de dag van de martelaar Valentijn,*2 toen heer Geldmarus Remian, heer Thedricus van Helpman, heer Nicolaus Paus en Gerardus Huginge jr. rekenmeesters waren, en Udo, heer Sibrandus, zoon van vrouwe Tetta, Sibrandus van de Korenpoort, heer Johannes Folkardinge, heer Dodo Ebbinge, Menico Ricbadinge, Alardus Ulf, Gerardus Sculte, Johannes, zoon van heer Winrichus, Egbertus Pipe en Henricus van de Velde oldermannen waren.

Oorkondenboek van Groningen en Drente I, nr. 132.

Zoals gezegd kan er geen twijfel zijn over het feit dat de akte van 1263 betrekking heeft op de Abrug. Het stuk bevat verder allerlei interessante details die licht zouden kunnen werpen op de verdedigingswerken aan de westzijde van Groningen, ware het niet dat de interpretatie ervan zo onzeker is. Dit komt doordat de tekst kennis van de toenmalige
situatie ter plaatse vereist en het ons juist daaraan ontbreekt.

Zo lezen we dat het ‘op de oever van de rivier en bij de brug’ gelegen perceel ‘begint’ aan de oostkant van een toren, even breed is als het stuk grond van Alard Swaneke en zich in de lengte uitstrekt tot aan het einde van het perceel waarop ‘het huis van Heino’ staat. De dertiende-eeuwse Groninger wist aan de hand van deze gegevens precies waar het verkochte perceel lag. Wij weten niet eens of we het aan de noord- of aan de zuidzijde van de Brugstraat moeten zoeken. Zelfs de vraag of het perceel aan de west- of aan de oostzijde van de rivier heeft gelegen, valt aan de hand van deze tekst niet met zekerheid te beantwoorden.

Overdiep had aan deze onzekerheden geen boodschap. Onder verwijzing naar eerdere onderzoekers deelt hij mee dat de stadsmuur en dus ook de in de akte van 1263 genoemde toren aan de oostzijde van de A hebben gestaan.4 Ook voor Van Giffen en Praamstra was er geen twijfel mogelijk. Volgens hen heeft Groningen aan de oostzijde van de A nooit een verdedigingsgordel gehad, zodat het perceel bij de Abrug aan de westkant van de A moet hebben gelegen.5

Afgezien van de vreemde vooringenomenheid van Van Giffen en Praamstra met betrekking tot de (on)mogelijkheid van een stadsmuur op de oostelijke oever van de A, doet hun interpretatie geen recht aan de manier waarop de in 1263 verkochte percelen worden beschreven. Wie zich in gedachten naar het dertiende-eeuwse Groningen verplaatst, zal het normaal vinden wanneer een koopakte eerst melding maakt van het meest nabij gelegen en het meest gedetailleerd te beschrijven perceel en pas daarna een verder weg gelegen, minder belangrijk en minder nauwkeurig te omschrijven stuk grond noemt. Met andere woorden: het zou raar zijn als men met het in tweede instantie genoemde, ‘aan de andere kant van de rivier’ gelegen, stuk dijk-met-oever een perceel bedoelde dat aan de stadszijde van de A lag.

Het in de oorkonde als eerste genoemde perceel had – aldus de akte – ‘een opening door de muur van de toren’ en aan de westzijde een weg. Deze was net zo breed als de weg die langs het perceel van Alard Swaneke liep aan de andere kant van de brug. Voor ons, die niet weten waar de grond van Swaneke lag, kan met ‘de andere kant van de brug’ zowel de overkant van de Brugstraat bedoeld zijn als de andere oever van de A. Dit laatste kunnen we evenwel uitsluiten op grond van de manier waarop het als tweede genoemde stuk grond wordt beschreven dat bij dezelfde gelegenheid werd verkocht. Zoals we zagen ging het daarbij om een stuk dijk-met-oever waarvan gezegd wordt dat het ‘aan de andere kant van de rivier’ lag. De opsteller van de oorkonde had die plek in principe ook kunnen aanduiden met ‘aan de andere kant van de brug’. Het feit dat hij dat niet deed maakt duidelijk dat hij met de term ‘andere kant van de brug’ de overkant van de Brugstraat bedoelde. Het perceel van Alard Swaneke lag dus aan dezelfde kant van de rivier en tegenover het stuk grond dat aan Sibrand Umelop en Otto Buninc is verkocht.

Tenslotte merkten de verkopers, de raadsheren in Groningen, op dat zij ervoor zouden zorgen dat er aan de west- en noordzijde van het verkochte perceel niet zou worden gebouwd. De stadsbestuurders konden deze toezegging doen, doordat het hier om communale grond ging en zijzelf degenen waren die daarover uit naam van de hele Groninger gemeenschap het beheer voerden. Hun belofte helpt ons niet bij het beantwoorden van de vraag of het verkochte perceel ten noorden of ten zuiden van de Brugstraat lag, maar maakt wel duidelijk dat de weg die aan de westzijde van de ter weerskanten van de Brugstraat gelegen percelen liep, een openbare weg was. Die weg, zo luidde de toezegging dus, zou onbebouwd blijven.

De situatie bij de Abrug in 1263 ingetekend op de moderne stadsplattegrond. De situatie bij de Abrug in 1263 ingetekend op de moderne stadsplattegrond.

Reconstructie op basis van de akte van 14 februari 1263. Vooral ten noorden van perceel A is de situatie onzeker.
Het document betreft de verkoop van perceel A of B. De grootte ervan is niet bekend. De ligging van de verkochte grond wordt beschreven als ‘op de oever van de rivier, bij de brug, ten oosten van de toren’. Niet duidelijk is of het verkochte perceel ten noorden (A) of ten zuiden (B) van de Brugstraat lag. Ten westen ervan liggen een publieke weg (hier geel) en – vermoedelijk – de stadsmuur (donkerrood).

Wanneer het verkochte stuk grond aan de zuidzijde van de Brugstraat lag, betekent deze belofte dat ook de Brugstraat niet bebouwd zou worden. Dat lijkt een overbodige bepaling, maar helemaal ondenkbaar is ze niet. Wanneer daarentegen het verkochte perceel aan de noordzijde van de Brugstraat lag, is er geen sprake van overbodigheid. Aan de noordzijde van de straat heeft inderdaad één groot pand gestaan, ten noorden waarvan nooit iets anders is gebouwd. In 1454 lagen hier het huis en de hofstede van Hugo Nyetap, waarvan toen gezegd werd dat ze gelegen waren ‘op de stadsmuur ten noorden van de Apoort’.6 Om de toegang tot het Hoge der A vanaf de Brugstraat te verruimen heeft het stadsbestuur in 1765 besloten het betrokken pand aan te kopen en af te breken.7 Op Hugo Nyetaps huis en zijn ligging kom ik in het vervolg terug.

Het huis van Hugo Nyetap is ‘gelegen op der stad mure an die norder zijd van der Aepoerte.’ Uit GrA T172-171/342. Het huis van Hugo Nyetap is ‘gelegen op der stad mure an die norder zijd van der Aepoerte.’ Uit GrA T172-171/342.

Iets dergelijks is ook aan de zuidzijde van de straat gebeurd. Daar stond een drietal huizen tussen de A en de smalle gang die de Brugstraat met het Kleine der A of Katrijp verbond. Het meest westelijke huis (nu Brugstraat 34) en het middelste stonden op een perceel dat oorspronkelijk één geheel was. In 1787 wilde het stadsbestuur beide panden aankopen om ze af te breken en zo meer ruimte te scheppen. Het lukte echter niet om het middelste pand te verwerven, zodat het plan niet doorging.8 Later, in 1844, kocht het gemeentebestuur het meest oostelijke van de drie panden aan, dat op de westelijke hoek van de Brugstraat en de genoemde smalle gang stond. Door de sloop van dit pand kon een bredere toegang tot het Kleine der A tot stand worden gebracht.9

Abrug en Brugstraat op de vogelvluchtplattegrond van Braun en Hogenberg (1575). Links de Binnen-Apoort (gebouwd in 1517), onder de molen op de plaats waar de Ulentoren heeft gestaan. GrA T1536-5210 (detail). Abrug en Brugstraat op de vogelvluchtplattegrond van Braun en Hogenberg (1575). Links de Binnen-Apoort (gebouwd in 1517), onder de molen op de plaats waar de Ulentoren heeft gestaan. GrA T1536-5210 (detail).

De panden ten oosten van de Abrug, ter weerszijden van de Brugstraat. Uitsnede uit de vogelvluchtplattegrond van Egbert Haubois (1643). De panden ten oosten van de Abrug, ter weerszijden van de Brugstraat. Uitsnede uit de vogelvluchtplattegrond van Egbert Haubois (1643).

Er is te weinig informatie om deze jongere gegevens op een sluitende manier in verbinding te brengen met hetgeen we uit de akte van 1263 weten. Ook de vogelvluchtplattegronden van Braun en Hogenberg (c. 1575) en Egbert Haubois (c. 1635) helpen ons daarbij niet. De situatie die we daar zien is vermoedelijk veel later, in de vijftiende en zestiende eeuw, ontstaan. Bij Haubois zien we aan de noordkant van de Brugstraat een groot pand rechtstreeks uit het water oprijzen. De gotische hoofdgevel van dit huis staat aan de straatkant en wel op enkele meters afstand ten oosten van de brug. Het deel van de zuidgevel tussen de hoofdgevel en het water lijkt de zijkant te zijn van een aanbouw waarvan de daklijn haaks staat op die van het hoofdgebouw. Dezelfde situatie zien we aan de noordkant van hetzelfde pand. Zou deze opmerkelijke lay-out van het gebouw kunnen zijn ontstaan doordat het oorspronkelijke pand in westelijke richting is uitgebreid door het bebouwen van een aangrenzende strook grond? De plattegrond van Braun en Hogenberg doet hetzelfde vermoeden, maar weerspiegelt een vroeger stadium van de ontwikkeling. Ook hier zien we het oorspronkelijke pand op enige afstand van de rivier staan, met tussen het water en het hoofdpand een soort overkluisde gang. Er zijn geen schriftelijke bronnen bewaard gebleven die ons duidelijk maken wat hier is gebeurd. Wel is er, op een andere plek aan het Hoge der A, sprake van een vergelijkbare situatie. De ontwikkeling die zich daar heeft voorgedaan is wat beter gedocumenteerd en kan ons wellicht helpen bij het verklaren van de situatie aan de Brugstraat. Ik kom daarop in het vervolg terug.

Aan de ‘overkluisde gang’ ten noorden van de Brugstraat beantwoordt een smalle onbebouwde strook langs het aan de zuidkant van de straat gelegen huis (Brugstraat 34). Deze strook is op de plattegrond uit 1575 beter te zien dan op die van Haubois, maar ontbreekt ook daar niet. Overigens bestaat diezelfde situatie ook nu nog.

Nog altijd is er een smalle ruimte tussen het pand Brugstraat 34 en de rivier (maart 2013). Nog altijd is er een smalle ruimte tussen het pand Brugstraat 34 en de rivier (maart 2013).

Vooruitlopend op het aangekondigde bewijs voor de stelling dat het in 1263 verkochte perceel aan de oostzijde van de A lag, kunnen we de belangrijkste punten uit de akte van 1263 als volgt samenvatten. Op de oostelijke oever van de A, ten noorden of ten zuiden van de Brugstraat, heeft een toren gestaan. Deze grensde aan het perceel dat werd verkocht. Een stadspoort en stadsmuur worden niet vermeld, wel een ‘muur van de toren’ met een hostium (‘mond’ of opening) daarin. Verder is er sprake van een weg met een openbare functie, die zowel ten noorden als ten zuiden van de genoemde straat op de oostelijke oever lag, tussen het water en de percelen ten noorden en zuiden van de Brugstraat.

Op grond van het bovenstaande is het vermoeden gerechtvaardigd dat er in de dertiende eeuw – anders dan Van Giffen en Praamstra ons willen doen geloven – wel degelijk een stadsmuur heeft gestaan op de oostelijke oever van de A. Dat de muur in de akte van 1263 niet expliciet wordt vermeld is verklaarbaar: het aan Umelop en Buninc verkochte perceel
grensde immers niet aan de stadsmuur. Tussen de muur en het perceel bevond zich de ‘stadsweg’ die overal aan de binnenzijde van de stadsmuur liep en een defensieve functie had. Wanneer de vijand zich voor de muur vertoonde, moesten de verdedigers de muur gemakkelijk kunnen bereiken en was het van belang dat ze zich ongehinderd van de ene toren naar de andere konden reppen.

Of er in 1263 al sprake is geweest van een echt stenen poortgebouw zoals we die van latere plaatjes kennen, is de vraag. De tekst van de akte vermeldt geen poort. Maar als er aan de oostzijde van de brug een muur heeft gestaan, dan moet daarin een doorgang hebben gezeten en ligt het ook voor de hand dat deze afsluitbaar en verdedigbaar is geweest. Eén of twee torens naast de opening in de muur is wel het minste wat we kunnen verwachten. Of men zo’n beveiligde doorgang een stadspoort mag noemen is dan verder een zaak van nomenclatuur. Om de zaak niet al te ingewikkeld te maken duid ik deze oudste Apoort aan als de ‘Binnenste Apoort’.

1.

Jezus Christus.

2.

In de tijd dat deze oorkonde werd uitgevaardigd begon het nieuwe kalenderjaar niet op 1 januari, maar met Pasen. Sint Valentijnsdag (14 februari) 1262 viel in het laatste kwartaal van het kalenderjaar dat op Pasen 1262 was begonnen. De datum 14 februari 1262 van de akte is dus gelijk aan ‘onze’ datum 14 februari 1263.

4.

Overdiep 1984, 28.

5.

Van Giffen en Praamstra 1962, 127.

6.

Akte van 5 december 1454 (GrA T172-171/324).

7.

Geheime resoluties van burgemeesters en raad van 31 januari 1765 (GrA T1605-317/4), resoluties van burgemeesters en raad van 20 en 21 maart 1765 en 28 mei 1766 (GrA T1605- 314/44).

8.

Lonsain 1939, 26.

9.

Besluiten van de gemeenteraad van 27 januari en 27 april 1844 (GrA T1399-11).